P. 1
Leerstoel Van Melkebeke 2011

Leerstoel Van Melkebeke 2011

|Views: 37|Likes:
Publicado porKenneth Suykerbuyk

More info:

Published by: Kenneth Suykerbuyk on Oct 24, 2011
Direitos Autorais:Attribution Non-commercial

Availability:

Read on Scribd mobile: iPhone, iPad and Android.
download as DOC, PDF, TXT or read online from Scribd
See more
See less

06/09/2012

pdf

text

original

Schakeljaar Handelswetenschappen 28 april 2011

Leerstoel A. van Melkebeke 2011
Voordracht: Dhr. L. Coene, Gouverneur Nationale Bank van België: Welk beleid om de armoede te bestrijden?

Pieter van ’t Oost Robbert van ’t Oost Kenneth Suykerbuyk Thijs Leenaerts

docent aan de Universiteit Gent en directeur van het Itinera Institute. Bea Cantillon. Luc Coene. De belangrijkste beperking is dat er geen rekening wordt gehouden met gesubsidieerde voordelen in natura. In Europa wordt echter het concept van armoederisico op basis van de E. Deze “Challengers” zullen de argumenten aangehaald door de hoofdspreker verder uitdiepen of hier juist tegenin gaan. Gouverneur van de Nationale Bank van België. Het concept bestaat erin dat er telkens één “Keyspreker” is en twee “Challengers”. Hierbij kan men bijvoorbeeld denken aan openbaar vervoer of thuisverzorging. In deze samenvatting beperken we ons enkel tot de lezing van Dhr. Deze leerstoel van Melkebeke bestaat al sinds 1985.en micro-economische thema’s gedetailleerd in kaart te brengen door een aantal sprekers een voordracht te laten houden. Het volgende thema staat centraal in de leerstoel van Melkebeke 2011: “Rechtvaardige verdeling van de verarming” Binnen dit thema zijn er een drietal vragen die we beantwoord willen zien. van de Universiteit Antwerpen. Dr. Vervolgens kunnen we ons de vraag stellen hoe de overheid de armoede kan bestrijden indien we over voldoende financiële middelen zouden beschikken. Tot slot willen we een antwoord zien op de vraag of armoede zal dalen of stijgen in tijden van bezuinigingen door de overheid. De leidraad in dit deel van de presentatie heeft betrekking op welk beleid er nodig is om armoede te bestrijden.Leerstoel A. . Allereerst is er de vraag of de overheid wel over voldoende financiële middelen beschikt om armoede te kunnen bestrijden. aan het woord om tenslotte af te sluiten met de uiteenzetting van Prof. Wat verstaan we nu eigenlijk onder armoede? Er bestaan verschillende indicatoren om armoede te meten. Dr. Dit concept heeft wel een aantal beperkingen. Marc De Vos. Coene.U. Vervolgens kwam Prof. Allereerst was er Dhr. Dit concept is tien jaar geleden geïntroduceerd en beschouwt als armoederisicogrens 60% van het mediaan inkomen. In België komt dit overeen met een inkomen van 966 € per maand. SILC-enquête gehanteerd. van Melkebeke 2011 In het kader van het opleidingsonderdeel Onderzoeksmethoden voor Economen werden wij schakelstudenten uitgenodigd om een lezing bij te wonen in verband met de jaarlijks terugkerende leerstoel van Melkebeke. Dit jaar werd de voordracht gegeven door een drietal gastsprekers. De leerstoel heeft de bedoeling om macro. Zo zijn er bijvoorbeeld materiële of subjectieve indicatoren. Dit zal een vertekening voor bepaalde bevolkingsgroepen kunnen geven.

We zitten dus in een land met heel extreme situaties: weinig armoederisico bij degene die werken en bijzonder veel voor degene die geen werk hebben. In de loop van het proces zijn er mensen die wegvallen en vervangen worden door anderen. Er bestaat ook een verband tussen het risico op armoede en de werkintensiteit. Je kunt dit natuurlijk aanvullen met andere maatstaven zoals materiële deprivatie indicatoren of met appreciatie. vrij beperkt is. Dit is gerelateerd aan het feit dat meer mannen tewerkgesteld zijn. zien we dat er een relatieve. Wanneer we vervolgens België met de E. De graad van de inkomensverdeling wordt weergegeven aan de hand van de GINI-coëfficient. waarvan de ouders beiden werken. Coene naar voren gekomen dat het risico op armoede groter is bij vrouwen dan bij mannen. Het armoederisico kunnen we ook per subcategorie bekijken. het risico op armoede zal dalen.coëfficiënt een waarde één aanneemt. Hierbinnen kunnen we twee extrema onderscheiden. Vervolgens kunnen we het verband bespreken tussen de armoedegraad en de inkomensverdeling. Dit maakt de interpretatie zeer moeilijk en gevaarlijk. Daarnaast kunnen we ook zien dat er een verband is tussen de inkomensongelijkheid en armoede. Zo is uit de statistieken van Dhr.Een tweede beperking situeert zich op het vlak van de tweede – en derde pijler van de pensioenen. Als we kijken naar België. Een derde nadeel is dat men geen impact heeft voor de recente maatregelen.U. zal het risico op armoede vergroten. Naarmate de inkomensongelijkheid toeneemt. dan heeft één iemand in de maatschappij al het inkomen. Indien de GINI . vergelijken. Met hogere werkintensiteit net het omgekeerde. hoe gelijkmatiger de inkomensverdeling en omgekeerd. Bovendien hebben we te maken met het feit dat de SILC-enquête gebaseerd is op een steekproef. Ook qua samenstelling van het gezin. hoge armoedegraad is in vergelijking met landen met een gelijkaardige GINI-coëfficient. Dit zal op zijn beurt weer tot een scheeftrekking leiden. Ten tweede kan de werkintensiteit ook een waarde aannemen van nul. is dat als de tewerkstelling toeneemt. Ten eerste kan de werkintensiteit een waarde van één aannemen. Hoe lager deze coëfficiënt dus zal zijn. Een vaststelling die we hier kunnen doen. Zo zien we bijvoorbeeld dat een alleenstaande met kinderen 36% risico heeft op armoede terwijl dit voor gezinnen. Dit is de belangrijkste indicator om te bepalen in welke mate je aan armoederisico bent blootgesteld. . Alle maatregelen na 2008 zijn niet vervat in deze enquête. dan stelt men vast dat de categorieën met lage werkintensiteit groter is dan in Europa. Bij de werkintensiteit kijken we wie er werk heeft. met andere woorden. iedereen heeft hetzelfde inkomen. Er zijn immers landen waar de pensioenen kunnen worden uitgekeerd als kapitaal en er zijn landen waar dit niet mogelijk is. Als deze coëfficiënt gelijk is aan nul dan betekent dit dat we te maken hebben met een gelijke verdeling van het inkomen. Dit wil zeggen dat elke betrokkene in een gezin boven 18 jaar werk heeft. namelijk 4% tegenover 33%. zal er een bepaald risico op armoede zijn. Veruit het grootste verschil in risico van armoede is tussen werkenden en niet – werkenden. wat betekent dat niemand werk heeft binnen een gezin.

Wat de uitkeringen betreft. Men verlaagt op deze manier het armoederisico aangezien dit voor België 1/7de lager is dan dat men werk heeft. kunnen we ook andere voordelen hieruit halen. Men moet de groei van de uitkeringen beperken om de uitgaven onder controle te houden en zeker niet de uitkeringen afschaffen. De pensioenen. de hoogste belastingsdruk heeft van de Europese Unie. Tot en met 2007 was er dus een daling van de overheidsschuld (van 136% in 1993 naar 85% in 2007). Bovendien hebben we nog te maken met de kosten van de vergrijzing. . Dit is voornamelijk aan de primaire uitgaven te danken. namelijk overheidsfinanciën en werkgelegenheidsbeleid. Als de overheid er in zal slagen een hogere werkgelegenheid te creëren.We kunnen ons nu de vraag stellen welk beleid de overheid kan voeren om de armoede te bestrijden. zien we dat België. onderwijs. Nadien was het tekort -6% en vorig jaar werd dit teruggebracht tot -4%. Armoedebestrijding is eerst en vooral de belangrijkste taak voor de overheid: welvaart moet gecreëerd worden en op billijke manier verdeeld worden. gezondheidszorgen stijgen bijgevolg zeer hard. In de laatste 3 jaar zijn er heel wat inspanningen gedaan aan de uitgavenzijde om de gevolgen van de crisis op te vangen. Wat betreft de overheidsfinanciën kunnen we zien dat er tot 2007 een begrotingsevenwicht was. betrekking op het werkgelegenheidsbeleid. Het tweede aspect heeft. We zitten dus in een situatie waar er weinig speling is om extra uitgaven te doen. We focussen ons hier echter op twee aspecten. In de periode 2009-2060 zullen de kosten van de vergrijzing met 6% punten van het BBP toenemen. maar men moet selectief zijn waar bijkomende ontvangsten gegenereerd worden. enz. Zo zal het economisch groeipotentieel toenemen en zal het economisch draagvlak op sociaal vlak versterkt worden. Als de overheid opteert voor een werkgelegenheidsbeleid dan heeft dit een belangrijk voordeel. buiten de Scandinavische landen. Iets meer dan de helft van de toename is te wijten aan sociale uitkeringen. Recentelijk is de schuldgraad terug gestegen naar 97% als gevolg van de financiële crisis. Deze 6% zullen we dus moeten compenseren door extra ontvangsten of beperkingen van andere uitgaven. zoals eerder vermeld. werkgelegenheidsbeleid. zijn er de voorbije decennia tal van maatregelen genomen gericht op een herwaardering van de sociale uitkeringen. Als we naar de ontvangsten kijken. Er is wel iets of wat ruimte. Men zal bijgevolg de werkgelegenheid en dergelijke moeten stimuleren. Het heeft België 15 jaar gekost om de overheidsschuld af te bouwen met 50 basispunten. Men kan gebruik maken van verschillende instrumenten zoals sociale uitkeringen. Het risico van verlies aan inkomsten door hogere belastingen in België is veel te groot. Deze uitgaven buiten de rentelasten zijn met 7% van het BBP gestegen. De uitgaven van de overheid stijgen zeer hard door de vergrijzing van de bevolking.

Men moet met andere woorden dus de effectieve pensioensleeftijd verhogen om dit probleem tegen te gaan en niet de wettelijke leeftijd. Verder liggen er ook mogelijkheden op het gebied van de pensioenen. Hier zitten duidelijk mogelijkheden. Dit is in contrast met wat we zien in Wallonië en Brussel. Dit is een probleem voor België omdat het gebied tussen de wettelijke en de effectieve pensioensleeftijd moet ingevuld worden. Je moet met andere woorden meer dan 50% deeltijds werken om een inkomen te krijgen dat hoger is dan de werkloosheidsuitkering. dan zien we dat Vlaanderen rond het gemiddelde van de E. De jongeren. In 1999 waren er heel wat gebieden waar betrokkenen minder verdienden wanneer ze deeltijds (50%) werkten dan dat ze werkloos waren. Dit verschil is hoofdzakelijk toe te wijzen aan de jongeren en de ouderen en vooral bij de allochtonen uit niet E. Het is dus noodzakelijk om op dit domein veel meer ingrijpende maatregelen te nemen.De werkgelegenheidsgraad van kansgroepen in België is erg laag als we dit bijvoorbeeld vergelijken met Nederland (61. ligt wat betreft de werkgelegenheidsgraad. iets wat wel toegepast wordt in andere landen.8% tegenover 77%). We kunnen nu ook de deelgebieden van België met elkaar vergelijken. Als we daarnaast nog de specifieke categorie van laaggeschoolden jongeren bekijken.U. Daarnaast zijn er nog een aantal belangrijke vallen die ervoor zorgen dat mensen niet voldoende gestimuleerd worden om naar de arbeidsmarkt te trekken. Een belangrijk element om mensen actief op de arbeidsmarkt te maken is het wegwerken van de financiële vallen bij de overgang van werkloosheid naar tewerkstelling. Echter kunnen we wel vaststellen dat er in België weinig stimulansen of sancties doorgevoerd worden op dit gebied. Hier kan de overheid dus op inspelen. Er is namelijk een groot verschil aanwezig tussen de wettelijke pensioensleeftijd en het tijdstip waarop een persoon daadwerkelijk op pensioen gaat (effectieve pensioensleeftijd). ouderen en allochtonen zitten onder dit gemiddelde in Vlaanderen. Als we Vlaanderen bekijken. Hier is de werkgelegenheidsgraad veel lager dan het gemiddelde waardoor het risico op armoede bijgevolg ook groter zal zijn. . Als deze mensen in het arbeidsproces geïntegreerd kunnen worden. dan zal dit een belangrijke bijdrage leveren aan de vermindering van het armoederisico. dan zien we dat deze categorie sterk boven het gemiddelde ligt van andere landen wanneer het gaat over armoederisico. landen als we België in zijn geheel bekijken. Dit zijn jongeren die laaggeschoold zijn en tevens allochtoon waardoor zij een zeer zwak element vormen in de arbeidsmarkt van België.U.

ouderen langer laten werken en voor de anderen proberen om de aanwezigheid op de arbeidsmarkt zo lang mogelijk te bestendigen zonder dat het systeem onder druk komt te staan. Hierdoor is het dus noodzakelijk om gebruik te maken van instrumenten anders dan overheidsuitgaven. Werkgelegenheid is hier van cruciaal belang omwille van zijn efficiëntie. Bovendien zal een hogere werkgelegenheid een gunstig effect hebben op de overheidsfinanciën en dus op het economisch draagvlak voor het sociaal beleid. Een ander belangrijk punt wat zeker naar voren komt. Allereerst mogen we zeggen dat armoedebestrijding een essentiële doelstelling van het overheidsbeleid uitmaakt. .Uit de voordracht van Dhr. . is het feit dat de mogelijkheden in het bestrijden van armoede zeer beperkt zullen zijn wanneer het aankomt op de overheidsuitgaven. De focus hierbinnen zal voornamelijk liggen op doelgroepen: jongeren van een goede opleiding voorzien. Het is immers zo dat de aanwezigheid van een baan het armoederisico sterk vermindert. Coene kunnen we enkele belangrijke zaken concluderen.

You're Reading a Free Preview

Descarregar
scribd
/*********** DO NOT ALTER ANYTHING BELOW THIS LINE ! ************/ var s_code=s.t();if(s_code)document.write(s_code)//-->