Você está na página 1de 232

Piet Bruins

Yo van Dijk
Carola van Dongen-Visser
Gien Fortuin
Jan Harbers
Jasper de Jong
Sjaak de Jong
Marion ter Maten-van der Zwan
Teun Pieters
Erik Schutte
Bram van der Wal
Eddy Woortman

Maurits Hartendorp
Jon van der Meulen

Pulsar
nask
vmbo – kgt
deel 1 – 2
uitwerkingen

Wolters-Noordhoff Groningen
Inhoudsopgave

Hoe werk je met Pulsar? 6 Licht


1 Jij als onderzoeker 6.1 KNOW-IT Zien
6.2 KNOW-IT Schaduwen
1.1 KNOW-IT Onderzoeken en ontdekken 6.3 KNOW-IT Spiegelen
1.2 KNOW-IT Het lab 6.4 KNOW-IT Lenzen
1.3 KNOW-IT Schatten en meten 6.5 KNOW-IT Filmen met je ogen
VERDIEPING Sporenonderzoek VERDIEPING Goocheltrucs en gezichtsbedrog

2 Verbranden en verwarmen 7 Krachten


2.1 KNOW-IT Temperatuur meten 7.1 KNOW-IT Soorten Krachten
2.2 KNOW-IT Warmtebronnen 7.2 KNOW-IT Krachten meten
2.3 KNOW-IT Een warm huis 7.3 KNOW-IT Krachten in evenwicht
2.4 KNOW-IT Warmte binnenhouden 7.4 KNOW-IT Hefbomen
2.5 KNOW-IT Gevaarlijke warmte: brand! VERDIEPING Je lijf in evenwicht
VERDIEPING Brandwerende materialen

8 Bewegen
3 Water
8.1 KNOW-IT Kracht en beweging
3.1 KNOW-IT Water, water, water 8.2 KNOW-IT Snelheid
3.2 KNOW-IT Water zuiveren 8.3 KNOW-IT Reactie en remmen
3.3 KNOW-IT Stoffen scheiden 8.4 KNOW-IT Veiligheid
3.4 KNOW-IT Zure mengsels VERDIEPING De lucht in
VERDIEPING Deltawerken

9 Stoffen
4 Geluid
9.1 KNOW-IT Stoffen en materialen
4.1 KNOW-IT Geluid horen en maken 9.2 KNOW-IT Mengsels
4.2 KNOW-IT Geluidssterkte 9.3 KNOW-IT Stoffen in voedsel
4.3 KNOW-IT Hoge en lage tonen 9.4 KNOW-IT Afval
4.4 KNOW-IT Beeld en geluid VERDIEPING Kleurstoffen
VERDIEPING Onzichtbaar communiceren

5 Elektriciteit
5.1 KNOW-IT De stroomkring
5.2 KNOW-IT Spanningsbronnen
5.3 KNOW-IT Schakelingen
5.4 KNOW-IT Elektromagnetisme
5.5 KNOW-IT Elektriciteitsverbruik
VERDIEPING Spanning en sensatie

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


Hoe werk je met Pulsar?

1 Omcirkel. Goed of fout?


a In het activiteitenboek staan de opdrachten. goed / fout
b Er staat een Oefentoets van het hoofdstuk op ICT. goed / fout
c In de verdieping staat leerstof die iedereen moet leren. goed / fout

2 Je kunt op verschillende manieren met de methode werken.


a Als je de Do-it maakt, waar kun je dan de ondersteunende leerstof vinden?
In je leerboek

b Omcirkel. Wat maak je zodra je een Do-it of een paragraaf af hebt?

Test jezelf / Oefentoets / Verdieping

3 Trek een lijn tussen het woord en de betekenis die erbij hoort.

Om te onthouden Opdrachten waarin je een onderzoek of experiment uitvoert.

Verdieping Hierin is de belangrijkste leerstof samengevat.

Do-it Een moeilijker onderwerp krijgt hier speciale aandacht.

Paragraaf Activiteit die je doet om de leerstof te verwerken.

Practica Hierin staat de leerstof.

4 a Waaraan herken je belangrijke woorden in de tekst?


Die zijn vet gedrukt

b Alle begrippen in het leerboek staan bij elkaar in de Begrippenlijst.


Op welke bladzijde in je leerboek begint deze Begrippenlijst?
216

c Achter in je leerboek staan Checklisten. De Checklisten helpen je om een


vaardigheid die je vaak moet doen, goed uit te voeren.
Welke checklisten staan er achter in je leerboek?
Hoe werk je met een brander?

Lijngrafieken

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


1 JIJ ALS
ONDERZOEKER
1.1 Onderzoeken en ontdekken
1 Mijn antwoord op de introvraag is:
A door de stuwkracht van de grote vlam
B Doordat de lucht in de ballon warmer is dan de lucht buiten de ballon.
C door de wind en de vorm van de ballon

2 Zet de zinnen over de ontdekking van de luchtballon in de juiste volgorde.

1 ‘Zou de luchtballon ook mensen de lucht in krijgen?’


2 ‘De ballon ging ook omhoog door hete lucht.’
3 ‘We gaan proeven doen met veel stinkende rook.’
4 ‘Ze deden de proef ook met vuur zonder rook.’
5 ‘Zal het door de stinkende rook van de open haard komen?’

De juiste volgorde van de zinnen is:


5 3 4 2 1

3 Hoe deden de ontdekkers van de luchtballon hun ontdekking?


A Ze waren verbaasd, stelden een vraag en gingen proeven doen.
B Omdat ze dat moesten van de directeur van de papierfabriek waar ze
werkten.
C Nadat ze gelezen hadden hoe de luchtballon werkte, gingen ze er een
maken.

4 Wie gingen voor het eerst met de ballon een proefvaart maken?
A Gevangenen, die daarna als beloning vrijgelaten werden.
B Een haan, een eend en een schaap.
C De broers Montgolfier zelf.

5 Wat is een ander woord voor experiment? Omcirkel het juiste woord.
enquête ontdekkingsreis proef raadsel uitvinding

6 Er zijn verschillende redenen waarom je onderzoek doet.


A Waarom deden de broers Montgolfier onderzoek?
Zij wilden weten waarom de zak omhoog ging.
B In bron 2 doen ze onderzoek om er rijker van te worden.

4 >> 1 Jij als onderzoeker Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv
7 In de tabel hieronder staan nog meer voorbeelden van proeven.
Zet een kruisje in kolom 2, 3 of 4, of vul de laatste kolom in.

nieuws- geld wereld een andere reden,


gierigheid verdienen beter maken namelijk…..
proeven met de luchtballon ✗
botsproeven doen met auto’s veiligheid
deodorant testen op geur ✗
onderzoeken of medicijnen
wel werken

stenen op de maan onderzoeken ✗

8 Blader gedurende tien minuten rustig door je leerboek en door je activiteiten-


boek.
Bij welke onderdelen doe je onderzoek? Omcirkel de juiste onderdelen.
DO-IT TEST JEZELF VRAGEN EN OPDRACHTEN PRACTICUM VERDIEPING

9 a Maak hieronder jouw top drie van de do-its. Schrijf de titels boven blok 1, 2
en 3.
b En welke practica denk je zijn het leukst om te doen? Schrijf de titels in
blok 1, 2 en 3.
Eigen antwoord.

Eigen antwoord.
Eigen antwoord.

1
2 3
Eigen antwoord. Eigen antwoord. Eigen antwoord.

10 Als je een onderzoek gaat doen, dan doe je dat om iets te weten of om te ont-
dekken. Je stelt dus eerst een vraag. Een vraag aan het begin van een onderzoek
heet
A startvraag.
B onderzoeksvraag.
C beginvraag.

11 Tijdens een onderzoek doe je waarnemingen.


Wat zijn voorbeelden van waarnemingen?
Maak de hokjes voor de goede voorbeelden groen.
■ Je ziet dat de ballon stijgt.
❑ Je vraagt je af waarom een ballon omhoog gaat.
■ Je ruikt dat de geur van jouw deodorant na een tijdje minder sterk wordt.
■ Je hoort dat het geluid van de ene koptelefoon harder is dan van de andere
koptelefoon.
■ Je proeft je zelfgemaakte frisdrank.
❑ Je schrijft de conclusie op.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 1 Jij als onderzoeker >> 5
Uitvindingen van naam

12 Veel uitvindingen zijn genoemd naar hun uitvinder. Of de naam heeft er iets
mee te maken.
Zet de volgende uitvindingen op de juiste plek in de tabel.
brailleschrift voor blinden, zeppelin (luchtschip), revolver, saxofoon, thermometer,
morsecode, voetbalschoen, dieselmotor, bunsenbrander.

jaartal uitvinding uitvinder


1714 thermometer D.G. Fahrenheit
1829 brailleschrift voor blinden L. Braille
1835 revolver S. Colt
1838 morsecode S.F.B. Morse
1846 saxofoon Adolphe Sax
1855 bunsenbrander R.W. Bunsen
1892 diesel moter R. Diesel
1900 zeppelin (luchtschip) F. von Zeppelin
1948 voetbalschoen Adi Dassler

13 Hieronder zie je uitvindingen van de eeuw waarin jij geboren bent en iets eerder.
Puzzel uit in welke volgorde de uitvindingen zijn gedaan.
Zet de letter van de uitvinding in de balk onder het plaatje.
Als je het goed gedaan hebt, dan vormen de letters een woord.

U P
C
M
y= win zo trac gra

2nd mod del

alph xt,0 stat

math mtrx prgm var clea

x-1 sin cos tan ^

x2 , ( ) ÷

loc 7 8 9 ×

ln 4 5 6 –

stop 1 2 3 +
A on 0 . (–) entr

R I

1893 1903 1914 1923 1945 1946 1972 1979 1999


P R A C T I C U M

6 >> 1 Jij als onderzoeker Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv
1.1 Test jezelf
1 Sommige ontdekkingen ontstonden toevallig.
Als er wat gebeurt, dan kun je iets ontdekken door heel goed te kijken, te horen
of te ruiken.
Zien, horen en ruiken zijn voorbeelden van
A proeven doen.
B waarnemen.
C verslag schrijven.

2 Verbind de woorden die hetzelfde betekenen met een lijntje.

laten zien aan de klas verslag

verhaaltje plus tekeningen proef

experiment demonstratie

ontdekker uitvinder

3 Als de zin juist is, dan kleur je de smiley groen. Bij een foute zin kleur je de
weepy rood.
1 Een verslag begint met de conclusie. ☺ 
2 Boven een verslag staat een titel.
groen ☺ 
3 Bij ‘waarnemingen’ mag je ook een tekening maken. ☺  rood
4 In je conclusie geef je antwoord op je onderzoeksvraag. ☺ 
5 Een demonstratie is hetzelfde als een verslag. ☺ 

4 Wat zijn voorbeelden van onderzoeksvragen?


Kleur het hokje voor elke goede onderzoeksvraag groen.
■ Waardoor gaat een luchtballon omhoog?
❑ Hoeveel is 9 × 2?
■ Wordt olie sneller heet dan water?
■ Welke soorten hout drijven in water?
❑ De ballon knalt niet als je hem met water vult.
❑ Hoelang heb je over het practicum gedaan?
■ Kan een grote ballon een kleine ballon opblazen?

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 1 Jij als onderzoeker >> 7
1.1 Practicum
1 Een theezakje als heteluchtballon

Wat ga je onderzoeken?
Je gaat onderzoeken wat er gebeurt als je een
leeg theezakje aansteekt.

Wat heb je nodig?


• theezakje
• lucifers
• onbrandbare ondergrond (tegeltje)

Wat moet je doen?


a Maak het zakje voorzichtig los en haal de thee
eruit.
b Maak van het zakje een kokertje.
c Zet het kokertje rechtop op het tegeltje.
d Steek het kokertje aan de bovenkant aan.

Wat zijn je resultaten?


Wat gebeurt er als je een leeg theezakje aan-
steekt?
Het theezakje gaat omhoog

Wat is je conclusie?
Het theezakje stijgt. Dat komt door
De hete lucht boven het vlammetje. Deze
hete lucht stijgt op. De hete luchtstroming
neemt het theezakje mee omhoog.

8 >> 1 Jij als onderzoeker Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv
1.2 Het lab
1 Mijn antwoord op de introvraag is:
A Iemand richt de opening van de reageerbuis op de docent.
B Iemand houdt een glazen reageerbuis in een hete vlam.
C Er is iemand zonder veiligheidsbril aan het werk.

2 Schrijf vijf verschillen op tussen jouw practicumlokaal en het laboratorium op


de foto bij de introvraag.
1 Eigen antwoord.
2

3 Teken een plattegrond van het practicumlokaal waarin je les krijgt.


Geef aan waar materialen voor de veiligheid zich bevinden.

Eigen antwoord.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 1 Jij als onderzoeker >> 9
4 Vul de namen van de genummerde plaatjes in het kruiswoorddiagram in.

2 4
1 3

5 7

1v e i l i g h e i d s 2b r i l
r
3r
e a g e e r b u i s
n
4
n o o d s t o p
b 5
b
6e r l e n m e y e r
u a
7b e k e r g l a s n
s d
8 e
t h e r m o m e t e r
r r

5 Geef van de volgende beweringen aan of ze goed of fout zijn.


a Een gele vlam is heter dan een blauwe vlam. ❑ goed ■ fout
b Een gele vlam heet ook wel pauzevlam. ■ goed ❑ fout
c Hoe meer lucht er bij gas komt, hoe slechter het gas brandt. ❑ goed ■ fout
d Aan een brander zit maar één draaiknop ❑ goed ■ fout
geel blauw
6 a Geef de vlammen op de foto de juiste kleur. blauw
b Trek een lijntje naar de luchtring van de linker brander.
Schrijf op de lijn: luchtring.
c Trek een lijntje naar de gasregelschroef van de linker
brander. lichtblauw
Schrijf op de lijn gasregelschroef.

luchtring

gasregelschroef

10 >> 1 Jij als onderzoeker Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv
7 Lees de afspraken over werken in het practicumlokaal.
Welke drie afspraken vind jij het belangrijkst?
1 Eigen antwoord.
2

8 a Welke veiligheidsvoorziening zie je in bron 5?


noodstop
b Wanneer gebruik je deze voorziening?
om in één keer alle elektriciteit uit te schakelen, als dit nodig is.

9 Kleur de gevarensymbolen oranje. Schrijf de betekenis onder de symbolen.

milieugevaarlijk irriterend giftig

bijtend of corrosief licht ontvlambaar

Veiligheidspictogrammen

10 Maak in de vakken een ontwerp voor:

Eigen antwoord. Eigen antwoord.

a een pictogram dat betekent: veiligheidsbril b een gevarensymbool voor een shampoo die
verplicht. in je ogen prikt.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 1 Jij als onderzoeker >> 11
1.2 Test jezelf
1 Welk woord hoort bij welk plaatje? Schrijf het nummer achter het woord.

2 4 bekerglas 7
1 3
brandblusser 2
brander 5
erlenmeyer 6
noodstop 4
5 7 reageerbuis 3
6 thermometer 8
veiligheidsbril 1
8

2Geef van de veiligheidsregels aan of ze wel of niet gelden in een practicumlokaal.


Je mag geen jas aan. ja nee
Je mag nooit aan een stof ruiken of van een stof proeven. ja nee
Je mag niet praten tijdens het proeven doen. ja nee
Je moet je veiligheidsbril opzetten als je iets verwarmt in een reageerbuis. ja nee
Je mag nooit zomaar een gaskraan opendraaien. ja nee

3 Met je brander kun je drie soorten vlammen maken.


Welke vlam is het heetst?
A de blauwe vlam
B de gele vlam
C de ruisende vlam
D Alle vlammen zijn even heet.

4 Oliver heeft een blauwe vlam nodig om wat water in een reageerbuis te ver-
warmen.
Oliver maakt een blauwe vlam door
A de gasregelschroef zo ver mogelijk open te zetten en de luchtring dicht te laten.
B voor precies gelijke hoeveelheden gas en lucht te zorgen.
C alleen de luchtring open te zetten en dan langzaam de gasregelschroef
steeds verder open te draaien.
D eerst een gele vlam te maken en dan langzaam de luchtring naar beneden te
draaien.

5 Wat mag je NIET doen als je water in een reageerbuis verwarmt?


A De buis in de vlam houden.
B Een lichtblauwe vlam gebruiken.
C Je veiligheidsbril pas opzetten als het water gaat koken.

6 Verbind de woorden met de bijbehorende gevarensymbolen.

giftig brandbaar irriterend bijtend

12 >> 1 Jij als onderzoeker Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv
1.3 Schatten en meten
1 Mijn antwoord op de introvraag is:
A ongeveer 1 kg
B ongeveer 200 kg
C Precies 0 kg, want lucht weegt niets.

2 Gebruik GEEN liniaal. Welke lijn is het langst: A, B of C? Omcirkel wat juist is. Eigen antwoord.
A A B

3 Welke cirkel is het grootst: cirkel A of cirkel B? Eigen antwoord.

4 Meet nu met een liniaal de lengte van de lijnen en de diameter van de cirkels op.
Wat is je conclusie?
Alle lijnen zijn even lang (7,1 cm)
De diameters zijn even groot (2,3 cm)

5 Vul de tabel verder in.


meetinstrument Wat meet je met het meetinstrument?
liniaal, meetlint lengte
weegschaal/balans massa
stopwatch tijd
maatcilinder volume
thermometer temperatuur

6 Bedenk twee metingen die de meters in bron 2 kunnen verrichten.


Voorbeelden van mogelijke antwoorden zijn:
– hoogtemeting
– meting van de snelheid t.o.v. de aarde
– stand van het vliegtuig t.o.v. de horizon
– meting van de buitentemperatuur

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 1 Jij als onderzoeker >> 13
7 Vul de tabel op de grijze vlakjes verder in.

wat je meet veel gebruikte eenheden afkorting


standaardeenheid
tijd jaar
maand
week
dag
uur
minuut
seconde s
lengte millimeter mm
centimeter cm
decimeter dm
meter m
kilometer km
volume liter L
kubieke decimeter dm3
milliliter mL
kubieke centimeter cm3
massa milligram mg
gram g
kilogram kg
gewicht Newton N
temperatuur graad celcius °C

8 In het plaatje hieronder staan drie fouten.


Omcirkel de fouten in het plaatje. Schrijf er naast wat er fout is.

kg

1 dm3
moet veel groter zijn
bijvoorbeeld 1 m3

een volle vuilniszak


is veel lichter dan
90 kg

14 >> 1 Jij als onderzoeker Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv
9 In welke rij staan alleen eenheden?
A lengte, temperatuur, kilogram
B meter, kilogram, seconde
C lengte, temperatuur, stopwatch
D milimeter, gram, lengte

10 Reken om:
1000 g = 1 kg
1500 g = 1,5 kg
500 g = 0,5 kg
100 g = 0,1 kg
2L = 2.000 mL
0,005 L = 5 mL

11 In een tablet van een pijnstiller zit 0,5 g paracetamol en 20 mg codeïne.


Waarvan zit er meer in het tablet?
A paracetamol
B codeïne
C Dat kun je niet zeggen, want g en mg zijn verschillende eenheden.

12 Uit een 1,5 L fles cola schenk je 7 glazen. Hoeveel cola zit ongeveer in 1 glas?
A ongeveer 20 mL
B ongeveer 200 mL
C ongeveer 10,5 mL

13 In een maatcilinder zit 50 mL water. Een leerling doet vijf knikkers bij het water.
Het waterpeil staat nu bij 56 mL. Het volume van 1 knikker is:
A 1,2 cm3
B 11,2 cm3
C 1,2 g

14 Waarom maak je van de getallen in een tabel ook nog een grafiek?
Maak de rondjes voor de juiste redenen groen.
❍ In een grafiek zijn eenheden niet belangrijk.
❍ In een grafiek staan de getallen nauwkeuriger.
● In een grafiek kun je meteen zien hoe iets verandert.
● In een grafiek kun je ook andere getallen aflezen die niet in de tabel staan.
❍ In een grafiek zijn getallen helemaal onbelangrijk.

15 Welke twee soorten grafieken staan in bron 7?


lijn- grafiek en staaf- diagram.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 1 Jij als onderzoeker >> 15
16 Teken naast de tabel een staafgrafiek van de volgende gegevens.
16

leerlingen –>
schoenmaat aantal
leerlingen 14
met die
schoenmaat 12

36 6 10
37 12
8
38 15
6
39 6
40 5 4

41 2 2
42 2
0
43 36 37 38 39 40 41 42 43 44
44 1 schoenmaat –>

17 Je tekent een lijngrafiek in een aantal stappen. Zet de nummers voor de volgende
stappen in goede volgorde.
1 punten of kruisjes zetten
2 lijn trekken
3 assen tekenen
4 getallen en eenheden bij de assen zetten
Schrijf de goede volgorde op van wat je moet doen om een goede lijngrafiek te
tekenen.
3 4 1 2

18 Maak in het diagram een lijngrafiek van de gegevens van de tabel in bron 7.
Denk aan de juiste indeling van de assen, en wat je bij de assen schrijft.

tijd massa 600


massa (kg) –>

( jaar) (kg)
1 80 500

2 160
400
3 320
4 350 300
5 370
6 390 200

7 400
100
8 400
9 400 0
1 2 3 4 5 6 7 8 9
tijd (jaar) –>

16 >> 1 Jij als onderzoeker Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv
Meten met je lichaam
19 Meet met jouw eigen lichaamsmaten.
a Hoeveel span is jouw tafel breed? span
b Hoeveel palm is jouw tafel breed? palm
c Hoeveel duim is jouw tafel breed? duim
Eigen antwoord.
d Hoeveel voet is jouw lokaal lang? voet
e Hoeveel vadem is jouw lokaal lang? vadem
f Hoeveel el is jouw lokaal lang? el

20 Vergelijk jouw antwoorden met de antwoorden van een andere leerling.


a Zijn de getallen gelijk? ja / nee
b Hoe kan dat?
Lichaamsmaten zijn bij iedereen verschillend.

21 Een tijdmachine beamt jou terug naar de tijd van je overgrootmoeder.


Je koopt daar op de markt 10 el stof.
1 el kost 2 florijnen.
Er staan twee verkopers: een grote verkoper en een kleine.
Bij welke verkoper is de prijs per meter het hoogst?
A bij de grote verkoper
B bij de kleine verkoper
C bij beide verkopers gelijk
D Dat is niet te zeggen.

22 a Maak het rijtje met kledingmaten af: S – M – L – XL – XXL – XXXL


b Waarom kun je deze maten wel goed voor kleding gebruiken, maar minder
goed voor schoenen?
schoenen moeten precies om je voet passen

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 1 Jij als onderzoeker >> 17
1.3 Test jezelf
1 Hier staan enkele zinnen over schatten en meten.
Kleur de smiley groen als de zin goed is. Bij een foute zin kleur je de weepy
rood.
a Meten gaat sneller dan schatten. groen ☺ 
b Meten is betrouwbaarder dan schatten. ☺  rood
c Meten doe je altijd met een liniaal. ☺ 
d De eenheid van temperatuur is de ˚C. ☺ 
e Van meetresultaten maak je eerst
een grafiek en daarna een tabel. ☺ 

2 Ibrahim heeft een grafiek van zijn meetresultaten van een proef gemaakt.
massa (kg) –>

1 2 3 4 5 6 7 8 9
tijd (cm ) –>

a Staan bij beide assen getallen? ja nee


b Staan bij beide assen de juiste eenheden? ja nee
c Zijn de meetwaarden getekend als duidelijke punten? ja nee
d Is de lijn goed getekend? ja nee

3 Verbeter de fouten in de grafiek.


– tijd in seconden, minuten of uren
– of ‘cm’ is goed en dan moet het ‘lengte’ zijn
– getallen op linker verticale as.
bijvoorbeeld 0, 1, 2, 3, 4, 5, 6
of 0, 5, 10, 15 etc.
– horizontale as moet bij 0 beginnen en niet bij 1.
– vloeiende lijn langs de punten tekenen

18 >> 1 Jij als onderzoeker Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv
1.3 Practicum
1 Een éénsecondenslinger

Wat ga je doen?
Je gaat een slinger maken die precies 60 keer per minuut heen en weer slingert.

Wat heb je nodig?


• garen of vislijn
• massablokjes
• stopwatch

Wat moet je doen?


a Knip van het touw of vislijn stukken van verschillende lengte. De langste
slinger is 1,5 m; de kortste is 15 cm.
b Maak aan de uiteinden van elk touwtje een ringetje.
c Hang een ringetje aan het statief. Hang aan het andere ringetje een zwaar
voorwerp.
d Laat de slinger tien keer slingeren. Neem de tijd op.
e Zet je gegevens in een tabel.
f Herhaal de proef met slingers van een andere lengte.
g Zet je gegevens in de tabel en maak van de gegevens een grafiek.
h Onderzoek of de slinger sneller of langzamer gaat als je meer massablokjes
aan de slinger hangt.

Wat zijn je resultaten?


20 lengte tijd
tijd (s) –>

(cm) (s)
18
0
16
10
14
20
12
30
10
40
8
50
6
60
4
70
2
80
0
0 20 40 60 80 100 120 140 90
lengte (cm) –> 100
Was er een van de slingers die precies 60 × in een minuut heen en weer ging? 110
Ja / nee Eigen antwoord.
120
Zo nee, maak die dan nu. Lees in jouw grafiek hoe lang de slinger moet zijn.
130
Wat is je conclusie?
140
De snelheid waarmee een slinger heen en weer gaat, hangt af van:
150
A hoeveel massa je aan de slinger hangt
B de lengte van de slinger

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 1 Jij als onderzoeker >> 19
Sporenonderzoek
1 Wat is een forensisch laboratorium?
A Een laboratorium dat onderzoek doet in samenwerking met de politie.
B Een laboratorium aan de rand van de stad.
C Een laboratorium waar alleen forenzen werken.
D Een laboratorium waar geen dierproeven worden gedaan.

2 In bron 1 zie je voorbeelden van onderzoeksvragen van onderzoeken in een


forensisch laboratorium.
Bedenk drie andere onderzoeksvragen.
Eigen antwoord.

3 Overleg met een andere leerling op welke onderzoeksvraag uit bron 1 jullie een
antwoord willen gaan zoeken. Bedenk dan hoe je je onderzoek gaat uitvoeren,
en wat je daarvoor nodig hebt.
Onze gekozen onderzoeksvraag luidt:
Eigen antwoord.

We gaan het onderzoek als volgt uitvoeren:


Eigen antwoord.

20 >> 1 Jij als onderzoeker Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv
4 Wat is de beste beschrijving van biometrie?
A Het meten met menselijke maten.
B Het beschrijven van mensen aan de hand van lichamelijke kenmerken.
C Metingen die je tijdens de biologieles doet.

5 Maak van je linkerwijsvinger en je rechterwijsvinger een vingerafdruk in de


hokjes hieronder.
Gebruik een balpen of viltstift om je vingertoppen te kleuren.
Maak eerst enkele proefafdrukjes op een kladblaadje.

links rechts

Eigen antwoord. Eigen antwoord.

Geef in een ander kleurtje zoveel mogelijk verschillen tussen de twee afdrukken
aan.

6 Bekijk het microscoopbeeld van de twee haren van bron 3. Je ziet hetzelfde
beeld hieronder in zwartwit.

Het beeld dat je ziet, is in werkelijkheid 0,1 mm hoog.

Teken verticaal een lijn. Verdeel de lijn zo nauwkeurig mogelijk in 10 gelijke


stukjes. Ieder stukje is dan in werkelijkheid 0,1 mm.
Meet zo nauwkeurig mogelijk de dikte van de bovenste haar en de dikte van de
onderste haar.
Dikte bovenste haar 0,05 mm. Dikte onderste haar 0,09 mm

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 1 Jij als onderzoeker >> 21
7 Kunnen de haren van dezelfde persoon zijn? ja / nee
Leg uit waarom je dat vindt.
Er zijn verschillen zichtbaar, maar deze verschillen kunnen ook veroorzaakt worden doordat hoofd-,
snor-, borst- en schaamhaar van dezelfde persoon niet hetzelfde zijn.

8 Een elektronenmicroscoop vergroot veel meer dan de microscopen op jouw


school. Een elektronenmicroscoop kan wel enkele duizenden keren vergroten.
Wat herken jij in onderstaande beelden?
Omcirkel het juiste antwoord.

1 2 3
A mier bij de kleinste motor A een stukje klittenband A schimmel op kaas
ter wereld B een poot van een vlieg B bloedcellen
B een luis C meeldraden van een madeliefje C stof uit een condensdroger
C een vliegje in een horloge

22 >> 1 Jij als onderzoeker Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv
2 Verbranden en
verwarmen
2.1 Temperatuur meten
1 Mijn antwoord op de introvraag is:
A in de oven, in de keuken, in de koelkast en van je lichaam
B alleen van je lichaam en in de keuken
C alleen van je lichaam

2 Je wandelt in de sneeuw. Je gaat het huis in. Je vindt het warm in huis. Toch is
het niet warm in huis.
Leg uit waardoor het komt dat je het warm vindt in huis.
De temperatuur in huis is hoger dan buiten, daardoor lijkt het warm aan te voelen in huis.

3 Waarmee meet je de temperatuur?


a Je meet de temperatuur met een thermometer.
b Op dit instrument is de temperatuur aangegeven in de eenheid graden Celsius (°C)

4 Kun je met je handen de temperatuur van een babybadje nauwkeurig bepalen?


ja / nee

5 Welke temperaturen zijn volgens de thermometer


hiernaast, geschikt voor een babybadje?

❑ 30 °C ✗
❑ 31 °C ✗
❑ 32 °C ✗❑ 33 °C

❑ 34 °C ❑ 35 °C ✗
✗ ❑ 36 °C ✗
❑ 37 °C

❑ 38 °C ❑ 39 °C ❑ 40 °C ❑ 41 °C

6 Welke temperatuur hoort bij welke situatie?


Verbind wat bij elkaar hoort.
bad thermometer
koelkast –18 °C

heteluchtoven 37 °C te koud ideaal te heet


(onder 26˚C) (26˚C-38˚C) (boven 38˚C)

huiskamer ’s winters 220 °C

water in babybad 20 °C

tropische zomerdag 4 °C

diepvries 30 °C

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 2 Verbranden en verwarmen >> 23


7 Ga de eigenschappen na van de thermometers op de foto’s.
Noteer je antwoorden onder de foto’s. Let op: je kunt niet alle gegevens uit de
foto’s halen.

digitaal? ja / nee ja / nee ja / nee ja / nee


meetbereik van 35 °C tot 45 °C van –50 °C tot 50 °C van –8 °C tot 55 °C
kleinste ver-
deling op
de schaal 0,1 °C 1 °C 1 °C 1 °C

8 Voor elk gebruik is wel een thermometer.


Welke thermometer gebruikt de vakman voor zijn metingen?
Verbind wat bij elkaar hoort.

huisarts thermometer met meetbereik tot 10 000 °C

badmeester digitale koortsthermometer

vulkanoloog thermometer met meetbereik tot 20 °C

visboer thermometer met meetbereik tot 40 °C

9 Omcirkel het goede antwoord.


a Een vloeistof die warmer wordt, zet uit / krimpt.
Een vloeistof die afkoelt, zet uit / krimpt.
b Een thermometer heeft een reservoir. In het reservoir
bevindt zich water / alcohol.

10 Teken in de figuur een schaalverdeling van 10 °C tot 40 °C. 40˚C


Neem voor 1 °C een afstand van 1 mm.
Zet grote strepen in stappen van 10 °C.
30˚C
Zet kleine strepen in stappen van 5 °C.

20˚C

10˚C

24 >> 2 Verbranden en verwarmen Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


11 Op de foto zie je links een buitenthermometer en rechts een oventhermometer.
Vul in:
a Met de oventhermometer kun je temperaturen
meten van 0 °C tot 300 °C
b Met de buitenthermometer kun je temperaturen
meten van –30 °C tot 40 °C
c Welke temperatuur geeft elke thermometer aan?
De oventhermometer wijst 20 °C aan.
De buitenthermometer wijst 22 °C aan.

12 Lees de volgende thermometers af:

70 42 50
60 41 40
50 40 30
40 39 20
30 38 10
20 37 0
10 36 –10
0 35 –20

14 °C 37,0 °C –6 °C

13 Met welk meetinstrument meet de computer de temperatuur?


De computer meet de temperatuur met een Temperatuursensor

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 2 Verbranden en verwarmen >> 25


14 De grafiek geeft het verloop van de temperatuur op een dag in een bergdal aan.

temperatuur (˚C) –> 28

26

24

22

20

18

16
0 4 8 12 16 20 24
tijd (uur) –>

a De temperatuur in het dal om 02.00 uur is 17,6 °C


b De temperatuur is om 10.00 uur 20,5 °C
c De temperatuur is om 20.00 uur 23,0 °C
d De temperatuur is 23 °C om 12.00 uur en om 20.00 uur
e De temperatuur is 18 °C om 01.00 uur en om 08.00 uur
f De hoogste temperatuur wordt bereikt om 16.00 uur
g De laagste temperatuur wordt bereikt om 05.30 uur
h De temperatuur stijgt vanaf 05.30 uur tot 16.00 uur
i De temperatuur daalt vanaf 00.00 uur en vanaf 16.00 uur
j Stijgt de temperatuur sneller dan dat de temperatuur daalt? ja / nee
k Hoe zie je dat aan de grafiek?
Het stijgende gedeelte is steiler dan het dalende gedeelte.

26 >> 2 Verbranden en verwarmen Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


Een Valentijnsthermometer

15 Ontwerp zelf een Valentijn thermometerkaart.


Zet teksten, getallen, namen en een tekening bij de schaalverdeling.
Gebruik de kleur(en) van de liefde.
Als voorbeeld kun je de ‘thermometer’ in je leerboek gebruiken. Eigen antwoord.

16 Amerikanen gebruiken niet de schaal van Celsius, maar die van Fahrenheit.
Fahrenheit gebruikte voor de lichaamstemperatuur 100°F.
Is de Valentijnsthermometer op de afbeelding in je leerboek in Celsius of
Fahrenheit?
Fahrenheit

17 Maak de kruiswoordpuzzel over ‘warm en koud’


1z 2z w e m 3
b a d
o i 4z 5
v
6 b r a n d w e e r 7p a k w r
a i e i
e 8 9 z o 10n n e b r a n d c r e m e
i o e a i t z
11 l a k e n e m 12
c e
n 13 h a a r d v u u r r
14
s p a n j e r 15ij

s 16d i e p v r i e s
17 a i r c o b
h 18w o e s t ij 19n
20 e o
b
21
a q u a r i u m 22z e r o 23
b
r m 24r o o k
25j 26ij 27
s l a n d
b n
28v e n t i l a t o r j p t
q s 29p a r a s o l
u a o
30d e o d o r a n t 31w o l 32v l a m

van links naar rechts van boven naar beneden


2 vanaf de duikplank duik je in het 1 gratis warmtebron, komt voor niks op
6 kleding van brandweer 3 tweedelig badpak
9 Smeer je je mee in als je niet wilt verbranden in de zon 4 als je het warm hebt, maakt je lichaam veel
11 Als het warm is, slaap je alleen onder een om af te koelen
13 echte vlammen in de huiskamer, voor sfeer en warmte 5 Het kan of dooien
14 zonnig vakantieland 7 hoofdstad van Suriname
16 kun je vlees lang in bewaren 8 boom met eikels
17 airconditioning (afkorting) 9 geeft schaduw
18 zeer warm, veel zand, weinig water 10 ja of
21 bak water voor vissen 12 afkorting van centrale verwarming
22 Engels voor nul 15 lekker en koud
24 Waar is, is vuur 19 koud gebied op aarde
26 Is het echt zo koud in dat land? 20 je roostert vlees of vis op een
28 draait en geeft frisse lucht 23 warm, maar sommige mensen zijn er tegen omdat
29 soort grote paraplu tegen zonlicht het van dieren komt
30 gebruik je om zweetlucht tegen te gaan 25 moet je meestal aan van je moeder als het nog niet
31 houdt schapen warm, en later ook mensen echt warm is
32 In vuur en 27 doe je om je nek bij koud weer

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 2 Verbranden en verwarmen >> 27


2.1 Test jezelf
1 Geef van de volgende beweringen aan of ze goed of fout zijn. 10
Omcirkel het goede antwoord.
a De temperatuur meet je in graden Celsius. goed / fout
0
b Met een koortsthermometer kun je de temperatuur van de
sneeuw meten. goed / fout
c De smalle buis van een thermometer heet reservoir. goed / fout –10
d Als de vloeistof warmer wordt, dan stijgt de vloeistof in de
smalle buis. goed / fout
–20
e Een digitale thermometer werkt met een sensor. goed / fout
f De thermometer in de figuur wijst een temperatuur van
–3 °C aan. goed / fout

2 Jitte verwarmt 125 mL water in een bekerglas totdat het water tijd ( min ) temperatuur ( °C )
kookt.
0 19
Elke minuut meet ze de temperatuur. Ze zet haar waarnemin-
gen in een tabel. 1 33
Welke temperaturen moet de thermometer kunnen meten?
2 47
A van –10 °C tot 110 °C
B van 0 °C tot 20 °C 3 61
C van 20 °C tot 100 °C
4 75
D van –10 °C tot 40 °C
5 89
3 In welke eenheid meet Jitte de tijd bij deze proef?
6 100
In minuten

4 De gegevens uit de tabel zijn verwerkt in de grafiek.


Welke grafiek hoort bij de metingen van Jitte?
A de grafiek van proef A
B de grafiek van proef B
C de grafiek van proef C

5 Laura doet de proef met 200 mL water.


Welke grafiek past het beste bij de metingen van Laura?
A de grafiek van proef A
B de grafiek van proef B
C de grafiek van proef C
120
temperatuur (˚C) –>

100

80

60

40

20

0
0 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10
tijd (...) –>
proef A proef B proef C

28 >> 2 Verbranden en verwarmen Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


2.2 Warmtebronnen
1 Mijn antwoord op de introvraag is:
A Geel is warm en paars is koud.
B Blauwrood is warm en wit is koud.
C Wit is warm en zwart is koud.

2 In de eerste kolom staan allerlei voorwerpen. Welke van deze voorwerpen is een
warmtebron?
Schrijf de warmtebronnen in de hokken in de tweede kolom.
Zet achter elke warmtebron of de warmte ontstaat door verbranding of door
elektriciteit.
warmtebron warmte ontstaat door

cv-ketel cv-ketel verbranding

strijkijzer strijkijzer elektriciteit

koortsthermometer – –

wasmachine wasmachine elektriciteit


fietsdynamo – –

kaars kaars verbranding

koffiezetapparaat koffiezetapparaat elektriciteit

radiator – –

3 Geef van de volgende beweringen aan of ze goed of fout zijn.


a In een warmtebron wordt warmte gemaakt. ✗
❑ goed ❑ fout
b Een warmtebron is een apparaat dat warmte doorgeeft. ❑ goed ✗
❑ fout

4 Bij de benzinepomp heb je keuze uit verschillende brandstoffen.


a Schrijf vier soorten brandstof op die je bij de benzinepomp kunt kopen.
(super) benzine, diesel, l.p.g., bromfietsbenzine,…

b Is de automotor een warmtebron? ja / nee


c Wordt de warmte van een automotor nuttig gebruikt? Leg uit.
Voor een deel kan de warmte nuttig worden gebruikt, bijvoorbeeld voor de verwarming

5 Brandstoffen bevatten chemische energie.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 2 Verbranden en verwarmen >> 29


6 Zet de volgende woorden op de juiste plaats in de tabel.
elektrische vonk wrijving van kop op strijkvlak wrijving van wieltje over vuursteentje

hout benzine gas

aansteker verbranding start met wat er brandt


lucifers wrijving van kop op strijkvlak hout
benzineaansteker wrijving van wieltje over vuursteentje benzine
gasaansteker elektrische vonk gas

7 Aardgas ontbrandt bij ongeveer 650 °C.


a De ontbrandingstemperatuur van aardgas is:
A lager dan 650 °C
B ongeveer 650 °C
C hoger dan 650 °C
b Je steekt het aardgas aan met een lucifer. Wat weet je van de temperatuur
van de vlam van de lucifer?
De vlam van de lucifer heeft een temperatuur:
A lager dan 650 °C
B precies 650 °C
C hoger dan 650 °C
c Hoe komt het dat het gas blijft branden als de brander eenmaal is aangestoken?
Als de brandstof eenmaal brand, ontstaat er warmte. Door deze warmte heeft de brandstof
een hoge temperatuur. Deze temperatuur is gelijk aan / groter dan de ontbrandingstemperatuur.
De stof kan dus blijven branden.

8 In bron 2 in je leerboek staat een zogenaamde branddriehoek. Teken deze driehoek na.
Noteer in de driehoek welke drie voorwaarden nodig zijn voor een brand.
Bedenk voor elk vlak een toepasselijke kleur.
Kleur de vlakken en de vlam binnenin de driehoek.

30 >> 2 Verbranden en verwarmen Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


9 Hieronder zie je een tekening gemaakt van de foto in bron 3.
a Kleur de vlammen.
b Verbind de teksten in de vakken met de bijbehorende vlam.

voldoende zuurstof

onvolledige verbranding

goede verbranding

heetste vlam

onvoldoende zuurstof

roet
geel
koolstofmono-oxide blauw
koolstofdioxide

10 Lees het krantenartikel in bron 4 in je leerboek.


a Hoe wordt koolstofmono-oxide in het artikel genoemd?
sluipmoordenaar

b Waarvan is CO de afkorting?
koolstofmono-oxide (ook wel koolmonoxide genoemd)

c Wat wordt bedoeld met verhoogde concentratie?


Dat er meer dan normaal aanwezig is.

11 Geef van de volgende beweringen aan of ze goed of fout zijn.


a Aardolie en aardgas zijn fossiele brandstoffen. ✗
❑ goed ❑ fout
b De industrie maakt meer brandstoffen dan we gebruiken. ❑ goed ✗
❑ fout
c Bij de verbranding van fossiele brandstoffen ontstaan
koolstofdioxide en waterdamp. ✗
❑ goed ❑ fout
d Door het broeikaseffect smelt meer ijs op de
bergtoppen. ✗
❑ goed ❑ fout

12 Wat zal met de gemiddelde temperatuur op aarde gebeuren als er steeds meer
broeikasgassen in de dampkring komen?
Dan wordt de gemiddelde temperatuur hoger.

13 Welke stoffen zorgen voor zure regen?


A alleen zwaveldioxide
B alleen stikstofoxiden
C zowel zwaveldioxide als stikstofoxiden
D zwaveldioxide niet en stikstofoxiden ook niet

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 2 Verbranden en verwarmen >> 31


14 Je kunt op allerlei manieren zuiniger met brandstoffen omgaan.
Geef in de tekening aan welke maatregelen je in huis kunt nemen om zuiniger apparatuur uit
met brandstoffen om te gaan. Je kleurt dit in de tekening. Schrijf erbij welke als niemand ze
maatregel je neemt. gebruikt
raam dicht warmere kleren
dragen

deuren dicht

kachel lager

15 Op welke twee manieren kun je ervoor zorgen dat er minder zure regen ontstaat?
1 door minder energie te gebruiken
2 door schonere energie bronnen te gebruiken

16 Geef aan of de genoemde vorm van energie schone energie is.

vorm van energie schoon niet schoon


energie uit zonneboiler ✗
energie uit een kerncentrale ✗
energie uit diesel ✗
energie uit eb en vloed ✗
energie uit een waterval ✗
energie uit wind ✗

32 >> 2 Verbranden en verwarmen Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


Een iglo

17 Als de uitspraak juist is, dan kleur je de smiley groen. Bij een foute uitspraak
kleur je de weepy rood.
groen
a Een iglo bouwen duurt een paar weken. ☺ 
b In een iglo mag je niets verbranden, want dan smelt de iglo. ☺ 
c De iglo houdt de koude wind tegen. ☺  rood
d De tunnel aan de onderkant van de iglo is voor extra ruimte. ☺ 
e De brandstof in de olielamp is zeehondenvet. ☺ 

18 Kampeerders kiezen soms voor een iglotent. Maak een ontwerp voor een
iglotent.
Maak ook een flitsende advertentie waarin je de iglotent tekent en de
voordelen van een iglotent aangeeft.

Eigen antwoord.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 2 Verbranden en verwarmen >> 33


2.2 Test jezelf
1 Verbind met elkaar. Maak goede combinaties.
afkorting voor centrale verwarming geel

een fossiele brandstof die in Slochteren uit de grond wordt gehaald fornuis

in huis willen wij graag een behaaglijke energie

een fossiele brandstof waar men ook benzine van maakt brandstof

warmtebron om op te koken aardgas

warmte is een soort temperatuur

deze kleur heeft de vlam bij een onvolledige verbranding cv

bevat chemische energie strijkijzer

een elektrische warmtebron voor huishoudelijk werk aardolie

2 Lees het krantenartikel.


a Welke eigenschap van koolstofmono-oxide wordt in het Koolmonoxidevergiftiging
krantenartikel genoemd?
❑ kleurloos ✗ reukloos
❑ ❑ giftig / Nieuwendijk Amsterdam
b Koolstofmono-oxide is een
❑ vloeistof ❑ brandstof ✗❑ gas 21 maart 2005
c Waarover klaagt de bedrijfsleider?
❑ vergiftiging ✗❑ duizeligheid ❑ koolstofmono-oxide Zondagavond 20 maart, rond 18.15 uur, liep een man
d Welke acties ondernam de brandweer na de meting? lichte koolmonoxidevergiftiging op in een horeca-gele-
A koolstofmono-oxide afvoeren en ventileren genheid aan de Nieuwendijk in Amsterdam. De oor-
B ventileren en gastoevoer sluiten zaak bleek een slecht functionerende kachel in de
C gastoevoer sluiten en koolstofmono-oxide afvoeren kelder van het pand te zijn. Het reukloze koolmonoxi-
e Welke kleur vlam had de kachel waarschijnlijk? degas was inmiddels het hele pand doorgetrokken en
❑ blauw ✗
❑ geel ❑ kleurloos na enkele klachten van klanten besloot de bedrijfs-
leider het pand te ontruimen. De brandweer verrichte
metingen en constateerde een aanzienlijke hoeveel-
heid koolmonoxide. De gastoevoer werd onmiddellijk
3 Zet de volgende woorden in de juiste kolom. afgesloten en het pand werd geventileerd. De bedrijfs-
koolstofdioxide – aantasting gebouwen – zwaveldioxide – aan- leider, die klaagde over duizeligheid, werd uit voorzorg
tasting natuur – ijs op de bergtoppen smelt – stikstofoxiden – naar een ziekenhuis overgebracht voor controle.
deken – vollere rivieren

zure regen broeikaseffect

aantasting gebouwen koolstof dioxide


zwavel dioxide aantasting natuur
aantasting natuur ijs op de bergtoppen smelt
stikstof oxiden deken
vollere rivieren

34 >> 2 Verbranden en verwarmen Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


2.3 Een warm huis
1 Mijn antwoord op de introvraag is:
A Nee, dat kunnen de plafonds niet dragen.
B Nee, dan kan de radiator de kamer niet warm krijgen.
C Ja, dat maakt de kamer ruimer en warmer.

2 De volgende woorden horen bij de tekening.


1 afgekoeld water
3
2 leidingen
3 centrale verwarming
4 ketel
5 radiator
6 warm water
7 warmte wordt afgegeven

Zet de nummers die voor de woorden staan in het


juiste vakje in de tekening. 5
2

7
3 Wat hoort bij elkaar? 4
Verbind de juiste onderdelen met elkaar.
6
ketel gaat naar de radiator
1
radiator gaat terug naar de ketel

warm water water wordt verwarmd

afgekoeld water warmte wordt afgegeven

4 De volgende woorden horen bij de figuur. binnen


a brandstof
b gassen afvoeren b
c koud water
d vlam
e warm water
f zuurstof
Zet de letters van de woorden in het juiste vakje in
de figuur.
e
5 Kleur in de tekening de vlammen.
Kleur ook de pijlen. f c
• groen voor zuurstof
• paars voor koolstofdioxide en waterdamp d
Kleur het water in de leidingen.
• rood als het water warm is
• blauw als het water koud is
a

paars
groen

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 2 Verbranden en verwarmen >> 35


6 Lees de volgende zinnen goed door.
1 De warme lucht stijgt op.
2 De radiator verwarmt de lucht om de radiator. 5
3 De lucht stroomt terug naar de radiator en
wordt opnieuw verwarmd.
4 Het warme water verwarmt de radiator.
1
5 De lucht stroomt naar het plafond en naar de
andere kant van de kamer. Onderweg koelt de
lucht steeds verder af en daalt weer.

Zet de nummers van de zinnen in het juiste vakje 2


in de figuur.
radiator
7 Kleur in de tekening van opdracht 6 de lucht-
stroompijlen als volgt:
4
• rood als de lucht warm is
• blauw als de lucht koud is
• paars voor de overgang tussen warm en koud
3
warme lucht
8 Beschrijf wat er gebeurt in de tekening. Vul de ont-
brekende woorden in. afgekoelde lucht

a Het warme water verwarmt de radiator.


rood
b De radiator verwarmt de omringende lucht. blauw
c De warme lucht stijgt op. paars
d De lucht stroomt langs het plafond naar de andere kant van de kamer.
Onderweg koelt de lucht steeds verder af en daalt weer.
e De lucht stroomt terug naar de radiator en wordt opnieuw verwarmd.

9 Je ziet hier drie foto’s van apparaten die de temperatuur regelen.


a Zet onder elke foto de naam van het apparaat dat op de foto staat.
klokthermostaat radiatorthermostaat thermostaat
b Geef in de volgende twee rijen aan wat goed is.

naam thermostaat kloktermostaat radiatorthermostaat

heeft een ✗
❑ temperatuursensor ✗
❑ temperatuursensor ✗
❑ temperatuursensor
❑ ingebouwde klok ✗
❑ ingebouwde klok ❑ ingebouwde klok
regelt tem- ❑ één kamer ❑ één kamer ✗
❑ één kamer
peratuur in ✗
❑ meerdere kamers ✗
❑ meerdere kamers ❑ meerdere kamers

36 >> 2 Verbranden en verwarmen Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


Thermiek

10 Wat is thermiek?
thermiek is opstijgende warme lucht

11 Wat heeft thermiek voor nut voor een zweefvlieger?


Waar thermiek is gaan de zweefvliegers al cirkelend steeds hoger. De zweefvliegtuigen stijgen
met de warme lucht mee omhoog.

12 Wie zou nog meer gebruik kunnen maken van thermiek?



❑ Een paraglider die langs de rand van de duinen zweeft.
❑ Een diepzeeduiker.
❑ Een raket.

13 a Je gaat onderzoeken of een eenvoudig helikoptertje


ook langer in de lucht blijft door thermiek.
Maak een helikopter volgens de bouwtekening.
b Laat (van grote hoogte) de helikopter los. Hoelang
blijft de heli in de lucht?
De helikopter blijft seconden in de lucht.
c Laat de helikopter ook boven een warme radiator los.
Blijft de helikopter zo langer in de lucht? ja / nee
d Maak een betere helikopter. Grotere vleugels? Ander
landingsgestel? Probeer maar uit!
Wie wint de helikopterwedstrijd?
Eigen antwoord.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 2 Verbranden en verwarmen >> 37


2.3 Test jezelf
1 Een cv-installatie:
a Plaats de nummers van de volgende onderdelen in het
juiste vakje in de tekening:
1 radiator
2 buis met warm water
3 buis met koud water
4 cv-ketel
5 warmte wordt afgegeven
b Zet de onderdelen in een volgorde hoe het water stroomt 1
in de installatie. Begin bij cv-ketel.
5
4 2 1 5 3 4
2
3

2 In de tekening zie je de doorsnede van een ketel van een cv-installatie. binnen

Zet het juiste nummer uit de tekening achter de volgende omschrijvingen.


1

beschrijving nummer
aanvoer brandstof 3
aanvoer zuurstof 2 6
5
aanvoer koud water 4 2 4

afvoer verbrandingsgassen 1

3 Wat ontstaat er bij verbranding van aardgas?


3
A warmte, koolstofdioxide en waterdamp
B warmte, zuurstof en waterdamp
C warmte, zuurstof en koolstofdioxide

4 Een radiator verwarmt een kamer. Zet de volgende woorden op de juiste plaats
in de tekst.
stijgt – radiator – daalt – radiator – warme water
a Het warme water verwarmt de radiator.
b De radiator verwarmt de omringende lucht.
c De warme lucht stijgt op.
d De lucht stroomt langs het plafond naar de andere kant van de kamer.
Onderweg koelt de lucht steeds verder af en daalt weer.
e De lucht stroomt terug naar de radiator en wordt
opnieuw verwarmd.

38 >> 2 Verbranden en verwarmen Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


2.4 Warmte binnenhouden
1 Mijn antwoord op de introvraag is:
A Het tapijt, want dat voelt warm aan.
B De plavuizen, want plavuizen geleiden de warmte goed.
C De temperaturen van beide vloerbedekkingen zijn gelijk.

2 De leerling in de figuur houdt een koperen staaf en een staaf


van kunststof in heet water.
a Waaraan zie je dat het water heet is?
Er komt (gecondenseerde) waterdamp vanaf.
koper kunststof
b Welk staafje voelt het warmst, denk je?
Het koperen staafje.

3 Je hebt een potlood, een plastic balpen en een metalen balpen.


a Wrijf een potlood heel snel en krachtig heen en weer langs je
mouw. Houd het gewreven deel van de potlood tegen je lip.
Voel ook de andere kant van het potlood met je lip.
Voelt het gewreven deel van het potlood warm aan? ja / nee
b Herhaal het proefje met een plastic balpen.
Voelt de plastic pen warm aan? ja / nee
c Herhaal het proefje met een metalen balpen.
Voelt de metalen balpen warm aan? ja / nee
d Het verf op de potlood is een geleider / isolator.
e Het plastic is een geleider / isolator.
f Het metaal is een geleider / isolator.

4 Je wilt een ijsje zo lang mogelijk koud


houden.
a Teken in de figuur op de koudste
plaats een ijsje.
b Leg uit waarom je die plaats hebt
gekozen.
Op deze plek stroomt koude
lucht naar beneden.

Je wilt een kop hete soep zo lang mogelijk warm houden.


c Teken in de figuur een kop hete soep op de meest geschikte plek.
d Leg uit waarom je die plaats hebt gekozen.
De radiator geeft warmte af aan de kop soep (geleiding) en er stijgt warme lucht langs de kop
soep omhoog (stroming) en natuurlijk nog straling.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 2 Verbranden en verwarmen >> 39


5 In de tekening staan voorwerpen die warm zijn.

1 2 5 3 4
a Zoek het voorwerp dat de meeste warmte uitstraalt.
Zet een 1 bij het voorwerp.
b Zoek dan het voorwerp dat daarna de meeste warmte uitstraalt?
Zet een 2 bij het voorwerp.
c Geef de andere voorwerpen ook een nummer. Het nummer moet
overeenkomen met de volgorde van warmtestraling.

6 Vul in: geleiding, stroming of straling.


a Het water in de radiator verwarmt de radiator door stroming.
b De radiator geeft de warmte af aan de lucht door geleiding.
c De lucht verwarmt de kamer door stroming.

7 Hieronder staan 13 voorwerpen of materialen.


Kleur alle slechte warmtegeleiders.

tekenpapier ijzeren brugleuning aluminium soeplepel gouden ring

stro leren sportschoenen kurk wollen trui tempex

stilstaande lucht spijkerbroek kunststof wc-bril bodem koekenpan

8 Geef van de volgende zinnen aan of de zin past bij het woord isoleren.
a Zorgen dat de warmte ergens moeilijk in of uit kan. ✗
❑ wel ❑ niet
b Zorgen dat de lucht beter kan stromen. ❑ wel ✗ ❑ niet
c Veel ijzer of koper gebruiken. ❑ wel ✗ ❑ niet
d Een wollen trui aantrekken. ✗
❑ wel ❑ niet
e Radiatorfolie achter de verwarming plakken. ✗
❑ wel ❑ niet

9 In de winter is het buiten koud. Binnen in huis is het warm.


Er gaat warmte het huis uit. Dat heet warmteverlies.
Goed of fout?
a Het warmteverlies wordt groter als je een huis isoleert. ❑ goed ✗ ❑ fout
b Het warmteverlies door een raam wordt groter als er
dubbelglas in zit in plaats van enkel glas. ❑ goed ✗
❑ fout
c Het warmteverlies wordt groter als je meer ventileert. ✗
❑ goed ❑ fout

40 >> 2 Verbranden en verwarmen Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


Kleding voor kou, kleding voor hitte

10 a Hoe heet het nieuwe isolatiemateriaal in de afbeelding in het leerboek?


outlast
b Wat is er zo bijzonder aan dit materiaal?
Het materiaal kan je zowel afkoelen als opwarmen.

11 In sommige beroepen moet kleding aan bepaalde eisen voldoen.


Zet in elke kolom kruisjes op de juiste plaats.

brandweerman arts in de tropen straatwerker in


Finland
hittebestendig ✗
tegen muggen ✗
helm en bepaalde schoenen verplicht ✗
reflecterende strepen op kleding ✗
jas, muts en handschoenen met bont of kunstbont ✗

12 Kleding weetjes-quiz

1 Je leeft in een woestijn. Het is overdag zeer warm en zonnig.


Wat kun je daar het beste dragen?
A Niks of zo weinig mogelijk.
B Kleding van zo dun mogelijke stof, strak om je huid.
C Kleding in veel laagjes over elkaar heen.

2 Wie bracht de eerste spijkerbroek op de markt?


A Levi Strauss
B Rudolph Diesel
C Billy Jean

3 Welke kleurstof kleurt spijkerstof blauw?


A blue jeans
B indigo
C door zon gebleekte zwarte inkt

4 Waarom koelt een ijsbeer niet af?


A In en tussen de haren van zijn vacht zit lucht.
B De haren van een ijsbeer zijn dik en zitten dicht op elkaar.
C De haren van een ijsbeer zijn warmer dan zijn huid.

13 Kledingalfabet
Schrijf het alfabet van boven naar beneden op een blaadje.
Zet de stopwatch of wekker op je mobiel op 10 minuten. Zet achter iedere letter
van het alfabet zoveel mogelijk kledingstukken die beginnen met die letter.
Houd een wedstrijdje met je buurman of met de leerlingen van je groepje.
Eigen antwoord.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 2 Verbranden en verwarmen >> 41


2.4 Test jezelf
1 Hoe wordt de warmte vervoerd? Door straling, stroming of door geleiding?
Vul het hokje voor het juiste antwoord.

a Voor de openhaard heb je het lekker warm.


❑ geleiding ❑ stroming ✗
❑ straling

b Een zilveren theelepeltje in een kopje koffie


wordt te heet om aan te raken.
✗ geleiding
❑ ❑ stroming ❑ straling

c In een stapelbed slaapt degene die boven ligt het warmst.


❑ geleiding ✗
❑ stroming ❑ straling

d De radiator geeft warmte af aan de lucht.


✗ geleiding
❑ ❑ stroming ❑ straling

2 Het is avond. De radiator van de verwarming


is heet. Safira draait de thermostaatkraan 0
5
helemaal dicht. De volgende morgen is het 10
16 °C in de kamer. 20
15

a Wat gebeurt er met de warmte in de


radiator?
A Die blijft in de radiator.
B Die stroomt terug naar de ketel.
C Die wordt afgegeven aan de lucht in de
kamer.
b Wat is de volgende morgen de temperatuur van het water in de radiator?
A ongeveer 0 °C
B ongeveer 16 °C
C ongeveer 60 °C

3 Geef aan of de voorwerpen goede of slechte warmtegeleiders zijn.


a Metalen lepel ✗
❑ goede warmtegeleider ❑ slechte warmtegeleider
b Houten stokje ❑ goede warmtegeleider ✗
❑ slechte warmtegeleider
c Koekenpan ✗
❑ goede warmtegeleider ❑ slechte warmtegeleider
d Aluminiumfolie ✗ goede warmtegeleider ❑ slechte warmtegeleider

e Ovenwant ❑ goede warmtegeleider ✗
❑ slechte warmtegeleider

4 Voorkomen dat je warmte kwijt raakt, heet


A warmtestraling
B warmtestroming
C warmte-isolatie
D warmtegeleiding

5 In dubbelglas van de ramen in huis zit stilstaande lucht.


Is stilstaande lucht een isolator of een geleider?

❑ een isolator ❑ een geleider

42 >> 2 Verbranden en verwarmen Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


2.5 Gevaarlijke warmte: brand!
1 Mijn antwoord op de introvraag is:
A Je zet de leerling snel onder de douche.
B Je gebruikt de koolstofdioxideblusser en blust de kleding van de klasgenoot.
C Je rolt je klasgenoot in een branddeken.

2 a Heb je thuis wel eens een brandje gehad? ja / nee Eigen antwoord.
b Zo ja, wat voor een brand was dat?
Eigen antwoord.

c Hoe is de brand geblust?


Eigen antwoord.

d Bedenk twee brandgevaarlijke situaties die bij jou thuis kunnen ontstaan.
Eigen antwoord.

3 Lees bron 1 in je leerboek.


a Waardoor is de brand in de flat ontstaan?

ho
Iemand heeft een brandende sigaret in een prullenmand

ge
of

tem
rst
gegooit.

pe
zuu

rat
uu
b Welke twee voorwaarden voor een brand staan in dit krantenartikel?

r
hoge temperatuur & brandstof
brandstof
c Kleur de twee voorwaarden in de branddriehoek.
d Waar komt dan de derde brandvoorwaarde vandaan?
uit de omringende lucht

4 Teken een vlam bij elke situatie waarbij brand zou kunnen ontstaan:
SPIRITUS

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 2 Verbranden en verwarmen >> 43


5 Bij het blussen van een brand houdt de brandweer soms de naastgelegen hui-
zen nat.
Welke brandvoorwaarde beperkt de brandweer dan.
Hoge temperatuur.

6 Je kunt een kaars uitblazen.


a Welke brandvoorwaarde neem je dan weg?
Hoge temperatuur.

b Kun je zo ook de brander in de practicumles uit krijgen? ja / nee


c Vind jij dit een veilige blusmethode? Leg je antwoord uit.
Nee, het gas blijft gewoon stromen.

6 Welke brandvoorwaarde haal je weg als je de ramen en de deuren sluit?


zuurstof

7 Bekijk bron 3 in je leerboek.


a Hoe doof je een frituurbrand in een pan?
deksel op de pan schuiven

b Welke brandvoorwaarde neem je dan weg?


zuurstof

8 Bekijk de zinnen over blussen. Geef bij elke zin aan welke brandvoorwaarde
wordt weggenomen. Trek de lijntjes naar de branddriehoek toe.

Gaskraan uitdraaien Kaars uitblazen


ho
ge
tof

tem
urs

pe

Water over brandend hout spuiten Deksel op de spiritusbrander zetten


zu

rat
uu
r

Iemand in een branddeken wikkelen brandstof Zand over een kampvuur gooien

9 Op welke drie manieren kun je een brand blussen?


1) De brandstof weghalen.
2) De toevoer van zuurstof afsluiten.
3) De temperatuur verlagen.

44 >> 2 Verbranden en verwarmen Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


10 De benzineslang van de scooter van je zus lekt. Er ontstaat brand. Je wilt de
brand blussen met water.
a Wat zal er gebeuren?
Benzine drijft op water. De brand zal zich juist sneller verspreiden.

b Welk blusmiddel kun je beter gebruiken?


Sproeischuim, bluspoeder.

11 Blus de volgende brandjes met een geschikt blusmiddel. Trek een lijntje van het
blusmiddel naar het vakje van de brand. Elk blusmiddel mag je maar een keer
gebruiken!

branddeken brandslang

branddeken

sproeischuimblusser emmer zand

12 Bekijk nog eens de introvraag van dit hoofdstuk in je leerboek.


a Welk antwoord zou je nu geven?
❑A ❑B ✗❑ C
b Leg je antwoord uit.
zo snel mogelijk de aanvoer van zuurstof naar de brandende kleding wegnemen

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 2 Verbranden en verwarmen >> 45


13 In hoofdstuk 1 heb je veiligheidsregels voor het doen van practicum geleerd.
Welke regels hebben te maken met het voorkomen van brand?
Leg elk antwoord uit
Goed lezen omdat
je dan geen fouten maakt. Door fouten kan brand ontstaan.
Doe lang haar in een staart omdat
lang loszittend haar in een vlam terecht kan komen en vlam vatten.
Draai nooit zomaar een gaskraan open. omdat
er dan brandbaar gas het lokaal in stroomt.

14 Er is brand in huis. Wat doe je? Zet de strip in goede volgorde. Noteer de volgor-
de onder de hokken.

112

4 3 2 1

15 Er staat iemand in brand. Je kunt de persoon op drie manieren blussen.


a Bedenk eerst welke drie manieren dat zijn.
– branddeken
– blussen met water of poederschuim
– de persoon over de grond rollen

b Wanneer is het plaatsen onder een douche gevaarlijk?


Als iemand in de brand staat door bijv. benzine in zijn kleding.

16 Geef van de volgende beweringen aan of ze goed of fout zijn. Als de bewering
goed is, dan kleur je de smiley groen. Bij een foute bewering kleur je de weepy
rood.
a Een brand blus je altijd met water. ☺ 
rood
b Bij het blussen met schuim mag je personen niet raken. groen ☺ 
c Het allerbelangrijkste bij brand is 112 bellen. ☺ 
d Als je in brand staat, dan kun je op de grond rollen om de brand te blussen. ☺ 

46 >> 2 Verbranden en verwarmen Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


17 Maak een veiligheidskaart voor jouw kamer.
Schrijf op wat je moet doen bij brand in jouw kamer.
Maak de veiligheidskaart compleet met een tekening van de vluchtweg naar
buiten toe.

Veiligheidskaart voor de kamer van ..........................................................

Eigen antwoord.

Vluchtweg

Veilig met vuurwerk

18 Waar of niet waar? Vul het juiste hokje.


a De meeste ongelukken gebeuren met illegaal vuurwerk. ✗
❑ waar ❑ niet waar
b Een ongeluk met vuurwerk is nooit je eigen schuld. ❑ waar ✗
❑ niet waar

19 Maak een poster en geef daarop jouw tips om slim met vuurwerk om te gaan.
Maak je poster aantrekkelijk met tekeningen en kleur.
Eigen antwoord.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 2 Verbranden en verwarmen >> 47


2.5 Test jezelf
1 Wat heb je altijd nodig voor een verbranding?
✗ brandstof

✗ zuurstof

✗ een bepaalde temperatuur

 iets om het vuur aan te steken

2 Geef bij de volgende situaties aan op welke manier je de brand blust. Verbind
de teksten links met de teksten rechts.

Een kaarsendover over een brandende kaars houden.

De gaskraan van een brandend fornuis uitdraaien. zuurstoftoevoer afsluiten

Water over brandend hout gieten. temperatuur verlagen

Een mens met brandende kleding in een deken rollen. brandstof weghalen

Een mens met brandende kleding over de grond rollen.

3 Hieronder staat wat je moet doen bij brand, alleen de volgorde is niet goed.
Geef met een nummer in de vakjes de juiste volgorde.

2 112 bellen
5 brand blussen
7 vluchten
6 deuren dicht doen
1 denk aan eigen veiligheid
3 mensen waarschuwen
4 dicht bij de grond blijven

4 Welke blusmethode is gebaseerd op het principe van zuurstof wegnemen.


Vul de juist hokjes.
✗ Iemand die in brand staat in een deken rollen.

 Een houtvuur met water blussen.
✗ Zand over een benzinebrand gooien.

 Je ogen met een oogdouche spoelen.
✗ Met een sproeischuimblusser op een oliebrand spuiten.


5 Je blaast een kaars uit. Waardoor gaat de kaars uit?


A Je blaast de zuurstof weg.
B Je blaast de brandstof weg.
C Je blaast warmte weg.
D Je blaast koolstofdioxide uit je adem in de brand.

6 Je kunt een oliebrand niet met water blussen, want


A de temperatuur van brandende olie kun je niet met water verlagen.
B olie brandt ook onder water.
C olie drijft op water.

48 >> 2 Verbranden en verwarmen Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


Brandwerende materialen
1 Welke uitspraken over vuur en vlammen zijn juist? Kleur de smiley groen of de
weepy rood.
a IJzer kan nooit branden. groen ☺ 
b Het materiaal dat brandt bij een kaars is alleen de lont. ☺ 
c Een vlam is gloeiend gas dat licht en warmte uitstraalt. ☺  rood
d Of iets brandt, hangt alleen af van het soort materiaal. ☺ 

2 De branddriehoek (zuurstof, brandstof, ontbrandingstemperatuur) ken je al.


De vijf factoren van brand worden ook wel de brandvijfhoek genoemd.

Schrijf de vijf factoren uit bron 1 in de brandvijfhoek hieronder.


Maak de brandvijfhoek aantrekkelijk met vurige kleuren en/of tekeningen.

bra
nd
ba
or re
sat st
ly of
ata
k zuur
ur
ratu

stof
pe
tem

mengverhouding

3 Bekijk bron 1. Trek de juiste verbindingslijntjes tussen de begrippen en de zinnen.


brandbare stof Is er genoeg lucht bij?

zuurstof soort materiaal, bijvoorbeeld hout of papier

of een benzinemengsel ontploft, hangt af van


mengverhouding hoeveel druppels benzine je met lucht mengt

temperatuur stof waardoor iets beter gaat branden

katalysator in °C of in °F

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 2 Verbranden en verwarmen >> 49


4 Wat betekent ontvlambaarheid?
De eigenschap van een materiaal om na het aansteken met een vlam te verbranden.

5 Van welk materiaal zou kleding van een stuntman gemaakt zijn?
Polyamide

6 In sommige gebouwen worden gordijnen behandeld met brandvertragende


stoffen.
Deze stoffen zorgen ervoor dat het branden van textiel vertraagd wordt.
Op welke manieren kun je een brand van textiel vertragen?
Vul de juiste hokjes.

❑ de temperatuur verlagen
❑ de gordijnen inspuiten met een plastic laagje

❑ stoffen er op doen die de brand verstikken (afsluiten van zuurstof)
❑ de gordijnen vaak wassen

7 Trek vier pijlen naar het pak van de brandweerman.


Schrijf bij iedere pijl een eis waar de kleding aan moet voldoen.

Bescherming tegen regen- en


bluswater.

Hitte bescherming tegen vlam-


men en vonken regen.

Bescherming tegen chemicaliën.

Goede zichtbaarheid bij dag en


nacht.

8 In bron 3 zie je uit welke laagjes een blusjas bestaat.

a Leg uit waarom de blusjas uit verschillende materialen bestaat.


Elk materiaal/laag heeft weer een andere functie.

b Welke laag zit aan de buitenkant?


nomex delta TA 195 g/m2 of kermel HTA 195 g/m2.
Deze laag beschermt tegen vlammen en vonken.

50 >> 2 Verbranden en verwarmen Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


9 Kleur de eenheden van temperatuur in de tabel hieronder.

Omrekentabel voor temperaturen

temperatuur (°C) temperatuur (°F) temperatuur (K)


x (x × 9/5) + 32 x + 273
(x – 32) × 5/9 x (x – 32) × 5/9 + 273
x – 273 {(x – 273) × 9/5} + 32 x

Vul de eenheden op de juiste stippellijn in.

In Nederland gebruik je °C , in Amerika °F


en over de hele wereld K .

10 Reken maar!
In de tabel kun je de temperatuur x op de aangegeven manier omrekenen naar
de andere eenheden.
Bijvoorbeeld: Jouw lichaamstemperatuur is 37 °C; dat is in Fahrenheit: (37 × 9/5)
+ 32 = 98,6 °F.

a De temperatuur van smeltend ijs is 0 °C, dat is: 32 °F en 273 K


b Het is buiten nu °C, dat is: °F en K Eigen antwoord.
c 100 °F is 37,8 °C en 310,8 K
d 273 K is 0 .°C en 32 . °F

11 Op een Engelse internetsite staat

Teflon® (PTFE) – An extremely low


coefficient of friction makes
Polytetrafluoroethylene the ideal choice
where surface wear might otherwise be
a problem. PTFE also exhibits a useful
service life from below –100 ºF, to
temperatures of over 500 ºF. Its
resistance to solvents is also excellent
throughout a wide range of
temperatures.

a Tegen welke temperaturen is het materiaal bestand?


van onder -73,3 °C tot boven 260 °C

b Waar zou het materiaal geschikt voor zijn?


A pannen en ovenschalen
B winterjassen
C regenpakken
D badkuipen

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 2 Verbranden en verwarmen >> 51


3 water

3.1 Water, water, water


1 Mijn antwoord op de introvraag is:
A Gewoon water, want sneeuw en ijs zijn te koud voor de pinguïn.
B Een pinguïn eet sneeuw of ijs dat in zijn mond smelt.
C Als er water is, dan drinkt de pinguïn water en anders sneeuw of ijs.

2 Schrijf achter de volgende zeven omschrijvingen het juiste woord.


Kies uit: ijs, wolk, mist, regen, sneeuw, hagel, waterdamp.
onzichtbaar water waterdamp
een laag vast water ijs
fijne waterdruppeltjes hoog in de lucht wolk
vaste korrels water hagel
een wolk dicht bij de grond mist
vlokjes vast water sneeuw
druppels vloeibaar water regen

3 Noem vier landen met veel water in vaste vorm.


1 IJsland
2 Groenland
3 Alaska
4 Siberië

4 Zet in volgorde van klein naar groot: beek, meer, zee, rivier, oceaan
klein beek meer rivier zee oceaan groot

5 Een ander woord voor fase is toestand waarin een stof voorkomt

6 a Steek een waxinelichtje aan.


Welke faseovergang zie je direct naast de pit.
van vaste stof naar vloeistof
b In de figuur zijn de plaatsen aangegeven waar de stof waxine in een andere
3
fase voorkomt.
Geef de naam van deze fasen.
1 2
1 vast
2 vloeibaar
3 gas
c Blaas het lichtje uit. Welke faseovergang zie je na een poosje naast de pit?
van vloeistof naar vaste stof.

52 >> 3 Water Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


7 Rijp bestaat uit ijskristallen. Rijp is een vaste / vloeibare / gasvormige fase van
water.
Omcirkel het juiste woord.

8 Zet de verschillende vormen van water in de tabel.


Vul in: ijs, mist, sneeuw, regen, stoom, dauw, nevel, damp, hagel, uitgeademd
water, wolk

vormen van water


vast vloeibaar gasvormig
ijs regen stoom
hagel dauw damp
sneeuw nevel
wolk uitgeademd water
mist
wolk

9 Kleur in elke rij het vakje onder de naam van de faseovergang.

stollen smelten rijpen vervluchtigen verdampen condenseren


vast → gas
gas → vast
gas → vloeistof
vloeistof → gas
vast → vloeistof
vloeistof → vast

10 Schrijf op welke faseovergang bij de volgende gebeurtenissen hoort.


a Diepvriesspinazie wordt zacht in de pan. smelten
b Vloeistof in een aansteker wordt gas. verdampen
c Grassprietjes bevriezen in een koude vriesnacht. stollen
d Uitgeademde lucht geeft een wolkje nevel. condenseren
e Als een kaarsje uitgaat, dan wordt het vet hard. stollen
f Een blok luchtverfrisser verspreidt een lekkere geur op het toilet. vervluchtigen

11 Loop naar het raam. Houd je adem even in en adem dan tegen het glas.
a Wat zie je op het glas? het glas beslaat
b Welke fase heeft het water op het glas? vloeibaar
c Welke fase heeft het water dat je uitademt? gasvormig
d Welke faseovergang heeft plaats gevonden? condenseren
e Wat veroorzaakt deze verandering? temperatuur daling

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 3 Water >> 53


12 Ook andere stoffen dan water komen in de drie fasen voor. Geef van de stoffen
aan in welke fase ze voorkomen bij kamertemperatuur. Omcirkel de juiste fase.
a olijfolie vaste stof / vloeistof / gas
b ijsje vaste stof / vloeistof / gas
c lood vaste stof / vloeistof / gas
d aanstekergas vaste stof / vloeistof / gas
e margarine vaste stof / vloeistof / gas
f parfumgeur vaste stof / vloeistof / gas

13 Verbind links en recht met elkaar met één of met twee lijnen.

water in de bodem grondwater

hiervan maak je drinkwater

water in een kanaal oppervlaktewater

14 Maak de volgende zinnen af.


Gebruik de woorden: grond – bron – rivier – beek – zee – kraanwater
a Oppervlaktewater stroomt de zee in via een rivier
b Zout water komt het meest voor in de zee
c Drinkwater komt van water uit de grond
d Een kleine rivier is een beek
e Mineraalwater komt uit een bron
f Een ander woord voor leidingwater is kraanwater

15 Op de foto zie je een kaart van een stukje van Nederland.


a Welk soort water wordt op deze kaart aangegeven?
oppervlakte water
b Welke kleur heeft dit soort water op kaartjes meestal?
blauw
c Kleur het water op het kaartje blauw.

blauw

54 >> 3 Water Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


16 De waterkringloop
a Zet in goede volgorde.
1 Regen
2 Gletsjerijs smelt.
3 Water stroomt via rivieren naar de zee.
4 Condensatie van waterdamp.
5 Water uit de zee verdampt.
6 De zon verwarmt de zee.
7 Waterdruppeltjes bevriezen in de lucht.

Begin met 6 De zon verwarmt de zee.


5 water uit de zee verdampt
4 condensatie van waterdamp
7 water druppeltjes bevriezen in de lucht
1 regen
2 gletsjerijs smelt
3 water stroomt via rivieren naar de zee

b Teken de waterkringloop hieronder. Laat met blauwe stippels zien waar


water is.
Schrijf de cijfers 1 t/m 7 op de juiste plaats in de tekening.

4
1 2
6

5 3

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 3 Water >> 55


IJskristallen
17 Zet in goede volgorde.
1 IJsbloemen ontstaan op een ruit.
2 De deeltjes van waterdamp worden vast.
3 Een ijskristal groeit aan door de deeltjes van waterdamp.
4 Er ontstaat een ijskristal.

De goede volgorde is
2 4 3 1

18 Teken in de vakken vier andere ijskristallen. Gebruik je fantasie. Let op een ijs-
kristal heeft altijd een zeshoek als basisvorm.

Eigen tekening. Eigen tekening.

Eigen tekening. Eigen tekening.

56 >> 3 Water Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


3.1 Test jezelf
1 Verbind wat bij elkaar hoort, met elkaar

gasvormige fase hagel

vloeibare fase waterdamp

vaste fase mist

2 Vul in: vloeistof, vaste stof of gas.


a steen vaste stof
b olie vloeistof
c lucht gas
d frisdrank vloeistof
e grondwater vloeistof

3 Vul in: rijpen, stollen, smelten, condenseren of verdampen.


a In de winter ontstaan door waterdamp ijsbloemen op het raam. rijpen
b De natte was droogt in de zon. verdampen
c Bij het uitademen ontstaan waterdruppels op het raam. condenseren
d Het ijsje smelt als je het te langzaam opeet. smelten
e De sloot bevriest. stollen

4 Schrijf de nummers in de tekening voor de soort water dat op de genummerde


plaats voorkomt.
2 = grondwater, 3 = oppervlaktewater; 1 = zeewater

3
1

5 Geef aan of de zin goed of fout is. Omcirkel wat juist is.
a Drinkwater wordt gemaakt uit grondwater en uit oppervlaktewater. goed / fout
b Regen boven de zee bevat zout. goed / fout
c Door verdamping ontstaan hoog in de lucht regendruppels. goed / fout
d Door de kringloop van water blijft de hoeveelheid water in een rivier
ongeveer gelijk. goed / fout

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 3 Water >> 57


3.2 Water zuiveren
1 Mijn antwoord op de introvraag is:
A Ja, misschien dat je even ziek van het water wordt, maar je overleeft het wel.
B Nee, de mens heeft geen weerstand tegen de bacteriën die in het water
voorkomen.
C Nee, voor de mens is alleen zuiver water veilig te drinken.

2 Zet de woorden afgieten, bezinken en suspensie op de juiste plaatsen.

suspensie bezinken afgieten

3 Puur sinaasappelsap is een mengsel / een zuivere stof. Omcirkel wat juist is.
Puur sinaasappelsap is een heldere vloeistof / een suspensie.

4 In slootwater zitten zand en drijvende plantendeeltjes.


a Is slootwater grondwater of oppervlaktewater? Omcirkel het juiste woord.
b Leg je keus uit.
Je kunt het zien.

5 In een bekerglas zit een schep modder van de bodem van een rivier. De modder
wordt gefiltreerd.
a Kleur in de tekening de plaatsen waar zand zit, bruin.
b Schrijf de juiste woorden bij 1, 2 en 3. Kies uit: suspensie, filtraat en residu. 1
2
1= suspensie
2= residu
3= filtraat bruin

58 >> 3 Water Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


6 Zet de volgende stappen bij het filtreren in de goede volgorde.
T Schenk een beetje troebel water in het filter.
F Vouw het filter tweemaal.
R Herhaal de laatste twee stappen.
E Wacht tot het water door het filter is gezakt.
L Doe het filter in de trechter. Plak het filter vast met water.
I Zet de trechter in de reageerbuis

De letters voor de zinnen vormen het woord FILTER

7 Jesse gooit een krijtje in een bekerglas met water. Na een tijd ontstaat een
witte troebele stof.

a Welk soort mengsel is ontstaan?


Een oplossing / suspensie. Omcirkel wat juist is.
b Elmar wil nagaan of een heel klein beetje krijt is opgelost. Hij stelt voor om
het mengsel in het bekerglas te filtreren en daarna het filtraat in te dampen.
Voorspel wat Elmar ziet als hij het mengsel gaat filtreren.
Het filtraat is helder
Het residu is wit krijtpoeder
c Teken de filtratieopstelling hiernaast.
d Als Elmar gelijk heeft, wat kan hij dan na het indampen waarnemen?
Dan ziet hij witpoeder dat achterblijft.

8 Kleur de smiley groen als de bewering waar is. Kleur de weepy rood als de
bewering niet waar is.
a Zout kun je oplossen in water. ☺ 
b Suiker lost niet op in water. groen ☺ 
c Een oplossing is helder. ☺ 
d Door indampen scheid je de opgeloste stoffen van het water. ☺ 
rood
e Het residu gaat door het filter heen. ☺ 
f Het filtraat is altijd helder. ☺ 

9 Sommige waterleidingbedrijven maken gebruik van grondwater. Grondwater


hoef je minder te reinigen dan oppervlaktewater. Waardoor komt dat?
Tijdens het in de grond zakken is het al voor een deel gefiltreerd.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 3 Water >> 59


10 Je kunt water zuiveren met een filtreeropstelling met zand erin.
Het waterleidingbedrijf reinigt rivierwater op eenzelfde manier.
Verbind de volgende zinnen met de juiste plaats in de tekening.

Het waterbedrijf vangt het gefiltreerde water op.

Het waterbedrijf pompt troebel rivierwater in de duinen.

Het zand van de duinen filtreert het rivierwater.

11 Omcirkel wat juist is of vul de open plaatsen in.


Kraanwater is zuiver / niet zuiver. Kraanwater bevat de stoffen calcium
en magnesium . De calcium zouten zijn goed voor onze botten.
In kraanwater zitten veel stoffen door elkaar. Kraanwater is dus een
mengsel .
Deze stoffen zijn opgelost / niet opgelost, want kraanwater is helder / niet helder.
Een oplossing is een helder / troebel mengsel van een oplosmiddel en een
opgeloste stof.

12 Voor jou staan drie bekertjes met water. Eén bekertje bevat drinkwater. Drink
wat van elk soort water, proef goed en noteer in de tabel of je het water lekker
(+), matig (+/–) of niet lekker (–) vindt.
Omcirkel het nummer, waarvan jij denkt dat het jouw eigen drinkwater is.
Haal bij de docent de namen van de soorten water.
smaak naam van het soort water
1

Heb jij je eigen drinkwater herkend? ja / nee

13 Een mens kan maximaal drie dagen zonder water, anders droogt hij uit.
Op zee is voldoende water. Maar je kunt op zee toch doodgaan door een water-
probleem. Hoe is dat mogelijk?
Ons lichaam kan niet tegen zout water.

60 >> 3 Water Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


14 Trek lijnen tussen de woorden (in de vakken) rechts en één van de tekeningen links.

puur water

suspensie

kraanwater

hard water

troebel water

suikerwater

zeewater

zuurstofrijk water

bronwater

15 Je kunt deeltjes in een oplossing wel / niet zien, want


een oplossing is helder

16 De hardheid van drinkwater in enkele plaatsen in Zuid-Nederland.


plaats hardheid (oDH)
Aalst 6,4
Best 9,0
Breda 11,3
Eindhoven 6,3
Kerkrade 4,0
Oosterhout 11,3
Oudewater 8,6
Schijndel 8,4
Veghel 13,1
Zwijndrecht 14,6

a Geef een oorzaak voor de verschillen in hardheid van drinkwater in de verschillende plaatsen.
Per plaats verschillen de hoeveelheden opgeloste stoffen
b Welke plaats beschikt over zeer zacht water?
Kerkrade
c Welke plaats heeft het hardste water?
Zwijndrecht
d Hoe kunnen de inwoners van Zwijndrecht de hardheid van hun water verminderen?
Het water ontharden.
Je haalt dan calcium- en magnesiumzouten uit het water.
e Welke twee plaatsen krijgen waarschijnlijk water van hetzelfde waterbedrijf?
Breda en Oosterhout

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 3 Water >> 61


17 Is het drinkwater in jouw woonplaats hard of zacht? Omcirkel wat juist is.
Hoe weet je dat?

18 Wat blijft achter als je zeewater indampt?


zout

19 Welke vaste stoffen houd je over als je hard water indampt?


Calcium en magnesium zouten.

Hoe komt een vis aan zuurstof?

20 Op welke twee manieren komt zuurstof in het water?


1 Voor een deel uit de lucht
2 Door de waterplanten

21 Omcirkel wat goed is.


a Gassen kunnen wel / niet oplossen in water?
b Vloeistoffen kunnen wel / niet oplossen in water?
c Vaste stoffen kunnen wel / niet oplossen in water?

22 Wat bij elkaar past, geef je dezelfde kleur.

hoge temperatuur

veel zuurstof

weinig zuurstof

lage temperatuur

62 >> 3 Water Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


3.2 Test jezelf
1 Verbind links met rechts. Gebruik steeds twee lijnen
drinkwater zouten

kraanwater

mineralen slootwater

magnesium

suspensie bronwater

tomatensap

2 Welke van de volgende mengsels zijn suspensies? Omcirkel de suspensies.


jenever verf jus d’orange
bronwater modder cola

3 Waar of niet waar? Omcirkel wat juist is.


a Een oplossing is troebel. waar / niet waar
b Kraanwater bevat calciumzouten. waar / niet waar
c Zout lost op in water. waar / niet waar
d Ranja is een oplossing. waar / niet waar

4 Kraanwater wordt vijf minuten lang gekookt. Na afloop


a bevat kraanwater meer / minder zuurstof.
b is het kraanwater meer / minder hard.
c is het kraanwater wel / geen oplossing.
d is het kraanwater wel / geen suspensie.
Omcirkel wat juist is.

5 Deze vraag gaat over verschillende soorten oplossingen.


Vul op de open plaatsen in: vloeistof, gas, zuurstof, modder, water, aquariumwater

een vaste stof → bijvoorbeeld: water + modder



Een oplossing is een vloeistof + → een vloeistof → bijvoorbeeld: water + limonadesiroop

een gas → bijvoorbeeld: zuurstof + aquariumwater.

6 Omcirkel de juiste woorden.


Zacht water bevat veel / weinig kalk en magnesium. Door zacht water ontstaat
veel / weinig kalksteen.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 3 Water >> 63


3.3 Stoffen scheiden
1 Mijn antwoord op de introvraag is:
A gewoon zeewater drinken
B regenwater opvangen
C zeewater filtreren

2 Zeewater bevat veel zout. Beantwoord de volgende vragen met ja of nee.


Omcirkel jouw antwoord.
a Is het zout opgelost in het water? ja nee
b Kun je het zout van het water scheiden door het mengsel te filtreren? ja nee
c Kun je het zout van het water scheiden door in te dampen? ja nee
d Kun je drinkwater maken door het mengsel in te dampen? ja nee
e Leg je antwoord op vraag d uit.
zeewater indampen. De dampen laten condenseren. Het gecondenseerde water opvangen.

3 Omcirkel de faseovergangen die een rol spelen bij destilleren.


smelten stollen condenseren verdampen sublimeren rijpen

4 Hieronder zie je een destillatieopstelling. Vergelijk deze opstelling met die van
bron 1.

thermometer

naar
gootsteen

toevoer
koelwater

a Het bolglas in deze opstelling heeft dezelfde functie als een erlemeyer in bron 1.
b De reageerbuis in het leerboek heeft dezelfde functie als de erlemeyer
c Hoe wordt de damp hier gekoeld?
Door koelwater
d In de tekening zijn twee plaatsen met een getal aangegeven. Wat hoort bij welk getal? Vul de woorden
destillaat en residu in.
1 residu 2 destillaat

64 >> 3 Water Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


5 Bekijk de waterkringloop.

3
2

a Welke fase heeft water bij plaats 1 t/m 4 in de waterkringloop?


Bij 1 = gas
Bij 2 = vloeistof
Bij 3 = vaste stof
Bij 4 = vloeistof
b Welke faseovergangen vinden plaats?
Van 1 naar 2 = condenseren
Van 1 naar 3 = condenseren + stollen
Van 3 naar 4 = smelten
Van 4 naar 1 = verdampen
c Op welke plaats in de kringloop van water vindt destillatie plaats?
van 1 naar 2 van 1 naar 3 van 3 naar 4 van 4 naar 1
Omcirkel wat juist is.

6 Hieronder zijn drie situaties beschreven.


Situatie 1 Je hebt een mengsel van alcohol en water.
Je wilt de stoffen scheiden, waarbij beide vloeistoffen bewaard blijven.
Omcirkel wat je het beste kunt doen om de stoffen te scheiden.
indampen destilleren filtreren
Situatie 2 Je hebt zeewater.
Je wilt graag het zout uit het zeewater halen. Het water mag verdwijnen.
Omcirkel wat je het beste kunt doen om het zout uit het zeewater te halen.
indampen destilleren filtreren
Situatie 3 Je hebt een mengsel van zand en water.
Je wilt het zand afzonderen. Het water mag verdwijnen.
Omcirkel wat je het beste kunt doen om het zand van het water af te zonderen.
indampen destilleren filtreren

7 Gedestilleerd water bevat geen zouten. Leg uit hoe je gedestilleerd water uit
mineraalwater kunt maken.
Mineraalwater verwarmen. De damp laten condenseren en het condensaat opvangen.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 3 Water >> 65


8 Wat betekent adsorberen?
Door absorberen kun je geur- kleur en smaak stoffen uit mengsels halen.

9 Het mondmasker van de Graffitikunstenaar Basz.


1 Graffitikunstenaar Basz gebruikt een mondmasker als hij met een spuitbus
verf spuit.
2 In het mondmasker zit een filter met koolstof.
3 Kleine verfdeeltjes zweven in de buitenlucht.
4 Als hij inademt, dan hechten de giftige verfdeeltjes zich aan de koolstof in
het filter.
5 Basz ademt schone lucht in.

Welke zin omschrijft het adsorberen? 1 2 3 4 5


In welke zinnen wordt het adsorptiemiddel genoemd? 1 2 3 4 5
Welke zin omschrijft het vervuilde mengsel? 1 2 3 4 5
Welke zin omschrijft de gereinigde stof? 1 2 3 4 5

10 Wendy zegt: ‘Ik wil graag kleurloze cassis. Kan dat?’


Ilse zegt: ‘Ja hoor, dan moet je gaan adsorberen. Ik doe wel een schepje norit bij
de cassis.’
Wendy snapt er niks van. ‘Je maakt er alleen maar nog meer troep van, hoor!’
Hoe stelt Ilse Wendy op haar gemak?
Ilse zegt: ‘ Het mengsel van cassis en norit moet nog gefilterd worden.

11 Spiritus is een blauw gekleurde vloeistof. Sulema heeft de blauwe kleurstof met
het adsorptiemiddel koolstof geadsorbeerd. Na filtreren krijgt ze een kleurloos
filtraat. Dit is in het schema getekend.

a Omcirkel wat goed is. Een rondje is kleurloze spiritus / kleurstof / koolstof.
Een zwart puntje is kleurloze spiritus / kleurstof / koolstof. Een zwart
driehoekje is kleurloze spiritus / kleurstof / koolstof
b Beschrijf situatie 1.
Bekerglas met blauwe spiritus.
c Beschrijf wat er gebeurt in situatie 2.
Bij de spiritus wordt een adsorbtie middel gedaan (koolstof)

d Beschrijf wat er gebeurt in situatie 3.


Het mengsel van spiritus en koolstof wordt gefiltreerd.

66 >> 3 Water Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


12 In een aquarium wordt het water door een filter gepompt. In het aquarium-
filter zit heel fijn glaswol met daartussen laagjes Norit. In het aquariumwater
zitten opgeloste verontreinigingen en vaste deeltjes.
Omcirkel wat juist is.
De norit wordt gebruikt voor adsorberen / filtreren.
Hierdoor verwijder je de opgeloste verontreinigingen / de vaste deeltjes.
Het glaswol wordt gebruikt voor adsorberen / filtreren.
Hierdoor verwijder je de opgeloste verontreinigingen / de vaste deeltjes.

13 Met Norit kun je van bruine suiker witte suiker maken.


Teken in stripvorm hoe je dit doet.
Schrijf bij je tekeningen op de juiste plaats: filtreren, oplossen, adsorberen,
indampen, filtraat, residu

bruine suiker norit

residu

filtraat

oplossen adsorberen filtreren filtraat indampen

14 Suiker extraheren uit suikerbieten.


Zet de volgende zinnen in de goede volgorde.
R Kook het mengsel.
A Suiker lost op in het warme water.
T Meng het extractiemiddel water met de stukjes biet.
X Hak de suikerbieten fijn.
T Door indampen ontstaat het extract suiker.
E Spoel de suikerbieten schoon.
C Door filtreren scheid je pulp en suikerwater.
De zinnen in de goede volgorde geven het woord
E X T R A C T

15 Omcirkel de goede woorden.


Bij extraheren doe je een vloeistof / vaste stof bij een mengsel van twee vaste
stoffen / twee vloeistoffen / een vaste stof en een vloeistof. Van de twee stoffen
in het mengsel lost de ene stof wel op en de andere niet / verdampt de ene stof
wel en de andere niet.
Het oplosmiddel heet extractiemiddel / extract. Het ontstane mengsel wordt
daarna gefiltreerd. Na indampen van het filtraat houd je het extractiemiddel /
extract over.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 3 Water >> 67


16 Giftige afvalstoffen
Door een berg afvalstoffen sijpelt regenwater.
verandering naam van het proces
1 De deeltjes van giftige stoffen gaan tussen de waterdeeltjes in zitten. oplossen
2 Het vervuilde regenwater wordt door koolstof geleid.
De giftige stoffen hechten zich aan de koolstof. transporteren

Vul achter elke zin in of sprake is van oplossen / adsorberen of van extraheren.

17 Schrijf achter elke omschrijving welke scheidingsmethode beschreven wordt.


omschrijving scheidingsmethode
1 Een van de stoffen lost op. extraheren
2 Een stof condenseert. destilleren
3 Een stof verdwijnt in de lucht. indampen
4 Een stof hecht zich. adsorberen
5 Deeltjes kunnen niet door de gaatjes. filtreren.

Een vlekje wegwerken

18 Doe twee druppels limonadesiroop op verschillende plaatsen op een doekje.


Maak een ander doekje vochtig met water. Wrijf dit doekje over de ene druppel limonadesiroop.
Maak een ander doekje vochtig met wasbenzine. Wrijf dit doekje over de andere druppel limonadesiroop.
De limonadesiroop verdwijnt wel / niet met het vochtige doekje met water.
De limonadesiroop verdwijnt wel / niet met het vochtige doekje met wasbenzine.
Het goede extractiemiddel voor limonadesiroop is water

19 Doe twee druppels smeervet op verschillende plaatsen op een doekje.


Bevochtig een ander doekje met water. Wrijf het doekje met water over een druppel smeervet.
Bevochtig een ander doekje met wasbenzine. Wrijf het doekje met wasmachine over de andere druppel
smeervet.
Het smeervet verdwijnt wel / niet met het vochtige doekje met water.
Het smeervet verdwijnt wel / niet met het vochtige doekje met wasbenzine.
Het goede extractiemiddel voor smeervet is wasbenzine

20 Welke twee gevaren hebben agressieve vlekverwijderaars?


Licht ontvlambaar, giftig

68 >> 3 Water Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


3.3 Test jezelf
1 Waar of niet waar? Omcirkel wat juist is.
a Een oplossing kun je scheiden. waar / niet waar
b Een suspensie kun je scheiden. waar / niet waar
c Een oplossing kun je filtreren. waar / niet waar
d Een suspensie kun je filtreren. waar / niet waar

2 De volgende scheidingmethoden horen bij de zinnen.


filtreren, adsorberen, extraheren, destilleren, indampen
Zet achter de volgende zinnen de juiste scheidingsmethode.
a Droogkoken indampen
b Een stof hecht zich aan een andere stof. adsorberen
c Eén vaste stof lost wel op, de andere niet. extraheren
d De verdampte vloeistof condenseert. destilleren
e Sommige deeltjes gaan door een filter. filtreren

3 Een mengsel bestaat uit een oplossing van vloeistoffen. De ene vloeistof kookt
eerder dan de andere. Je wilt beide vloeistoffen apart hebben. Voor welke schei-
dingsmethode kies je?
A filtreren
B indampen
C destilleren
D extraheren

4 Welke twee scheidingsmethoden gebruik je bij koffie zetten?


A filtreren en destilleren
B filtreren en extraheren
C extraheren en destilleren

5 Wat van links hoor bij rechts? Verbind dat met elkaar.

Opgeloste vetvlek op een schoonmaakdoekje extraheren

Extractiemiddel bij thee zetten indampen

Om oploskoffie te krijgen wordt water uit koffie verwijderd water

Voor een verfijnde smaak voeg je een kaneelstokje aan rode kool toe extract

heet water
6 In Nederland wordt door extractie zout uit de bodem gehaald.
Zet de zinnen in goede volgorde. warme pekel
1 Zout wordt tot product verwerkt.
2 Zout lost op in het water.
aarde
3 De pekel wordt ingedampt.
4 Heet water wordt in de bodem gepompt.
5 De pekel wordt omhoog gepompt.
De juiste volgorde van de zinnen is pekel
4 2 5 3 1
zoutlaag

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 3 Water >> 69


3.4 Zure mengsels
1 Mijn antwoord op de introvraag is:
A Dan gebeurt er niks.
B Dan krijgt de tand een zwarte aanslag.
C Dan zitten er kleine gaatjes in de tand.

2 Leg uit dat een cosmetisch product nooit heel zuur is.
Cosmetische producten zijn niet erg zuur omdat zuur de huid irriteerd.

3 Joost wil een muur schoonmaken. Hij gebruikt hiervoor zoutzuur. Teken in de
afbeelding met rode stift hoe Joost zich moet beschermen tegen het zoutzuur.

4 a Zet de volgende woorden op de eerste drie rijen in de tabel:


glibberig, 7-14, zuur, zeepachtig, 0-7, bijtend
b Geef twee voorbeelden van een zure oplossing en van een basische oplossing.
zure oplossing basische oplossing
Hoe smaakt de vloeistof? zuur zeepachtig
Hoe voelt de stof aan? bijtend glibberig
pH-getal van tot ? van 0 tot 7 van 7 tot 14
voorbeeld 1 b.v. citroen b.v. zeep
voorbeeld 2 b.v. augurk b.v. gootsteenontstopper

70 >> 3 Water Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


5 Hieronder zie je de pH-schaal.

0 7 14

donker geel licht licht blauw donker

a De zuurgraad loopt van 0 tot 14


b De pH-schaal bij een zure oplossingen loopt van 0 tot 7
c Kleur het deel waarin zure oplossingen voorkomen geel. Kleur de meest zure
oplossing donkergeel en de minst zure oplossing lichtgeel.
d De pH-schaal bij basische oplossingen loopt van 7 tot 14
e Kleur het deel waarin basische oplossingen voorkomen blauw. Kleur de
meest basische oplossing donkerblauw en de minst basische oplossing
lichtblauw.
f De pH van water is 7
g Wat is zuurder maagsap of citroensap? maagsap
h Welke stof heeft de hoogste pH, accuzuur of ammonia? ammonia
i Kan een zure vloeistof een pH van 10 hebben? ja / nee
j Leg uit.
Een zure vloeistof heeft een pH van 0 tot 7.

blauw
6 Schoonmaakmiddelen
blauw rood
rood
afwasmiddel

rood
zee

Kleur in de tekening drie basische schoonmaakmiddelen blauw en drie zure


schoonmaakmiddelen rood.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 3 Water >> 71


7 Een indicator verandert van kleur onder invloed van een zure of basische stof

8 Je doet rode koolsap bij water, zeepsop en azijn.


water zeepsop azijn

p g r
a r o
a o o
r e d
s n

Geef aan welke kleur de vloeistoffen in de reageerbuisjes krijgen.

9 In welke zinnen wordt een indicator gebruikt?


1 Jodium wordt blauw bij contact met zetmeel. wel / geen indicator
2 Een herfstblad verkleurt. wel / geen indicator
3 Rodekoolsap wordt groen in ruitenreiniger. wel / geen indicator
4 Door suiker in de urine verkleurt een suikerteststaafje. wel / geen indicator
5 Door indampen ontstaat een bruine vaste stof. wel / geen indicator

10 Vul aan:
Je moet een klein stukje pH-papier afscheuren, want je gebruikt ook maar een klein stukje als indicator
Je moet een roerstaaf na gebruik afspoelen, want anders verkleurt de indicator de volgende keer niet
goed, door achter gebleven stoffen.
Je moet de pH op de pH-papiertjes direct aflezen, want anders verkleurt het pH papier door stoffen
in de lucht.

11 Omcirkel een zure stof met rood. Omcirkel een basische stof met blauw.

afwasmiddel water grapefruit sodawater sinaasappelsap

zeepsop maagsap zoutzuur azijn ontkalkingsmiddel

blauw
rood

72 >> 3 Water Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


12 Vul in.
Frisdrank bestaat voor het grootste gedeelte uit water
Drie voorbeelden van frisdranken zijn: cola , sinas en cassis

13 Cola is erg zuur.


a Proef je dat? ja / nee
b Waardoor komt dat?
In cola zit veel suiker
c Welke stoffen in cola maken cola zuur?
koolzuur en fosforzuur.
d Welke stof in cola zorgt voor de prikkeling?
Koolzuur

14 Streep door.
a De meeste frisdranken hebben een lage / hoge pH-waarde.
b Als je de dop van een colafles draait, dan komt koolstofdioxidegas uit de cola /
gaat koolstofdioxidegas in de cola.

15 In de tabel staat het drankgebruik van de gemiddelde Nederlander in 2002 .


soort drank consumptie mijn favoriete dranken
(L per jaar)
frisdranken 94
vruchtensappen 24
koffie 146
thee 100
melk 50
bier 80
blauw
wijn 19

a Kleur de namen van de alcoholische dranken blauw.


b Kleur de vakken achter de namen van de dranken die jij drinkt geel.
c Welke drank wordt het meest gedronken? koffie
d Welke drank drink jij het meest?

16 Noem drie verpakkingen voor frisdranken.


blikje, flesje, pakje
Je kunt met een magneet ijzerafval uit huisvuil halen.
Welke soort frisdrankverpakking kun je hergebruiken door gebruik te maken van een magneet?
blikje

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 3 Water >> 73


Gaatjes in je tanden

17 Als je frisdrank drinkt, dan krijgen jouw tanden een dubbele zuuraanval te verduren. Leg uit welke twee
zuuraanvallen dat zijn.
Het zuur dat bacteriën maken van suiker en de zure stof die in frisdrank is opgelost.

18 Op welke manieren kun je het speeksel in je mond minder zuur maken?


Omcirkel wat juist is.
a Je tanden poetsen. ja / nee
b Water drinken. ja / nee
c Frisdrank drinken. ja / nee
d Snoep eten. ja / nee
e Gebitsverzorgende kauwgom eten. ja / nee

74 >> 3 Water Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


3.4 Test jezelf
1 Omcirkel de woorden die bij een zure oplossing horen met rood. Omcirkel de
woorden die bij een basische oplossing horen met blauw.

ontkalkingsmiddel pH van 7 water

pH van 4 voelt glibberig aan

pH van 10 appelsap ammonia

zeepsop cola bijtend

blauw
rood

2a Zet de stoffen water, citroensap en zeepsop op de juiste plaats in de vakjes:


0 7 14

citroensap (rood) water zeepsop (blauw)


(groen)
b Kleur het vakje met de zure oplossing rood, het vakje met de neutrale stof
groen en het vakje met de basische oplossing blauw.

3 Hoe doe je een pH-meting met pH-papier? Zet in goede volgorde.


1 Breng met de roerstaaf één druppel sinasappelsap op het papier.
2 Scheur een klein stukje van het pH-papier af.
3 Lees op de controlestrook de pH-waarde af.
4 Spoel de roerstaaf schoon met water.
5 Vergelijk de kleur van het pH-papier met de kleuren op de controlestrook.
De juiste volgorde van de zinnen is
2 1 5 3 4
4 Verbind links en rechts op de juiste manier met elkaar.

geeft smaak aan frisdrank voedingszuur

prikkelend gas water

smaak en lage pH-waarde koolstofdioxide

grootste bestanddeel van frisdrank aroma

5 Britney laat koolstofdioxidegas langdurig door water borrelen.


a Welke kleur heeft rodekoolsap in water? blauw / rood / groen
b Wat is de pH van water? kleiner dan 7 / 7 / groter dan 7
c Welke kleur heeft rodekoolsap in koolzuurhoudend water? blauw / rood / groen
d Wat is de pH van koolzuurhoudend water? kleiner dan 7 / 7 / groter dan 7

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 3 Water >> 75


Deltawerken
1 Stel je voor dat er geen dijken in Nederland waren.
Hoeveel procent van Nederland zou dan onder water lopen?
A ongeveer 10%
B ongeveer 25%
C ongeveer 50%

2 Hieronder zie je twee kaartjes van Nederland.


a Kleur in het linker kaartje het deel van Nederland onder de zeespiegel blauw.
b Kleur in het rechter plaatje de duinen geel.
c Geef in het rechter plaatje dammen en dijken aan met rode lijnen.
d Als je de plaatjes nog mooier wilt maken, dan kleur je beide plaatjes in de
kleuren van bron 2.

geel
blauw

geel
uw
bla

uw
bla geel

Water Water
Onder water gelopen land Onder water gelopen land
Land; boven 1 m. N.A.P. Land; boven 1 m. N.A.P.

3 Bekijk je gekleurde kaartjes van opdracht 2 goed.


a Was je antwoord op vraag 1 goed? ja / nee
b Schat zo nauwkeurig mogelijk hoeveel % van Nederland onder water zou
staan als er geen dijken waren.
Ik schat 45 %

4 Door het aanleggen van dammen wordt de kustlijn een stuk korter.
Noem drie andere positieve gevolgen van het aanleggen van dammen?
1 Minder sterke en hoge dijken nodig
2 De landbouw kan veel beter beschikken over zoet water
3 Bij laag water in de rivieren kan je water binnenlaten door de sluizen

76 >> 3 Water Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


5 Maak de eb en vloed puzzel. Bekijk ook bron 1.

1 2 horizontaal
m m
3 4 4 Als het hoogwater wordt, dan is het
s v l o e d a
p t a 5 Gaat alleen dicht bij stormvloed.
5 6 Nederlandse zee
s t o r m v l o e d k e r i n g
7 Als het laagwater wordt, dan is het
t i r
6n o o r d z e e
o
r g verticaal
1 In Nederland is het verschil tussen eb
m t
en vloed ongeveer 1,5
v ij 2 Eb en vloed ontstaan door de aantrek-
l kingskracht van de
3 Extra hoog water bij volle maan en
o nieuwe maan
7 e b 5 Extra hoog water veroorzaakt door
d harde wind

6 Waarom zitten er zoveel driehoeken in de stormvloedkering? Vul de hokjes van de goede zinnen.
❑ Om de constructie beter te stroomlijnen.

❑ Om de constructie steviger te maken.
❑ Om de constructie lichter te maken.

7 De ontwerpers van de stormvloedkering hebben heel slim gebruik gemaakt van water om de stormvloed-
kering te laten bewegen.
Hoe ze dat gedaan hebben, staat in de volgende tekst.
Vul in de tekst de volgende woorden op de juiste plaats in.
water – bodem – zinken – drijven (2x) – stormvloed

Bij stormvloed worden de dokken gevuld met water.


Daardoor gaan de holle deuren drijven
Zo kunnen de deuren de Nieuwe Waterweg op draaien.
Als de twee deuren tegen elkaar komen, dan lopen de holle ruimten in de deuren vol water
en zinken ze tot op de bodem Zo sluiten ze een opening van 360 meter af.
Zodra het hoogwater voorbij is, worden de deuren leeggepompt. De constructie gaat weer drijven
Als het gevaar voor hoogwater verdwenen is, dan kunnen de deuren terug in hun dok.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 3 Water >> 77


8 De Maeslantkering is maar heel af en toe dicht. Dan draaien de deuren naar elkaar toe.

in rusttoestand in gesloten toestand


ren
bolscharnie

vakwerk armen

Teken in het rechterplaatje de deuren als ze dicht zijn. Kijk ook in bron 3.

9 Een stormvloedkering die kan bewegen, kost veel geld. Het is goedkoper om een vaste dam te bouwen.
Bedenk twee redenen waarom in de Nieuwe Waterweg geen vaste dam is gebouwd.
1 Voor de scheepsvaart
2 Het water van de rivier moet naar zee stromen.

10 Eb en vloed
Het ontstaan van eb en vloed heeft te maken met de beweging van de maan. De maan trekt het water op een
bepaalde manier aan. Om dat in woorden te vertellen, is erg ingewikkeld. Een animatie zegt veel meer. Je kunt
mooie animaties op Internet vinden. Zoek in een zoekmachine met de zoekwoorden: eb vloed animatie.
Bepaal met behulp van de animatie of de volgende zinnen juist of onjuist zijn.
a Alleen als het volle maan is, dan is het springvloed. juist /onjuist
b Door de aantrekkingskracht van de maan wordt het water rond de aarde
een soort ‘eivorm’. Er zijn dan twee vloedbergen. juist /onjuist
c Doordat de aarde draait, wordt het twee keer per dag eb en vloed. juist /onjuist
d Je kunt de stand van de maan gebruiken als een soort ‘eb en vloed klok’ juist /onjuist

11 Constructie van de Maeslantkering


De Maeslantkering bestaat uit de twee grootste beweegbare deuren ter wereld. Natuurlijk moet zo’n
constructie aan bepaalde eisen voldoen. Je gaat op internet op zoek naar antwoord op de volgende vragen.
Zoek in een zoekmachine met de zoekwoorden: Maeslantkering constructie.
a Is de constructie groter of kleiner dan de Eiffeltoren? groter / kleiner
b Waarom zijn de buizen hol?
gewichtsbesparing
c Hoe wordt water gebruikt om de deuren te bewegen?
Als de deuren bewegen drijven ze omdat ze bol zijn. Liggen de deuren op hun plaats, dan wordt
er water ingepompt. De deuren zinken.
d In de constructie zitten bolscharnieren en vakwerkarmen. Geef in de tekening op deze bladzijde aan waar
de bolscharnieren en vakwerkarmen zitten.
Zet een pijltje naar de onderdelen en schrijf er bij: bolscharnier en vakwerkarm.
e Waarom is een bolscharnier gebruikt en geen gewoon scharnier?
Omdat de deuren horizontaal en verticaal moeten bewegen.

78 >> 3 Water Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


4 geluid

4.1 Geluid horen en maken


1 Mijn antwoord op de introvraag is:
A De klankkast laat de tonen beter klinken.
B De klankkast verzamelt de klanken van de snaren en geeft ze door.
C De klankkast versterkt het geluid.

2 Zoek in het plaatje de verschillende geluiden op die gemaakt worden.


Schrijf ze op.
sirene ziekenauto
drilboor
tikken tegen radiator
telefoon
keyboard
hond blaft
T.V. en geluidsinstallatie

3 Geluid kan gebruikt worden voor communicatie, als waarschu-


wingssignaal en voor je plezier.
Kleur het wolkje achter de zin in de juiste kleur.
geluid als communicatie: blauw
geluid als waarschuwing: geel
geluid als hinderlijk: rood
geluid als plezierig: groen.
a Je praat met iemand uit je klas blauw
b Een hond wordt teruggefloten blauw
c Wonen vlak langs een snelweg rood
d Spelen op een gitaar groen
e Luchtalarm op de eerste maandag van de maand geel
f De beltoon van je mobieltje geel
g Luisteren naar de uitleg van een som blauw
h Geluid van de buren in een flat met slechte geluidsisolatie rood
i Een grommende hond geel

4 Hinderlijk geluid kan zijn een piepende deur, een opstijgend vliegtuig of een wekker die afloopt.
Schrijf hieronder nog drie andere storende geluiden op.
1

2 Eigen antwoord.
3

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 4 Geluid >> 79


5 De Dutch TT is een motorrace in Assen.
Schrijf twee verschillende geluiden op die je bij een motorrace hoort.
1 geluid van de motoren
2 geluid uit de luidsprekers

6 Kleur bij een goede zin de smiley groen.


a Als je praat, dan maakt je tong het geluid ☺
b Geluid ontstaat door een trilling. ☺ groen
c Als je praat, dan trillen je stembanden. ☺
d In een oortelefoontje ontstaat het geluid zonder een trilling. ☺

7 Bij een luidspreker trilt de conus

8 Hoe komt in bron 3 het geluid van de trommel bij het oor?
Zet de zinnen in de goede volgorde.
Plaats de letters die voor de zinnen staan in de goede volgorde in het balkje.
e Het trommelvlies trilt mee met de lucht.
o De lucht geeft de trilling van de trommel naar alle kanten door.
t Het trillende vel van de trommel zorgt voor geluid.
m In je oor zit een trommelvlies.
r De lucht rond de trommel trilt mee.
l Je hoort het geluid.
m De trillingen van de lucht komen bij je oor.
1 2 3 4 5 6 7
t r o m m e l

9 Schrijf onder het plaatje door welke tussenstof het geluid zich verplaatst.

water ijzer lucht glas lucht

10 Je kunt een microfoon gebruiken om je stem te versterken.


Geef drie voorbeelden van een situatie waarbij je een microfoon gebruikt.
1 disco
2 sportwedstrijd.
3 feestavond.

80 >> 4 Geluid Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


11 Geluid kan met een klankkast worden versterkt, maar ook elektrisch.
Bedenk een voordeel van het elektrisch versterken van geluid.
Je kunt de hardheid van het geluid regelen.
Je kunt elektronische geluidseffecten toevoegen.

12 Schrijf drie beroepen op waarbij geluid een belangrijke rol speelt.


1 geluidstechnicus.
2 artiest.
3 verkoper op de markt

OPSLAAN VAN GELUID

13 Je ziet hier de tekeningen uit het leerboek.

A B A B

a Leg uit hoe geluid is opgeslagen op een cd.


Op een CD is de geluidscode vastgelegd in putjes.

b Leg uit wat er gebeurt tijdens het afspelen van een cd.
Op een CD is de geluidscode vastgelegd in putjes. Een laser ‘leest’ deze putjes. Alleen als de
laserstraal op een putje terecht komt, komt het licht op de ontvanger.

14 Wat is de juiste volgorde van de zinnen?


Schrijf de letters voor de zinnen in de juiste volgorde op.
a De ontvanger maakt hier aan-en-uit-signalen van.
b De luidspreker brengt de lucht in trilling.
c Door het ronddraaien van de cd ziet de ontvanger knipperend licht.
e Alleen bij aan loopt er een elektrisch stroompje.
f Je hoort muziek.
g Deze stroompjes gaan via een versterker naar de luidspreker.
c, a, e, g, b, f

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 4 Geluid >> 81


4.1 Test jezelf
1 Geluid gebruik je
A voor communicatie, plezier en voor waarschuwing.
B alleen voor communicatie.
C alleen voor plezier.
D voor het veroorzaken van geluidshinder.

2 Geluid ontstaat door


A luidsprekers.
B microfoons.
C trillingen.
D stemvorken.

3 Een voorwerp dat geluid maakt is een


A tussenstof.
B geluidsbron.
C geluidseffect.
D geluidsvoorwerp.

4 Geluid gaat door de lucht naar je oor. De lucht is dan de


A geluidsbron.
B zuurstof.
C ontvanger van geluid.
D tussenstof.

5 Kleur de smiley groen als de uitspraak juist is.


a Alle geluiden klinken even hard. ☺
b Als je praat, dan trillen je stembanden. ☺
c Als je geluid hoort, dan is er iets dat trilt. ☺
d Als er geen lucht is, dan kun je elkaar niet horen. ☺ groen
e Voor geluid is geen tussenstof nodig. ☺
f Een microfoon zet trillende lucht om in elektrische stroom. ☺
g Met een klankkast kun je geluid versterken. ☺
h Een trillende snaar geeft zonder versterking een hard geluid. ☺
i Op een geluidsdrager kun je alleen stemmen opslaan. ☺

6 Welke twee manieren zijn mogelijk om geluid te versterken?


A een klankkast gebruiken en een snaar aanslaan
B een klankkast gebruiken of elektrisch versterken
C elektrisch versterken en gehoorbescherming gebruiken
D een klankkast gebruiken en een stemvork aanslaan

82 >> 4 Geluid Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


4.2 Geluidssterkte
1 Mijn antwoord op de intro vraag is:
A omdat ze dan geen last hebben van het gillen en juichen van het publiek.
B om geen hoofdpijn te krijgen.
C omdat ze anders doof kunnen worden van de harde muziek die ze elke
avond horen.

2 Schrijf vier hard klinkende geluiden op.


1 sirene
2 vuurwerk
3 vliegtuig
4 te harde muziek.

3 De leerlingen in bron 2 meten de geluidssterkte


a Met welk meetinstrument meet je de geluidssterkte?
Met een decibelmeter
b In welke eenheid meet je de geluidssterkte?
dB

4 Schrijf naast het plaatje wat het met geluidssterkte te maken heeft.
De slijptol maakt heel veel lawaai. Daarom draagt de slijper
gehoorbeschermers.

5 In welk plaatje wordt de geluidssterkte goed gemeten?

A B C D

6 Het meten van de geluidssterkte moet volgens vaste regels, omdat


A je de geluidssterkte van de verschillende geluidsbronnen dan kunt vergelijken.
B de decibelmeter dan niet goed meet.
C dit in de gebruiksaanwijzing van de decibelmeter staat.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 4 Geluid >> 83


7 Kleur het rondje onder de decibelmeter groen.

30
40 50 1225.2v
dB
60
0
10 2

tekst
s tekst

70
dit is te

2m
tekst
80
0

0
-1 c 90 tekst

P is tekst
s tekst

8 Schrijf met behulp van de tabel uit bron 3 de juiste geluidssterkte bij elk
pictogram.

140 dB
........................ 100 dB
........................ 60 dB
........................

110 dB
........................ 30-50 dB
........................ 50 dB
........................

9 Geef twee voorbeelden van een geluid waarbij directe gehoorbeschadiging kan
ontstaan.
1 Dicht bij ontploffend vuurwerk.
2 Dicht bij een startend vliegtuig.

10 Gehoorbeschadiging kan ook ontstaan bij 90 dB.


Waarom is gehoorbeschadiging bij 90 dB geen ‘directe gehoorbeschadiging’?
Omdat de gehoorbeschadiging ontstaat na lange tijd werken bij
90 dB.

11 De man in bron 4 draagt gehoorbeschermers.


a Wat is ongeveer de geluidssterkte waarin de man werkt?
Raadpleeg bron 3.

110 dB
b Geeft deze geluidssterkte gehoorbeschadiging als je geen geluidsbescher-
mers draagt?
Ja / Nee , want het is meer dan 90 dB.

84 >> 4 Geluid Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


12 Hiernaast zie je een grafiek. kans op blijvende gehoorschade
In het meest linkse gedeelte loop je geen 8

blootstellingsduur (uren) –>


gevaar voor gehoorbeschadiging. 7
Het donkergrijze gedeelte rechts is de 6
gevaarzone.
5
Uit de grafiek kun je aflezen dat in geluid
van 90 dB na iets meer dan 3 uur blijvende 4
gehoorbeschadiging kan optreden. 3
2
a Na hoeveel tijd is 87 dB gevaarlijk?
1
na ongeveer 6 uur
0
b Waaraan kun je in de grafiek zien dat 75 80 85 90 95 100 105 110 115
vuurwerk van 130 dB directe gehoorbe- gemiddeld geluidsniveau (dB) –>
schadiging kan veroorzaken?
je zit dan direct in het donker grijze gedeelte, na 0 uur.
c Je werkt in een ruimte met een geluid van 85 dB.
Is het dan verstandig om gehoorbeschermers te dragen? Schrijf op waarom
je dat vindt.
Ja, want uiteindelijk kom je in het donkere gedeelte uit als je de lijnen doortrekt.

13 Hoe noem je het afschermen van geluid?


Isoleren

14 Maak de volgende puzzel.


1 meet je met een decibelmeter 1 g. e. .l u. i. d. s. s. t. e. r. k. t. .e
2 hier landen vliegtuigen 2 v. l. .i e. g. t. u. .i g.
3 verminderen geluidsoverlast langs snelwegen 3 g
. e. l. u. i. d. s. s. c. h. e. r. m .
4 hard geluid 4 l. a. w
. a
. a
. i.
5 afkorting eenheid van geluidssterkte 5 .d B
.
6 hier hoor je mee 6 o. r. e. n.
7 afschermen van geluid 7 i. s. o. l. e. r. e. n.
Welk woord vormen de letters op de streepjes? decibel

15 Je oortelefoontje van de mp3-speler kan een geluid van 110 dB geven.


Waarom hebben buren wel last van een radio met 110 dB maar niet van je oor-
telefoontje?
Het geluid van je oortelefoontje brengt veel minder lucht in trilling dan een radio.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 4 Geluid >> 85


16 Waarom draagt de man op de foto gehoorbescher-
mers?
De schuurmachine heeft een geluidssterkte van
meer dan 90 dB

17 Wat is het beste materiaal aan de binnenkant van een


gehoorbeschermer?
A aluminiumfolie
B een metalen plaatje
C schuimrubber

18 Een drukke weg langs een woonwijk zorgt voor veel


geluidsoverlast.
Op welke manier kan de overlast verminderd worden?
Door de maximumsnelheid te verlagen. De huizen goed te isoleren. Geluidswallen aanleggen.

19 Veel steden hebben in de binnenstad een autoluwe zone.


a Zoek op wat een autoluwe zone is.
b Schrijf op wat een autoluwe zone met geluid te maken heeft.
a Een gedeelte in het centrum waar weinig autoverkeer mag komen
b Minder verkeer betekent minder geluid.

20 Maak de puzzel.
horizontaal verticaal
1 eenheid van geluidssterkte 1 daar hoor je mee
2 trilt in je oor 2 niet zacht
3 veroorzaakt geluid 3 druk van de lucht
4 daarmee kun je naar de maan 4 hardheid van geluid

4g

e
l
u
1d e c i b e l
1o d
2t r o m m e 3l v l i e s
r u s
c t
2h h e
a t r
r d k
3g e l u i d s d r u k t
u e
4
r a k e t

86 >> 4 Geluid Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


HARDER GELUID EN DECIBEL

21 a In welk plaatje is de druk in het oor even groot als buiten het oor? C
b Kleur in dit plaatje het trommelvlies groen.
c Kleur het trommelvlies blauw waarbij de druk buiten het oor groter is dan
achter het trommelvlies.

groen

A B C
blauw

22 Als een geluid harder wordt, dan


A wordt de geluidsdruk groter.
B wordt de geluidsdruk kleiner.
C verandert de geluidsdruk niet.

23 Een rinkelende wekker heeft een geluidsterkte van 60 dB.


Hoe groot is de geluidssterkte van twee rinkelende wekkers? 63 dB

24 Lisa en Niek organiseren een schoolavond in de aula.


Niek vindt het geluid van de installatie niet hard genoeg.
‘Zet er nog een box bij,’ zegt Lisa, ‘dan wordt de geluidssterkte twee keer zo
groot.’
Heeft Lisa gelijk?
Ja / Nee , want Bij een verdubbeling van het aantal boxen wordt de geluidssterkte met 3 dB verhoogd.

25 Bij een vliegshow sta je op veilige afstand.


Je ziet drie startende straaljagers. De geluidsterkte die je hoort, is 90 dB.
Hoe groot is de geluidssterkte als er zes straaljagers starten? 93 dB

26 Maak een reclameposter voor een winkel die geluidsapparatuur verkoopt.


Je mag de poster tekenen en kleuren. Je mag ook knippen en plakken.
Hang de poster op in je lokaal en vergelijk je poster met andere posters.
Bij welke poster komt het onderwerp ‘geluid’ het beste naar voren?

Eigen antwoord.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 4 Geluid >> 87


4.2 Test jezelf
1 Vul achter de zin het goede woord in.
Kies uit: 140 dB, decibelmeter, gehoorbeschadiging, 90 dB, gehoorbeschermers,
zacht, afstand, richting.
a De geluidssterkte meet je met een decibelmeter
b Belangrijk bij het meten van de geluidssterkte zijn richting en afstand
c Geluid dat pijn doet aan je oren heeft een geluidssterkte van 140 dB
d Door te vaak naar te harde muziek te luisteren ontstaat gehoorbeschadiging
e Isoleren van geluid doe je met zacht materiaal.
f Gehoorbeschadiging ontstaat ook bij langdurig werken bij 90 dB
g Je kunt je gehoor beschermen met gehoorbeschermers

2 De dB is de eenheid van
A toonhoogte.
B trilling.
C geluidsterkte.
D isolatiewaarde.

3 Trek lijntjes van een plaatje naar de juiste geluidssterkte.

75 dB 115 dB 35 dB 55 dB

4 Woningen isoleren tegen geluidsoverlast kan alleen met


A zachte materialen
B harde materialen
C natuurlijke materialen

5 Trek de juiste verbindingslijntjes tussen de maatregel tegen geluidsoverlast


links en de werking rechts.

geluidsscherm plaatsen
geluid isoleren
volumeknop terug draaien
geluid weerkaatsen
gehoorbeschermers dragen
geluid verminderen
isolerende materialen aanbrengen in huis

88 >> 4 Geluid Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


4.3 Hoge en lage tonen
1 Mijn antwoord op de introvraag is:
A de toon van het linker glas
B de toon van het rechterglas
C Beide tonen klinken even hoog.

2 De trillende snaar op de foto in bron 1 heeft een frequentie van 100 Hz.
Hoe vaak trilt de snaar in één seconde?
100 x

3 Maak de puzzel:
1 h. o. .g e. r. Hoe sneller iets trilt, des te is de toon.
2 l. a
. g
. e. r. Als iets langzamer gaat trillen, dan wordt de toon
3 .f r. e. q. u
. e. n
. t. i. e. Het aantal trillingen per seconde heet de
4 t. r. .i l. t. Je hoort een hogere toon als iets sneller
5 z. o. e. me
. . n. Geluid van een bromvlieg.
Welk woord lees je op de streepjes? hertz

4 Op de plank op de tekening zijn snaren gespannen.


De snaren zijn even strak gespannen 1
Om cirkel het juiste nummer.
2
Snaar 1 2 3 heeft de hoogste toon.
3

5 Op de foto zie je de Erasmusbrug. Tijdens een storm zijn de draden van de brug
heftig gaan trillen.
Maak de tekening van de brug verder af .
Teken de draden die in de hoogste frequentie zijn gaan trillen blauw. Teken de
draden met een lage frequentie rood.

rood
blauw

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 4 Geluid >> 89


6 Zet een cirkel om het juiste antwoord.
a Een basgitaar is groter dan een gewone gitaar. waar / niet waar
b Een basgitaar heeft dikkere snaren dan een gewone gitaar. waar / niet waar
c Een basgitaar heeft dunnere snaren dan een gewone gitaar. waar / niet waar

7 Het meisje in bron 2 sluit de gaten van de blokfluit af.


Vul de ontbrekende woorden in. Kies uit hoger, lager, korter en langer.
a Naarmate ze meer gaten afsluit, wordt de luchtkolom langer
b Naarmate ze meer gaten afsluit, wordt de toon lager
c Naarmate ze minder gaten afsluit, wordt de luchtkolom korter
d Naarmate ze minder gaten afsluit, wordt de toon hoger

8 Je ziet hieronder een getallenlijn.


Op de getallenlijn zijn de frequenties van 0 tot 200 000 Hz aan gegeven.
a Geef op de lijn met rood de onderste gehoorgrens van de mens aan.
b Geef ook met rood de bovenste gehoorgrens van de mens aan.
c Kleur de afstand tussen deze twee punten rood.
rood

10 20
blauw50 100 200 500 1000 2000 5000 10 000 50 000 200 000
groen frequentie (Hz) –>

9 In bron 3 staat het gehoorbereik van een aantal dieren.


a Geef op de getallenlijn van vraag 8 het gehoorbereik van de hond met blauw aan.
b Geef met groen het gehoorbereik van de vleermuis aan.

10 Zet een rood kruis door het oor als het geluid niet hoorbaar is voor mensen.
a Vleermuizen zoeken hun prooi door geluiden te maken van 50 000 Hz. 

b Olifanten maken tonen van 10 Hz. 

c Een mug heeft en vleugelslag van 1000 Hz. 
d Een oorlogsschip zoekt een onderzeeër met geluid van 350 000 Hz. 

e Een tak zwiept in de wind met een frequentie van 5 Hz. 

11 a In de linker kolom van de tabel staan leeftijden.


Zoek in de grafiek van bron 4 de onderste en bovenste gehoorgrens voor elke leeftijd.
Vul de tabel in.

leeftijd ( jaar) onderste gehoorgrens (Hz) bovenste gehoorgrens (Hz)


10 20 Hz 20 000 Hz
20 20 Hz 17 500 Hz
30 20 Hz 16 000 Hz
40 20 Hz 15 500 Hz
50 20 Hz 15 000 Hz
60 20 Hz 14 000 Hz
70 20 Hz 7000 Hz

b Tussen welke twee leeftijden is de terugloop van de bovenste gehoorgrens het grootst?
tussen 60 en 80 jaar

90 >> 4 Geluid Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


12 De kat krijgt een gehoortest.
Schrijf op wat je nodig hebt voor een gehoortest.
koptelefoon, computer of toongenerator.

13 Waarom liggen de pieptonen bij een gehoortest voor mensen tussen 20 Hz


en 30 000 Hz?
omdat het gehoorbereik van mensen tussen de 20 Hz en 20 000 Hz ligt.

TWEE OREN
14 Schrijf onder elk plaatje waar je denkt dat de leerling het geluid vandaan hoort komen.
Kies uit: links achter, rechts achter, midden achter.

linker oor dicht beide oren open rechter oor dicht

a rechts b links c links

15 Teken 6 luidsprekers zoals je ze


in het leerboek ziet. Knip de
luidsprekers uit. L bas R
TV
Plak ze in de tekening van de
M
kamer op de plaats waar je de
6 boxen van de homevideoset
het beste kunt neerzetten.

L R

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 4 Geluid >> 91


4.3 Test jezelf
1 Wat is de frequentie van een toon?
A het aantal trillingen in een minuut van de toon
B het aantal trillingen van de toon
C het aantal trillingen in een seconde van de toon

2 Wat betekent ‘De toon heeft een frequentie van 440 Hz’?
A De toon ontstaat door 440 trillingen in een seconde.
B De toon ontstaat door 440 trillingen.
C Een toon van 440 Hz is niet te horen.
D De geluidssterkte is 440 Hz.

3 De toon van een snaar kun je veranderen met


A de lengte van de snaar.
B de lengte en de dikte van de snaar.
C de spanning en de dikte van de snaar.
D de lengte, dikte en spanning van de snaar.

4 Danique blaast op een klarinet. Ze sluit een extra klep af.


Omcirkel de juiste woorden.
a Door het sluiten van de klep wordt de luchtkolom langer / korter.
b Door het sluiten van de klep wordt de toon hoger / lager.
c Door het sluiten van de klep wordt de frequentie van de toon hoger / lager.

A 200 Hz
B 20 Hz

5 a Kies A of B voor de onderste gehoorgrens van de mens. C 20 000 Hz


D 20 Hz
b Kies C of D voor de bovenste gehoor van de mens.
E 20 - 20 000 Hz
c Kies D of E voor het gehoorbereik van de mens. F 0 - 20 000 Hz

6 Waar of niet waar? Omcirkel het juiste antwoord.


a Als je ouder wordt, dan wordt je gehoor slechter. waar /niet waar
b Je gehoor wordt vanaf 10 jaar al slechter, maar
na 60 jaar gaat je gehoor sneller achteruit. waar /niet waar
c Pas na je zestigste jaar wordt je gehoor slechter. waar /niet waar
d De leeftijd heeft niets met de kwaliteit van je gehoor te maken. waar /niet waar
e Dieren hebben eenzelfde gehoorbereik als mensen. waar /niet waar

92 >> 4 Geluid Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


4.4 Beeld en geluid
1 Mijn antwoord op de introvraag is:
A Geluiden van dolfijnen zijn te zien in het water.
B Geluiden van dolfijnen kun je niet zichtbaar maken.
Je moet goed luisteren.
C Je neemt de geluiden op en maakt een grafiek van het geluid.

2 Hoe wordt geluid in de disco zichtbaar gemaakt door een DJ?


Door knipperend licht op het ritme van de muziek.

3 Met een staafdiagram kun je op een scherm geluid


zichtbaar maken.
70

geluidssterkte (dB) –>


Teken hiernaast hoe het scherm er uit kan zien, als je
muziek afspeelt. Teken 7 staven in het diagram, voor 60
de volgende toonsoorten:
50
1 20-50 Hz 25 dB
2 50-100 Hz 40 dB 40
3 100-200 Hz 45 dB
4 200-500 Hz 55 dB 30
5 500-1000 Hz 70 dB 20
6 1000-2000 Hz 73 dB
7 2000-5000 Hz 68 dB 10

0
20-50 50-100 100-200 200-500 500-1000 1000-2000 2000-5000
toonhoogte (Hz) –>

4 a Welk apparaat kan trillingen in beeld brengen?


Streep de letters van dat apparaat in de volgorde zoals je het woord schrijft door in:
o m s i c c r i l o l f o s o o c o n o p
b De letters die niet door gestreept zijn, vormen het woord microfoon

5 Teken het beeld op het scherm over in het vierkant.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 4 Geluid >> 93


6 a Welke toon is het hoogst? I II

II
b Tel het aantal hele trilling op scherm II.
Het aantal trillingen is 8

7 Welk systeem hebben de mensen van potvissen afgekeken?


a Streep de letters van de naam van dat systeem op volgorde van links naar rechts door in:
S E O C N H A O R
b De letters die niet door gestreept zijn vormen het woord echo

8 Het kader hieronder stelt de oceaan voor op twee kilometer diepte.


a Teken er een potvis in. Teken ook een pijlinktvis op enige afstand van de potvis.

b De potvis maakt geluid om de pijlinktvis op te sporen.


Laat met lijntjes zien hoe het geluid van de potvis zich in het water verspreidt.
Kleur de lijn van het geluid waarmee de potvis de pijlinktvis waarneemt.

9 Het dove meisje in bron 4 gebruikt een computer om woorden goed te leren
uitspreken. Daarbij doorloopt ze verschillende stappen.
Noteer in de vakken voor de zinnen de juiste volgorde van de stappen 1 t/m 5.
Ze probeert het geluid van het woord te maken.
3
Ze oefent tot het beeld van haar geluid gelijk is aan het beeld van het goede geluid.
5
Ze leest een woord op het scherm van de computer.
1
Ze ziet het beeld van het geluid zoals het woord moet klinken.
2
Het geluid wat ze maakt, komt in beeld op de computer.
4

94 >> 4 Geluid Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


10 Vind ze alle 10.
In het vierkant zijn tien woorden verstopt. Zoek ze op en streep ze door.
geluid trilling echo stem beeld
scoop stemvork microfoon toon frequentie

f r e q u e n t i e
g o b d t h l m s a
k i e s t e m i t l
l k e e r o b c e d
g e l u i d g r m k
r c d o l u t o v p
f h l o l s n f o m
t o o n i u u o r l
n t a a n f c o k o
i o e r g s d n h k

VERONTREINIGING DOOR GELUID


11 Geef twee voorbeelden van geluidsbronnen onder water.
1 scheepsmotoren
2 diergeluiden.

12 Op de foto in het leerboek zie je gestrande walvissen.


Een mogelijke oorzaak van de stranding is het vele geluid onder water of de sonar van schepen.
Hoe kan de sonar van schepen de stranding van walvissen veroorzaken?
Door de sonar van schepen raakt het eigen sonarsysteem van walvissen in de war.

13 In een broedreservaat mogen alleen boten varen met een elektromotor.


Verklaar dat daar een elektromotor gebruikt wordt.
Een elektromotor maakt veel minder geluid dan een benzinemoter.

14 Trek de juiste verbindingslijntjes tussen de zinnen links en de woorden rechts.

Boten gebruiken sonar

Vissen gebruiken sonar


natuurlijke geluidsbron
Dolfijnen communiceren onder water

Scheepsmotoren maken geluid onder water

De geluidssterkte onder water is 40 dB menselijke geluidsbron

De geluidssterkte onder water is 90 dB

In de zomervakantie stijgt de geluidssterkte onder water

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 4 Geluid >> 95


4.4 Test jezelf
1 Om het geluid van een stemvork zichtbaar te maken heb je nodig:
A stemvork op klankkast, hamer en microfoon.
B stemvork op klankkast, hamer en oscilloscoop.
C stemvork op klankkast, hamer, microfoon en oscilloscoop

2 Op welk plaatje is een oscilloscoop te zien?

13:08
25 km

A B C D

3 Je wilt je stem in beeld brengen.


Welke twee apparaten heb je dan nodig?
A een computer en een oscilloscoop
B een computer en een microfoon
C een computer en een koptelefoon

4 Hier zie je twee beelden van het geluid van een gitaar.

A B

a Welk geluid is het hoogst, A of B? B


b De toon van de gitaar is te laag. Omcirkel het juiste woord.
Om de juiste toon te krijgen moet de snaar strakker / slapper gespannen worden.

5 Een potvis kan met geluid bepalen waar een prooi zich bevindt.
Hoe heet het systeem waarmee de potvis de plaats van de prooi bepaald?
sonar

6 Dove mensen kunnen met behulp van een computer leren hoe je een woord uitspreekt.
Omcirkel het juiste woord.
a De computer laat zien hoe het woord moet klinken. waar / niet waar
b De computer laat horen hoe het woord moet klinken. waar / niet waar
c De computer laat zien hoe het geproduceerde geluid klinkt. waar / niet waar
d De computer laat horen hoe het geproduceerde geluid klinkt waar / niet waar

96 >> 4 Geluid Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


Onzichtbaar communiceren
1 Zet de volgende woorden of zinnen in het juiste vak.
snelheid 340 m/s, snelheid 300 000 km/s, gaat ook door lege ruimte (vacuüm),
heeft tussenstof nodig, golven, prikkels voor zintuigen, oog, oor.

snelheid
snelheid 340 m/s 300 000 km/s
geluid geluid en licht licht

golven vacuüm
tussenstof oog
prikkels voor zintuigen

oor

2 Bij onweer zie je eerst de bliksemflits. Je hoort de donderslag pas enkele seconden later.
Waardoor komt dat?
A Je gehoorzintuig werkt trager dan je ogen.
B De donderslag ontstaat later dan de bliksemflits.
C Licht gaat veel sneller dan geluid.
D Het geluid verspreidt zich in alle richtingen; het licht niet.

3 Zijn de volgende zinnen juist of onjuist?


a Ultraviolet is onzichtbaar voor mensen. juist / onjuist
b Ultraviolet is onzichtbaar voor bijen. juist / onjuist
c Infrarood is hetzelfde als de kleur rood. juist / onjuist
d Dolfijnen kunnen ‘zien’ met echo van ultrasone trillingen. juist / onjuist
f Een mobiele telefoon zendt geluid naar een zendmast. juist / onjuist
g Een slang neemt een muis in het donker waar met infrarood. juist / onjuist
h Radiogolven gaan net zo snel als licht. juist / onjuist
i Radiogolven zijn hetzelfde als geluid. juist / onjuist

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 4 Geluid >> 97


4 Maak de kruiswoordpuzzel.

1 2
b l a u w horizontaal
3 4 1 lievelingskleur van de meeste mensen
R l I 5 communicatiemiddel van dolfijnen
t 5S o n a 6r
a onder water
d r f ö 7 oven die op microgolven werkt
7m 8 trilling die je hoort
i a g n e t r o n 10 onhoorbaar
o v a t 11 infrarood voel je als ….
8g e l u i d r g
9r
verticaal
o o o e 2 daar verbrand je door
l 10
U l t r a s o o n 3 zendt je mobiele telefoon naar de

v e d d zendmast
4 een slang ziet deze straling
e t a 6 gebruikt de tandarts voor foto’s
n 11 9 hiermee zien ze vliegtuigen naderen
w a r m t e
op de verkeerstoren

5 In bron 2 zie je een infrarood-foto.


Schrijf de kleuren van de foto hieronder op, in volgorde van warm naar koud.
rood, geel, groen, blauw, paars.

6 Maak hieronder een ‘infrarood-tekening’ van een hand die een brandende
lucifer vasthoudt en een colaglas met ijsblokjes dat op tafel staat.
Geef er een duidelijke legenda bij.

kleur temperatuur (oC)


wit groter dan 100°C
lichtrood
lichtrood 40°C
donkerrood 25°C
jas: donkerrood lichtblauw 10°C
donkerrood
donkerblauw 0°C
vlam: wit

hand: lichtrood

ijs: donkerblauw

cola: lichtblauw

98 >> 4 Geluid Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


7 Je mobiele telefoon maakt gebruik van
A microgolven.
B radiogolven.
C geluidsgolven.

8 Hoe verplaatst jouw stem zich sneller: direct via de lucht of via een mobiele
telefoon?
via mobiele telefoon

9 Bel jezelf op met twee mobiele telefoons en praat.


a Wat neem je waar?
Je stem hoor je door de telefoon iets achter lopen

b Hoe kan dat?


De radiogolven moeten een grote afstand afleggen.

10 Bedenk een proefje om met twee telefoons te meten en te berekenen hoe ver je van een zendmast afstaat.
Teken en beschrijf jouw uitvinding in het vak hieronder:

Eigen antwoord.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 4 Geluid >> 99


5 elektriciteit

5.1 De stroomkring
1 Mijn antwoord op de introvraag is:
A minder dan 15
B tussen 15 en 25
C meer dan 25

2 Noem twee elektrische apparaten die je niet zou kunnen missen.


1 Eigen antwoord.
2 Eigen antwoord.

3 In bron 1 staat een aantal elektrische apparaten. Welke apparaten kunnen op


een batterij werken?
(zak)lamp, mp3-speler.

4 Hieronder staan drie elektrische apparaten.

Vul de tabel in.


In de eerste kolom schrijf je de namen van de apparaten onder elkaar.
In de tweede kolom geef je aan waar je het apparaat voor gebruikt.
In de derde kolom beschrijf je hoe je het werk uit kolom 2 zonder elektriciteit
kunt doen.

apparaat gebruik hoe doe je het zonder elektriciteit?


stofzuiger schoonmaken vegen
rekenmachine rekenen telraam uit het hoofd.
(bureau) lamp verlichting vuur (kaars)

5 Wat is de eenheid van stroomsterkte?


Ampère (symbool: A)

6 In het snoer van een schemerlamp zitten twee draden.


Leg uit waarom er twee draden in zitten.
Je hebt een gesloten stroomkring nodig. Die ontstaat met behulp van een aanvoerdraad en een
afvoerdraad voor de stroom.

100 >> 5 Elektriciteit Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


7 Je wordt aangehouden door de politie. Het voorlicht van je fiets doet het niet.
Je achterlicht gelukkig wel. Wat kan de oorzaak zijn? Kleur de juiste rondjes.
● Het voorlampje is stuk.
❍ Het achterlampje is stuk.
● Het draadje van het voorlampje zit los.
❍ Het draadje van het achterlampje zit los.
❍ Je trapt niet snel genoeg.
❍ De dynamo draait niet rond.

8 Kleur de geleiders rood en de isolatoren groen.

papier plastic
paperclip
groen
spijker glas
muntstuk rood

9 Wanneer brandt het lampje? Kleur het lampje geel als het brandt.

plastic metaal metaal

geel
10 Van de dynamo lopen twee draden. Eén draad loopt naar de koplamp en de
tweede naar het achterlichtje. Om deze draadjes zit een laagje plastic.
a Waarvoor dient dit plastic laagje?
isolatie
b Welke stof zit er in de draden?
koper
c Waarom is gekozen voor deze stof?
koper is een metaal dat elektriciteit zeer goed geleidt.

11 Een schrikdraadapparaat geeft een spanning van meer dan duizend volt. Een
schrikdraadapparaat levert echter geen grote stroom. Leg uit waarom de
stroom niet groot mag zijn.
Als de stroomsterkte te groot is, dan kan dat gevaarlijk zijn.

12 Als je de polen van een zaklantaarnbatterij (bron 2) beet pakt, dan voel je niets.
Ilse zegt: ‘Als je niets voelt, dan weet je zeker dat de batterij leeg is.’
Lydia zegt: ‘Misschien loopt er wel een stroom, maar die is zo klein dat je hem
niet voelt.’
Wie heeft er gelijk?
A Ilse heeft gelijk.
B Lydia heeft gelijk.
C Ilse en Lydia hebben beiden gelijk.
D Ilse en Lydia hebben geen van beiden gelijk.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 5 Elektriciteit >> 101


VONKEN EN BLIKSEM

13 Lucht is een isolator.


a Wat zou er met een losse batterij in de lucht gebeuren, als lucht een geleider
was?
dan zou de batterij ‘leeg’ lopen.
b Geef nog een voorbeeld van een situatie waarbij het belangrijk is dat lucht
niet geleidt.
Eigen antwoord.

14 Waar of niet waar? Omcirkel de juiste woorden.


a Bij een elektrische vonk gaat er even een stroom door de lucht. waar / niet waar
b Bij het uittrekken van een trui kunnen vonken ontstaan. waar / niet waar
c Elektrische vonkjes zijn onzichtbaar. waar / niet waar
d Elektrische vonkjes maken een knisperend geluid. waar / niet waar
e Een vonkje veroorzaakt een elektrische ontlading. waar / niet waar

15 Zet de volgende woorden op de juiste plaats in de tekst.


gerommel, lucht, bliksem, ontlading, luchtstromingen, onweer
De grote vonken bij onweer noem je bliksem .
De bliksem ontstaat bij onweer .
Bij onweer wordt de lucht elektrisch geladen.
De elektrische lading in de lucht ontstaat door luchtstromingen .
De bliksem veroorzaakt een ontlading .
Het geluid van de bliksem is het gerommel .

102 >> 5 Elektriciteit Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


5.1 Test jezelf
1 Trek de juiste verbindingslijntjes tussen het elektrische apparaat en waar het
apparaat voor gemaakt is.

beamer licht geven

gloeilamp beelden weergeven

waterkoker geluid maken

stofzuiger warmte produceren

mp3 speler beweging veroorzaken

2 Geef van de volgende uitspraken aan of ze waar of niet waar zijn. Omcirkel het
juiste antwoord.
a Er loopt stroom in een gesloten stroomkring, waar
een batterij in zit. waar / niet waar
b Stroom kan door een koperdraad. waar / niet waar
c Stroom kan door een kunststofdraad. waar / niet waar
d Metalen zijn geleiders. waar / niet waar

3 Zet de volgende woorden op de juiste plaats in de tekst.


geleider, stroom, isolator, stroomkring
Een gloeilamp kan alleen branden als de lamp is opgenomen in een
stroomkring .
Je moet de lamp met de spanningsbron verbinden met een
geleider .
Om de draden tussen de lamp en de spanningsbron zit een
isolator .
Zonder bescherming op de draden kan een stroom door je
lichaam gaan, als je de draad pakt.

4 De eenheid van stroomsterkte is:


A ampère.
B joule.
C watt.
D volt.

5 Vul wel of niet in op de open plekken.


a Elektriciteit is niet altijd dodelijk.
b Een grote spanning op je lichaam is niet altijd gevaarlijk.
c Een grote stroom door je lichaam is wel altijd gevaarlijk.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 5 Elektriciteit >> 103


5.1 Practicum
1 Geleiding van vaste stoffen

Wat ga je onderzoeken?
Je gaat van verschillende voorwerpen en stoffen
onderzoeken of ze de stroom wel of niet doorla-
ten. materiaal dat je
onderzoekt
Wat heb je nodig?
• lampje in een fitting
• batterij of andere spanningsbron
• drie verbindingsdraadjes
• voorwerpen van koper, blik, plastic hout, zink,
glas, textiel, potloodstift, papier, enzovoort

Wat moet je doen?


a Sluit het lampje aan zoals in de tekening.
b Houd de losse stekkertjes tegen elkaar om te
testen of het lampje branden kan.
c Houd de stoffen die je gaat onderzoeken één
voor één tussen de stekkertjes.
Kijk of het lampje brandt. Zet je waarneming
in de tweede kolom van de tabel.
d Je mag extra voorwerpen (stoffen) onderzoe-
ken. Zet deze stoffen ook in de tabel.

Wat is je resultaat?

stof waarneming: het lampje is conclusie: de stof is een


koper aan geleider
blik aan geleider
plastic uit isolator
hout uit isolator
zink aan geleider
glas uit isolator
textiel uit isolator
papier uit isolator


Wat is je conclusie?
Zet in de derde kolom van de tabel of de stof een
geleider of isolator is.

104 >> 5 Elektriciteit Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


5.2 Spanningsbronnen
1 Mijn antwoord op de introvraag is:
A Ja, want de batterij is vol.
B Ze zijn even zwaar want elektriciteit heeft geen massa.
C Nee, de lege batterij is juist zwaarder.

2 Welke vijf spanningsbronnen zijn afgebeeld in bron 1?


1 platte batterij 4 dynamo
2 staaf batterij 5 zonnecel
3 knoop batterij

3 In de tabel hieronder staan apparaten. De apparaten hebben elk een andere


spanningsbron uit bron 1 nodig. Zet achter ieder apparaat de juiste spannings-
bron uit bron 1.

apparaat spanningsbron
gehoorapparaat knoop batterij
walkman staaf batterij
rekenmachine met zonnecel zonnecel
koplamp van een fiets dynamo
zaklamp met een lamp van 4,5 V platte batterij

4 Erwin beweert: ‘Een fietsdynamo is ook een spanningsbron, want er kan een
lamp op branden.’
Arnout is het hier niet mee eens: ‘Het is geen spanningsbron, want als je stil-
staat, brandt de lamp niet.’
Wie heeft er gelijk?
A Alleen Erwin heeft gelijk.
B Alleen Arnout heeft gelijk.
C Erwin en Arnout hebben beiden gelijk.
D Erwin en Arnout hebben geen van beiden gelijk.

5 Hoe moet je lege batterijen afvoeren?


als Klein Chemisch Afval (KCA)

6 Trek de juiste verbindingslijntjes tussen de woorden en de vakken.


generator dynamo
chemisch proces
bewegingsenergie
fietswiel batterij
kan leeg raken
klein chemisch afval

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 5 Elektriciteit >> 105


7 Hoe noem je een energiebron die elektrische energie geeft?
spanningsbron.

8 Een spanningsbron levert spanning. In welke eenheid meet je spanning?


Volt (symbool: V)

9 De discman van Lisa werkt op een spanning van 3 V. De batterijen zijn leeg. Lisa
sluit haar discman aan op een adapter van 9V.
Wat gebeurt er als Lisa de discman op 9 V aansluit?
A Er gebeurt niets. De discman werkt niet op 9V.
B De muziek wordt extra hard weergegeven, want de spanning is hoger.
C De muziek wordt extra snel afgespeeld door de hoge spanning.
D De discman gaat stuk, want de diskman is niet geschikt voor zo’n hoge
spanning.

10 Hoe heten de delen van een batterij die je op je apparaat aansluit?


polen (‘pluspool’ en ‘minpool’)

11 Geef in de tekening de richting van de stroom in de verbindingsdraden met een


pijltje aan.


12 a Zet in de tekening bij elke batterij een + bij de + pool en –
een – bij de – pool. + + –
b In welke 2 situaties zijn de batterijen goed geplaatst?
A, D – –– + +
+ + –

13 Elke batterij in de tekening bij vraag 12 geeft 1,5 V span-


– + – +
ning.
A B C D
Hoe groot is de spanning tussen de polen in de tekenin-
gen A tot en met D?

situatie spanning (V)


A 3,0
B 0,0
C 0,0
D 3,0

106 >> 5 Elektriciteit Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


aansluitingspunt 1
14 In een platte batterij zitten eigenlijk drie batterijen die elk 1,5 V leveren.
Samen leveren de drie batterijen 4,5 V.
Teken de juiste verbindingsdraadjes in de tekening tussen de polen van
+ + +
de batterijen, zodat er 4,5 V op de aansluitpunten staat.

– – –
aansluitingspunt 2
15 Batterij I en II geven beide 1,5 V.
Wat is het verschil tussen batterij I en II?
A Batterij I geeft een kleinere stroom.
B Batterij II geeft een kleinere stroom.
C Batterij I geeft evenveel stroom als batterij II, maar is sneller leeg. I II
D Batterij II geeft evenveel stroom als batterij I, maar is sneller leeg.

16 Wat verandert in een batterij als hij leeg raakt?


A de massa van de batterij
B de stoffen in de batterij
C de polen van de batterij

ZONNECELLEN

17 Bij de Nuna 1, 2 en 3 wordt de elektriciteit van de zonnecellen in accu’s


opgeslagen.
Bedenk een reden waarom de elektriciteit niet rechtstreeks naar de elektro-
motor wordt gebracht.
Als de Nuna in de schaduw rijdt, dan werkt de moter op de stroom van de accu. Anders zou de
moter het niet doen.

18 De raceauto’s van de zonnerace hebben een groot oppervlak.


Waarom bouwen ze de auto’s niet veel kleiner?
Dan vangen ze te weinig zonlicht op waardoor er te weinig elektriciteit wordt opgewekt.

19 Zonnecellen werken op zonne-energie. Zonne-energie wordt ook wel schone


energie genoemd? Verklaar deze naam.
Er onstaan geen schadelijke afvalstoffen.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 5 Elektriciteit >> 107


5.2 Test jezelf
1 Wat hoort bij elkaar? Trek de juiste verbindingslijntjes.

accu zet bewegingsenergie om in elektriciteit

knoopbatterij levert elektriciteit uit een generator

dynamo kun je opnieuw opladen

stopcontact is geschikt voor een horloge

2 Vul het juiste woord uit het rijtje in.


1 accu, batterij, dynamo, generator, zonnecel
2 beweging, geleiders, metaal, stoffen, zonne-energie
3 beweging, geleiders, metaal, stoffen, zonne-energie
In een elektriciteitscentrale wordt elektriciteit gemaakt met een
generator [1].
Een batterij kan elektriciteit halen uit stoffen [2].
Een zonnecel kan elektriciteit halen uit zonne-energie [3].

3 Een lampje dat geschikt is voor een spanning van 3 V, is aangesloten op 1 of


2 batterijen. Elke batterij levert 1,5 V.
Geef bij de volgende schakelingen aan:
a of het lampje fel, zwak of niet brandt. Omcirkel het juiste woord.
b op welke spanning het lampje brandt.

1 Lampje brandt 2 Lampje brandt 3 Lampje brandt 4 Lampje brandt


fel / zwak / niet. fel / zwak / niet. fel / zwak / niet. fel / zwak / niet.
1,5 V 3,0 V 0,0 V 0,0 V

4 Spanning meet je in
A ampère.
B decibel.
C graden.
D volt.

5 Geef in de tekening met pijltjes in de beide stroomdraden de richting van de


stroom aan.


108 >> 5 Elektriciteit Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


5.2 Practicum
1 Schakelen van batterijen

Wat ga je onderzoeken?
Je onderzoekt bij welke schakelingen van
batterijen een lampje het beste brandt.

Wat heb je nodig? 1


• drie batterijen van 1,5 V
• plankje(s) waar je de batterijen op kunt koppelen
• 2 verbindingssnoertjes
• lampje (4,5 V) met fitting

Wat moet je doen?


a Maak schakeling 1.
b Kijk of het lampje brandt. Zet een kruisje in de
juiste kolom. 2
c Herhaal deze stappen bij de schakelingen
2, 3, 4 en 5.

Wat is je resultaat?

schakeling lampje lampje lampje


brandt brandt brandt
wel zwak niet 3
1 ✗
2 ✗
3 ✗
4 ✗
5 ✗
4
Wat is je conclusie?
Om het lampje zo goed mogelijk te laten bran-
den, moet je 3 batterijen nemen.
Het lampje brandt het beste bij de schakeling
zoals in tekening 4 .
5

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 5 Elektriciteit >> 109


5.3 Schakelingen
1 Mijn antwoord op de introvraag is:
A Het lampje werkt op een accu.
B Het lampje heeft een eigen stopcontact.
C Het lampje heeft een eigen stroomkring.

2 Een schakelschema
A is een tekening van een schakeling.
B is een tekening van een schakeling waarin de onderdelen zijn vervangen
door symbolen.
C bestaat uit een lamp, een draad, een batterij en een schakelaar.

3 Zet in het schakelschema hieronder bij elk symbool wat de betekenis is.

+ –
batterij

open
gesloten lampje schakelaar
schakelaar
1 2

4 Teken het schakelschema van de schakeling in bron 1 uit je leerboek.

+ –

5 Met een schakelaar in een stroomkring kun je twee dingen doen. Welke zijn dat?
1 Je kunt de stroomkring met de schakelaar onderbreken.
2 Je kunt de stroomkring sluiten.

110 >> 5 Elektriciteit Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


6 Kleur in de tekening de lampjes die gaan branden. geel

7 Martin zet zijn geluidsinstallatie met de afstandsbediening aan.


Waar zit de schakelaar van de installatie?
A in de afstandsbediening
B in de geluidsinstallatie

8 Welke bewering is waar? Zet een kruisje in de juiste kolom.

bewering waar niet waar


Een serieschakeling bestaat uit meerdere spanningsbronnen achter elkaar. ✗
Als je in een serieschakeling een lampje losdraait, dan gaan de andere
lampjes ook uit.

Een serieschakeling bevat meerdere stroomkringen. ✗

9 Teken een schakeling met drie lampjes die in serie op een spanningsbron zijn
aangesloten.

– +

10 Geef met pijlen in elk stuk draad aan hoe de stroom verder door de schakeling
stroomt.

1 2

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 5 Elektriciteit >> 111


11 Hier zie je de schakeling uit vraag 10 nog een keer. Alleen is de spanningsbron
nu omgekeerd geplaatst! Geef met pijlen in elk stuk draad aan hoe de stroom
nu door de draad stroomt.

1 2

12 Je wilt in de schakeling van vraag 11 een schakelaar plaatsen zodat je met de


schakelaar beide lampen tegelijk aan en uit kunt zetten.
Teken het schakelschema van je schakeling.

Schema 1
voorbeeld van
een mogelijke
schakeling

Bedenk nog een mogelijke oplossing. Teken die hieronder.

Schema 2
voorbeeld van
een mogelijke
schakeling

13 Bekijk je schema’s uit vraag 12. In welk schema staat de schakelaar in serie met
de lampjes?
A alleen in schema 1
B alleen in schema 2
C in schema 1 en 2
D in geen van beide schema’s

14 Welke bewering is waar? Zet een kruisje in de juiste kolom.

bewering waar niet waar


Meerdere spanningsbronnen achter elkaar noem je een parallelschakeling. ✗
Als je in een parallelschakeling een lampje verwijdert, dan gaan de andere
lampjes ook uit.

Een parallelschakeling heeft meerdere stroomkringen. ✗

112 >> 5 Elektriciteit Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


15 Teken een schakeling met drie lampjes die parallel op een spanningsbron zijn
aangesloten.

16 Geef met pijlen aan hoe de stroom door de draden in de schakeling stroomt.

1 2

17 Je moet in de schakeling van vraag 15 een schakelaar plaatsen zodat je lamp 1


apart aan en uit kunt zetten. Teken een schema van je schakeling.

1
2

18 Bekijk het schakelschema.

+ –
I 1

II III

a Welke lampen branden als alleen schakelaar 1 gesloten wordt? I


b Welke lampen branden als alleen schakelaar 2 gesloten wordt? geen enkele lamp
c Welke lampen branden als schakelaar 1 en 2 gesloten worden? I II III
d Welke lampen branden als beide schakelaars open zijn? geen enkele lamp

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 5 Elektriciteit >> 113


19 Geef in de tabel aan hoe verschillende apparaten in huis zijn aangesloten.

apparaten serie parallel


tv en geluidsinstallatie ✗
lamp en schakelaar ✗
twee stopcontacten ✗
het lampje en de koeling in een koelkast ✗

20 Zijn de apparaten in de tekening in serie of parallel geschakeld? Leg


je antwoord uit.
parallel, als één apparaat wordt uitgezet, dan blijft de rest
het gewoon doen.

HOTELSCHAKELING
21 Een hotelschakeling wordt vaak gebruikt bij een trap.
Wat is het voordeel van een hotelschakeling bij een trap?
Je kunt het licht boven èn onderaan de trap aan en uitdoen.

22 Soms heeft de verlichting van een slaapkamer ook een hotelschakeling. Eigen antwoord.
a Heeft de lamp op jouw slaapkamer een hotelschakeling?
Eigen antwoord.
b Zo ja, teken hiernaast een plattegrond van je kamer met de plaatsen
van de schakelaars.
Zo nee, teken hiernaast een plattegrond van je kamer met de plaatsen
waar jij de schakelaars van de hotelschakeling zou plaatsen.

23 Anouk wil dat de hotelschakeling bij de trap


behalve de lamp op de overloop ook de lamp in
1
de hal bedient.
Ze bedenkt twee schema’s voor deze schake-
ling.
Leg uit welk schema volgens jou het beste is.
2, lampen zijn parallel geschakeld. De lam-
pen branden dan normaal en als er één
2
lamp stuk gaat, dan brandt de ander nog.

114 >> 5 Elektriciteit Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


5.3 Test jezelf
1 Wat hoort bij elkaar? Trek de juiste verbindingslijntjes.

lamp

draad

schakelaar geopend

batterij

2 Zet de volgende woorden op de juiste plaats.


symbool – schakelschema – schakeling
Om een schakeling eenvoudig te tekenen geef je hem weer in
een schakelschema . Daarbij geef je een onderdeel weer met een
symbool .

3 De schakeling hiernaast is
A een serieschakeling.
B een parallelschakeling. 1 2
+
4 a Welke lampjes branden in de schakeling hiernaast als je de
schakelaar sluit? –
1 en 2
b De schakelaar wordt gesloten. Je draait lampje 1 los. Blijft
lampje 2 branden?
nee
1
5 De schakeling hiernaast is
A een serieschakeling.
B een parallelschakeling.

6 a Welke lampjes branden als je schakelaar 1 sluit?


+
1
2
b De schakelaars zijn gesloten. Je draait lampje 1 los. Blijft –
lampje 2 branden?
ja

7 Omcirkel de juiste woorden.


a De verschillende lampen in huis zijn in serie / parallel geschakeld.
b In een schemerlamp zijn de schakelaar en de lamp in serie / parallel
geschakeld.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 5 Elektriciteit >> 115


5.3 Practicum
1 Onderzoek naar serie- en parallelschakeling

1 2
Wat ga je maken?
Je maakt en onderzoekt een serie- en een paral-
lelschakeling. –
Wat heb je nodig? +
• een batterij
• 4 snoertjes A
• 2 lampjes in fittingen

1 2
Wat moet je doen? –
a Bouw de schakeling van schema A uit de
tekening. +
b Controleer of beide lampjes branden.
c Geef, voordat je verder gaat, in de tabel aan B
hoe fel beide lampjes branden.
d Draai nu lampje 1 los. Hoe branden de lampjes
nu? fel / zwak / niet Zet in de tabel wat je ziet.
e Draai lampje 1 weer vast.
f Draai nu lampje 2 los en zet in de tabel wat je
ziet.
g Herhaal deze proef met de schakeling van
schema B.

Wat is je resultaat?

schakeling hoe fel brandt het lampje? lampje 1 losgedraaid lampje 2 losgedraaid
A lampje 1: zwak lampje 1: niet lampje 1: niet
serie lampje 2: zwak lampje 2: niet lampje 2: niet
B lampje 1: fel lampje 1: niet lampje 1: fel
parallel lampje 2: fel lampje 2: fel lampje 2: niet

Wat is je conclusie?
Wanneer je één lampje losdraait in een serie-
schakeling, gaan alle lampjes uit

Wanneer je één lampje losdraait in een parallel-


schakeling, blijft de rest gewoon branden.

In een serieschakeling branden de twee lampjes


minder / even fel als bij een parallelschakeling.

116 >> 5 Elektriciteit Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


2 Ontwerpen van een schakeling
Wat ga je maken?
Je ontwerpt een schakeling. Daarna maak je en
test je de schakeling.

Wat heb je nodig?


• een batterij
• 6 snoertjes
• 2 lampjes met fitting
• 2 schakelaars

Wat moet je doen?


a Ontwerp (op papier!) een schakeling met twee
lampjes (A en B) en twee schakelaars (I en II).
De schakeling moet aan de volgende voor-
waarden voldoen:
– met schakelaar I zet je lampje A aan en uit.
Lampje B moet blijven branden.
– met schakelaar II kun je de lampjes A en B
aan- en uitzetten.
b Teken hier het schema van je schakeling.

II

A B

c Laat het schema door je docent controleren.


d Als je docent het schema heeft goedgekeurd,
dan ga je de schakeling van het schema
bouwen.
e Controleer of je schakeling aan de eisen
voldoet.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 5 Elektriciteit >> 117


5.4 Elektromagnetisme
1 Mijn antwoord op de introvraag is:
A Nee een spijker is nooit magnetisch.
B Nee, een spijker wordt alleen door een magneet magnetisch.
C Ja, want de draad om de spijker is een elektromagneet.

2 Je ziet hier vier verschillende manieren waarop twee permanente magneten


met de polen naast elkaar liggen. Zet een cirkel om de tweetallen die elkaar
aantrekken.

A B

C D

3 Trek de verbindingslijntjes tussen de naam en het juiste plaatje

staafmagneet

hoefijzermagneet

naaldmagneet

4 Kleur de stoffen die door een magneet aangetrokken worden rood.

aluminium koper ijzer

chroom hout tin

nikkel plastic zink

5 Kleur de onderdelen die je beslist nodig hebt voor een elektromagneet groen.

spoel
magneet
verbindingssnoertjes

ijzeren kern
spanningsbron

118 >> 5 Elektriciteit Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


6 Vul in de tabel op de open plaatsen ja of nee in.

eigenschap elektromagneet permanente magneet


altijd magnetisch nee ja
heeft noordpool ja ja
heeft zuidpool ja ja
kun je aan- en uitzetten ja nee

7 Noem drie manieren om een elektromagneet sterker te maken.


1 aantal windingen van de spoel vergroten.
2 een grotere stroom door de spoel laten gaan.
3 een ijzeren kern in de spoel doen.

8 Waar of niet waar? Omcirkel het juiste antwoord.


a Als een stroom door een spoel gaat, dan werkt de spoel
als een magneet. waar / niet waar
b Meer windingen betekent een kleinere
magnetische kracht. waar / niet waar
c Een muntstuk van 2 euro wordt aangetrokken
door een magneet. waar / niet waar

9 Hieronder staan drie beschrijvingen van een elektromagneet.

Elektromagneet A Elektromagneet B Elektromagneet C


• 200 windingen • 400 windingen • 400 windingen
• 7 volt • 7 volt • 9 volt
• zonder kern • met kern • met kern

Magneet C is het sterkst, want veel windingen èn grote stroom èn een kern.

10 Waar of niet waar? Omcirkel het juiste antwoord.


a Een elektromotor zet bewegingsenergie
om in elektrische energie. waar / niet waar
b De spoel in een elektromotor is een elektromagneet. waar / niet waar
c In een elektromotor gaat de stroom steeds in dezelfde
richting door de spoel. waar / niet waar

11 Kleur de onderdelen die je beslist nodig hebt voor een elektromotor blauw.

tandwielen
ijzeren voorwerp
magneet spoel
spanningsbron

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 5 Elektriciteit >> 119


12 Je ziet hier twee tekeningen van een draaibaar naaldmagneetje tussen twee
staafmagneten.
Omcirkel de tekening waarin het naaldmagneetje zal gaan draaien.

N Z N Z N N Z Z

13 Hier staan weer twee tekeningen van een draaibaar naaldmagneetje tussen
twee staafmagneten.
Geef met een pijl aan in welke richting het magneetje zal gaan draaien.

N
Z

N Z N Z
N

Z
14 Je ziet hier drie tekeningen van een draaibaar spoeltje tussen twee permanente
magneten. Door het spoeltje gaat een stroom. Het spoeltje is een elektro-
magneet.
De polen van de permanente magneten zijn aangegeven.
De polen van de elektromagneet staan boven en onder het spoeltje.
Geef met pijlen aan in welke richting de drie spoeltjes gaan draaien.

N Z N

N Z N Z Z N
Z N Z

Hoe werkt een dynamo?

15 Waar of niet waar? Omcirkel het juiste antwoord.


a Een dynamo zet bewegingsenergie om in elektrische energie. waar / niet waar
b De magneet in een dynamo is een elektromagneet. waar / niet waar
c Je dynamo moet verbonden zijn met het fietsframe. waar / niet waar
d Als je langzaam fietst, dan brandt je licht fel. waar / niet waar
e Door de ijzeren kern in de spoel krijg je meer elektrische stroom. waar / niet waar

16 Kleur de onderdelen die je echt nodig hebt voor een dynamo geel.

fiets V-snaar ijzeren voorwerp

magneet
spoel spanningsbron

17 De zinnen hieronder beschrijven hoe een dynamo werkt. De zinnen staan alleen
niet in de juiste volgorde. Als je ze in de juiste volgorde zet vormen de letters
voor de zinnen een woord.
H In de spoel gaat een elektrische stroom lopen.
I Het aandrijfwieltje zet de permanente magneet in beweging.
C De magneet draait in de spoel.
T De elektrische stroom gaat via het draadje naar je lamp.
L Het aandrijfwieltje drukt tegen het wiel.
Welk woord ontstaat? LICHT

120 >> 5 Elektriciteit Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


5.4 Test jezelf
1 Stoffen die door een magneet aangetrokken worden zijn
A ijzer en nikkel.
B ijzer en koper.
C tin en nikkel.
D tin en koper.

2 Zijn de beweringen waar of niet waar. Zet een kruisje in de juiste kolom?

bewering waar niet waar


Een permanente magneet kun je aan- en uitzetten. ✗
Een elektromagneet is alleen een magneet als er stroom door de spoel loopt. ✗
Een elektromagneet wordt sterker als de spoel meer windingen heeft. ✗
Een elektromagneet wordt sterker als de stroom door de spoel kleiner wordt. ✗
Een elektromagneet wordt sterker als je de ijzeren kern uit de spoel haalt. ✗

3 Alex heeft een draad om een ijzeren


schroevendraaier gewikkeld. Er loopt
geen stroom door de draad. Hij houdt de
zuidpool van een permanente magneet
(witte kant) voor de schroevendraaier.

Zet op de op de open plaatsen in de tekst de juiste woorden. Kies uit:


[1] elektromagneet / permanente magneet
[2] wel / niet
[3] elektromagneet / permanente magneet
[4] noordpool / zuidpool
De magneet is een [1] permanente magneet .
De schroevendraaier wordt [2]wel aangetrokken door
de magneet.
Alex laat een stroom door de spoel lopen. De schroevendraaier wordt
nu een [3]elektromagneet .
De schroevendraaier stoot de magneet af.
De punt van de schroevendraaier is een [4]zuidpool .

4 Omcirkel in de volgende zinnen het juiste schuingedrukte woord.


a Een elektromotor bevat een / geen elektromagneet.
b Een elektromotor bevat een / geen permanente magneet.
c De stroom in de spoel van een elektromotor verandert wel / niet van richting.

5 Vul in de volgende zin op de open plaatsen de juiste woorden in.


Een elektromotor zet elektrische energie om in bewegings
energie.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 5 Elektriciteit >> 121


5.4 Practicum
1 Onderzoeken sterkte van een elektromagneet

Wat ga je onderzoeken?
Je onderzoekt welke invloed een kern, de stroomsterkte en het aantal windin-
gen hebben op de sterkte van een elektromagneet.

Wat heb je nodig?


• 2 spoelen met verschillend aantal windingen
• 1 batterij van 4,5 V of spanningsbron
• 1 batterij van 9 V of spanningsbron
• snoertjes
• ijzeren kern
• paperclip
• krachtmeter
• statief met klem

Wat moet je doen?


a Sluit de spoel met de minste windingen aan op 4,5 V.
Als je een statief met een ijzeren plaat als voet hebt, zet de spoel dan niet op de plaat.
b Bevestig de paperclip aan de krachtmeter en hang hem net boven de spoel.
c Meet de kracht die de krachtmeter aangeeft en noteer je meting.
d Doe de kern in de spoel en hang de paperclip net boven de kern.
e Meet de kracht die de krachtmeter aangeeft en noteer je meting.
f Sluit de spoel nu aan op 9 V.
g Meet de kracht die de krachtmeter aangeeft en noteer je meting.
h Herhaal dezelfde stappen met de spoel met de meeste windingen.

Wat is je resultaat?

opdracht elektromagneet gemeten kracht (N)


c spoel zonder kern Eigen antwoord.
e spoel met kern Eigen antwoord.
g met extra batterij en daardoor grotere
Eigen antwoord.
stroomsterkte in de spoel
h spoel met meer windingen zonder kern Eigen antwoord.
spoel met meer windingen met kern Eigen antwoord.
spoel met meer windingen en Eigen antwoord.
grotere stroomsterkte

Wat is je conclusie?
Een elektromagneet wordt sterker als
• er geen / een kern in de spoel zit.
• de stroomsterkte in de spoel kleiner / groter is.
• het aantal windingen van de spoel kleiner / groter is.

122 >> 5 Elektriciteit Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


5.5 Elektriciteitsverbruik
1 Mijn antwoord op de introvraag is:
A Het reuzenrad rond laten draaien.
B Alle lampjes van het reuzenrad laten branden.
C De geluidsinstallatie bij het reuzenrad muziek laten afspelen.

2 Op elektrische apparaten staat het vermogen van het apparaat.


a Het vermogen geeft de hoeveelheid energie aan die het apparaat
per seconde verbruikt.
b De eenheid van vermogen is Watt (symbool: W) .

3 In bron 1 staat het typeplaatje van een broodrooster.


Wat is het vermogen van het broodrooster?
850 W

4 Waar of niet waar?

waar niet waar


Als een lamp van 11 watt en een lamp van 60 watt even lang aan staan, ✗
dan verbruiken ze evenveel energie.
Als twee precies dezelfde elektrische apparaten even lang aan staan, ✗
dan verbruiken ze evenveel energie.
Als een elektrisch apparaat langer aan staat, dan gebruikt hij meer energie. ✗
Als een apparaat een klein vermogen heeft, dan gebruikt hij veel

energie in een korte tijd.

5 Op het typeplaatje van een tv staat 100 W. Anke zet de tv op stand-by. Er brandt
dan nog een rood lampje. Omcirkel het juiste antwoord.
a Gebruikt de tv op stand-by nog energie? ja / nee
b Is het vermogen bij stand-by 100 W? ja / nee

6 a Hoe heet het meetinstrument wat je hier ziet?


kilowattuurmeter
b Wat meet je met dit instrument?
het elektrisch energieverbruik
c In welke eenheid meet dit instrument?
kilowattuur
d Welke stand geeft de meter aan?
1 3 4 3 4 6 kWh

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 5 Elektriciteit >> 123


7 De familie Slotboom is verhuisd naar een groter huis. Bij aankomst in het nieuwe
huis staat de kilowattuurmeter op 112 300 kWh. Precies een jaar later staat de
meter op 115 100 kWh.
Hoeveel energie heeft de familie Slotboom in dat jaar verbruikt?
115 100 kWh – 112 300 kWh = 2800 kWh

8 Vul de ontbrekende woorden in.


Om het elektriciteitsverbruik in kWh te berekenen moet je het
vermogen in kW vermenigvuldigen met de
tijd in uren.

9 Reken het vermogen van het broodrooster uit bron 1 om van W naar kW.
1 Schrijf het vermogen op in W. 850 W
2 Deel door 1000 (kilo = 1000). 850/1000

3 Het antwoord is het vermogen in kW 0,850 kW

10 Voor het bakken van een appeltaart staat een oven met een vermogen van
2 kW 1,5 uur aan. Bereken het energieverbruik van het bakken van een appel-
taart met de stappen uit ZO DOE JE DAT uit je leerboek.
1 2000 W
2 2 kW
3 1,5 uur = 1,5 h
4 2 × 1,5 = 3
5 energieverbruik is 3 kWh

11 Hier zie je de elektriciteitsrekening van de familie


Groeneboom. Het verbruik van de familie Groeneboom
is 3888 kWh. Laat zien hoe je dit verbruik uit de reke-
ning kunt halen.
eindmeterstand – beginmeterstand =
75 974 – 72 086= 3888 kWh

12 Kleur het bedrag dat de familie Groeneboom moet


betalen rood.

13 De verlichting in een winkel brandt per dag 12 uur. Het


totale vermogen is 2500 W. Een kWh kost 19 eurocent.
Bereken de kosten per dag.
vermogen= 2500 W = 2,5 kW
tijd = 12 h
energieverbruik = vermogen × tijd = 2,5 kW × 12 h = 30 kWh
kosten: energieverbruik (kWh) × kWh – prijs = 30 × 0,19 = € 5,70

124 >> 5 Elektriciteit Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


14 Je broertje is bang in het donker. Daarom brandt elke nacht 11 uur lang een
lamp van 60 W op de gang.
a Hoeveel uur brandt de lamp per jaar?
365 × 11 = 4015 k
b Bereken met de zes stappen uit ZO DOE JE DAT in leerboek de kosten per jaar
van het branden van de lamp. Neem aan dat 1 kWh 19 eurocent kost.
1 60 W = 0,060 kW
2 4015 k
3 0,060 × 4015 = 240,9
4 energieverbruik = 240,9 kWh
5 240,9 × 0,19 = 45,771
6 kosten zijn € 45,77

ELEKTRICITEIT UIT EEN BATTERIJ

15 Waar of niet waar?

uitspraak waar niet waar


De energie in een batterij is bij alle soorten batterijen gelijk. ✗
Energie uit wegwerpbatterijen is duurder dan uit oplaadbare batterijen. ✗
In een oplaadbare penlight-batterij zit ongeveer 2 kWh energie. ✗
De energie van een oplaadbare batterij is ongeveer even duur als energie ✗
uit stopcontact

16 Noem twee voordelen van oplaadbare batterijen.


1 je kunt ze overal mee naar toe nemen
2 relatief goedkope energiebron

17 Vul de vragen in.


Hoeveel batterijen gebruik je per jaar?
Gebruik je wegwerpbatterijen? ja / nee
Hoeveel wegwerpbatterijen gebruik je per jaar?
Gebruik je oplaadbare batterijen? ja / nee Eigen antwoord.
Hoeveel oplaadbare batterijen gebruik je per jaar?
Valt er voor jou nog op batterijen te bezuinigen? ja / nee
Zorg jij ervoor dat je batterijen bij het KCA komen? ja / nee

18 Om oplaadbare batterijen op te laden gebruikt de oplader energie uit het stop-


contact. Deze energie kost ook geld. Leonie berekent de kosten van energie uit
oplaadbare batterijen. Ze houdt geen rekening met de kosten van het opladen.
Wat is er volgens jou aan de hand? Eigen antwoord.
A De berekening is helemaal fout, omdat de kosten van het opladen niet bere-
kend zijn.
B De berekening is goed, omdat haar ouders de kosten van het opladen betalen.
C De berekening is ongeveer goed, omdat de kosten van opladen heel klein zijn.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 5 Elektriciteit >> 125


5.5 Test jezelf
1 Zet de woorden meer, minder en evenveel op de juiste plaats.
a Een mp3-speler gebruikt in een minuut minder energie dan een koffiezetapparaat.
b Een spaarlamp van 25 W gebruikt in een minuut evenveel energie dan een
gloeilamp van 25 W.
c Een spaarlamp gebruikt bij 2 uur branden meer energie dan bij 1 uur
branden.

2 Op een apparaat zit het typeplaatje dat je hier ziet


afgebeeld.
Omcirkel in de volgende zinnen het juiste woord.
a De W staat voor watt / vermogen / energieverbruik /
kilowattuur.
b 150 W geeft de juiste spanning voor / de stroom door /
het vermogen van / de hoeveelheid geproduceerd
licht door het apparaat aan.

3 Het vermogen van een wasmachine is 3500 W en van


een tv 150 W.
Vul in:
a Het vermogen van de wasmachine is 3,5 kW.
b Het vermogen van de tv is 0,15 kW.

4 Het energieverbruik meet je in


A kW
B kWh
C Ah
D kAh

5 Een tv met een vermogen van 200 W staat elke avond 3 uur aan.
Je gaat uitrekenen wat dat per week kost.
1 kWh kost 19 eurocent.
a Wat is het vermogen van de tv in kW? 0,2 kW
b Wat is het aantal uur dat de tv per week aanstaat? 21 h
c Hoeveel energie verbruikt de tv per week? 4,2 kWh
d Hoeveel kost het energieverbruik van de tv per week? 79,8 eurocent

6 1 kWh kost 19 eurocent. Een wasbeurt duurt 1,25 uur. De wasmachine heeft een
vermogen van 3 000 W. Hoeveel kost het elektriciteitsverbruik van 1 wasbeurt?
vermogen = 3000 W = 3,0 kW
tijd = 1,25 h
energieverbruik = vermogen × tijd = 3,0 kW × 1,25 h =3,75 kWh
kosten = energieverbruik (kWh) × kWh – prijs = 3,75 × 0,19 = € 0,71

126 >> 5 Elektriciteit Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


SPANNING EN SENSATIE
1 In het krantenartikel hiernaast lees je over de stroom-
voorziening op een kermis.
Wat zou er gebeuren als een attractie op het gewone
elektriciteitsnet zou worden aangesloten?
Dan zal (een deel van) de stad direct zonder
stroom zitten.

2 Lees in je leerboek hoe het probleem van vraag 1


wordt opgelost.
Vul de juiste woorden op de lijnen in.
Omdat de kermisattracties niet direct op het gewone
elektriciteitsnet kunnen, installeert een elektrotech-
nisch bedrijf speciale voorzieningen. Evenveel stroom als heel Gouda
Achter de schermen van de Zwolse zomerkermis (1)
Bij voorbeeld een aggregaat .
Zwolle - De Zwolse kermisattracties gebrui- toren heeft gezorgd: twee van 1260 ampère, één
ken iedere dag evenveel elektrische energie van 1500 ampère en één van 1200 ampère.
Dat is een soort grote dynamo . als een stad als Gouda of Amstelveen. ‘Tijdens de topdrukte gebruikt de kermis
‘Kermissen zijn grootverbruikers’, zegt de 950 kW.’
expert.
Door een spoel te laten draaien tussen magneten, ont- Zou een grote attractie op het gewone elektri- Over tien dagen gerekend schat ik dat er
citeitsnet worden aangesloten, dan zou de 70.000 kWh nodig is. Een huishouden heeft
staat spanning, net zoals bij de dynamo op je fiets. binnenstad direct zonder stroom zitten. Voor per dag 3 kilowattuur nodig. Dat maakt een
Bij de dynamo op je fiets lever jij de beweging door te dergelijke grote attracties worden extra trans- eenvoudige rekensom mogelijk: 70.000
formatoren geplaatst, die aangesloten zijn op gedeeld door 3 is 23.333. Dus de Zwolse
trappen. het hoogspanningsnet en een spanning leveren Kermis gebruikt per dag evenveel energie als
van 380 volt. een stad met drieëntwintigduizend huishou-
Bij de Zwolse zomerkermis gebeurde dat door dens: een stad als Gouda, Amstelveen of
Bij een aggregaat wordt de beweging geleverd door een Homan Elektrotechniek uit Mijdrecht, waar Schiedam.
planner Peter Bader voor vier extra transforma- Naar: De Zwolse Courant, augustus 2002.
benzine- of dieselmoter .

3 a Markeer met een markeerstift in het krantenartikel alle eenheden.


b In het krantenartikel staan eenheden voor:
Vul de juiste rondjes.
● spanning ❍ snelheid ● energie ● vermogen
● stroomsterkte ● tijd ❍ afstand

4 In de laatste alinea van het krantenartikel is een fout gemaakt bij de berekening.
Wat heeft de maker van het krantenartikel fout gedaan?
A De uitkomst van 70 000 : 3 klopt niet. Er komt een ander getal uit dan 23 333.
B Het energieverbruik van de kermis in tien dagen wordt vergeleken met het
energieverbruik in een huishouden in één dag.
C 70 000 kWh moet zijn 70 000 kW.
D Het energieverbruik van een huishouden in één dag moet zijn: 30 000 kWh.

5 Op reuzenrad Panorama zitten 2 000 gloeilampen van 60 W.


Het reuzenrad draait op een avond van 19.00 tot 23.00 uur.
De lampen branden ook als het reuzenrad stil staat.
Hoeveel energie zetten de lampen van het reuzenrad om?
A 12 000 kWh
B 0,03 kWh
C 480 kWh
D 30 kWh

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 5 Elektriciteit >> 127


6 Voor een grote kermis of pretpark worden ook transformatoren aangesloten.
Welke uitspraken over een transformator zijn juist?
Vul de rondjes voor de juiste uitspraken over een transformator
● Een transformator kan een grote spanning omzetten in een kleine spanning.
❍ Een transformator is een soort batterij of accu.
● Een adapter van je mobiele telefoon is een soort transformator.
❍ Een ander woord voor transformator is dynamo.
❍ Een transformator werkt alleen op batterijen.
● Een transformator heeft net als een elektromagneet windingen.
❍ Een aggregaat is precies hetzelfde als een transformator.

7 a Maak de tekening van de transformator hieronder af.


b Vul de ontbrekende woorden op de stippellijnen in.
c Vul de ontbrekende getallen in de tabel in.

aantal spanning aantal spanning


4,6 V windingen linker windingen rechter
in de spoel in de spoel
linker (V) rechter (V)
20
windingen spoel spoel
230 V

1000 1 000 230 50 11,5


windingen
10 000 1500 10 1,5

1000 20
windingen windingen
600 230 12 000 4 600
230 V 4,6 V

Een transformator bestaat uit twee 3833 230 60 3,6


spoelen De spoel met de meeste
windingen levert de hoogte spanning.

8 In de afbeelding hiernaast staan zeker zes fouten.


a Verbeter de fouten.
b Omcirkel de gevaarlijke situatie.
hoogspanningskabels
9 Waarom wordt zo’n hoge spanning gebruikt voor het verdeelkabels
transport van energie?
woning
dan verlies je minder energie

10 Om welke reden wordt de spanning in huis omgezet in


een lagere spanning? elektricititeits-
transformatorhuisje centrale verdeel-
dat is veel veiliger elektriciteitscentrale verdeel- station
transformator-
station
huisje

128 >> 5 Elektriciteit Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


11 In het najaar van 2005 zat een groot deel van Oost Nederland zonder stroom.
Bekijk en lees onderstaand fragment van ‘planet news’.
Bedenk een bijschrift bij de foto en schrijf het onder de foto.

De aggregaten zijn aangevoerd en worden aangesloten op de


trafohuisjes, aldus een woordvoerster van de gemeente.
Zondagochtend hadden alle agrarische bedrijven daardoor weer
stroom. Het streven is ook zo snel mogelijk delen van
Haaksbergen aan te sluiten op de noodstroom. Wie wel en niet
stroom heeft, is moeilijk voorspelbaar. Als een aggregaat aan
een elektriciteitshuisje wordt gekoppeld, heeft de ene kant van
de straat soms wel stroom en de andere kant niet, meldde de
gemeente.

Essent gaat zondagochtend opnieuw inspecteren of en hoe de


geknapte hoogspanningskabel die vrijdag kapot ging, kan wor-
den gerepareerd. Zaterdag erkende de energieleverancier een
inschattingsfout te hebben gemaakt door te voorspellen dat de
storing zaterdagavond verholpen zou zijn. De veiligheid van de
monteurs die de klus moeten klaren, kon echter niet worden
gegarandeerd, stelde Essent. Eigen antwoord.

12 De mensen op de foto verwijderen aangevroren sneeuw van de hoogspannings-


leidingen.
a Waarom is het niet goed als er sneeuw op de leidingen ligt?
kabels kunnen dan hun warmte niet goed kwijt / kabels worden te zwaar
b Bedenk waarom de schoonmakers geen schok krijgen.
de schoonmaakkabel is gemaakt van een isolerend materiaal.

13 Waarom kun je de teslabol uit bron 4 veilig aanraken?


A De bol werkt zonder spanning; hij werkt alleen op gas.
B Het glas om de bol werkt als isolator.
C Het kan alleen veilig als je dikke rubberen zolen onder je schoenen hebt.
D De bliksems in de bol gaan van je hand weg, zodra je de bol aanraakt.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 5 Elektriciteit >> 129


6 licht

6.1 Zien
1 Mijn antwoord op de introvraag is:
A Het licht van de zon wordt door waterdruppels gesplitst in allerlei kleuren.
B Het licht wordt minder fel. Daardoor lijkt het alsof de kleur verandert.
C Het licht van de zon en de sterren mengen.

2 Wanneer noem je een voorwerp een lichtbron?


wanneer het licht geeft.

3 Je kunt de lichtbronnen verdelen in directe lichtbronnen en in indirecte licht-


bronnen.
a Omcirkel wat goed is. Een directe lichtbron geeft zelf licht / weerkaatst licht.
b Geef twee voorbeelden van directe lichtbronnen.
1 Eigen antwoord.
2 Eigen antwoord.
c Een indirecte lichtbron geeft zelf licht / weerkaatst licht.
d Geef twee voorbeelden van indirecte lichtbronnen.
1 Eigen antwoord.
2 Eigen antwoord.

4 Schrijf de naam bij de getekende lichtbronnen.

1 kaars 2 fakkel 3 bureaulamp

4 zon 5 straatlantaarn 6 sterren

130 >> 6 Licht Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


5 Uit welke zeven kleuren bestaat wit licht?
rood, oranje, geel, groen, blauw, indigo, violet.

6 Een regenboog bestaat uit allerlei kleuren.


a Uit welke kleuren bestaat een regenboog?
rood, oranje, geel, groen, blauw, indigo, violet.
b Teken de kleuren van de regenboog in de juiste volgorde.

binnenkant buitenkant

violet indigo blauw groen geel oranje rood

c Wanneer is een regenboog te zien?


als de zon schijnt en het regent.
d Alle kleuren in de regenboog vormen samen een kleurenband of spectrum

7 Welke soorten straling kun je niet zien?


infrarood en ultraviolet.

8 Verbind de woorden die bij elkaar horen met elkaar.

spectrum afstandsbediening

infrarood zonnebank

ultraviolet regenboog

9 Zonlicht bevat ultraviolette straling en infrarode straling.


a Hoe merk jij dat ultraviolette straling in zonlicht zit?
je wordt bruin
b Hoe merk jij dat infrarode straling in zonlicht zit?
je wordt warm

10 Een trui heeft een zwarte kleur. Wat gebeurt met de kleuren van het licht dat
op de trui valt?
alle kleuren worden geabsorbeerd

11 Als je met rood licht op een wit T-shirt schijnt, dan verandert de kleur van het shirt.
a Welke kleuren licht worden door het witte shirt teruggekaatst?
normaal gesproken alle kleuren, in dit geval dus alleen rood.
b Welke kleuren licht worden geabsorbeerd door het witte shirt?
geen enkele kleur.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 6 Licht >> 131


c Kleur de linker T-shirt geel. Kleur het T-shirt in de juiste kleur als links een
bundel geel licht en rechts een bundel rood licht op het T-shirt schijnt.

geel geel zwart

geel T-shirt in geel licht in rood licht

12 In de tuin staat een rode roos. De stengel en de bladeren van de roos zijn groen.
a Hoe komt het dat je de bloem rood ziet en de bladeren groen?
de bloem weerkaatst alleen rood en absorbeert alle andere kleuren
de bladeren weerkaatsen alleen groen en absorberen alle andere kleuren.
b Je zet een roos in rood licht. Maak een schets van de roos en kleur de delen in
de juiste kleur.

rood
inkleuren

zwart zwart
inkleuren inkleuren

roos in rood licht roos in blauw licht

c Je zet de roos nu in blauw licht. Maak een schets van de roos en kleur de
delen in de juiste kleur.

Kleuren zien bij dieren

13 Leg uit waarom een woelmuis zowel een goede prooi voor de torenvalk als voor
de slang is.
de torenvalk ziet ultraviolette straling, oftewel de loopsporen van de woelmuis. De slang ziet infra-
rode straling oftewel de lichaamswarmte van de woelmuis.

14 Verbind de woorden die bij elkaar horen met elkaar.

slang infrarood

torenvalk

goudvis

bij ultraviolet

132 >> 6 Licht Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


6.1 Test jezelf
1 Waar of niet waar?
Licht komt van een lichtbron. waar / niet waar
Licht van de zon wordt ook wit licht genoemd. waar / niet waar
In witlicht komen de kleuren rood, groen en bruin voor. waar / niet waar
Infrarode straling zie je niet. waar / niet waar

2 Verbind de blokken die bij elkaar horen met elkaar.

maan directe lichtbron

muur

lamp

kaars

zon indirecte lichtbron

3 Omcirkel de goede antwoorden.


Uit welke kleuren bestaat een regenboog?
rood bruin oranje
geel groen paars
blauw zwart roze
indigo violet turkoois

4 Infrarood of ultraviolet?
Voel je als warmte op de huid. infrarood / ultraviolet
Wordt gebruikt in een afstandsbediening. infrarood / ultraviolet
Wordt gebruikt in een vliegenvanger. infrarood / ultraviolet
Wordt je bruin van. infrarood / ultraviolet

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 6 Licht >> 133


6.1 Practicum
1 De kleurentol

Wat ga je onderzoeken? violet rood


Je gaat onderzoeken met welke kleuren je wit licht kunt
maken.

Wat heb je nodig?


indigo oranje
• wit karton
• cocktailprikker
• schaar
• passer
• kleur potloden
blauw geel
Wat moet je doen?
a Teken met je passer een cirkel op wit karton. De cirkel
moet een straal hebben van 5 cm. groen
b Knip de cirkel uit.
c Verdeel de cirkel in zeven ongeveer gelijke vlakken.
d Geef elk vlak zijn eigen kleur. De kleuren zijn: rood, oranje, geel, groen, blauw,
indigo, violet.
e Prik de cocktailprikker met de punt naar beneden door het midden van de
cirkel. Je hebt nu een kleurentol.
f Laat de kleurentol draaien.

Wat is je resultaat?
Kun je tijdens het draaien de zeven kleuren van elkaar onderscheiden? ja / nee

Wat is je conclusie?
Met welke kleuren kun je wit licht maken?
Je maakt wit licht met de kleuren
rood, oranje, geel, groen, blauw, indigo, violet.

134 >> 6 Licht Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


6.2 Schaduwen
1 Mijn antwoord op de introvraag is:
A Nee, de schaduw van de muis is even groot als de muis.
B Ja, als de muis vlak voor de lamp langs loopt.
C Ja, als de muis op grote afstand voor de lamp langs loopt.

2 De aarde draait om de zon en de maan draait om de aarde.


a De maan draait om de aarde in 27 dagen.
b Als je alleen de rand van de maan ziet, dan kijk je naar een nieuwe maan. Als
alleen een deel van de linker helft van de maan is verlicht, dan is de maan in
het eerste kwartier.
Verbind wat bij elkaar hoort, met elkaar.

volle maan

laatste kwartier

eerste kwartier

nieuwe maan

3 Tussen twee volle manen verlopen 27 dagen. Elke 29e dag zie je de maan op
dezelfde plaats aan de hemel. Leg dat eens uit.
De aarde draait ook nog eens om haar eigen as.

4 Meestal zie je niet de hele maan verlicht, maar alleen een deel.
Waardoor komt dat?
Aan de zonzijde is de maan verlicht. Achter de maan komt geen licht, daar is het donker.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 6 Licht >> 135


5 Vul in.
Lichtstralen verplaatsen zich langs rechte lijnen. Als een licht-
straal tegen een ondoorzichtig voorwerp aanschijnt, dan wordt de licht-
straal tegengehouden. Achter het voorwerp kan dan wel / geen licht komen.
Daar ontstaat een schaduw .

6 Een haas heeft zich verstopt in zijn leefomgeving. De jachtopziener probeert de


haas te ontdekken. Teken vanuit de haas rechte lijnen naar de cirkel. Langs deze
lijnen gaat licht van de haas naar de cirkel toe. Geef met een kleur op de cirkel
aan waar de jachtopziener de haas kan zien.

= haas is zichtbaar

7 Waarom krijg je bij een ondoorzichtig voorwerp wel een schaduw en bij een
doorzichtig voorwerp niet?
bij een doorzichtig voorwerp worden de lichtstralen niet tegengehouden. Het licht kan ook achter
het voorwerp komen.

8 Je hebt drie lichtbronnen L1, L2 en L3. Voor de lichtbronnen staat een ondoorzich-
tig voorwerp. Teken voor elke lichtbron welke schaduw het voorwerp op het
scherm maakt. Gebruik voor elke lichtbron een andere kleur.

ondoorzichtig
voorwerp
L1

L2 scherm

L3

rode schaduw
groene schaduw
blauwe schaduw

136 >> 6 Licht Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


9 Kleur de smiley groen als de zin waar is en de weepy rood als de zin niet waar is.
a Een glas heeft geen schaduw. groen ☺ 
b Een schaduw ontstaat als licht wordt tegengehouden. ☺ 
c Alleen de zon kan een schaduw maken. ☺  rood

10 Schaduwen kun je groter maken en kleiner maken.


a Hoe maak je een schaduw groter?
– door dichter bij de lichtbron te gaan staan.
– door het scherm verder weg te zetten.

b Hoe maak je een schaduw kleiner?


– door verder van de lichtbron te gaan staan.
– door dichter bij het scherm te gaan staan.

11 a Laat in de tekeningen zien welk poppetje de grootste schaduw heeft.

b Wanneer is de schaduw van het poppetje het grootst?


als het poppetje dicht bij de lichtbron staat.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 6 Licht >> 137


12 Een wandelaar passeert een lantaarn. De wandelaar is op verschillende plaatsen
getekend.
a Teken de schaduwen die van de wandelaar op de straat ontstaan.

A
b Waar zijn de lange schaduwen, waar de korte?
De lange schaduwen wanneer het poppetje ver van de lichtbron staat
De korte schaduwen wanneer het poppetje dicht bij de lichtbron staat
c Op welke plaats haalt de schaduw de wandelaar in? bij punt A (zie tekening)

13 Geef bij elke schaduw aan waarvan de schaduw kan zijn.

straatlantaarn fiets skiër / wandelaar

boom skate boarder raam

138 >> 6 Licht Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


14 Wanneer maakt de zon bij jou de grootste schaduw?
A ’s morgens om 11 uur
B om 12 uur op de middag
C ’s middags om 4 uur

15 Waar of niet waar?


a De maan draait om de zon. waar / niet waar
b De zon heeft een schaduw. waar / niet waar
c De maan is een lichtbron. waar / niet waar
d Zonsverduisteringen zijn zeldzaam. waar / niet waar

16 De maan is een indirecte lichtbron.


a De maan is geen directe lichtbron, want de maan weerkaatst alleen licht/ zendt niet uit zichzelf licht uit
b De aarde is een directe / indirecte lichtbron.
c Een satelliet is een directe / indirecte lichtbron.

17 Teken een zonsverduistering.

zon maan aarde

Schimmenspel

18 Wat heb je nodig voor een schimmenspel?


lamp, muur, voorwerpen (handen, wajangpoppen)

19 Je kunt met je handen allerlei schimmen maken.

Bedenk twee andere schimmen die je met je handen kunt maken.


Eigen antwoord.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 6 Licht >> 139


6.2 Test jezelf
1 Wel of geen schaduw?
Een glazen colafles zonder etiket. wel / geen
Een voorwerp van doorzichtig plastic. wel / geen
Een blokje hout. wel / geen

2 In welk plaatje is de schaduw het grootst?


A B

C D

3 Vul in op de open plaatsen: maan, aarde, zon, schaduw.


De aarde draait om de zon .
De maan draait om de aarde.
Zowel de maan als de aarde hebben een schaduw .
Als de schaduw van de maan op de aarde valt, dan is sprake van een
zonsverduistering / maansverduistering.

4 Welke pijl heeft de grootste schaduw?

lamp
Pijl A heeft de grootste schaduw
A

scherm

140 >> 6 Licht Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


6.2 Practicum
1 Verplaatsing van licht

Wat ga je onderzoeken?
Je gaat onderzoeken hoe licht zich verplaatst.

Wat heb je nodig?


• zaklamp
• zwart vel papier

Wat moet je doen?


a Prik een klein gaatje in het midden van het zwarte vel.
b Schijn met de zaklamp tegen het vel papier aan.

Wat is je resultaat?
Schijnt het licht door het gaatje? ja / nee
Worden de andere lichtstralen tegen gehouden? ja / nee
Gaan de lichtstalen om het vel papier heen? ja / nee

Wat is je conclusie?
Licht verplaatst zich in rechte lijnen

2 Schaduwen

Wat ga je onderzoeken?
Je gaat onderzoeken wanneer een schaduw het grootst is.

Wat heb je nodig?


• zaklamp

Wat moet je doen?


a Maak met de lamp een schaduw van je hand op de muur.
b Houd je hand dicht bij de lamp.
c Beweeg je hand langzaam dichter naar de muur.
d Trek ten slotte je hand weg.

Wat is je resultaat?
Als je je hand dichtbij de lamp houdt, is de schaduw groot / klein.
Als je je hand dichter bij de muur houdt, is de schaduw groot / klein.
Is er nog een schaduw als jij je hand weg trekt? ja / nee

Wat is je conclusie?
Een schaduw is het grootst als een voorwerp zich dicht bij de
lichtbron bevindt.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 6 Licht >> 141


3 Voorwerpen en schaduw

Wat ga je onderzoeken?
Je gaat onderzoeken of alle voorwerpen een schaduw vormen.

Wat heb je nodig?


• koffiekopje
• theeglas
• lichtbron

Wat moet je doen?


a Schijn met de lichtbron op het koffiekopje en kijk of er een schaduw ontstaat.
b Schijn met de lichtbron op het theekopje en kijk of er een schaduw ontstaat.

Wat is je resultaat?
Geeft het koffiekopje een duidelijke schaduw? ja / nee
Geeft het theekopje een duidelijke schaduw? ja / nee

Wat is je conclusie?
Doorzichtige voorwerpen geven wel / geen schaduw.
Ondoorzichtige voorwerpen geven wel / geen schaduw.

142 >> 6 Licht Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


6.3 Spiegelen
1 Mijn antwoord op de introvraag is:
A Ja, de spiegel draait links en rechts om.
B Nee, de spiegel draait links en rechts en onder en boven om.
C Nee, de spiegel draait niets om, maar het spiegelbeeld zit omgekeerd en kijkt
de andere kant op.

2 a Leg in je eigen woorden uit wat verstrooiing betekent.


licht wordt in alle richtingen terug gekaatst.
b Wanneer is er sprake van verstrooiing?
bij een ruw oppervlak

3 Noteer de spiegelwet.
de hoek van inval = hoek van terugkaatsing

4 a Maak de puzzel.
t e r u g k a a t s i n g
Hoek van inval = hoek van …
Het terugkaatsen van licht heet …
s p i e g e l e n
Als het licht alle kanten terugkaatst, noem je dat …
v e r s t r o o i i n g
Waarmee meet je de hoek van inval?
g e o d r i e h o e k
Hoe heet ‘hoek van inval = hoek van terugkaatsing’?
s p i e g e l w e t
Welke oppervlakken spiegelen?
g l a d d e
Hoe heet de lijn die je loodrecht op de spiegel tekent?
l o o d l i j n

b Welk woord ontstaat in de grijze kolom? spiegel

5 Hieronder zie je drie lichtstralen die op een spiegel vallen en twee teruggekaatste
lichtstralen.

25° 45°
71° 81°
a Teken bij elke invallende lichtstraal de teruggekaatste lichtstraal. En bij elke
teruggekaatste straal de invallende lichtstraal. Teken de bij elkaar horende
stralen in dezelfde kleur.
b Meet bij de bij elkaar horende lichtstralen de hoek van inval en de hoek van
terugkaatsing. Noteer je metingen in de tabel.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 6 Licht >> 143


b Meet bij de bij elkaar horende lichtstralen de hoek van inval en de hoek van
terugkaatsing. Noteer je metingen in de tabel.

hoek van inval hoek van terugkaatsing


71 71
45 45
25 25
0 0
81 81

c Wat is bijzonder als de hoek van inval 0° is?


dan draait de lichtstraal gewoon om.

6Hieronder zie je een huisje. Teken dit huisje in spiegelbeeld.

7 Bekijk de volgende vijf woorden via een spiegel. Welke woorden staan er?

LEBSTEIF
fietsbel
ECNALUBMA ambulance
EITILOP
politie

WUEERHCSTSGNA angstschreeuw
TAAMOTUA automaat

8a Schrijf hieronder je naam in spiegelschrift.

Eigen antwoord.

b Controleer met een spiegel of jij je naam goed hebt gespiegeld.


Had je het goed? ja / nee Eigen antwoord.

144 >> 6 Licht Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


9 Leg uit wat met gezichtsveld wordt bedoeld.
alles wat je via een spiegel kunt zien

10 Ali staat voor de spiegel. In de spiegel ziet hij een stoel, maar zijn bed ziet hij niet.
a Wat valt buiten het gezichtsveld van Ali? de stoel / het bed
b Leg uit. Alles wat zich binnen zijn gezichtsbeeld bevindt, kan hij zien.

11 Sake kijkt in de spiegel Laat zien wat zijn gezichtsveld is.

gezichtsveld

Om een hoekje kijken


12 Teken in de tekening van de periscoop de twee spiegels op de juiste plaats en in
de goede stand.
Teken ook hoe een lichtstraal van buiten door de periscoop gaat.

13 Kleur het schip dat het oog via de periscoop kan zien. Alleen de spiegels zijn
getekend.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 6 Licht >> 145


6.3 Test jezelf
1 Wat betekent verstrooiing?
A Het licht wordt niet teruggekaatst.
B Het licht kaatst een kant op terug.
C Het licht kaatst alle kanten op terug.

2 Hoe ziet een spiegelbeeld van een figuur er uit als je de spiegel links van de
figuur houdt?
A ondersteboven
B links en rechts omgedraaid
C achterstevoren
D op de kop

3 Hieronder zie je een ruw en een glad oppervlak. Teken hoe de lichtralen op
beide oppervlakken terugkaatsen.

4 Hieronder is de letter F getekend. Teken het spiegelbeeld van F.

5 Esther kijkt in de spiegel.


a Teken het spiegelbeeld van Esther.

b Kan Esther haar voeten in de spiegel zien? ja / nee

146 >> 6 Licht Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


6.3 Practicum
1 Spiegelen

Wat ga je onderzoeken?
Je gaat onderzoeken hoe een invallende lichtstraal op een spiegel wordt terug-
gekaatst.

Wat heb je nodig?


• lichtkastje
• spiegel
• geodriehoek
• diafragma met één spleet

Wat moet je doen?


a Zet de spiegel op de aangegeven plaats in de tekening.
b Laat het licht langs de getekende lijnen op de spiegel vallen.
c Teken in kleur hoe het licht terugkaatst. Gebruik voor elke invallende licht-
straal en de bijbehorende teruggekaatste straal dezelfde kleur.
d Vul de tabel in.
e Vergelijk de hoek van inval (= de hoek tussen de invallende lichtstraal en de
loodlijn op de spiegel) met de hoek van terugkaatsing (= de hoek tussen de
teruggekaatste lichtstraal en de loodlijn op de spiegel).

Wat is je resultaat?

3 4 6
5

hoek van inval hoek van terugkaatsing


1 80° 80°
2 62° 62°
3 49° 49°
4 30° 30°
5 17° 17°
6 0° 0°

Wat is je conclusie?
Bij spiegelen geldt: de hoek van terugkaatsing is kleiner dan / gelijk aan /
groter dan de hoek van inval. Omcirkel wat juist is.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 6 Licht >> 147


2 Gezichtsveld

Wat ga je onderzoeken?
Je gaat onderzoeken of je gezichtsveld groter wordt als je verder van de spiegel
af gaat staan.

Wat heb je nodig?


• grote spiegel
• digitale camera (eventueel)

Wat moet je doen?


a Ga voor de spiegel staan.
b Kijk wat je allemaal in de spiegel ziet.
c Doe twee stappen naar achteren. Wat zie je nu?
d Je mag ook foto’s maken. Vergelijk dan de foto’s met elkaar

Wat is je resultaat?
Wat zie je van je omgeving als je vlak voor de spiegel staat?
Eigen antwoord.

Wat zie je van je omgeving als je vlak verder van de spiegel af staat?
Eigen antwoord.

Foto van dichtbij Foto van veraf

Wat is je conclusie?
Wordt je gezichtsveld groter als je verder van de spiegel staat? ja / nee

148 >> 6 Licht Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


6.4 Lenzen
1 Mijn antwoord op de introvraag is:
A In de bioscoop wordt een heel grote projector gebruikt.
B De afstand tussen de filmprojector en het scherm is erg groot.
C In de bioscoop wordt een film gebruikt met grote afbeeldingen erop.

2 Welke twee soorten lenzen zijn er?


bolle lenzen en holle lenzen

3 Noem zes apparaten die een lens hebben. Eigen antwoord.


1 2 3

4 5 6

4 Verbind de juiste blokken met elkaar.

bolle lens positief

holle lens negatief

5 Verbind wat bij elkaar hoort met elkaar.

holle lens divergeren lichtstralen buigen naar elkaar toe

bolle lens convergeren lichtstralen buigen van elkaar af

6 Hieronder zie je een bolle en een holle lens. Teken wat er met de lichtstralen
gebeurt als ze door de lens schijnen.


▼▼


7 Hoe heet het punt waar alle lichtstralen samen komen na breking in een bolle lens?
brandpunt

8 Wat gebeurt in het brandpunt nadat de lichtstralen samen zijn gekomen?


in het brandpunt is het net zo heet als de totale hitte die op de bolle lens valt.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 6 Licht >> 149


9 Hoeveel brandpunten heeft een lens?
A één
B twee
C dat ligt aan de lens

10 Waarom wordt een bolle lens ook wel brandglas genoemd?


in het brandpunt is het net zo heet als de totale hitte die op de bolle lens valt. Je kunt met die
hitte in het brandpunt gemakkelijk een papier in brand steken.

11 Laat hieronder met een tekening zien hoe een lichtstraal door het midden van
een bolle lens gaat.

een lichtstraal die door het midden van een bolle lens gaat, gaat altijd rechtdoor.
12 Een scherpe afbeelding heet een beeld

13 Wat moet je vaak doen om een scherpe afbeelding te krijgen?


A Je moet het scherm even verschuiven.
B Je moet de lens even verschuiven.
C Je moet het scherm of de lens even verschuiven.

14 Omcirkel het goede woord.


Met een holle / bolle lens kun je een beeld maken.

15 Noem drie apparaten die met een bolle lens een beeld maken. Eigen antwoord.
1 2 3

16 Wat is er behalve een voorwerp, een lens en een lichtbron nog meer nodig voor
een beeld?
een scherm om het beeld op te vangen

17 a Hoe kun je een beeld vergroten?


door de afstand tussen voorwerp en lens te verkleinen en de afstand tussen lens en scherm te
vergroten.
b Hoe kun je een beeld verkleinen?
door de afstand tussen voorwerp en lens te vergroten en de afstand tussen lens en scherm te
verkleinen.

18 Kleur de smiley groen bij een goede zin of de weepy rood bij een foute zin.
a De afstand tussen lens en voorwerp noem je lensafstand. ☺  rood
b De film op het doek in de bioscoop is vergroot. ☺ 
c De afstand tussen lens en beeld noem je beeldafstand. ☺ 
groen

150 >> 6 Licht Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


19 Een vuurpijl voor een lens. Teken hoe het beeld op het scherm ontstaat.

20 Hieronder zie je twee tekeningen van het ontstaan van een beeld. Omcirkel de
goede tekening.

21 Waarom kun je met een holle lens geen beeld maken?


holle lenzen hebben een divergerende werking

22 Laat in de tekening zien hoe het beeld van de pijl ontstaat.

F F

23 Odette en Joep hebben een weddenschap. Odette zegt dat het beeld groter wordt
als je het voorwerp verder van de lens zet. Joep zegt dat het beeld dan juist
kleiner wordt. Laat in de tekening van de vorige vraag zien wie er gelijk heeft.
Odette heeft gelijk / Joep heeft gelijk

F F

beeld wordt dus kleiner

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 6 Licht >> 151


Groot beeld

24 Bedenk welke soort films geschikt zijn om in een imax-zaal te vertonen. Noteer
minstens drie titels van deze films. Je mag ook de soort film noteren.
Eigen antwoord.

25 Maak een tekening van een imax-zaal. Geef in de tekening de plaats aan van
het publiek, het scherm en van de projectoren.

Eigen antwoord.

26 Maak de zoekpuzzel op de volgende pagina.

152 >> 6 Licht Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


W U N E Z G O O I N F R A R O O D

K E R N S C H A D U W A R E M A C

C V O O R W E R P S A F S T A N D

O N V V E Z H R M K I J K E R G H

N M E O R E O N R P D O O R L D A

E U T O B O L N E U I W I T O V L

R R E R E E R G H P E B O R O N F

E T L W G I T H C I Z R O O D O S

B C O E E R N R S L I A G G L R C

R E I R T I N V A L E N L I I B H

O P V P E S R U G W N D I D J T A

S S C H A D U W K A Z P R N N H D

B T E L O I V A R T L U B I A C U

A L E N S S T R A L I N G T S I W

B L A U W L A A R T S T H C I L E

G N I R E T S I U D R E V S N O Z

L E E G D N A T S F A D L E E B N

Streep de woorden die hieronder staan door in de puzzel. De woorden kunnen horizontaal, verticaal, soms
diagonaal en van achteren naar voren staan.
De letters die overblijven vormen drie woorden die iets met licht te maken hebben.
Welke woorden zijn dat?
1 convergeren 2 divergeren 3 terugkaatsen

ABSORBEREN HOL LOODLIJN ULTRAVIOLET


BEELDAFSTAND INDIGO OOG VIOLET
BLAUW INFRAROOD OOGZENUW VOORWERP
BOL INVAL PUPIL VOORWERPSAFSTAND
BRANDPUNT IRIS ROOD WIT
BRIL KERNSCHADUW SCHADUW ZIEN
CAMERA KIJKER SCHERM ZON
DOORZICHTIG LENS SPECTRUM ZONSVERDUISTERING
GEEL LICHTBRON SPIEGEL ZWART
HALFSCHADUW LICHTSTRAAL STRALING

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 6 Licht >> 153


6.4 Test jezelf
1 Welke plaatjes horen bij elkaar?

2 Het apparaat heeft een bolle lens of holle lens?


microscoop bolle lens / holle lens
projector bolle lens / holle lens
camera bolle lens / holle lens

3 Waar of niet-waar?
Met een bolle lens kun je een beeld maken. waar / niet waar
Het beeld van een voorwerp staat altijd op zijn kop. waar / niet waar
Het brandpunt is het punt waar de lichtstralen elkaar snijden. waar / niet waar
Je maakt een scherpe afbeelding door de lens te verschuiven. waar / niet waar
Je maakt een scherpe afbeelding door het scherm te verschuiven. waar / niet waar

4 a Laat in de tekening zien hoe een beeld ontstaat.


+

F F

b Als je het voorwerp verder van de lens tekent, moet je het beeld
dan groter of kleiner tekenen? groter / kleiner
c Laat dit ook zien in de tekening.

154 >> 6 Licht Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


6.4 Practicum
1 Lichtbreking

Wat ga je onderzoeken?
Je gaat onderzoeken hoe lichtstralen door een bolle en door een holle lens worden
gebroken.

Wat heb je nodig?


• bolle lens
• holle lens
• lichtkastje
• diafragma met drie spleten

Wat moet je doen?


a Schijn met een lichtkastje drie lichtstralen op een bolle lens
b Schijn met een lichtkastje drie lichtstralen op een holle lens.

Wat is je resultaat?
Teken hieronder hoe de lichtstralen tot de lenzen gaan en hoe de lichtstralen worden
gebroken.

Eigen antwoord.

Wat is je conclusie?
Bij een bolle lens breken de lichtstralen naar elkaar toe (convergerende werking)
Bij een holle lens breken de lichtstralen van elkaar af (divergerende werking)

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 6 Licht >> 155


2 Brandpuntsafstand

Wat ga je onderzoeken?
Je gaat de brandpuntsafstand van enkele lenzen bepalen.

Wat heb je nodig?


• lichtkastje
• twee bolle lenzen van verschillende sterkte
• diafragma met drie spleten

Wat moet je doen?


a Schijn met een lichtkastje drie lichtstralen op een bolle lens.
b Meet de brandpuntsafstand. Noteer de meting in een tabel.
c Herhaal dit met de andere bolle lens.
d Vergelijk de brandpuntsafstand van elke lens met de bolling van de lens.

Wat is je resultaat?

lens bolling van de lens brandpuntsafstand


(cm)
1 Eigen antwoord. Eigen antwoord.
2 Eigen antwoord. Eigen antwoord.

Wat is je conclusie?
Hoe boller de lens, hoe groter / kleiner de brandpuntsafstand.

3 Vergroting

Wat ga je onderzoeken?
Je gaat onderzoeken hoe je een groot beeld maakt.

Wat heb je nodig?


• zaklamp
• legopop
• bolle lens
• scherm

Wat moet je doen?


a Maak een beeld.
b Schuif de lens dichter naar de legopop toe.
c Schuif de lens dichter naar het scherm.

Wat is je resultaat?
Als de lens dichterbij de pop staat, dan is het beeld groter / kleiner.
Als de lens dichterbij het scherm staat, dan is het beeld groter / kleiner.

Wat is je conclusie?
Je maakt een groot beeld door: de afstand tussen lens en voorwerp te
verkleinen en de afstand tussen lens en scherm te vergroten.

156 >> 6 Licht Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


6.5 Filmen met je ogen
1 Mijn antwoord op de introvraag is:
A De beeldchip zit er op de kop in.
B Dit komt door de lens.
C Dit komt door een spiegel in de camera.

2 Wanneer kun je voorwerpen zien?


als lichtstralen van dat voorwerp in je ogen komen

3 Een doorsnede van het oog. Benoem de onderdelen.


1 hoornvlies
2 iris 1 5

3 pupil 4

4 lens 3
5 netvlies 2
6 oogzenuw 6

4 Op welk onderdeel uit een camera lijkt jouw iris?


A het filmpje
B de lens
C het diafragma

5 a Wat doet jouw iris?


meer/minder licht in het oog laten

b Wanneer is je pupil groot?


A bij veel licht
B bij weinig licht

6 Stephanie heeft bruine ogen.


a De kleur van haar iris is bruin
b De kleur van haar pupil is zwart

7 Twee tekeningen van het oog. In het linker oog is al een pupil getekend. Teken
in het rechter oog nu zelf een pupil als er veel meer licht is.

8 Waarvoor dient de oogzenuw?


deze brengt de informatie over het beeld naar de hersenen

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 6 Licht >> 157


9 Zet een vinkje voor de goede zinnen.
De pupil kan zelf groter en kleiner worden.
✓ De pupil wordt groter door de spieren in de iris.
✓ De pupil is een gat in de iris.
Te veel licht is niet gevaarlijk, maar het kijkt lastig.

10 Het scherpstellen van je ogen heet accommoderen

11 Verbind de juiste stukken tekst met elkaar.

Als je naar een voorwerp in de verte kijkt, dan wordt je ooglens platter.

Als je naar een voorwerp dichtbij kijkt, dan wordt je ooglens boller.

12 Omcirkel bol of plat als in de beschreven situatie je ooglens bol of plat is.
Je zit op het toilet een strip te lezen. bol / plat
Je ligt op de bank tv te kijken. bol / plat
Je maakt de vragen uit dit activiteitenboek. bol / plat
Je ziet je vriendje aan de andere kant van het plein. bol / plat

13 Waar of niet waar?


Het licht dat op een voorwerp valt, kaatst alle kanten op. waar / niet waar
Op je netvlies ontstaat een beeld. waar / niet waar
Het beeld is kleiner dan het voorwerp. waar / niet waar
Bij het beeld zijn links en rechts omgedraaid. waar / niet waar
De hersenen zorgen voor een ‘normaal’ beeld. waar / niet waar

14 Leg uit hoe in je oog het beeld ontstaat.


Licht dat op een voorwerp valt weerkaatst. Een gedeelte gaat naar je ogen. Er ontstaat een beeld
op je netvlies. Door de sterkte van je ooglens aan te passen kun je het beeld scherper krijgen. Dit
noem je accommoderen.

158 >> 6 Licht Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


15 Omcirkel wat juist is.
Je oog lijkt wel / niet op een camera. In je oog zitten andere / soortgelijke onder-
delen als in de camera. In de camera bepaalt het diafragma / de lens hoeveel
licht er binnenkomt. In je oog wordt dit bepaalt door het netvlies / de pupil.
Een ander vergelijkbaar onderdeel is de beeldchip / lens en het diafragma / netvlies.
Het beeld dat ontstaat, staat in beide gevallen rechtop / op de kop.

16 Verbind de juiste blokken met elkaar.

lens beeldchip diafragma

hierop verschijnt regelt de hoeveelheid


maakt het beeld.
het beeld. licht die binnen valt.

pupil ooglens netvlies

17 Waar of niet waar?


a In een camera zit een holle lens. waar / niet waar
b Het beeld dat wordt gevormd, staat op zijn kop. waar / niet waar
c Voor een opname van dichtbij schuift de lens naar buiten. waar / niet waar

De camera, toen en nu

18 Maak hieronder een vergelijking van de overeenkomsten en verschillen tussen


een fotocamera en een digitale camera.
Overeenkomsten
lenzen / diafragma

Verschillen
lichtgevoelige beeldchip en geheugenkaart / filmrolletje

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 6 Licht >> 159


6.5 Test jezelf
1 Verbind de onderdelen uit de camera met de onderdelen uit het oog die op
dezelfde manier werken.

camera oog

diafragma netvlies

beeldchip ooglens

lens iris

2 Welk begrip hoort bij de uitleg?


Kies uit: diafragma, accommoderen, beeldafstand.
Begrip Uitleg
accommoderen Het scherpstellen van het oog door boller
of platter te worden.
diafragma Bepaalt de hoeveelheid licht die in de
camera binnen valt.
beeldafstand Afstand tussen de lens en de beeldchip.

3 Je maakt een foto van een bloem.


Hoe ziet de foto er op het filmpje uit?

A B C D

4 Vul de open plaatsen in.


Gebruik de woorden: dichtbij, ver weg, boller, platter
Je ooglens stelt zich scherp door van vorm te veranderen. Je ooglens kan
namelijk boller en worden.
Kijk je naar een voorwerp dichtbij , dan wordt je ooglens boller.
Kijk je naar een voorwerp ver weg , dan wordt je ooglens platter.

160 >> 6 Licht Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


6.5 Practicum
1 Camera obscura
overtrekpapier
Wat ga je onderzoeken?
Je onderzoekt hoe het beeld op een beeldchip van een camera
eruit ziet.

Wat heb je nodig?


• doos
• zwarte verf of zwart papier
• overtrek papier
• kaars en lucifers
naald
Wat moet je doen? stukje zwart
a Haal alle ‘flappen’ van de doos. tekenpapier
b Knip in de smalle achterkant van de doos een rechthoekige met gaatje
opening.
c Verf de binnenkant van de doos zwart.
d Prik een klein gaatje in het midden van de voorkant van de doos.
e Plak op de opening achterop de doos een vel overtrekpapier.
f Steek de kaars aan en kijk met je camera obscura naar de brandende kaars.

Wat is je resultaat?
Teken hieronder hoe de kaars er uit ziet op over-
trekpapier in de camera obscura.

Eigen antwoord.

Wat is je conclusie?
Hoe ziet het beeld op het filmpje van een camera er uit?
Het beeld dat gevormd is in een camera staat op zijn kop / rechtop.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 6 Licht >> 161


2 Een foto maken

Wat ga je onderzoeken?
Je onderzoekt wat je nodig hebt om een beeld te maken.

Wat heb je nodig?


• legopop
• felle lamp
• bolle lens
• scherm

Wat moet je doen?


a Schijn met een lamp op een legopop.
b Maak met een lens en een scherm een foto.

Wat is je resultaat?
Lukt het om een beeld van de legopop op het scherm te krijgen? ja / nee
Hoe ziet het beeld eruit?
Eigen antwoord.

Wat is je conclusie?
Voor het maken van een beeld heb je nodig: een voorwerp, een lens
een lichtbron en een scherm.

3 Pupillen

Wat ga je onderzoeken?
Je onderzoekt hoe je pupillen werken.

Wat heb je nodig?


• jezelf
• een klasgenoot
• een meetlat

Wat moet je doen?


a Laat je buurman een halve minuut in de richting van een lamp kijken.
b Schat hoe groot de pupillen zijn.
c Je buurman houdt nu de handen een minuut voor zijn ogen. Hij haalt daarna
zijn handen weg.
d Schat hoe groot de pupillen zijn.

Wat is je resultaat?
De grootte van de pupil in het volle licht is ongeveer mm.
De grootte van de pupil in het donker is ongeveer mm.
Eigen antwoord.

Wat is je conclusie?
In het donker worden je pupillen groter / kleiner.
In het licht worden je pupillen groter / kleiner.

162 >> 6 Licht Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


GOOCHELTRUCS EN
GEZICHTSBEDROG
1 Welke technieken kan een goochelaar op het podium gebruiken om iets te
laten ‘verdwijnen’?
A De aandacht afleiden, chemische reacties uitvoeren of filmtrucs toepassen.
B Heel snel werken, de aandacht afleiden of spiegels gebruiken.
C Filmtrucs toepassen, de aandacht afleiden of spiegels gebruiken.
D Hypnose uitvoeren, kaartentrucs gebruiken of dubbele bodems toepassen.

2 In bron 1 zie je hoe een goochelaar een mens gaat doorzagen.


Bedenk samen met een klasgenoot wat er in de grote kist zit en hoe de truc gaat.
Maak hieronder een schets met bijschriften.

Eigen antwoord.

3 Als je het stukje over optische illusies en diepte zien goed leest, welke conclusie
kun je dan trekken?
A Gezichtsbedrog ontstaat, doordat je zintuigen niet altijd goed werken.
B Je hersenen spelen een belangrijke rol bij waarnemen.
C Waarnemingen met verschillende zintuigen brengen je hersenen in de war.
D Optische illusies ontstaan, doordat je beide ogen nooit precies even scherp zien.

4 Doe de kleurenleestest.
a Kleur in het linkerplaatje hieronder de letters van de woorden in de kleur van
het woord. Dus: het woord rood kleur je rood, het woord zwart kleur je
zwart, enzovoort.
b Kleur in het rechterplaatje de letters van de woorden in een andere kleur dan
de kleur van het woord. Bijvoorbeeld: het woord blauw kleur je geel, het
woord groen kleur je rood, enzovoort. Gebruik geen gelijke kleuren voor ver-
schillende namen van kleuren.

rood geel blauw blauw geel rood


groen zwart wit geel zwart wit
geel rood rood geel wit rood
groen wit blauw rood wit zwart
zwart zwart wit rood zwart geel
geel rood blauw groen rood geel
groen groen wit zwart groen wit
Eigen antwoord.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 6 Licht >> 163


c Laat een klasgenoot de woorden uit het linker vak zo snel mogelijk hardop
lezen.
Jij neemt de tijd op. Het lezen van de woorden duurde seconden. Eigen antwoord.
d Herhaal dit met de woorden uit het rechter vak.
Het lezen van de woorden duurde seconden. Eigen antwoord.
e Verklaar het verschil in tijd.
Eigen antwoord.

5 In welk plaatje zijn alle lijnen precies horizontaal?


A Alleen in het bovenste plaatje.
B Alleen in het onderste plaatje.
C In beide plaatjes.

6 a Meet met een liniaal na of je antwoord op vraag 5 goed is.


b Maak zelf zo’n zwart-wit patroon op ruitjespapier.
Teken netjes, gebruik een liniaal!
c Knip de stroken los en verschuif ze.
Ontwerp op die manier een badkamermuur met tegeltjes.
De lijnen moeten zo schuin mogelijk lijken.
Eigen antwoord.

7 Bekijk bron 3 van je leerboek. Bekijk de bron de eerste keer


met je boek rechtop.
De tweede keer draai je het boek op de kop.
Wanneer zie je de meeste verschillen tussen de foto’s?
A Met het boek rechtop.
B Met het boek op de kop. Eigen antwoord.
C Het maakt niet uit.

8 Je kunt dit trucje ook doen met een foto van jezelf of bijvoorbeeld een bekende
Nederlander.
Om dat te doen, moet je eerst goed kijken wat er precies met de foto’s aan de
hand is.
Wat is er met de foto’s gedaan uit bron 3 gedaan?
A Op de tweede foto zijn een mond en ogen van iemand anders geplakt.
B Op de tweede foto zijn de mond en de ogen ondersteboven geplakt.
C Op de tweede foto zijn de mond en de ogen in spiegelbeeld geplakt.

9 Ben je zeker van je antwoord op vraag 8?


Dan kun je nu zo’n plaatje maken van een foto naar keuze!
Je kunt de opdracht op de computer doen, met bijvoorbeeld
Eigen antwoord.
met een tekenprogramma.
Je kunt ook twee kopieën van een foto maken en een schaar en
lijm gebruiken.

164 >> 6 Licht Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


10 Wat is de beste verklaring voor het effect van dit trucje?
A Je ogen werken minder goed als een afbeelding op de kop staat.
B Je bent gewend om een gezicht, en vooral ogen en mond, rechtop te zien.
C Je eerste waarneming is altijd beter dan je tweede waarneming.

11 Lees de tekst over 3D-zien.


Welke zin over 3D-zien is het beste?
A Je kunt 3D-zien, omdat je met je twee ogen een iets ander beeld van hetzelf-
de ziet.
B Je kunt nooit 3D-zien als je met één oog kijkt.
C 3D-zien bestaat eigenlijk niet. Je zintuigen zijn nu eenmaal zo gebouwd dat
je de wereld om je heen als een plat plaatje ziet.

12 Welke aanwijzingen helpen je bij het 3D zien?


– voorwerpen dichtbij hebben een fellere kleur dan voorwerpen in de verte.
– voorwerpen die veraf zijn, lijken kleiner dan voorwerpen die dichtbij zijn.
– evenwijdige lijnen lijken in de verte naar elkaar toe te lopen.

13 Een opdracht over gezichtsbedrog. Eigen antwoord.


a Zoek op het internet een mooie site over gezichtsbedrog.
Je kunt als zoekwoorden opgeven: optical illusions of gezichtsbedrog.
Zoek niet te lang. Kies een site uit de eerste vijf ‘hits’.
b Kies uit de site van jouw keuze de drie leukste optische illusies.
c Maak met behulp van de site van jouw keuze een powerpoint presentatie
van 7 dia’s.
De eerste dia is een titeldia met je naam, een titel van je presentatie en drie
plaatjes van de drie voorbeelden die je gekozen hebt.
Dia 2 is het eerste voorbeeld dat je gekozen hebt. Een titel plus een duidelijk
plaatje.
Dia 3 is een korte uitleg in eigen woorden van hoe de optische illusie werkt.
Dia 4 is het tweede voorbeeld dat je gekozen hebt. Een titel plus een duide-
lijk plaatje.
Enzovoort.

14 Een opdracht over goocheltrucs. Eigen antwoord.


a Je zoekt een mooie en duidelijke site over goocheltrucs.
Kies als zoekwoord goocheltrucs.
b Kies uit deze site:
– een goocheltruc die te maken heeft met hoe snel je een truc uitvoert.
– een goocheltruc die te maken heeft met het publiek op het verkeerde
been zetten.
– een goocheltruc die te maken heeft met spiegels.
c Oefen de drie trucs van opdracht b en voer de trucs voor je klasgenoten uit.
d Je zoekt ook een filmpje van het laten verdwijnen van een munt. Speel het
filmpje beeldje voor beeldje af en kijk of je de munt ziet.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 6 Licht >> 165


7 krachten

7.1 Soorten krachten


1 Mijn antwoord op de introvraag is:
A de zwaartekracht
B de spankracht
C de windkracht

2 Welke krachten werken in de volgende situaties?


De trampoline veert omhoog. veerkracht
Een appel valt uit de boom. zwaartekracht
Je drukt op het pompje van een zeepflesje. spierkracht
De deur van de koelkast sluit. magnetische kracht
Een stuk kauwgom plakt aan je schoenzool. kleefkracht
De wieken van een molen draaien. windkracht
Je fiets komt tot stilstand in rul zand. wrijvingskracht
Een schilderij hangt aan een touwtje. spankracht, zwaartekracht

3 Welke twee krachten spelen een rol bij gewichtheffen?


1 zwaartekracht
2 spierkracht

4 De eenheid van kracht is de Newton afgekort N

5 Als jij op een weegschaal gaat staan, dan geeft de weegschaal kg aan.
De aarde trekt aan jou. De zwaartekracht op jou is: × = Eigen antwoord.
N.

6 Vul de tabel verder in:


massa zwaartekracht
5 kg 50 N
1000 g 10 N
100 g 1N
240 g 2,4 N
12 kg 120 N

7 Op een vlieger werken drie krachten. Welke krachten zijn dat?


zwaartekracht , windkracht en spankracht .

166 >> 7 Krachten Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


8 Trek de juiste verbindingslijntjes tussen de eigenschappen van een pijl en een kracht.

kracht pijl
aangrijpingspunt lengte

grootte richting

richting beginpunt

9 a Hoe groot zijn de krachten F1, F2 en F3?

Schaal: 1 cm stelt 10 N voor. F1


Schaal: 1 cm stelt 75 N voor.
F3

F2 Schaal: 1 cm stelt 25 N voor.

F1 = 49 N F2 = 122,5 N F3 = 82,5 N

b Zet bij de krachten een rode stip bij het aangrijpingspunt van de kracht.

c Teken hieronder twee krachten F4 en F5.


F4: Grootte: 200 N, Richting: naar links, schaal: 1 cm stelt 20 N voor.
• (aangrijpingspunt)

F5: Grootte: 50 N, Richting: naar rechts, schaal: 1 cm stelt 5 N voor.


(aangrijpingspunt) •

10 Je moet een kast wegduwen.


a Op welke manier kun je het best tegen de kast duwen?

❑ A ❑ B ✗
❑ C
Kruis het juiste hokje aan.

b Wat gebeurt met de kast als je duwt zoals in A, B en C?


In A: De kast zal kantelen
In B: De kast zal kantelen
In C: De kast zal verschuiven

11 In de linker tekening duwt Piet met een


kracht van 350 N horizontaal tegen de kast.
Teken in de tekening de kracht van Piet

op de kast. Schaal: 1 cm stelt 100 N voor.

12 In de rechter tekening trekt Piet met een


kracht van 150 N horizontaal aan de kast.


Teken in de tekening de kracht van Piet
op de kast. Schaal: 1 cm stelt 100 N voor.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 7 Krachten >> 167


De populairste sporten bij
jongeren
13 Waar of niet waar?
Vul de antwoorden eerst in zonder leerboek. Controleer ze later met de tekst in
je leerboek. Zet een vinkje bij elke ware bewering.
a Jongeren van 20 doen meer aan sport dan jongeren van 14.
b Meisjes sporten even vaak als jongens.
c De populairste sporten zijn voetbal, basketbal en skaten.
d Fitness wordt alleen gedaan door volwassenen met kinderen.
e Fietsen is ongezonder dan met de bus of scooter reizen.

14 Sportalfabet. Eigen antwoord.


a Schrijf op een blaadje het alfabet van boven naar beneden.
b Schrijf achter iedere letter zoveel mogelijk sporten die met die letter beginnen.

15 Schrijf de verschillende krachten in de puzzel hieronder. Om je een beetje te


helpen, is al een aantal letters ingevuld.
Deze krachten moet je invullen: drukkracht, elektrischekracht, kleefkracht,
magnetischekracht, sleepkracht, spankracht, spierkracht, veerkracht, waterkracht,
windkracht, wrijvingskracht, zwaartekracht.

Z W A A R T E K R A C H T

K L E E F K R A C H T

W I N D K R A C H T
G

V E E R K R A C H T

W R IJ V I N G S K R A C H T

S P I E R K R A C H T
E L E K T R I S C H E K R A C H T
N
G
S L E E P K R A C H T
S P A N K R A C H T

D R U K K R A C H T

M A G N E T I S C H E K R A C H T

W A T E R K R A C H T
Op de grijze balk in het midden ontstaat een woord dat je in deze les hebt geleerd.
Het woord in de grijze balk is: AANGRIJPINGSPUNT

168 >> 7 Krachten Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


7.1 Test jezelf
1 Verbind de juiste blokken met elkaar.

spierkracht windkracht spankracht veerkracht

kabel matras zeilboot armpje drukken

2 Bij welke van de volgende sporten is veel spierkracht nodig?


Omcirkel het juiste antwoord.
Kogelstoten ja / nee
Dammen ja / nee
Schaken ja / nee
Touwtrekken ja / nee
Wielrennen ja / nee
Boksen ja / nee

3 Brenda mag mee met een boot. Als ze op de loop-


plank staat, dan buigt de plank door.
Kleur de vakken met de krachten die op Brenda
werken als ze op de plank staat.
magnetische kracht spankracht

zwaartekracht veerkracht

4 Brenda weegt 45 kg. Hoe groot is de zwaartekracht op Brenda?


45 × 10 = 450 N

5 Je ziet hier een kracht getekend.


a Geef met een stip het aangrijpingspunt van de kracht aan.
In de tekening komt 1 cm overeen met 100 N
b Hoe groot is de kracht in de tekening? 39 N

6 Op voorwerp A werkt een horizontale kracht naar rechts van 200 N en een ver-
ticale kracht van 150 N naar beneden. De stip geeft het aangrijpingspunt van de
krachten aan.
Teken de krachten op voorwerp A. Schaal: 1 cm stelt 50 N voor.

A ●

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 7 Krachten >> 169


7.2 Krachten meten
1 Mijn antwoord op de introvraag is:
A Iedere weegschaal geeft 25 kg aan.
B Iedere weegschaal geeft 50 kg aan.
C Eén weegschaal geeft 50 kg aan, de andere weegschaal geeft 0 kg aan.

2 Hoe moet je een krachtmeter gebruiken om de zwaartekracht te meten?


Omcirkel het juiste antwoord.
Mark houdt de krachtmeter schuin. goed fout
Karin houdt de krachtmeter verticaal. goed fout
Ahmet heeft de krachtmeter opgehangen. goed fout
Chantal kijkt schuin van boven naar de aanwijsstreep. goed fout
Tom slingert het gewichtje aan de meter heen en weer. goed fout

3 Bekijk de figuur.
a Wat geven de krachtmeters A, B en C aan?
A = 2,7 N 0 0 0
B= 17 N
0,1
C= 0,58 N D 1 10
0,2
b Geef de volgende waarden aan op één van de
schalen van de krachtmeters. 2 20
E 0,3
Teken de waarde op de schaal die het meest
nauwkeurig is. 0,4
3 30

A 0,8 N C 45 N E 23 N B 0,5
B 3,7 N D 1,1 N F 0,65 N 4 40
C 0,6

5 50 F
0,7

6 60 A 0,8

0,9

A B C

c De waarde 0,8 N kun je op alle drie krachtmeters intekenen.


Op welke krachtmeter heb jij 0,8 N ingetekend? Op krachtmeter A / B / C
d Leg uit waarom je juist die genomen hebt.
Krachtmeter C heeft de grootste nauwkeurigheid.

170 >> 7 Krachten Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


4 Zet trekkracht en drukkracht in het juiste vak.

personenweegschaal krachtmeter
Drukkracht
–––––––––––––––––––––––– Trekkracht
––––––––––––––––––––––––

5 Bekijk de tabel in bron 2.


Kun je aan de tabel zien hoeveel het elastiek uitrekt bij 2,3 N?
ja / nee

6 In een grafiek vergelijk je twee dingen die je kunt meten.


Je vergelijkt twee grootheden.
a Welke twee grootheden staan langs de assen in bron 3?
kracht en uitrekking
b Welke eenheden staan langs de assen?
Newton en centimeter

7 Bekijk de grafiek van bron 4. Bij één van de metingen is een fout gemaakt:
de uitrekking is verkeerd gemeten.
a Bij welke meting is verkeerd gemeten?
De derde meting (1,5 N: 2 cm)
b Waarom moet de lijn van de grafiek niet door dat punt gaan?
Dan zou je een vreemde ‘knik’ krijgen in de grafiek.
c Hoeveel cm had de uitrekking volgens jou moeten zijn?
Aflezen in de grafiek: 1,6 cm

8 Bekijk de grafiek van bron 4.


a Kun je aan de grafiek zien hoeveel het elastiek uitrekt bij 2,3 N?
ja / nee
b Vul de tabel in. kracht (N) uitrekking (cm)
1,75 2

2,9 4
3 4,2
2,3 2,8

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 7 Krachten >> 171


9 Sander onderzoekt de uitrekking van een veer. Hij hangt steeds
meer gewichtjes aan de veer en meet steeds de uitrekking. Eén
gewichtje oefent een kracht van 1 N op de veer uit. Op een klad-
blaadje schrijft hij de volgende resultaten:

0
1 gewichtje 1,5 cm / 2 gewichtjes 2,9 cm /
1
3 gewichtjes 4,6 cm / 4 gewichtjes 5,8 cm /
2
5 gewichtjes 7,5 cm 3
4
5

a Zet de metingen van Sander in de tabel. 6


7
8
aantal gewichtjes uitrekking (cm)
9
1 1,5 10

2 2,9
3 4,6
4 5,8
5 7,5

b Maak van de metin-


gen een grafiek. Zet
de kracht in N op de
horizontale as van de
grafiek. Zet de uitrek-
king in cm op de ver-
ticale as van de gra- 8
Uitrekking (cm) –>

fiek. x
7

6
x

5
x
4

3 x

2
x
1

c De grafiek teken je
met een liniaal! Als jij
dat niet gedaan hebt, 0 1 2 3 4 5
moet je dat alsnog Aantal gewichtjes –>
doen.
Leg uit waarom je
deze grafiek met een liniaal moet tekenen.
De punten staan in een rechte lijn.

d Hoeveel cm rekt de veer van Sander uit als je er met een kracht van 2,5 N
aan trekt? 3,75 cm

172 >> 7 Krachten Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


10 Bianca wil de wrijvingskracht van skeelers
onderzoeken.
Ze wil weten hoe de wrijvingskracht verandert, als de
massa van het meisje op de skeelers anders is.
Met verschillende meisjes op de skeelers, meet ze de
wrijvingskracht met een krachtmeter.
Bianca noteert de volgende metingen:

kleine Els (30 kg) 10 newton


Jannie (60 kg) 15 newton
Alice (90 kg) 21 newton
Esther (40 kg) 12 newton

a Schrijf de metingen van Bianca in de tabel.

naam massa wrijvingskracht


(kg) (N)
kleine Els 30 10
Jannie 60 15
Alice 90 21
Esther 40 12

b Maak van de
metingen van
Wrijvingskracht (N) –>

Bianca een grafiek. x


Zet de massa in kg 20
op de horizontale
as van de grafiek.
18
Zet de wrijvings-
kracht in N op de
verticale as van de 16
grafiek. x
14

12 x

10 x

0 10 20 30 40 50 60 70 80 90 100
Massa (kg) –>

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 7 Krachten >> 173


Spierkracht meten

11 Op welke twee manieren kun je de spierkracht van je armspieren meten?


– krachtmeter met een groot meetbereik.
– personenweegschaal tussen je handen indrukken.

12 Voer de buikspieren-, schouderspieren en beenspierentest uit.


Wat zijn jouw resultaten?

buikspieren minuten
schouderspieren minuten Eigen antwoord.
bovenbeenspieren minuten

13 Kun je al je vingers nog bewegen?


a Kijk op de foto. Je ziet daar dat twee handen
tegen elkaar liggen, met de middelvingers
gekruist.
Denk je dat je zo je vingers nog kunt bewegen?
A ja
B nee, alleen je duim
C al je vingers, behalve je ringvingers

b Controleer of je het antwoord op de vorige


vraag goed had door zelf de proef te doen.
Probeer je vingers een paar centimeter uit
elkaar te doen.
Lukt dat?
ja / nee

174 >> 7 Krachten Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


7.2 Test jezelf
1 Tussen een boot en de wal ligt een loopplank. De loopplank hangt 15 cm boven
het water.
In de tabel staat hoe ver de loopplank doorbuigt bij een bepaalde kracht.

zwaartekracht doorbuiging
(N) (cm)
0 0
100 2
200 5
300 9
400 14
500 20
600 27

a Maak een grafiek van de doorbuiging van de x


25
Doorbuiging (cm ) –>

plank.
Langs de horizontale as komt de zwaartekracht.
20 x
De doorbuiging komt langs de verticale as.
b Bekijk je grafiek.
Bij hoeveel newton raakt de plank het water? 15 x
Bij 420 N.
10 x
c Brenda is 45 kg.
Hoe groot is de zwaartekracht op Brenda?
5 x
450 N x
d Zal de plank het water raken als Brenda op de x
plank staat? 0 100 200 300 400 500 600
ja / nee Zwaartekracht (N) –>
e Leg je antwoord uit.
450 N is groter dan 420 N.

2 Anita meet de zwaartekracht op een aantal voorwerpen. Het zwaarste voorwerp


dat Anita meet, is 0,3 kg. Anita heeft een krachtmeter met een meetbereik van
0 – 1 N.
Leg uit of Anita met deze krachtmeter de zwaartekracht op het voorwerp kan
meten.
De zwaartekracht van het zwaarste voorwerp is 0,3 × 10 = 3N
Nee, de krachtmeter is niet geschikt.

3 Yannah en Elena willen de uitrekking van een snelbinder onderzoeken.


De proef doen ze thuis. Welke van de volgende spullen kunnen Yannah en Elena
gebruiken?
weegschaal wekker meetlat stopwatch fluitketel ophanghaak

thermometer snelbinder voorwerpen om aan de snelbinder te hangen

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 7 Krachten >> 175


7.3 Krachten in evenwicht
1 Mijn antwoord op de introvraag is:
A in het water van een zwembad
B in zeewater
C in beide soorten water evenveel.

2 Het meisje en de jongen uit bron 1 duwen, maar de handen komen niet in
beweging.
a Wat kun je nu zeggen over de duwkracht van de jongen en de duwkracht
van het meisje?
A De duwkracht van de jongen is groter dan de duwkracht van het meisje.
B De duwkracht van de jongen is kleiner dan de duwkracht van het meisje.
C De duwkracht van de jongen is even groot als de duwkracht van het meisje.
b Bij welk antwoord uit vraag 2 is er sprake van evenwicht?
Bij A / B / C. Omcirkel het juiste antwoord.

3 Het meisje in bron 2 staat op de loopplank. De zwaartekracht en de veerkracht


zijn in evenwicht. Wat is juist?
A De zwaartekracht is iets groter dan de veerkracht.
B De zwaartekracht is iets kleiner dan de veerkracht.
C De zwaartekracht is even groot als de veerkracht.

4 Wat gebeurt als de veerkracht van de loopplank kleiner is dan de zwaartekracht


van het meisje?
Dan buigt de plank verder door.

5 In onderstaande tekening zie je steeds een blokje. Op het blokje werken twee
krachten die met elkaar in evenwicht zijn. Beide krachten hebben hetzelfde
aangrijpingspunt.
Eén van deze krachten is getekend.
Teken bij elk blokje de kracht die evenwicht maakt met de kracht die is getekend.

De krachten zijn even groot maar


tegengesteld gericht.

176 >> 7 Krachten Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


6 Toen het meisje uit bron 3 op het luchtbed stapte, zakte het luchtbed dieper in
het water.
Wat gebeurde er met de zwaartekracht en de opwaartse kracht op het luchtbed?
Omcirkel steeds het juiste antwoord.
De zwaartekracht blijft gelijk, de opwaartse kracht blijft gelijk goed fout
De zwaartekracht wordt kleiner, de opwaartse kracht wordt kleiner goed fout
De zwaartekracht wordt groter, de opwaartse kracht wordt groter goed fout
De zwaartekracht wordt groter, de opwaartse kracht wordt kleiner goed fout
De zwaartekracht wordt kleiner, de opwaartse kracht wordt groter goed fout

7 Hiernaast zie je een duiker.


De zwaartekracht en de opwaartse kracht op de duiker zijn in
de tekening aangegeven. Ze zijn even groot.
Dat betekent dat de duiker
A drijft.
B stijgt.
C zinkt.
D zweeft.

8 Een blok hout drijft op het water. Op het blok werkt een zwaartekracht van 120 N.
Hoe groot is de opwaartse kracht op het drijvende blok hout? 120 N

9 Een brandende kaars drijft in water. De kaars blijft tijdens het branden drijven.
Omcirkel de juiste woorden in de volgende zinnen.
Tijdens het branden wordt de massa van de kaars kleiner / groter.
Tijdens het branden wordt de zwaartekracht op de kaars kleiner / groter.
Tijdens het branden wordt de opwaartse kracht op de kaars kleiner / groter.

10 Je hebt een ballon gevuld met het gas helium. Helium is lichter dan lucht.
Wat kun je zeggen van de opwaartse kracht en de zwaartekracht op de ballon?
A De zwaartekracht is kleiner dan de opwaartse kracht.
B De zwaartekracht is gelijk aan de opwaartse kracht.
C De zwaartekracht is groter dan de opwaartse kracht.

11 Hiernaast is een ballon met een kaartje getekend. De ballon en het kaartje
zweven.
De zwaartekracht op de ballon met kaartje is in de tekening aangegeven.
Teken de opwaartse kracht op de ballon.
Neem als aangrijpingspunt het punt waar ook de zwaartekracht aangrijpt.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 7 Krachten >> 177


12 Kan een mens opgetild worden door heliumballonnen?
Bij een heliumballon met een inhoud van 3 liter is de opwaartse kracht
ongeveer 0,01 N groter dan de zwaartekracht. De ballon gaat stijgen.
A Hoe groot is de kracht waarmee 1 heliumballon van 3 liter iets op kan tillen?
0,01 N
B Hoe groot is de kracht waarmee 100 heliumballonnen iets op kunnen tillen?
1 N
C Irma weegt 50 kg.
Hoe groot is de zwaartekracht op Irma? 50 × 10 = 500 N.
D Hoeveel heliumbalonnen van 3 liter moet Irma vasthouden om te zweven?
500 : 0,01 = 50 000 heliumballonnen

13 Verbind de ballonnen met lijntjes aan de juiste blokken:

ballon ballon ballon


stijgt daalt zweeft

de opwaartse kracht de opwaartse kracht de opwaartse kracht


is even groot als is groter dan is kleiner dan
de zwaartekracht de zwaartekracht de zwaartekracht

brander uit brander aan

Onder water, boven water


H O O G T E A S S A M K R A C H T
G N I S T A A L P R E V R E T A W
K I L O G R A M J E S C T IJ G L T
L B R E E D T E A L H S D D R U K
E E O R E T A W P I W A A R T M Z
N S E K R A C H M N O T W E N I T
G T H C A R K E T R A A W Z N N G
T R O T E R D R IJ V E N I K S I D
E A N D E E Z W Z W E V E N A U A
IJ Z E R S R T E K R A N C H T M •

14 Streep de volgende woorden weg:


aluminium, archimedes, breedte, drijven, druk, hoogte, ijzer, kilogram, kracht,
lengte, massa, newton, water, waterverplaatsing, zinken, zwaartekracht, zweven.

Let op: de woorden kunnen van links naar rechts, van boven naar beneden,
schuin en omgekeerd staan!
De overblijvende letters vormen een zin die met watersport te maken heeft:
Je stijgt als de opwaartse kracht groter is dan de zwaartekracht.

15 Welke krachten spelen een rol bij de sport in bron 6?


zwaartekracht, opwaartse kracht

178 >> 7 Krachten Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


7.3 Test jezelf
1 Twee krachten zijn in evenwicht als
A de krachten even groot zijn en dezelfde richting hebben.
B de krachten even groot zijn en een tegengestelde richting hebben.
C de krachten verschillen van grootte en richting.
D de krachten verschillen van grootte en dezelfde richting hebben.

2 In de tekening is een kracht op een blokje getekend.


Teken in de tekening een tweede kracht die evenwicht maakt met de geteken-
de kracht.

3 Een blokje hout drijft in een bak met water.


Op het blokje werken twee krachten. 1
De krachten zijn in de tekening aangegeven met
1 en 2.
a Hoe heet kracht 1?
opwaartse kracht 2

b Hoe heet kracht 2?


zwaartekracht

c De grootte van kracht 1 is 4 N.


Hoe groot is kracht 2?
4N

4 Een man van 100 kg en een kind van 25 kg springen in het zwembad.
a Op wie werkt de grootste zwaartekracht? de man / het kind
b Op wie werkt de grootste opwaartse kracht? de man / het kind

5 Trek de juiste verbindingslijntjes tussen de woorden links en de beschrijving


rechts.

drijven de opwaartse kracht is gelijk aan de zwaartekracht

zweven de opwaartse kracht is groter dan de zwaartekracht

zinken

stijgen de opwaartse kracht is kleiner dan de zwaartekracht

6 Irma zweeft met een luchtballon boven de stad. Ze zet de brander aan. De gas-
vlam verwarmt de lucht in de luchtballon extra. Kies het juiste woord.
Door het verwarmen van de lucht in de ballon zal de ballon stijgen / dalen.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 7 Krachten >> 179


7.4 Hefbomen
1 Mijn antwoord op de introvraag is:
A Ze valt dan met haar hoofd naar voren.
B Ze valt dan met haar voeten naar achteren.
C Ze valt niet, maar blijft in evenwicht.

2 a Wat gebruiken de sporters in bron 1 als hefboom? roeiriem


b Vul in: Een hefboom heeft altijd een draaipunt .

3 Noem drie gereedschappen met een hefboom.


1 Eigen antwoord.
2

4 Je wilt een moer losdraaien met een


steeksleutel. A B C
a Op welke plaats (A, B of C) heeft jouw
spierkracht op de steeksleutel het meeste
effect?
A / B / C
b Leg uit waarom op die plek het effect van de kracht het grootst is.
Een kracht ver van het draaipunt heeft een groter effect dan een kracht dicht bij het draaipunt.

5 In de tekening zie je twee manieren om een fles


te openen met een flesopener.
a Bij welke manier moet je op de flesopener duwen?
✗ manier I
❑ ❑ manier II
b Met welke letter wordt het draaipunt aangegeven
in tekening I?
A / B / C
c Met welke letter wordt het draaipunt aangegeven
in tekening II?
A / B / C

6 In de tekening zie je een hefboom. Op 20 cm links van het


draaipunt werkt een kracht van 2 N.
2N 2N
Geef in de tekening aan waar je het andere gewichtje moet
plaatsen om evenwicht te maken.

20 cm 20 cm
2N

180 >> 7 Krachten Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


7 In de tekening liggen damstenen op een liniaal. De liniaal werkt als een hefboom.

20 cm 10 cm

Vul in.
Hoeveel stenen staan links van het draaipunt op de liniaal? 2
Op welke afstand staan de stenen links van het draaipunt? 20 cm.
Hoeveel stenen staan rechts van het draaipunt op de liniaal? 4
Op welke afstand staan de stenen rechts van het draaipunt? 10 cm.
Aantal stenen links × aantal cm links = 2 × 20 = 40
Aantal stenen rechts × aantal cm rechts = 4 × 10 = 40
Wat valt je op? De uitkomst is in beide gevallen hetzelfde.

8 In bron 5 van je leerboek zie je een schematische tekening van een hefboom.
a Waarmee wordt het draaipunt in de tekening aangegeven?
Met een dikke punt.

b Wat wordt bedoeld met arm?


De afstand van de kracht tot het draaipunt.

c Hoe teken je de krachten?


Met pijlen, op de juiste afstand tot het draaipunt.

9 In de tekening zie je een wip met een vrouw en een hond


arm van de vrouw
arm van de hond

kracht van de
hond

kracht van de
a Teken op de goede plaats de kracht en de arm voor de hond. vrouw
b Teken op de goede plaats de kracht en de arm voor de vrouw.
c Waar moet je de grootste kracht tekenen? bij de hond / bij de vrouw
d De kleinste arm hoort bij de grootste / kleinste kracht.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 7 Krachten >> 181


10 De zwaartekracht op de hond uit vraag 9 is 60 N. De zwaartekracht op de
vrouw is 800 N.
De hond zit 400 cm van het draaipunt. De vrouw zit 30 cm van het draaipunt.
Maak hieronder een schematische tekening van de hefboom met de vrouw en
de hond.
Neem als schaal: 1 cm komt overeen met 100 N.

30 cm
400 cm

60 N

800 N

11 Schrijf de hefboomregel op.


kracht 1 × arm 1 = kracht 2 × arm 2

12 Op een hefboom werkt 80 cm links van het


draaipunt een kracht van 20 N.
40 cm rechts van het draaipunt werkt een
kracht van 40 N.
Bereken met de stappen uit bron 7 of de
hefboom in evenwicht is.
1 kracht 1 = 80
kracht 2 = 40
arm 1 = 20
arm 2 = 40
2 kracht 1 × arm 1 = 80 × 20 = 1600
3 kracht 2 × kracht 2 = 40 × 40 = 1600
4 Welk getal is groter? Het antwoord van 2 is gelijk aan het antwoord van 3.
5 Conclusie: de hefboom is wel / niet in evenwicht.

13 Reken met de gegevens uit vraag 10 uit of de wip met de vrouw en de hond in
evenwicht is.
Wat is je conclusie?
kracht 1 × arm 1 = 60 × 400 = 2400
kracht 2 × arm 2 = 800 × 30 = 2400
ja, de antwoorden zijn hetzelfde, dus er is evenwicht.

182 >> 7 Krachten Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


14 In de tabel zie je gegevens van de hefbomen a, b, c, d, e en f.

hefboom links van het draaipunt rechts van het draaipunt


kracht 1 (N) arm 1 (cm) kracht 2 (N) arm 2 (cm)
a 20 40 10 80
b 45 10 20 25
c 3 100 6 200
d 47 50 94 25
e 1 500 200 2 900 450 groen
f 100 2 1 200 rood

Bereken voor elke hefboom of er evenwicht is.


Kleur de rij groen als er evenwicht is.
Kleur de rij rood als er geen evenwicht is.

15 Met een autokrik kun je een auto optillen.


Door de krik heb je een minder grote kracht nodig, maar je moet wel
Een grotere afstand afleggen.

16 a Wat is een voordeel van een vaste katrol?


Dan kun je de richting van de kracht veranderen.
b Hoeveel vaste katrollen zie je in het toestel voor krachttraining in bron 9? 0

17 a Wat is een voordeel van een losse katrol?


Je kunt met een losse katrol de kracht verdelen over twee touwen.
b Hoeveel losse katrollen zie je in het toestel voor krachttraining in bron 9? 1

18 Wat is een voordeel van een takel, zoals in bron 10?


Je kunt zware lasten makkelijker optillen.

19 In de tabel staan de krachten die je met verschillende hulpmiddelen nodig hebt


om een last op te tillen.
Vul de ontbrekende getallen in.
Als voorbeeld is de eerste regel ingevuld.

last (N) vaste katrol (N) losse katrol (N) takel (N)
100 100 50 50
80 80 40 40
500 500 250 250
1000 1000 500 500

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 7 Krachten >> 183


Een hefboompuzzel

20 Zet de blokjes zo neer dat er evenwicht ontstaat. Gebruik steeds alle zes blokjes.
Het aantal blokjes links en recht mag verschillen. Je mag aan één kant ook blok-
jes op meerdere plaatsen zetten. Er zijn al twee voorbeelden voor je ingevuld.
Hoeveel mogelijkheden bedenk jij? Eigen antwoord.

O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O
10 9 8 7 6 5 4 3 2 1 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10
3 3
1 1 2 2

184 >> 7 Krachten Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


7.4 Test jezelf
1 Welke van de volgende gereedschappen werkt als een hefboom?
✗❑ flesopener, ❑ afstandsbediening, ✗ ❑ breekijzer, ✗
❑ grasknipper, ❑ toetsenbord,
✗ ✗ lipje op blikje, ❑ frisdrank, ✗❑ steeksleutel, ❑ gieter, ✗
❑ nijptang, ❑ ❑ ringsleutel,
✗ ❑ steekwagen, ✗
❑ deurkruk, ✗ ❑ kruiwagen, ❑ balpen

2 Laura en Jack gaan samen op de wip. Laura (12 kg) gaat op 2 m van het draai-
punt zitten. Jack (17 kg) gaat op 1 m van het draaipunt zitten.
a Maak een schematische tekening van deze situatie.

Laura 2m 1m Jack

120 N
170 N

b Bereken met de hefboomregel of de wip uit vraag 2 in evenwicht is.


kracht 1 × arm 1 = kracht 2 × arm 2 120 × 2 = 170 × 1 240 ≠ 170 nee geen evenwicht.
c Waar moet Laura heen schuiven zodat Jack omhoog gaat?
A naar het draaipunt toe
B van het draaipunt af

3 In de tekening zie je een verfblik dat met een schroevendraaier


wordt geopend. De schroevendraaier werkt als een hefboom.
a Zet een duidelijke stip in de tekening op de plaats van het
draaipunt van de hefboom.
b Met kracht 2 op de schroevendraaier veroorzaak je een veel
grotere kracht 1 op de deksel van het verfblik. Dit is mogelijk,
omdat
A de arm van kracht 1 groter is dan de arm van kracht 2.
B de arm van kracht 1 kleiner is dan de arm van kracht 2.
C kracht 2 op het handvat van de schroevendraaier werkt.
c Je wilt het verfblik openen met een munt. Jouw kracht
moet nu
A groter zijn dan bij de schroevendraaier.
B kleiner zijn dan bij de schroevendraaier.
C even groot zijn als bij de schroevendraaier.

4 Je wilt een voorwerp erg vast draaien in de bankschroef.


Waar moet je je spierkracht laten aangrijpen?
A bij A
B bij B
C bij C

5 Erik tilt een ijzeren balk 2 meter omhoog met een takel.
De zwaartekracht op de balk is 800 N.
Vul in:
Erik moet aan het touw van de takel trekken met een kracht van 400 N
Erik moet 4 meter touw innemen

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 7 Krachten >> 185


Je lijf in evenwicht
1 In bron 1 zie je een röntgenfoto van een voet.
a Hoeveel botjes tel je op de foto?
Eigen antwoord.

b Hoeveel botjes zitten er totaal in je voet?


26 botjes

c Bedenk hoeveel gewrichten in je voet zitten.


het enkelgewricht (boven je voet), een gewricht onderin je voet, 3 gewrichtjes in elke teen
(behalve in de grote teen: daar 2)

2 Kleur in het voetskelet hieronder rood: de botten die op de grond drukken als je
staat en loopt.
Kleur groen: de botten die aan het enkelgewricht zitten.

rood
groen

3 Leg in maximaal twee zinnen uit wat men doet op de foto van bron 2.
Men bekijkt de druk van een voet op een schoenzool.

4 Maak een voetafdruk van je eigen voet op ruitjespapier (hokjes van 1 cm × 1 cm).
Ga op je sokken of blote voet op een vel ruitjespapier staan. Teken met potlood
de omtrek om je voet. Doe dat alleen voor de delen die op de grond staan! Je
kunt je voet ook licht insmeren met bijvoorbeeld vingerverf of waterverf.
a Tel het aantal hokjes. Het oppervlak van één voetzool is Eigen antwoord. cm2.
b Ik weeg Eigen antwoord. kg.
Vermenigvuldig je aantal kg met 10. Je weet dan hoeveel newton zwaarte-
kracht op je werkt.
Er werkt Eigen antwoord. × 10 = Eigen antwoord. N zwaartekracht op mij.
c Bereken de druk op de grond als je op twee voeten staat.
Eigen antwoord.

186 >> 7 Krachten Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


5 Ontwerp een zool voor een sportschoen die zo goed mogelijk bij de vorm van
jouw voet past.
a Teken de zool op papier en knip hem uit.
b Op de bovenkant geef je aan op welke plekken de druk op de zool het Eigen antwoord.
grootst is.
c Teken het profiel van de onderkant van de zool zo, dat hij geschikt is voor je
favoriete sport.

6 a Zet achter iedere sport hieronder de letter van de schoen die erbij hoort.

surfen A

voetbal C

ballet H

basketbal I

paardrijden L

atletiek L

skaten E

flamencodansen
S

b Wat lees je nu van boven naar beneden? ACHILLES


c De naam bij b hoort bij een spier / pees / bot. Omcirkel het juiste antwoord.
d Leg uit waarom bij iedere sport een ander model schoen hoort.
Iedere sport stelt weer andere eisen op het gebied van gewicht, profiel, stevigheid, stijl, etc.

7 Welke uitspraken zijn juist?


a Zolen van een sportschoen oefenen een grotere druk
op de vloer uit dan naaldhakken. ☺ 
b Het bot van je grote teen drukt sterker op je zool
dan het bot van je kleine teen. ☺ 
c Je rekent de druk uit door de kracht te delen door
de oppervlakte. ☺ 
d Schoenzolen met noppen oefenen een grotere druk
uit op de grond. ☺ 

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 7 Krachten >> 187


2,5

Druk (N/cm 2 ) –>


8 Hiernaast zie je dezelfde grafiek als in bron 3.
a Zet de juiste getallen en tekst bij de grafiek. Hiel Voorvoet
2,0
b Lees in de grafiek af hoe groot de maximale
druk op de hiel is. 2,0 N/cm2
1,5

1,0

0,5

0 50 100 150 200


Tijd (ms) –>
9 Je houdt je handen ongeveer een halve meter uit elkaar.
Je steekt je wijsvingers naar voren.
Iemand legt een stevige liniaal op je vingers, zo dat de liniaal niet valt.
Je beweegt nu je vingers langzaam naar elkaar toe.
a Wat gebeurt er? Omcirkel het juiste antwoord.
A De liniaal valt zodra je handen bewegen.
B Je vingers komen bij elkaar precies bij het midden van de liniaal.
C Je vingers komen bij elkaar op een plek dicht bij een uiteinde van de liniaal.
b Controleer je antwoord door de proef uit te voeren.
10a
10 Gelukkig valt de kunstschaatster niet. Dat komt, doordat haar schaats-
partner haar precies onder haar zwaartepunt ondersteunt.
a Geef op de foto haar zwaartepunt aan met een duidelijke stip.
b Geef op de foto aan waar de kunstschaatser de grond raakt. ●
c Geef op de foto ook het zwaartepunt van de kunstschaatser aan.

11 Leg uit waarom de fietser op de foto van bron 5 over het koord kan fiet-
sen zonder te vallen.
– Ze proberen het zwaartepunt zo laag mogelijk te houden. ●
10c
– Met de evenwichtsstokken kunnen ze continue (kleine) even-
wichtsstoringen compenseren.

10b

188 >> 7 Krachten Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


8 bewegen

8.1 Kracht en beweging


1 Mijn antwoord op de introvraag is:
A Veel trainen om heel sterk te worden.
B Dure klapschaatsen kopen.
C Kracht combineren met een goede techniek en je moet aanleg hebben.

2 Voor beweging is kracht nodig. Welke delen van je lichaam zorgen voor kracht
bij het bewegen?
de spieren zorgen voor kracht bij het bewegen

3 Op de zwemmer werken vier krachten. Welke kracht helpt de


zwemmer vooruit te komen? opwaartse kracht
A stuwkracht
B opwaartse kracht
C zwaartekracht op de zwemmer weerstand
D weerstand van het water

4 Welke spieren leveren de meeste kracht bij het zwemmen? stuwkracht


A buikspieren
B borstspieren
C beenspieren zwaartekracht

5 Hieronder staan belangrijke eigenschappen voor een sporter.


Welke eigenschappen kun je door training verbeteren? Kleur de
rechthoeken met de goede eigenschappen.

Je moet lang zijn. Je moet soepel zijn. Je moet sterk zijn.

Je moet een goede Je moet een goede


mentaliteit hebben. techniek hebben.

Je moet trainen
Je moet slim zijn. Je moet trucjes kennen.
leuk vinden.

6 In de bovenste rij hokken staan vijf soorten krachten.


Trek vanuit elke kracht een groene lijn naar de beweging die door de kracht
wordt veroorzaakt.

zwaartekracht motorkracht windkracht waterkracht veerkracht

varende propje schieten struikelen zwiepende


watermolen
motorboot met elastiek of vallen takken

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 8 Bewegen >> 189


7 Bij fitness worden veel apparaten gebruikt
Tekening van jouw ontwerp
om je spieren te trainen.
Maak een tekening van een fitnessapparaat, Eigen antwoord.
waarmee je je armspieren kunt trainen.
Het hoeft geen bestaand apparaat te zijn, je
mag ook zelf een apparaat bedenken. Het
apparaat moet worden bediend met één arm.
De krachten die nodig zijn om je apparaat te
laten werken, geef je aan met een pijl.

8 Een autootje wordt bovenaan op een schuine plank gezet.


Als het autootje wordt losgelaten, dan rijdt het naar beneden.
Welke kracht zorgt voor de beweging?
A veerkracht
B spierkracht
C zwaartekracht

9 In bron 3 van het leerboek zie je een wielrenner, die een tijdrit rijdt. Welke
tegenwerkende kracht probeert de wielrenner zo klein mogelijk te maken?
de luchtweerstand

10 Welke maatregelen zijn er genomen om de wielrenner zo aërodynamisch


mogelijk te maken?
1 speciale helm
2 achterwiel dicht, zonder spaken
3 gladde kleding
4 gebogen houding

11 De parachutist in bron 2 valt met grote snelheid. Na enkele Schets van de parachutist
seconden wordt zijn snelheid niet meer groter. Zijn snelheid is luchtweerstand
constant.
a Maak een schets van de parachutist.
Teken met twee pijlen de krachten op de juiste plaats en in
de goede richting.
b Schrijf bij elke pijl de naam van de kracht. Kies uit:
zwaartekracht – veerkracht – luchtweerstand – spierkracht
zwaartekracht

12 Zet een kruisje in de kolom met de kracht die bij de situatie hoort.
situatie luchtweerstand rolweerstand glijweerstand
met auto in een slip raken ✗
met zachte banden fietsen ✗
aërodynamische kleding ✗
parachutespringen ✗
snowboarden ✗

190 >> 8 Bewegen Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


13 Zet een kruisje in de kolom van de kracht die in de situatie werkt.
Sommige krachten worden meer dan één keer gebruikt.

situatie luchtweerstand rolweerstand glijweerstand


met de auto slippen ✗ ✗
met zachte banden fietsen ✗
speciaal wedstrijdzwempak ✗
parachutespringen ✗
14 Een mountainbiker wil stoppen.
Wat is de beste manier om snel tot stilstand te komen?
A Stoppen met trappen; dan stop je vanzelf.
B Remmen; alleen met de rem op het voorwiel.
C Remmen; alleen met de rem op het achterwiel.
D Remmen; met de rem op het voorwiel én met de rem op het achterwiel.

15 Op een autoracecircuit is naast de baan een grindbak aangelegd. Waarvoor


dient de grindbak?
Als een race-auto van de baan raakt, komt deze in de grindbak, de rolweerstand is hier groot,
de race-auto stopt makkelijker en veiliger.

16 Hiernaast staat een tekening van een trommelrem


van een fiets. In de linker tekening draait het wiel
vrij rond. In de rechter tekening wordt de remvoering
tegen de trommel aangedrukt, waardoor de wrijving
veel groter wordt.
Kleur in de tekening de plaats waar de wrijving
ontstaat rood.

Een automatische parachuteopener


17 Welke krachten spelen een rol in het verhaal over de automatische parachute-
opener?
1 luchtweerstand
2 trekkracht
3 zwaartekracht
4 spierkracht
5 wrijvingskracht
6 spankracht

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 8 Bewegen >> 191


8.1 Test jezelf
1 Zet de volgende krachten bij de juiste pijl. opwaartse kracht
zwaartekracht
luchtweerstand
motorkracht
opwaartse kracht

luchtweerstand PH 1 motorkracht

zwaartekracht
2 Wat is juist?
Een vliegtuig gaat sneller als de motorkracht groter / kleiner is dan de lucht-
weerstand.
Een vliegtuig daalt als de opwaartse kracht groter / kleiner dan het gewicht van
het vliegtuig.

3 Goed of fout?
Een wrijvingskracht kan iets in beweging zetten. goed / fout
Een wrijvingskracht ontstaat door een beweging. goed / fout
Wordt de wrijvingskracht groter, dan wordt de snelheid kleiner. goed / fout
Fietsen zonder wrijvingskrachten is onmogelijk. goed / fout

4 Zet de volgende woorden in de juiste vakken:


veerkracht – spierkracht – motorkracht – zwaartekracht
Door training krijg je meer spierkracht
Vallen komt door de zwaartekracht
Een autootje met een veermotor rijdt door veerkracht
Een scooter beweegt door motorkracht

5 Wat is de beste manier om snel te stoppen met een scooter?


A de motor uitzetten
B alleen met de rem op het voorwiel remmen
C alleen met de rem op het achterwiel remmen
D het gashandel dicht draaien
E remmen met beide wielen

192 >> 8 Bewegen Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


8.2 Snelheid
1 Mijn antwoord op de introvraag is:
A 30 kilometer per uur
B 40 kilometer per uur
C 50 kilometer per uur

2 Snelheid heeft met twee grootheden te maken.


Deze grootheden zijn:
afstand en tijd

3 Vul de ontbrekende gegevens in de tabel in.

grootheid eenheid symbool eenheid


afstand meter m
tijd uur h
snelheid kilometer per uur km/h

4 De Franse hogesnelheidstrein TGV Atlantique heeft een topsnelheid van


515 km/h. Voor snelle treinen is dat het wereldrecord. De TGV Atlantique rijdt
normaal met een snelheid van 300 km/h. Waarom rijdt de TGV Atlantique niet
altijd 515 km/h?
A Dan gaat de trein snel kapot.
B Door de grote luchtweerstand is het rijden met die hoge snelheid te duur.
C De meeste mensen durven niet in een trein die zo hard gaat.

5 De gemiddelde snelheid van de TGV Atlantique is 254 km/h. Omcirkel het juiste
woord.
Een gemiddelde snelheid is hoger dan / lager dan / even groot als de topsnelheid

6 Waarom is het bij het berekenen van de afstand beter om te rekenen met
gemiddelde snelheid dan met snelheid?
de echte snelheid verandert steeds

7 Snel of langzaam? Zet een kruisje in de kolom onder het woord dat het beste
past bij de situatie.

snel langzaam
Juan rijdt 30 km/h op een fiets. ✗
Valerie loopt in 15 minuten een afstand van 4 km. ✗
Carlo rijdt 30 km/h in een auto. ✗
Aïsha zwemt 100 meter in één minuut. ✗
Dirk loopt in één uur een afstand van 5 km. ✗

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 8 Bewegen >> 193


8 Pauline fietst 135 minuten.
Bereken hoeveel uur 135 minuten is. Gebruik de drie stappen uit bron 3 van het
leerboek.
1 135 minuten
2 135 : 60 = 2,25
3 De tijd is 2,25 uur

9 Een slak kruipt 7 minuten lang over een pad.


Bereken hoeveel seconden dat is. Gebruik de drie stappen uit bron 4 van het
leerboek.
1 7 minuten
2 7 × 60 = 420
3 De tijd is 420 seconden

10 Trek de lijntjes van de zin naar het juiste antwoord.

Een bus rijdt 103 minuten. 0,4 uur

Van school naar huis fietsen duurt 25 minuten. 300 seconden

De bal rolt 0,5 minuten van een helling. 1,7 uur

Je loopt 5 minuten. 30 seconden

11 Een vliegtuig vliegt met 222 m/s.


Reken de snelheid van het vliegtuig om naar km/h. Gebruik de drie stappen uit
bron 5 van het leerboek.
1 snelheid is 222 m/s
2 222 × 3,6 = 799,2
3 De snelheid is 799,2 km/h

12 Een skater gaat met een snelheid van 20 km/h.


Bereken de snelheid in m/s. Gebruik de drie stappen uit bron 6 van het leerboek.
1 snelheid is 20 km/h
2 20 : 3,6 = 5,56
3 De snelheid is 5,56 m/s

13 Achter elke zin staat een antwoord. Kleur de smiley groen bij een goed antwoord
en de weapy rood bij een fout antwoord.
Maak je berekening op een kladblaadje.
Peter loopt met een snelheid van 4 km/h. 14,4 m/s ☺ 
rood
De snelheid van de auto is 50 km/h. 15 m/s ☺ 
Een raket heeft een snelheid van 2500 km/h. 694,4 m/s ☺ 
Een tennisbal gaat met een snelheid van 25 m/s. 90 km/h ☺ 

groen

194 >> 8 Bewegen Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


14 Met welke formule bereken je de gemiddelde snelheid?
gemiddelde snelheid = totale afstand : totale tijd

15 Een bus legt in 2 uur een afstand van 110 km af.


Bereken de gemiddelde snelheid van de bus.
Gebruik bij je berekening de vier stappen uit bron 7 van het leerboek.
1 afstand is 110 km = 110 × 1000 = 110.000 m
2 tijd is 2 uur = 2 × 3600 = 7200 S.
3 gemiddelde snelheid = totale afstand : totale tijd = 110.000 : 7.200 = 15,3
4 de gemiddelde snelheid is 15,3 m/s

16 Voor het meten van de snelheid heb je twee meetinstrumenten nodig.


Kleur het vakje onder de afbeelding van de meetinstrumenten die je nodig hebt
groen.

10 20
start stop
30
0

V dB 0 00 00
reset mode
display

17 In de sport wordt de snelheid elektronisch gemeten. De starter geeft een start-


schot met een startpistool. Waarom gebruikt de starter een startpistool?
A Om de sporters te waarschuwen.
B Dan weet de starter dat de atleten tegelijk vertrekken.
C De atleten horen wanner ze mogen starten en de elektronische tijdmeting
wordt gestart.
D De elektronische tijdmeting wordt gestart.

18 Je wilt zelf de gemiddelde snelheid van de weggebruikers in je straat bereke-


nen. Zet de volgende handelingen in de juiste volgorde.
1 Het traject met strepen op de weg markeren.
2 Met een rekenmachine de gemiddelde snelheid uitrekenen.
3 Een touw of lint afknippen met een vastgestelde lengte.
4 Met een stopwatch de tijd opmeten van een weggebruiker over het traject.
5 Met een afgemeten touw of lint een traject uitzetten.

De volgorde van de handelingen is:


3 5 1 4 2

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 8 Bewegen >> 195


19 Vul in de tabel de maximumsnelheid in.

voertuig woonerf in de stad autoweg snelweg andere wegen


scooter 30 km/h 50 km/h 100 km/h 120 km/h 80 km/h
auto 30 km/h 50 km/h 100 km/h 120 km/h 80 km/h
motor 30 km/h 50 km/h 100 km/h 120 km/h 80 km/h

20 Tijdens het voetballen begint het te onweren. Na een bliksemflits duurt het
10 seconden totdat je het gerommel hoort.
Bereken hoeveel kilometer het onweer bij jou vandaan is.
afstand (km) = tijd (s) : 3 = 10 : 3 = 3,3 km.

21 Verbind de juiste snelheid met de beschreven situatie.

De snelheid van het licht. 40 km/h

De maximum snelheid van de Thalys. 343 m/s

De snelste mens. 320 km/h

De snelheid van het geluid. 300.000 km/s

De maximumsnelheid van een auto op de snelweg. 300 km/h

Een slechtvalk die een prooi grijpt. 120 km/h

22 De zon is 149,6 miljoen kilometer van de aarde verwijderd. Het licht van de zon
gaat met een snelheid van 300 000 km/s door het heelal. Bereken hoeveel
seconden het licht er over doet om de aarde te bereiken.
Tijd = afstand : snelheid = 149,600.000 km : 300.000 km/s = 499 S

196 >> 8 Bewegen Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


Mach

23 De topsnelheid van een F-16 straaljager is Mach 1,7. Wat betekent Mach 1,7?
A Het vliegtuig vliegt 1,7 keer sneller dan het geluid.
B Het geluid gaat 1,7 keer sneller dan het vliegtuig.
C Het vliegtuig vliegt 1,7 keer sneller dan het licht.
D Het licht gaat 1,7 keer sneller dan het vliegtuig.

24 Als een F-16 straaljager een snelheid heeft van Mach 1, dan gaat het vliegtuig
door de geluidsbarrière. Hoe groot is de snelheid van het vliegtuig in km/h als
het door de geluidsbarrière gaat?
A 343 km/h
B 1235 km/h
C 300 000 km/h
D 1080 miljoen km/h

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 8 Bewegen >> 197


8.2 Test jezelf
1 Welke maximumsnelheid hoort bij de beschreven situatie?
Schrijf de goede oplossing erachter.
30 km/h – 50 km/h – 15 km/h – 120 km/h
scooter in woonerf 30 km/h
motor op de snelweg 120 km/h
fietser in dorp 50 km/h
skater in woonerf 15 km/h

2 Joke fietst in een half uur van school naar huis.


De afstand van school naar huis is 9 km.
De snelheid van Joke is:
A 39 km/h
B 4,5 km/h
C 18 km/h

3 Erben schaatst 500 m in 34 seconden.


Zijn gemiddelde snelheid is:
A 17 km/h
B 17 m/s
C 14,7 km/h
D 14,7 m/s

4 Zet de onderstaande dieren in volgorde van hun maximumsnelheid. Het lang-


zaamste dier komt vooraan.
mens – orka – jachtluipaard – olifant – slechtvalk – konijn
olifant – mens – konijn – orka – jachtluipaard – slechtvalk

5 Gerard rijdt met een snelheid van 30 km/h. Zijn snelheid is


A 30 m/s
B 8,3 m/s
C 0,12 m/s
D 12 m/s

6 Zet de volgende grootheden en afkortingen in de tabel.


tijd – afstand – snelheid – km/h – m – s

grootheid eenheid symbool


afstand meter m
tijd seconde s
snelheid kilometer per uur km/h

198 >> 8 Bewegen Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


8.3 Reactie en remmen
1 Mijn antwoord op de introvraag is:
A Bumperkleven is gevaarlijk, want je kunt niet snel genoeg reageren als er
wat gebeurt.
B Bumperkleven kost teveel brandstof.
C Bumperkleven leidt de aandacht van andere weggebruikers teveel af.

2 Kies bij de volgende uitspraken voor waar of niet waar.


a Als je snel rijdt, dan is je reactietijd groter. waar / niet waar
b Als je snel reageert, dan is je reactieafstand kleiner. waar / niet waar
c De tijd die je nodig hebt om te reageren heet reactietijd. waar / niet waar
d Om de reactieafstand zo klein mogelijk te maken is
op veel plaatsen een maximumsnelheid ingesteld. waar / niet waar
e Als je wilt remmen, dan werken je remmen direct. waar / niet waar

3 Dit verkeersbord staat op een afstand van 100 meter van een school.
a Wat betekent het bord?
Pas op! Spelende kinderen!
b Waarom staat het bord niet dichter bij de school?
dan ben je te laat met remmen

4 Een auto rijdt door een drukke straat. Plotseling steekt een hond de straat over.
De chauffeur schrikt. Na één seconde begint de chauffeur te remmen. Het rem-
men duurt drie seconden. Vier seconden nadat de hond overstak, staat de auto
stil. Hoe groot is de reactietijd van de chauffeur?
A 1 seconde
B 3 seconden
C 4 seconden

5 Kies bij de volgende uitspraken voor waar of niet waar.


a Tijdens de reactietijd blijft de snelheid gelijk. waar / niet waar
b De reactieafstand gebruik je om af te remmen. waar / niet waar
c Een snelle reactie betekent een kleine reactietijd. waar / niet waar

6 In de tekst worden zes oorzaken genoemd die de reactietijd beïnvloeden.


Zoek ze op en schrijf er op elk papiertje één.

leeftijd medicijnen alcohol


afleiding telefoneren
drugs

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 8 Bewegen >> 199


7 Waaraan herken je medicijnen die de rijvaardigheid beïnvloeden?
aan een sticker op de verpakking

8 De politie controleert met een blaastest of iemand te veel alcohol in het bloed
heeft. De onderzochte persoon krijgt geen bekeuring bij
A minder dan 0,5 procent alcohol in het bloed.
B minder dan 0,5 promille alcohol in het bloed.
C meer dan 0,5 promille alcohol in het bloed.

9 Een mens heeft ongeveer 5 liter bloed (1 L = 1000 mL). Robert drinkt drie flesjes
bier. In elk flesje bier zit 15 mL alcohol.
a Hoeveel mL alcohol zit in totaal in de drie flesjes?
3 × 15 = 45 ml alcohol
b Na een tijdje zit 4 mL alcohol in het bloed van Robert. Bereken hoeveel
promille alcohol Robert in zijn bloed heeft. Gebruik de verhoudingstabel.

aantal mL alcohol 4 0,8


aantal mL bloed 5000 1000

c Mag Robert aan het verkeer deelnemen?


A Ja, want Robert heeft minder dan 0,5 promille alcohol in zijn bloed.
B Ja, want Robert heeft meer dan 0,5 promille alcohol in zijn bloed.
C Nee, want Robert heeft meer dan 0,5 promille alcohol in zijn bloed.
D Nee, want Robert heeft minder dan 0,5 promille alcohol in zijn bloed.

10 Wat is remweg?
A De lengte van de remsporen.
B De afstand die je nodig hebt om tot stilstand te komen.
C De afstand die tijdens het remmen wordt afgelegd.
D Een weg waarop je goed kunt remmen.

11 Een woordzoeker.
a Zoek onderstaande woorden op in het lettervierkant en streep de letters
door. De woorden staan horizontaal, verticaal of diagonaal.
banden – bumper – eenheid – glad – leeftijd – reactie – remmen – rijden –
snelheid – sneeuw – sport – stop – tijd

r e m m e n s r
e e w u e e n s
p g e d e n e t
m l n n e m l o
u a w d h e h p
b d ij t f e e l
g r e a c t i e
s p o r t ij d d

b Als je alle woorden gevonden hebt, dan blijven er nog zes letters over. De zes
letters vormen een bekend woord uit het hoofdstuk.
Dat woord is remweg

200 >> 8 Bewegen Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


12 Zet de volgende begrippen in de rechthoek waar het begrip bij past.
ijzel – gladde banden – hoge snelheid – droge weg – regen – vrachtauto – goed
profiel – woonerf – slippende banden – brede banden – maximum snelheid.

korte remweg lange remweg


droge weg ijzel
goed profiel gladde banden
woonerf hoge snelheid
brede banden regen
maximum snelheid vrachtauto
slippende banden

13 In de grafiek zie je hoe lang de remweg van een 90

remweg (m) –>


auto is bij verschillende snelheden.
80
a Lees in de grafiek af hoe lang de remweg van een
auto is als de auto rijdt met een snelheid van
70
30 km/h.
5m 60

b Hoe lang is de remweg bij een snelheid van 50


60 m/h?
40
20 m
30
c Vul het onderstaande schema in.
20
snelheid remweg
30 km/h 5 m 10

60 km/h 20 m 0
0 20 40 60 80 100 120
snelheid (km/h) –>
d Maak de zin af. Als de snelheid 2 × zo groot wordt,
dan wordt de remweg 4 × zo groot.
e Hoe groot is de remweg als de snelheid nog eens verdubbelt tot 120 km/h?

4 × 20 = 80 m.

14 In het leerboek staat een regel over de berekening van de stopafstand.


Schrijf deze regel hieronder op.
stopafstand = reactieafstand + remweg

15 Zet de volgende woorden op de juiste plaats in de balken:

stopafstand – remweg – reactieafstand

reactieafstand remweg
stopafstand

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 8 Bewegen >> 201


16 Zoek de snelheden in de grafiek van bron 4 op en noteer de remweg, de reactie-
afstand en de stopafstand in de tabel.

snelheid reactieafstand remweg stopafstand


(km/h) (m) (m) (m)
30 8 5 13
50 14 14 28
70 19 27 46
100 28 55 83
120 33 79 112

17 Een auto rijdt met een snelheid van 100 km/h. Plotseling ziet de bestuurder
85 m voor zich een koe op de weg staan. De bestuurder schrikt en trapt op de
rem.
a Lees in bron 4 af hoe lang de reactieafstand van de bestuurder is.
28 m
b Hoeveel meter is de auto van de koe af, als de auto begint te remmen?
85 – 28 = 57 m
c Stopt de auto op tijd voor de koe? Licht je antwoord toe, gebruik de
gegevens uit de tabel.
remweg bij 100 km/h ⇒ bron 4: 55 m. 57 – 55 = 2 m vóór de koe stopt de auto.

18 Joop rijdt op zijn fiets met een snelheid van 18 km/h.


a Controleer dat deze snelheid omgerekend 5 m/s is.
18 : 3,6 = 5 m/s, klopt.

b Een snelheid van 5 m/s betekent dat Joop in één seconde 5 meter aflegt. Je
kunt deze snelheid in een verhoudingstabel gebruiken. Een verhoudingstabel
passend bij een snelheid van 5 m/s staat hieronder. Vul de tabel verder in.

afstand (meter) 5 10 25 2,5 :5


tijd (seconde) 1 2 5 0,5

c Hoeveel meter legt Joop af, als hij een reactietijd heeft van 0,5 s? 2,5 m
d Bij een snelheid van 18 km/h heeft Joop een remweg van 6 meter.
Hoe groot is de stopafstand van Joop? 2,5 + 6 = 8,5 m.

ABS

19 Vul de letters aan met de juiste woorden:


A nti B lokkeer S ysteem

202 >> 8 Bewegen Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


20 Een advertentie van een automerk.
a Wat bedoelt de schrijver met ‘grip op de weg’? ABS voor grip op de weg
Elke auto is standaard voorzien van een antiblokkeer-
Hoe goed de auto op de weg ligt. systeem (ABS). Dit zorgt er automatisch voor dat bij
hard remmen de wielen niet blokkeren. Zo houden de
banden grip op de weg en blijft uw auto bestuurbaar.
Extra veiligheid dus voor u en uw medeweggebruikers.

b Waardoor houden de wielen grip op de weg?


de wielen blokkeren niet, maar blijven draaien
c Noem twee redenen waarom ABS extra veilig is voor ‘u en uw medeweg-
gebruikers’.
1 banden houden grip op de weg bij hard remmen
2 auto blijft bestuurbaar

21 In de rechthoeken staan stukjes van woorden. Zet de rechthoekjes in de juiste


volgorde. Er ontstaat een woord dat met remmen te maken heeft.

OKK SYS ANT EM EER IBL TE

MW EG RE

UUR ONB BA EST AR

IP N SL PE

AC RE HT MKR

ANT IBL OKK EER SYS TE EM


1

ANTIBLOKKEERSYSTEEM

RE MW EG
2

REMWEG

ONB EST UUR BA AR


3

ONBESTUURBAAR

SL IP PE N
4

SLIPPEN

RE MKR AC HT
5

REMKRACHT

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 8 Bewegen >> 203


8.3 Test jezelf
1 Kies bij de volgende uitspraken voor waar of niet waar.
a Als je snel rijdt, dan is je reactietijd korter. waar / niet waar
b Als je snel reageert, dan is je reactietijd korter. waar / niet waar
c De afstand die je nodig hebt om te reageren
heet reactieafstand. waar / niet waar
d Om de reactieafstand te beperken is op veel
plaatsen een maximumsnelheid ingesteld. waar / niet waar

2 Welk soort wegdek heeft de langste remweg?


A nat beton
B nat asfalt
C natte klinkers

3 Welk woord moet in het vakje staan voor de goede formule?


reactieafstand + REMWEG = stopafstand

4 Kleur de smiley groen als de woorden de zin goed afmaken en de weepy rood
als de woorden de zin niet goed afmaken. groen
De reactieafstand is afhankelijk van …
a het profiel op de banden ☺ 
b het reactievermogen van de chauffeur ☺ 
c de snelheid van het voertuig ☺  rood
d de remkracht van het voertuig ☺ 
e het merk van de auto ☺ 
f het weer ☺ 

5 Een bumperklever rijdt 3 meter achter zijn voorligger. Beide auto’s rijden met
een snelheid van 30 m/s (108 km/h). Plotseling moet de voorste auto remmen.
Hoeveel tijd heeft de bumperklever om te reageren zodat de auto niet botst?
A 36 seconden
B 10 seconden
C 1 seconde
D 0,1 seconde

6 De remweg van een auto is 12 meter. Als de auto 25 meter voor het stoplicht is,
dan springt een stoplicht op rood. Hoe groot is de maximale reactieafstand van
de chauffeur?
A 37 meter
B 13 meter
C 300 meter
D 2,1 meter

204 >> 8 Bewegen Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


8.4 Veiligheid
1 Mijn antwoord op de introvraag is:
A Ze moet beschermende kleding dragen.
B Ze moet een valhelm op zetten.
C Ze moet niet op de rijweg rijden, maar op het fietspad.

2 In het leerboek worden drie kenmerken genoemd, die tijdens een botsing
veranderen.
Schrijf deze drie kenmerken op.
1 snelheid
2 richting
3 vorm

3 Je zit in een botsauto op de kermis. Je botst frontaal tegen een andere botsauto.
a Beschrijf welke van de drie genoemde kenmerken duidelijk merkbaar zijn.
snelheid

b Waarom zit er een rubberen stootband om de botsauto?


Om de tijdsduur van de botsing te vergroten. Hierdoor zijn de veranderingen minder extreem
(en dus veiliger).

4 Welke van de volgende uitspraken zijn waar, welke niet waar? Omcirkel het
juiste antwoord.
a Luchtkussens rond een ijsbaan zorgen ervoor dat een
botsing langer duurt. waar / niet waar
b Harde voorwerpen kunnen de kracht van een
botsing goed opnemen. waar / niet waar
c Als een botsing langer duurt, is de schade meestal kleiner. waar / niet waar
d Veiligheidsmaatregelen maken de gevolgen van een
botsing kleiner. waar / niet waar
e Je trapt tegen een voetbal. De voetbal verandert
daarbij van vorm. waar / niet waar

5 Een helm beschermt je hoofd bij


een val of bij een botsing.
a Schrijf bij de linker pijl waar de De harde buitenkant
schuimlaag voor dient.
verdeelt de kracht
b Schrijf bij de rechter pijl waar
de harde buitenkant voor dient. Door de schuimlaag van de botsing over
wordt je hoofd min- de hele helm.
der snel afgeremd.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 8 Bewegen >> 205


6 Welke veiligheidsmaatregelen in de gymzaal zorgen ervoor dat de snelheid bij
een botsing langzaam kan veranderen? Maak de rondjes voor de juiste maat-
regelen rood.
● dikke mat ❍ trampoline ❍ gewapend glas
❍ ijzeren kooi om lamp ● net van een doel ● kunststofvloer

7 Links staan maatregelen die bij een botsing de snelheid langzamer laten
veranderen. Rechts staan voertuigen waarbij de maatregelen worden
toegepast. Verbind de juiste maatregel met het voertuig waarbij de maatregel
wordt toegepast.

zacht dashboard bromfiets

rubberen stootband crossfiets

valhelm auto

schuimrubber om stuur botsauto

8 In de tekst worden zes voorzieningen genoemd die een auto veiliger maken bij
een botsing.
Deze veiligheidsvoorzieningen zijn:
1 dashboard is van zacht kunststof
2 airbags
3 veiligheidskooi
4 kreukelzone
5 veiligheidsriem
6 veiligheidsnet groen
rood
9 Hiernaast zie je een tekening van een pop in een auto.
a Kleur in het plaatje alle zichtbare veiligheidsvoorzieningen blauw.
b Kleur de delen van de pop die de meeste schade kunnen oplopen
rood.
c Kleur de delen van de pop die goed beschermd zijn groen.

blauw

rood

10 In een auto neemt de kreukelzone een groot deel van de kracht van groen blauw
de botsing op. Er is ook een deel van de auto dat niet mag indeuken.
a Kleur in de tekening de delen die mogen indeuken groen.
b Kleur de delen die niet mogen indeuken rood.

groen
groen
rood

206 >> 8 Bewegen Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


11 Sommige veiligheidsmaatregelen worden niet altijd nageleefd. Houd jij je wel
aan de afspraken?
Waar of niet waar. Omcirkel het juiste antwoord. Omcirkel hieronder je eigen antwoorden.
a Als ik ga skaten, dan draag ik pols- en kniebeschermers. waar / niet waar
b Op de achterbank van de auto draag ik altijd een gordel. waar / niet waar
c Te hard rijden vind ik niet erg. waar / niet waar
d Als de rem van mijn fiets stuk gaat, fiets ik gewoon verder. waar / niet waar

12 Je woont in een drukke straat. Er gebeurt in jouw straat wel eens een ongeluk.
De bewoners van de straat willen dat de gemeente iets aan de situatie doet. De
gemeente stelt vier maatregelen voor:
– de maximumsnelheid verlagen van 50 km/h naar 30 km/h
– de weg versmallen, waardoor auto’s vanzelf langzamer gaan rijden
– in de straat op enkele plaatsen een verkeersdrempel aanleggen
– een flitspaal plaatsen
Schets op de plattegrond hieronder hoe jij de straat zou inrichten. Maak een
keuze uit de maatregelen.

Eigen antwoord.

13 Het aantal dodelijke verkeersslachtoffers is sinds 1975 met de helft gedaald.


Hieronder staan vier maatregelen die sinds 1975 zijn ingevoerd.
1 maximumsnelheid van 120 km/h op de snelweg
2 het verplicht dragen veiligheidsgordel in de auto
3 duidelijke verkeersborden volgens Europese richtlijnen
4 meer snelheidscontroles, bijvoorbeeld door flitspalen
Zet de maatregelen in volgorde van invloed op de daling van het aantal ver-
keersslachtoffers.

veel invloed 2 4 1 3 weinig invloed

VEILIG SportEN

14 ‘Sporten is gezond.’ Misschien herken je deze uitspraak. Wat vind jij? Is boksen
een gezonde sport? Geef ook de reden waarom je dat vindt.
Eigen antwoord.

15 Bij bokswedstrijden worden veiligheidsmaatregelen genomen om blessures te


voorkomen.
Noem drie veiligheidsmaatregelen voor de boksers bij een bokswedstrijd.
1 veiligheid voor gebit
2 zachte ondergrond/wanden
3 handschoenen aan

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 8 Bewegen >> 207


8.4 Test jezelf
1 Wat gebeurt bij een botsing?
Kleur de hokjes voor de juiste antwoorden groen.
❑ De snelheid van het botsende voorwerp verandert langzaam.
■ De bewegingsrichting van het botsende voorwerp verandert.
❑ De kleur van het botsende voorwerp verandert.
■ De snelheid van het botsende voorwerp verandert in zeer korte tijd.
■ De vorm van het botsende voorwerp verandert.

2 Wat hoort bij elkaar? Verbind de woorden links met wat erbij hoort, rechts.

valhelm snelheid aanpassen

kreukelzone voorkomt tegen het stuur slaan

airbag voorkomt hersenletsel

sneeuw vertraagt de botsing

3 Omcirkel de veiligheidsmiddelen in een personenauto.


scheenbeschermer – oordoppen – airbag – hoofdsteun – valhelm –
veiligheidsriemen – kooiconstructie – verplaatsbare stoel – getint glas – kreukelzone

4 De binnenkant van een valhelm is bekleed met een soort schuim.


Dit is gedaan om
A de botstijd te vergroten.
B de botstijd te verkleinen.
C de kracht over de hele helm te verdelen.

5 De buitenkant van een helm bestaat uit een harde laag.


Dit is gedaan om
A de botstijd te vergroten.
B de botstijd te verkleinen.
C de kracht over de hele helm te verdelen.

6 Bij veel vechtsporten is het dragen van hoofdbescherming verplicht.


Welke functie heeft de hoofdbescherming bij vechtsporten?
A De hoofdbeschermers zorgen ervoor dat een wedstrijd langer duurt.
B De hoofdbescherming kan indeuken, waardoor de kracht van een klap
vermindert.
C Verschillende hoofdbeschermers maakt de sporters herkenbaar.
D De sporters dragen de hoofdbescherming voor de sier.

208 >> 8 Bewegen Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


2 Snelheden vergelijken

Wat ga je onderzoeken?
Je gaat de snelheidsaanduiding van een fietscomputer controleren.

Wat heb je nodig?


• een fietscomputer
• een fiets
• een veilig stukje weg
• meetlint
• stopwatch
• twee pylonen

Wat moet je doen?


a Zet een stuk weg af van 50 m.
b Markeer de afstand met de twee pylonen.
c Plaats een tijdwaarnemer met stopwatch aan het einde van de 50 m.
d Begin ruim voor de eerste pylon te fietsen.
e Als je voorbij de eerste pylon fietst, dan verander je de snelheid niet meer.
f Geef een signaal als je de eerste pylon passeert.
g Op dat moment drukt de tijdwaarnemer de stopwatch in.
h Meet de tijd die je nodig hebt om 50 m te fietsen.
i Tijdens het fietsen lees je de snelheid op de fietscomputer af.
j Bereken je snelheid uit de tijd en de 50 m afgelegde weg.
k Herhaal de proef 4 ×. Noteer je metingen in de tabel.

Wat is je resultaat?

proef afstand tijd snelheid snelheid op de fietscomputer


(m) (s) (m/s) (km/h)
1 50
2 50
3 50
4 50

Wat is je conclusie?
De door de computer aangegeven snelheid klopt wel / niet met de gemeten
snelheid.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 8 Bewegen >> 209


DE LUCHT IN
1 Omcirkel: juist of onjuist.
Gebruik bron 2 uit je leerboek en de figuur op deze bladzijde.
a De oppervlakte van de vleugels van de Boeing 747
is groter dan 845 m2. juist / onjuist
b Het vrachtvliegtuig van de Airbus A380 kan meer kg
vervoeren dan een Boeing 747. juist / onjuist
c In het vrachtvliegtuig kunnen meer personen worden
vervoerd dan in een Boeing 747. juist / onjuist
d Op het bovenste dek van de Airbus A380 passen 20 bedden
achter elkaar. juist / onjuist
e De maximumsnelheid (max.) van de Airbus A380 is groter
dan de snelheid van geluid. juist / onjuist

Boeing 747 Airbus A380


Seating: 416 Seating: 555
(max 840)
Internal cabin
width: 6,1m Internal cabin
width: 6,58m 79,8m
64,4m

voetbalveld

70,7m 73m
19,4m 24,1m

London bus to scale


flat
lokaal
stewardess
2 a Maak met een scherp potlood en een liniaal ruitjes in de tekening hierboven.
Zorg ervoor dat ieder hokje op schaal een afmeting heeft van 10 × 10 m.
Begin bij de tekening van de airbus rechtsboven. De afstand tussen de vleugeltips
is ongeveer 79,8 m. Dat mag je afronden naar 80 m.
Verdeel die afstand dan in precies 8 gelijke stukjes. Zo is ieder stukje 10 m.
b In de tekening zie je een Londense dubbeldekkerbus op schaal getekend.
Teken zelf zo goed mogelijk op schaal in de tekening:
– het bovenaanzicht van jouw klaslokaal
– een voetbalveld
– een flatgebouw van acht verdiepingen (neem voor iedere verdieping een
hoogte van 3 m)
– een stewardess

3 Bedenk waarom bij een testvlucht van een nieuw vliegtuig geen passagiers
mee mogen.
te groot risico, eerst moet alles uitgeprobeerd worden

210 >> 8 Bewegen Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


4 De meeste verkeersvliegtuigen vliegen op een hoogte van 10 km.
De lucht is daar veel ijler (dunner) dan op zeeniveau.
Wat is de reden dat de vliegtuigen zo hoog vliegen?
A Op die hoogte hoeft het vliegtuig niet verwarmd te worden.
B De luchtweerstand is daar laag. Dat kost minder brandstof.
C Op die hoogte werken de motoren beter.
D Op die hoogte vliegen geen vogels, luchtballonnen en straaljagers.

5 Waarom kunnen verkeersvliegtuigen niet nóg veel hoger dan 10 km vliegen?


A Dan is er niet genoeg liftkracht voor het vliegtuig.
B Boven 10 km is geen lucht meer.
C Dan vliegt het vliegtuig in de wolken.
D Dan is de afstand tussen start en landing te groot waardoor de vlucht langer
duurt.

6 In de constructie van de Airbus A380 zijn nieuwe materialen gebruikt.


a Welk materiaal is gebruikt voor het grootste gedeelte van de romp?
glare
b Schrijf twee voordelen van dat materiaal op.
glare is sterk en licht

c Welk materiaal is gebruikt voor de profielen en de ribben van het vliegtuig?


thermoplast
d Waarom is dit materiaal niet voor alle onderdelen van het vliegtuig
gebruikt?
thermoplasten kunnen niet tegen kerosine en olie.

7 Op welke manieren kun je de liftkracht op het vliegtuig groter maken?


Kleur de vakjes voor de juiste antwoorden groen.
■ door de oppervlakte van de vleugels te vergroten
❑ door de vleugels aan de bovenkant zo plat mogelijk te maken
❑ door de romp van het vliegtuig langer en dunner te maken
❑ door sterkere motoren te gebruiken
■ door de snelheid van het vliegtuig groter te maken
❑ door zwaardere materialen te gebruiken

8 Tijdens de landing van een vliegtuig klappen er kleppen in de vleugel open.


Waarvoor is dat nodig?
deze kleppen maken het oppervlak van de vleugel groter, op deze manier behoudt het vliegtuig
voldoende liftkracht bij lage snelheid.

9 Sommige vliegtuigen zijn supersonisch. Ze vliegen sneller dan de snelheid van


het geluid.
Bereken de snelheden in het schema hieronder.
Kijk ook in EXTRA van paragraaf 2.

snelheid in km/h m/s mach


geluid 1224 340 1
SR-71 straaljager 4651 1292 3,8
Airbus A380 1077 299 0,88
Concorde 2448 680 2
gewoon verkeersvliegtuig 900 250 0,74

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 8 Bewegen >> 211


10 In de tekening zie je vier typen vliegtuigen. A B
Ze vliegen alle vier vanaf Londen naar dezelfde
luchthaven 1200 km verder. kruissnelheid 180 km/h
max. vliegtijd: 5 uur
De vliegtuigen vertrekken alle vier precies om
kruissnelheid 420 km/h
18.00. max. vliegtijd: 8 uur
Bereken hoe laat de vliegtuigen daar aankomen.
totale snelheid
gemiddelde snelheid = totale tijd C
A 420 = 1200? ⇒ ? = 2,86 uur dus A kruissnelheid 900 km/h
arriveert om 20:51. max. vliegtijd: 10 uur
1200 D
B 180 = ? ⇒ ? = 6,67 uur dus B
komt niet aan; kan zo lang niet vliegen kruissnelheid 1400 km/h
1200 max. vliegtijd: 6 uur
C 900 = ? ⇒ ? = 1,33 uur dus C
arriveert om 19:20.
1200
D 1400 = ? ⇒ ? = 0,86 uur dus D
arriveert om 18:51.

11 Maak de kruiswoordpuzzel.
1z 2a l u m i n i u m 3
k l m
w 4 i e
s
a 5t u r b u l e n 6t i e 7 r
c
a e h o o
8n e w t o n 9
s u p e r s o n i s c 10
h
a r c i o
11 Van links naar rechts
g l a r e m o n o
2 De meeste vliegtuigen
d 12 e g
h e l i k o p t e r zijn gemaakt van
13 p d t het metaal …
o n w e e r
14
3 Nederlandse luchtvaart-
s s t r a a l j a g e r e
maatschappij
15 s c a 16 5 Hevige bewegingen
m l
h 17 van lucht
a c o n s t r u c t i e
8 Eenheid van kracht
18 t
c o c k p i t f 9 Sneller dan het geluid
h p 19 11 Laagjes aluminium versterkt
t o n
20 21 met glasvezel
w r i g h t l u c h t d r u k
12 Vliegt met een rotor
o r 13 Weer met bliksem
22 23 en donder
l a n d i n g d a l a s
14 Zeer snel militair vliegtuig
c
17 Samengesteld uit verschil-
h lende onderdelen
24 18 In de … zitten veel meet-
s i m u l a t o r
instrumenten.
19 1000 kg
Van boven naar beneden 20 Broers die de eerste vlucht
1 Vogel in reclame voor luchtvaartmaatschappij maakten met een vliegtuig
2 Engels voor lucht met een motor erin.
3 Brandstof voor vliegtuigen 21 Hoog in de lucht is de … lager.
4 Beroep in de luchtvaart 22 Tijdens de … gaan kleppen van
6 Kunststof die zacht wordt bij verwarmen de vleugels open.
7 Passagiersvliegtuig dat sneller vliegt dan het geluid 23 In deze stad komt waar-
10 De meeste verkeersvliegtuigen vliegen op ongeveer 10 km … schijnlijk de grootste
14 Luchthaven van Amsterdam. luchthaven.
15 De snelheid van geluid is 1 … 24 Toestel dat een vlucht
16 Kracht die een vliegtuig omhoog brengt nabootst, heet een flight …

212 >> 8 Bewegen Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


9 stoffen

9.1 Stoffen en materialen


1 Mijn antwoord op de introvraag is:
A metaal
B kunststof
C metaal en kunststof

2 Omcirkel de namen van stoffen.


cola – weer – karton – geluk – plastic – liefde – cijfers – water – nagels – klimaat – elektriciteit – beton

3 Hieronder staan voorwerpen en stoffen.


Trek een lijn van het voorwerp naar de stof waar het voorwerp van gemaakt
kan worden.

theekopje glas

baksteen metaal

spijker hout

cd-doosje keramiek

pollepel kunststof

4 Noem een verschil en een overeenkomst tussen:


a suiker en zout.
Verschil: smaak
Overeenkomst: zelfde fase: vast / geur / kleur /…
b drinkwater en cola.
Verschil: smaak, kleur
Overeenkomst: zelfde fase: vloeibaar / brandbaarheid /…
c koper en kwik.
Verschil: fase, kleur
Overeenkomst: zelfde fase: brandbaarheid / doorzichtigheid /…

5 Omcirkel de stofeigenschappen.
geur – kleur – hoeveelheid – massa – dikte – brandbaarheid – smaak – vorm – fase

6 Leg uit waarom massa geen stofeigenschap is.


Een stof kun je niet herkennen aan de massa.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 9 Stoffen >> 213


7 Drie omschrijvingen van een stof.

– is vast – is vloeibaar – is een gas


– lost op in water – is wit – heeft geen kleur
– smelt bij verwarmen – is niet doorzichtig – wordt gebruikt bij een
– is eetbaar – wordt zuur als het bederft verbranding
– is wit – verandert van smaak bij – heeft geen geur
– heeft geen geur verwarmen – is nodig om te leven
– smaakt zoet – is niet giftig

a suiker b melk c zuurstof


Zet onder elke omschrijving om welke stof het volgens jou gaat.

8 Water komt voor in drie verschillende fasen.


a Schrijf de fase van het water achter elk weersverschijnsel.
Noteer vast, vloeibaar of gasvormig.
regen vloeibaar
hagel vast
mist vloeibaar
waterdamp gasvormig
sneeuw vast
b Waarom is het belangrijk dat je de temperatuur weet als je het hebt over
stofeigenschappen?
de temperatuur bepaalt de fase van de stof

9 Hieronder staan voordelen en nadelen van glas.


Kleur het rondje van een voordeel groen. Als het een nadeel van glas is, kleur
het rondje dan rood.

doorzichtig verkrijgbaar in elke vorm breekbaar

geleidt geen warmte of elektriciteit bestand kan tegen hoge temperaturen

zwaar bestand tegen bijtende stoffen

groen
rood

214 >> 9 Stoffen Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


10 Je wilt een nieuwe beker ontwerpen.
a Welk materiaal kies je?
Eigen antwoord.
b Noteer welke voordelen jouw materiaal heeft.
Eigen antwoord.

11 Van welke eigenschappen van een metaal maak je gebruik bij de volgende
voorwerpen?

eigenschap van metaal koperdraad in een cola blikje fiets verwarming


elektriciteitskabel
geleidt elektriciteit ✗ ✗
makkelijk te vervormen ✗ ✗
glimt als het is gepoetst ✗
smelt bij hoge temperaturen ✗
geleidt warmte ✗
gaat niet snel stuk ✗

12 Teken in de vakken de gevarensymbolen voor brandbaar en voor irriterend

oranje

zwart

Brandbaar Irriterend

13 Wanneer zijn stoffen gevaarlijk?


Als deze bijv. licht ontvlambaar of giftig zijn. Stoffen zijn pas echt gevaarlijk als je er niet goed
mee omgaat.

14 Welke fouten maakt de leerling?


– drinkt tijdens practicum
– eet tijdens practicum
– beschermbril verkeerd op
– lang haar los
– vlam te hoog
– boterham op tafel

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 9 Stoffen >> 215


15 a Geef in de kolommen met een kruisje aan waar jij de genoemde stoffen zou
opbergen.
b Als je vindt dat de stof veilig moet worden opgeborgen, welke plek kies je
dan? Schrijf die plek in de laatste kolom.

keukenkast koelkast veilige plaats


pak zout ✗
fles melk ✗
fles afwasmiddel ✗
pot mayonaise ✗
fles spiritus ✗
schoonmaakazijn ✗
fles bleekwater ✗
blikje cola ✗
pak suikerklontjes ✗
gootsteenontstopper ✗

16 Bedenk een gevarensymbool dat waarschuwt voor:


geen muziek – niet sms-en – niet rennen – papier bij het oud papier
Teken de gevarensymbolen.

Eigen antwoord. Eigen antwoord.

Geen muziek Niet sms-en

Eigen antwoord. Eigen antwoord.

Niet rennen Papier bij het oud papier

216 >> 9 Stoffen Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


De kleur van vuurwerk
17 De volgende stoffen geven een kleur aan vuurwerk als de stof verbrandt. Geef
elk hokje de juiste kleur.

koper magnesium ijzer zwavel

strontium barium aluminium

blauw geeloranje
wit groen
diep rood

18 Bedenk, waarom je een langzaam brandende lont gebruikt bij een vuurpijl.
Voor de veiligheid, als je de lont aansteekt heb je nog voldoende tijd om op een veilige plek te gaan
staan.

19 Je gaat een Romeinse kaars maken. Jouw Romeinse kaars moet zeven gekleurde
bollen wegschieten. Je mag niet twee keer dezelfde stof achter elkaar gebrui-
ken. Geef in het figuur aan welke stoffen jij achter elkaar in de Romeinse kaars
zou willen doen. De lijn tussen de kleuren in is een langzaam brandend kruit.

Eigen antwoord.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 9 Stoffen >> 217


9.1 Test jezelf
1 Maak de volgende zinnen af.
Alles is gemaakt van stoffen
Een ander woord voor stof is materiaal

2 Kleur de stofeigenschappen groen

geur vloeibaar smaak massa

lengte brandbaarheid dikte oplosbaarheid

3 Trek een lijn van het materiaal naar de voorwerpen die van het materiaal
kunnen worden gemaakt.

lego glas

boekenplank metaal

frisdrankglas hout

dakpan keramiek

fiets kunststof

4 Met welke beschermmiddelen beschermt een laborant zich tegen gevaarlijke


stoffen? Omcirkel zijn beschermingsmiddelen.
brandblusser bril jas open raam rubberen zolen

5 Schrijf naast elk gevarensymbool wat het symbool betekent.

gevaren- betekenis gevaren- betekenis


symbool symbool

1 giftig 4 chemisch afval

2 corrosief of bijtend 5 licht ontvlambaar

3 irriterend

218 >> 9 Stoffen Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


9.2 Mengsels
1 Mijn antwoord op de introvraag is:
A dan ruikt de afwas lekker
B om water en vet te mengen
C omdat afwasmiddel beter voor je handen is

2 Welke soort stof kan water en olie mengen?


emulgator

3 In de figuur is geprobeerd om water en olie te mengen. In welk buisje


is dat gelukt: in de linkerbuis of in de rechterbuis?
Omcirkel de buis waarin de olie gemengd is met water.

4 Noem drie mengsels waarin een emulgator zit.


1 huidcrèmes
2 pindakaas
3 mayonaise

5 Vul de kruiswoordpuzzel in.

4k

l
e
1v u
2e m u 3l g a t o r
t i s
p t
1 houdt de lippen soepel
p o 2 mengt water en vet
e f 3 daar doe je lippenstift op
n 4 geeft de lippenstift een
mooie kleur

6 Waarom moet je de werking van een stof weten, voordat je de stof gebruikt?
Je moet eerst zeker weten of de stof niet irriteert, schadelijk is, enz.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 9 Stoffen >> 219


7 Het artikel gaat over niet-natuurlijke lippenstift.

Is uw lippenstift giftig?

Een vrouw slikt gemiddeld in haar leven 2 tot 4 kilo-


gram lippenstift of lipgloss in. De in deze producten
aanwezige synthetische kleurstoffen, aluminium en teer
worden door het lichaam opgenomen en in de organen
of in het vetweefsel opgeslagen. Teer kan symptomen
als misselijkheid, hoofdpijn, huidproblemen, vermoeid-
heid, stemmingswisselingen of andere allergische
reacties veroorzaken. Kleurstoffen op basis van teer
hebben kanker veroorzaakt bij laboratoriumdieren.
Bepaalde kunstmatige kleurstoffen en toegevoegde
geurstoffen in lippenstift kunnen de lippen uitdrogen
en gesprongen lippen als gevolg hebben. De huid van
de lippen is erg dun en gevoelig en zo'n overgevoelig-
heidsreactie is niet zeldzaam. Een ander veelgebruikt
ingrediënt van lippenstift is BHA. Dit is een conserve-
ringsmiddel dat kankerverwekkend is bevonden.

Geef je mening over het artikel in maximaal 50 woorden.


Eigen antwoord.

8 Noem drie verschillende soorten shampoos (geen merken).


1 geurshampoo
2 elke dag shampoo
3 anti-roos shampoo

9 In de tabel staan stoffen die in shampoo zitten. Schrijf achter elke stof de
werking van de stof.

stof functie
keukenzout verdikkingsmiddel
conserveringsmiddel voorkomt bederf
kleurstof shampoo lijkt mooier
geurstof ruikt lekker
zeep mengt vet en water

220 >> 9 Stoffen Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


10 Een etiket op een fles shampoo. Schrijf van de grondstoffen de Nederlandse
naam op.

grondstof Nederlandse naam


aqua water
sodium pareth sulfate zeep
sodium chloride keukenzout
parfum geurstof
Cl 15985 kleurstof

Waarom moet je
schoonmaakmiddelen niet mengen?
11 Waaraan merk je dat chloorgas vrijkomt als je schoonmaakmiddelen mengt?
Omcirkel de juiste antwoorden.
A Je ogen beginnen te tranen.
B Je krijgt uitslag op je handen.
C Het begint lekker te ruiken.
D Je ademt moeilijker.

12 Waarom kun je beter de deur open laten als je de wc schoonmaakt met


bleekchloor of toiletreiniger?
Ventilatie i.v.m. onstane giftig chloorgas.

13 Omcirkel de gevarensymbolen die op een fles bleekchloor moeten staan.

1 2 3 4 5

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 9 Stoffen >> 221


9.2 Test jezelf
1 Hoe heet een stof die nodig is om water en olie te mengen?
A conserveringsmiddel
B conditioner
C emulgator
D voedingsmiddel

2 Omcirkel de stoffen die in lippenstift voorkomen.

vet kleurstof conserveringsmiddel smaakstof emulgator verdikkingsmiddel geurstof

3 Omcirkel de stoffen die in shampoo zitten.

vet kleurstof conserveringsmiddel smaakstof emulgator verdikkingsmiddel geurstof

4 In welke tekening is een emulgator gebruikt? Omcirkel A of B.


A B

5 Maak de volgende kruiswoordpuzzel.

1 1 deze stof gebruik je bij het afwassen


z 2 verdikkingsmiddel in shampoo
2
k e u k e n z 3o u t 3 mengt niet met water
4k l 4 rood, groen, blauw
e
5l 7s t 5 smeer je op je lippen
i p p 6e n i f t
6 mengt water en olie
e m m e 7 zorgt voor een lekker smaakje
u a 8 Latijnse naam voor water
u
8 9 mengt niet met water
r l a q u a 10 hoe iets ruikt
g k
a s
9v e t
t
o o
10
g e u r f

222 >> 9 Stoffen Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


9.3 Stoffen in voedsel
1 Mijn antwoord op de introvraag is:
A Het geeft een kik om iets engs te eten.
B In insecten zitten veel eiwitten.
C Insecten heb je overal. Je hebt dan nooit honger.

2 Waarom gebruik je zout en kruiden als je vlees bakt?


Je gebruikt zout en kruiden om vlees meer smaak te geven.

3 Leg uit hoe je kaas pekelt.


Het pekelen van kaas gebeurt in een grote bak water waarin veel zout is opgelost. Ook op de boven-
kant van de kaas wordt zout gestrooid.

4 Trek een lijn van de omschrijving naar de juiste stof.


het product ziet er goed uit geurstof

het product bederft nu niet zo snel kleurstof

olie en water blijven goed gemengd smaakstof

ruik jij zo lekker? emulgator

mmmm lekker conserveringsmiddel

5 Welke twee functies heeft zout in voedsel?


1. smaakstof
2. conserveringsmiddel

6 Wat wordt met concentratie bedoeld?


de concentratie is de hoeveelheid opgeloste stof per liter water

7 Een stof is giftig als


A de concentratie laag is.
B de concentratie hoog is.

8 Wat staat in het drinkwaterbesluit?


in het drinkwaterbesluit staan de concentraties die stoffen in drinkwater maximaal mogen hebben

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 9 Stoffen >> 223


9 In bron 2 staan maximale concentraties van stoffen die in drinkwater kunnen
voorkomen. In drinkwater zit normaal een zeer lage concentratie lood, meestal
minder dan 1 microgram (0,001 mg) per liter.
Leg uit of lood gevaarlijk is als je water drinkt.
Er mag maximaal 0,010 mg lood per liter water aanwezig zijn. 0,001 mg ligt onder deze norm.
Je kunt het water dus gewoon drinken.

10 Hieronder zie je enkele watermonsters. Kleur de watermonsters rood die niet


voldoen aan de normen van het drinkwaterbesluit.

100 mL 100 mL 100 mL 100 mL


Monster 1 Monster 2 Monster 3 Monster 4
120 mg natrium 12 mg natrium 6 mg natrium 120 mg natrium
5 mg nitraat 4 mg nitraat 15 mg nitraat 50 mg nitraat
50 mg sulfaat 100 mg sulfaat 150 mg sulfaat 1000 mg sulfaat

11 Wat is dosis?
de dosis is de hoeveelheid van een stof, die je binnen krijgt.

12 In amandelen zit het zeer giftige cyanide. Toch worden amandelen niet verbo-
den voor consumptie.
Wat kun je hieruit afleiden?
in amandelen zit zo weinig cyanide dat het niet schadelijk is voor de mens

13 In bron 4 staat de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid van vitaminen die je nodig hebt.
a Hoeveel vitamine C moet je dagelijks hebben? 60 mg
b Hoeveel vitamine B3 moet je dagelijks hebben? 15 tot 18 mg
Teveel vitamines zijn slecht voor je gezondheid.
Welke vitamine is het meest gevaarlijk? D
c Leg je antwoord uit.
De maximale dosis is slechts twee keer groter dan de aanbevolen dosis.

14 In de tabel staat hoeveel milligram vitamine


soort voedsel gehalte aan
C in een aantal soorten voedsel voorkomt.
vitamine C
Een warme maaltijd is samengesteld uit
(mg)
3 gekookte aardappelen, 2 eetlepels groente
en als toetje een glas verse sinaasappelsap. 1 sinaasappel (120 gram) 60
a Hoeveel mg vitamine C krijg je dan
1 glas sinaasappelsap (100 mL) 25
binnen?
A 60 mg 1 glas sinaasappelsap met vruchtvlees (100 mL) 36
B 71 mg
1 grote lepel gekookte groente (50 gram) 10
C 95 mg
1 gekookte aardappel (50 gram) 5
b Dit is meer / minder dan de aanbevolen
dagelijkse hoeveelheid. Omcirkel wat juist is.

224 >> 9 Stoffen Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


c Hoeveel sinaasappels mag je maximaal eten per dag?
A 8
B 17
C dat maakt niet uit, een sinaasappel is altijd gezond

E-nummers

15 Vul de hokjes voor de goede beweringen.


■ Hulpstoffen in voedsel worden additieven genoemd.
❑ Additieven herken je aan de A-nummers.
■ Additieven worden toegevoegd om de eigenschappen van voedsel te
verbeteren.
❑ E-nummers bestaan uit vier cijfers.
■ Sommige mensen zijn allergisch voor additieven.
■ Vegetariërs mogen niet alle additieven eten.

16 Tot welke groep behoren de volgende E-nummers?


Trek een lijn naar de juiste groep.

E-141 kleurstof E-967

E-961 E-252

E-241 conserveringsmiddel E-232

E-420 E-123

E-175 smaakstof E-951

17 Sinds december 2005 moet op voedingsmiddelen vermeld staan of er stoffen in


zitten die een allergische reactie kunnen veroorzaken.
Waarom is deze aanduiding belangrijk?
deze aanduiding is belangrijk voor mensen met een allergie

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 9 Stoffen >> 225


9.3 Test jezelf
1 Welke bewering is waar? Kleur de smiley groen als de bewering waar is. Als de
bewering niet waar is, dan kleur je de weepy rood.
a Zout kun je gebruiken als smaakstof. groen ☺ 
b Door een conserveringsmiddel bederft voedsel sneller. ☺ 
c Een dosis is de hoeveelheid van een stof die in water mag zitten. ☺  rood
d Vitaminen zijn goed voor je gezondheid. ☺ 
e De concentratie geeft aan hoeveel van een stof in één liter
water zit. ☺ 
f Een stof is gevaarlijk als de concentratie groot is. ☺ 

2 In spinazie zit een grote hoeveelheid van de stof nitraat. Nitraat op zich is niet
zo schadelijk, maar het lichaam zet deze stof om in nitriet. Een teveel aan
nitriet kan wel schadelijk zijn. Wat kun je zeggen over de dosis voor nitraat in
ons lichaam?
Wat weet je van de concentratie nitriet in ons lichaam?
De dosis nitraat is: De concentratie nitriet is:
A klein laag
B klein hoog
C groot laag
D groot hoog

3 Vul de volgende woorden in: dodelijk, dosis (2×), genezend, giftige, hoeveelheid
Een huisarts kan een giftige stof gebruiken als medicijn.
Hij moet hierbij rekening houden met de hoeveelheid stof die de
patiënt binnen krijgt, de dosis . Als de dosis te
hoog is, dan is het medicijn niet meer genezend , maar
dodelijk .

4 Waarom is het verstandig om de drinkwaterkraan eerst een poosje te laten


stromen als je terug komt van vakantie?
A Dan is het water lekker koel.
B De concentratie metaaldeeltjes in het kraanwater wordt dan hoger.
C De concentratie metaaldeeltjes in het kraanwater wordt dan lager.
D Dan weet je of er verstoppingen in de waterleiding zitten.

5 Verbind met een lijntje wat bij elkaar hoort.

concentratie Wat krijg je binnen?

dosis Wat is in het eten gedaan?

additieven Hoeveel zit er in?

226 >> 9 Stoffen Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


9.4 Afval
1 Mijn antwoord op de introvraag is:
A 100 kg
B 300 kg
C 1000 kg

2 Zet de soorten afval in de puzzel. k m


gft – glas – kca – metalen – papier – plastic – rest c e
P L A S T I C
g l a s a
f p l
t i e
e n
r e s t

3 Hieronder zijn afvalproducten genoemd.


Zet elk afvalproduct in de tabel bij de juiste groep. Gebruik eventueel Basis
Binas.

blik soep – snoeihout – cd-doosje – kapot bord – batterij – pot appelmoes –


folders – verpakking van mp3-speler – wijnfles – appelschillen – schrift –
oude fietsketting – baksteen – spuitbus

gft glas kca metalen papier plastic rest


wijnfles blik soep cd-doosje
snoeihout batterij folders baksteen
pot appel- oude fiets-
moes ketting
appel- spuitbus verpakking kapot bord
schillen mp3-
speler
schrift
schrift

4 In Nederland wonen 16 miljoen mensen. Per jaar produceren we 4,7 miljoen ton
afval (1 ton = 1000 kg).
a Hoeveel kg afval gooit een Nederlander gemiddeld per jaar weg?
Uitrekenen!
A 0,29 kg
B 3,4 kg
C 290 kg
D 340 kg
b Deze hoeveelheid zal in werkelijkheid groter / kleiner zijn want, een deel wordt hergebruikt of
gerecycled.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 9 Stoffen >> 227


5 Kleur de smiley groen als je het afval thuis scheidt. Als de afvalscheiding niet
thuis gebeurt, dan kleur je de weepy rood.
papier ☺  kca ☺ 
gft-afval ☺  plastic ☺  rood
glas ☺  metalen ☺ 
groen groen
6 Wat is het verschil tussen hergebruik en recyclen?
hergebruik: voorwerp wordt opnieuw gebruikt.
recyclen: voorwerp wordt grondstof voor nieuw product.

7 Verroest ijzer wordt gemengd met ruw ijzer in een hoogoven. Dit mengsel
wordt gesmolten. Hierdoor krijg je staal.
Dit is een vorm van hergebruik / recycling. Omcirkel het goede antwoord.

8 Hergebruik of recycling? Zet een kruisje in de juiste kolom.

hergebruik recycling
inzamelen van lege flessen frisdrank ✗
compost maken van de warme maaltijd ✗
oud papier inzamelen ✗
flessen gooien in de glasbak ✗
tweedehandskleding ✗
9 Waarom wordt glas apart ingezameld in groen, kleurloos en bruin glas?
Bij recycling zal het nieuwe product ook deze kleur kunnen krijgen.

10 Welke twee redenen worden genoemd om te gaan hergebruiken en recyclen?


1 door hergebruik van stoffen krijg je minder afval
2 door recycling heb je minder grondstoffen nodig.

11 In een hoogoven wordt een mengsel van verroest ijzer en ruw ijzer gesmolten.
Hierdoor krijg je staal. Welke reden is voor de hoogoven de belangrijkste om te
gaan recyclen?
A Het kost minder energie om het mengsel te smelten.
B Van de grondstof ijzererts heb je minder nodig.
C Verroest ijzer kost bijna niets.

228 >> 9 Stoffen Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


12 Wat is restafval?
Restafval is afval dat niet kan worden hergebruikt.

13 Welk afval hoort waar? Zet je woorden in het juiste figuur.


reclame folders – plastic – flesje nagellak – oude krant – klokhuis – verfblik –
lege chipszak – kartonnen doos – aardappelschillen – batterijen – spuitbus
haarlak – piepschuim – activiteitenboek pulsar – gras
reclamefolders
ER
oude krant
PI
PA kartonnen doos
GROENE activiteitenboek pulsar
CONTAINER

GRIJZE
CONTAINER
flesje nagellak
klokhuis verfblik
aardappelschillen KCA
batterijen
gras spuitbus
plastic
lege chipszak haarlak
piepschuim

Computers: recycling en
hergebruik
14 Wat gebeurt tegenwoordig veel met gebruikte computers?
A Deze worden verkocht aan andere mensen.
B Van meerdere computers wordt één goed werkende computer gemaakt.
C Deze gaan allemaal naar de vuilnisbelt.

15 Geef in de tabel aan welke computeronderdelen allemaal kunnen worden


gerecycled.
Geef ook aan waar het gerecyclede materiaal voor gebruikt kan worden.
Je kunt zoeken op het internet.

computeronderdeel hergebruikt voor / gerecycled en dan gebruikt voor


Eigen antwoord.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 9 Stoffen >> 229


9.4 Test jezelf
1 Wat gebeurt met de verschillende soorten afval?
Verbind de juiste blokken met elkaar.

appelschillen inzamelen

plastic groene container

glas grijze container

2 Kleur de smiley groen als je de bewering goed is. Als de bewering fout is, dan
kleur je de weepy rood.
a Het inleveren van lege flessen is recycling. ☺ 
rood
b Afval uit de grijze container wordt gescheiden in metalen
en restafval. ☺ 
c Hergebruik is lastig, omdat afval goed moet worden gescheiden. ☺ 
d Bij hergebruik en recycling bespaar je op de grondstof. ☺ 
groen
3 Hergebruik en recycling zijn goed voor
A de portemonnee.
B het milieu.
C zowel het milieu als voor de portemonnee.

4 Wat gebeurt met de warmte die vrijkomt bij de verbranding van afval?
A Niets. De warmte verdwijnt in de lucht.
B De warmte wordt gebruikt voor het opwekken van elektriciteit.
C De warmte wordt gebruikt om het water in de kanalen te verwarmen.

5 Is sprake van recycling of van hergebruik? Omcirkel wat juist is.


a Je kunt het afval nog een keer gebruiken
voor hetzelfde product. recyclen / hergebruik
b je gebruikt het afval als grondstof voor een
nieuw product. recyclen / hergebruik

230 >> 9 Stoffen Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv


KLEURSTOFFEN
1 Test wat je al van kleurstoffen weet. Kijk nog niet in je boek!
Omcirkel: juist of onjuist.
a Kleurstoffen zijn altijd natuurlijk. juist / onjuist
b In jouw huid zitten cellen die zwarte kleurstof maken. juist / onjuist
c Henna wordt gemaakt van rode bieten. juist / onjuist
d De blauwe kleurstof van jouw spijkerbroek wordt uit
blauwwier gemaakt. juist / onjuist
e Een tatoeage verdwijnt na enkele jaren vanzelf weer. juist / onjuist
f Schilders maalden vroeger zelf stenen om verf te maken. juist / onjuist
g In sommige lipsticks zitten gemalen luizen. juist / onjuist
h Je kunt textiel alleen kleuren met synthetische kleurstoffen. juist / onjuist
i Door een reactie met zuurstof kan kleur veranderen. juist / onjuist

2 Controleer je antwoorden van opdracht 1 met behulp van de tekst en foto’s uit
je leerboek.
Hoeveel antwoorden had je goed? Ik heb Eigen antwoord. antwoorden goed.

3 De blauwe kleurstof in jouw spijkerbroek is indigo.


Welke uitspraak is of welke uitspraken zijn waar over indigo?
I Indigo wordt gewonnen uit planten.
II Indigo wordt in een fabriek gemaakt.
III Onze huidcellen produceren indigo.

A alleen I is juist
B alleen II is juist
C alleen III is juist
D I en II zijn juist en III is onjuist
E I, II en III zijn juist

4 Als je indigo uit een plant haalt, dan krijg je eerst een gele vloeistof.
Waardoor wordt de kleur na een tijdje toch blauw?
de gele vloeistof wordt blauw na reactie met zuurstof.

5 Noem twee verschillen tussen een tatoeage en een huidversiering als in bron 1.
1 een tatoeage zit in de huid; verdwijnt niet
2 huidversiering zit op de huid; verdwijnt weer

6 Wat gebeurt er als je bruin wordt door de zon?


A Dan maakt je huid meer melanine.
B Dan gaat er minder bloed naar de huid, waardoor de huid er donkerder uitziet.
C Dan verdwijnen witte pigmenten uit je huid.
D Dan wordt je huid dunner. Dus je ziet beter de donkere spieren onder de huid.

Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv 9 Stoffen >> 231


7 Kleurenspeurtocht
Je kent de kleuren rood, geel, blauw en nog veel meer kleuren.
Hieronder zie je een palet met namen van kleuren. Hoe de kleuren samen-
gesteld zijn, kun je vinden in je leerboek, op verftubes, op de verpakking van
kleurshampoo of op internet.
Kleur de verfplekken op het palet in de juiste kleur. Soms moet je daarvoor ook
kleuren mengen.

Eigen antwoord.

cyaan
ultramarijn

magenta oker

mahonie
indigo

karmijn
henna

titaan
turkoois
koper

8 Op een internetsite over natuurlijke cosmetica staat dat synthetische kleur-


stoffen altijd schadelijk zijn voor je gezondheid. Synthetische stoffen zijn niet
natuurlijk.
Deze bewering is niet juist.
Welke beweringen over synthetische kleurstoffen zijn juist?
Kleur de vakjes voor de juiste zinnen groen.
❑ Synthetische kleurstoffen zijn van kunststof.
❑ Synthetische kleurstoffen zijn van dierlijke oorsprong.
■ Sommige synthetische kleurstoffen kunnen een allergische reactie
veroorzaken.
❑ Synthetische kleurstoffen zijn soms gemaakt van natuurlijke kleurstoffen.
❑ Synthetische kleurstoffen zijn ongeschikt voor textiel, want de kleurstoffen
veranderen tijdens het wassen van de textiel.
■ Synthetische kleurstoffen worden gemaakt in een fabriek.
■ Er zijn veel meer synthetische kleurstoffen dan natuurlijke kleurstoffen.

9 Je mag alleen goedgekeurde kleurstoffen gebruiken.


a Waarom mogen in textiel veel meer kleurstoffen gebruikt worden dan
in voedsel?
Voedsel komt in je lichaam.

b Worden natuurlijke kleurstoffen automatisch goedgekeurd? ja / nee

232 >> 9 Stoffen Pulsar 1–2 vmbo-kgt uitwerkingen © 2006 Wolters-Noordhoff bv