Você está na página 1de 38

VALUTA-MOEILIJKHEDEN EN GIRO-VERKEER

TIJDENS DE REPUBLIEK
DOOR
DR. J. G. VAN DILLEN.
Voor den wereldoorlog was men gewoon de waardevastheid van
het geld te beschouwen als iets, dat van zelf spreekt. Behalve in den
beperkten kring der economisten werd aan dit probleem dan ook
weinig aandacht geschonken. De ervaringen van de laatste tien jaren
zijn echter van qien 'aard geweest, dat er ook eenige belangstelling
verwacht mag worden voor valuta-moeilijkheden in vroegere tijden.
In de Oudhefd heeft, in het bijzonder in Griekenland en in Rome,
een zeer ontwikkeld geldwezen bestaan. In West-Europa walen de
verhoudingen op dit gebied nog tijdens het Frankische rijk zeer primi-
tief. De productie voor eigen gebruik (gesloten familiehuishouding)
was nog overheerschend. Daarnaast heeft echter ook steeds eenig
ruilverkeer bestaan en daarvoor waren dus ruil- en betaalmiddelen
noodig. De Franken hebben dan ook het munten, dat door de Romeinen
reeds in West-Europa was ingevoerd, voortgezet. Hun muntstelsel
was nog zeer eenvoudig. Het voornaamste geldstuk was de zilveren
denarius. Wel werden ook nog eenige gouden munten geslagen
(solidus en triens), doch dit geschiedde slechts in beperkten omvang.
Het wekt in dit verband eenige verbazing, wanneer men verneemt,
dat er in den Merovingischen tijd o. g. 800 muntplaatsen waren. Hierbij
moet evenwel in aanmerking genomen worden, dat het muntbedrijf
een "Wanderbetrieb" was; de munters reisden van de ne plaats
naar de andere, zoodat overal slechts tijdelijk gemunt werd 1). Tijdens
de Karolingen is het muntbedrijf echter in enkele plaatsen gecentra-
') Ygl. A. Luschin von Ebengl"l'uth, Allgemeine !nzkllnde lInd Geld-
geschichte. Voorts: R. Kt::.schke. _\llgemeine \Virtschaftsgeschichte des
Mittelalters. Eveneens: Grundrisz der Mnzkunde I, Luschin von
Ebengreuth, Die Mnze nach Wesen, Gebrauch und Bedeutung; Ir, H.
Buchenau, Die Mnze in ihrer geschichtlichen Entwicklung vom Altertum
bis zum Gegenwart (in de serie: Aus Natur und Geisteswelt).
TIJDSCHRIFT VOOR GESCHIEDENIS. 21
322
liseerd en verkeerde, mede daardoor, in vrij goeden staat. De ont-
binding van het Frankische rijk had ook ten aanzien van het muntwezen
nadeelige gevolgen. In Frankrijk zoowel als in Duitschland verzwakte
het centrale gezag door de verdere ontwikkeling van het leenstelsel.
Talrijke rijksgrooten - graven, hertogen en bisschoppen - ver-
wierven nu het muntrecht, dat tevoren reeds aan eenige kloosters was
toegekend. Later, toen de steden tot welvaart en macht kwamen,
verkregen ook deze in vele gevallen het recht om te munten. Dat deze
verbrokkeling aan het muntwezen niet ten goede kwam, behoeft wel
geen betoog.
Intusschen werd het muntstelsel ingewikkelder. Naarmate de
denarius (denier) slechter van gehalte werd, verminderde zijn waarde,
hetgeen de behoefte deed opkomen aan zilverstukken van grootere
waarde. Het eerst werden toen in Itali, in de 12de eeuw, denarii
grossi geslagen; in 1266 liet in Frankrijk Lodewijk IX den "gros
tournois" (grossus turonensis) munten, terwijl in dien zelfden tijd
in Duitschland reeds verschillende soorten "groschen" voorkwamen.
In ons land heet deze munt de "groot".
Eveneens kwam er nu meer goudgeld in omloop. De stad Florence
deed sinds 1252 een gouden munt slaan van zeer goed gehalte, die
aan de eene zijde een gestiliseerde lelie en aan de andere zijde de
figuur van Johannes den Dooper als prediker vertoonde, welk geldstuk
florenus of fiorino d'oro heette en in Duitschland kortweg "gulden"
genoemd werd. Zooals dat in de Middeleeuwen ten aanzien van
populaire munten gebruikelijk was, werd de stempel van dezen
Florentijnschen gulden spoedig door vele andere muntplaatsen nage-
bootst. Daarnaast werden echter later ook guldens met een anderen
stempel aangemunt. Een van de meest bekende daarvan is de Rijnsche
gulden, een gouden munt, ten aanzien van welks gehalte de keur-
vorsten van Mainz, Keulen, Trier en de Pfalz sinds 1386 meerdere
verdragen hebben gesloten, hetgeen echter de verslechtering van dezen
penning op den duur toch niet heeft kunnen beletten. Een andere
Italiaansche stad, Veneti, gaf in 1284 het aanzijn aan den ducaat.
Ook deze munt werd spoedig elders nagebootst, terwijl er in ver-
schillende andere landen ook ducaten met eigen stempel geslagen
werden. In de latere Middeleeuwen werd o. a. de Hongaarsche ducaat
zeer populair; ook in ons land kwam deze, evenals de Rijnsche gulden,
veel voor.
Tegen het einde der Middeleeuwen begon men ook grootere zilver-
stukken aan te munten. Hun waarde kwam veelalo. g. overeen met
die der kleinere goudstukken. Vandaar dat deze groote zilveren
323
penningen soms den oneigenlijken naam "gulden" verkregen; vaker
echter werden zij "daalder" (thaler) genoemd. Reeds spoedig waren
er vele soorten van daalders in omloop. In Duitschland streefde men
sinds het midden der 16de eeuw (rijksmuntverordeningen van 1551
en 1559) naar eenheid van munt voor het geheele rijk; dit doel werd
niet bereikt doch het gaf aanleiding tot het ontstaan van den "rijks-
daalder" (reichsthaler).
Zoo is dus in den loop der Middeleeuwen het muntwezen steeds
gecompliceerder geworden. Daartoe droeg niet weinig bij het feit,
dat de diverse eigen en vreemde munten, die wettigen koers hadden,
berekend werden in een rekeneenheid, de z. g. rekenmunt, die zelf
meestal niet als geldstuk bestond. Zoo werd dus gerekend in livres,
ponden Vlaamsch, ponden Hollandsch enz., die slechts een denk-
beeldig bestaan hadden.
De muntgerechtigden waren in de Middeleeuwen gewoon uit het
muntbedrijf zoo groot mogelijke inkomsten te trekken. Vanouds heeft
men de munten niet uitsluitend uit fij n metaal vervaardigd maar ze
met minder kostbare metalen, v. n. koper, gelegeerd. Dit vergroot,
naar men zegt, de duurzaamheid, doch het levert bovendien een niet
te versmaden voordeel op. Veelal is dus de nominale waarde van het
geldstuk hooger dan de werkelijke metaalwaarde. Zoolang dit verschil
niet grooter is dan voor het bestrijden der kosten van aanmunting
vereischt wordt, kan men deze gewoonte niet als een misbruik be-
schouwen en levert zij ook weinig gevaar op. Doch de middeleeuwsche
muntheer, die de uitoefening van het bedrijf aan een muntmeester
overliet, maakte bovendien aanspraak op een zekere uitkeering, de
z. g. seigneuriage, Schlagsatz of (ned.) sleischat. De wensch der
muntgerechtigden om de inkomsten uit het sleischat zoo hoog mogelijk
op te voeren heeft - tesamen met de winzucht der muntpachters -
zeer dikwijls aanleiding gegeven om, in strijd met de muntordonnanties,
gehalte en gewicht der geldstukken te verminderen. De meeste middel-
eeuwsche munten zijn dan ook in omloop van tijd voortdurend in
gehalte, en soms ook in gewicht, achteruitgegaan. Bovendien was er
nog een tweede methode, waarmede men een ongeoorloofde winst
kon verkrijgen, n.1. door een bestaande munt eenvoudig hooger te
tarifeeren, zoodat b. v. een daalder van 30 stuiver voortaan 32 of 33
stuiver gold. Men noemde dit het opzetten van de munt 1). Door
1) Een ander misbruik was de jaarlijksche intrekking en ongeldig-
verklaring van het circuleerende geld, in verband met bet voordeel van
nieuwe aanmunting. In de latere Middeleeuwen komt dit misbruik echter
zelden meer voor.
324
beide methodes werd de rekenmunt verzwakt, d. w. z. dat de metaal-
inhoud van de rekeneenheid verminderde, hetgeen natuurlijk aanleiding
gaf tot stijging der goederenprijzen.
Zelfs wanneer al deze misbruiken niet hadden bestaan, zou het
middeleeuwsche muntwezen toch nog zeer gebrekkig zijn gebleven.
Als gevolg van de verbrokkeling van het muntrecht was immers het
aantal circuleerende munten ontstellend groot. In de ordonnanties
was de waarde der toegelaten penningen in de rekeneenheid vastge-
steld; deze tarifeering was echter uiterst moeilijk en daardoor zelden
volkomen in overeenstemming met de innerlijke waarde. Bovendien
waren de geldstukken van nzelfde muntsoort, in verband met de
gebrekkige techniek, dikwijls zeer ongelijk in gewicht. Voorts was
er steeds geld in omloop, dat wettelijk niet was toegelaten, terwijl
er bovendien nog een menigte versleten of gesnoeide geldstukken
circuleerde.
Aan den eersten eisch van goed geld - waardevastheid - voldeed
het middeleeuwsche ruilmiddel dus allerminst. In het handelsverkeer
behielp men zich lang met betaling in baren goud en zilver, hoewel
dit veelal verboden was. Een bezwaar was echter, dat ook de ge-
wichtseenheden, als ponden, marken enz., plaatselijk verschilden. Op de
missen van Lyon rekende men sinds 1419 in een soort ideel geld
- wel te onderscheiden van de rekenmunt! - n.l. in gewichtseenheden
goud; de Parijsche mark werd daartoe in 65 markscudi verdeeld.
Een markscudus vertegenwoordigde dus steeds een vaste hoeveelheid
fijn goud 1).
Van het muntwezen in ons land tij dens de Middeleeuwen is nog
betrekkelijk weinig studie gemaakt, doch men mag wel aannemen,
dat de toestand weinig beter was dan elders 2). Ook hier een groot
aantal muntgerechtigden en een overvloed van circuleerende munten;
eveneens een gebrekkige tarifeering in de muntordonnanties. Het euvel
der muntverzwakking was waarschijnlijk o.ok in ons land niet onbekend.
In het graafschap Holland was de rekenmunt het pond Hollandsch,
verdeeld in 20 schellingen, ieder van 12 penningen. Daarnaast kwam
echter ook de rekening voor in het veel zwaardere pond grooten; dit
1) Lllschin von Ebengrwth, Mnzkunde I, p. 83.
2) Vgl. N. G. Pierson, Verspreide economische geschriften IV: Bijdrage
tot de verklaring van middeleeuwsche rekenmunten. Eveneens R. Frllin,
Verspreide geschriften VIII: Over de muntv,erzwakking in de 14de eeuw.
325
pond was verdeeld in 240 grooten '). Een pond grooten was gelijk aan
8 gewone ponden Hollandsch; een groot gold dus 8 penningen. Nu
bestond er een muntstuk - de plak of kromstaart, later meestal stuiver
geheeten - ter waarde van 2 grooten of 16 penningen. Herhaaldelijk
zijn in verloop van tijd gouden guldens, ter waarde van 20 stuivers,
in omloop gebracht; het eerst, in 1388, het Dordtsche schild (ook gulden
genoemd). Weliswaar moesten deze gouden munten, in verband met
de verzwakking van de rekenmunt, al spoedig op een grooter aantal
stuivers getarifeerd worden. Toch staat, volgens Pierson, hiermede
in verband het aannemen van den gulden, verdeeld in 20 stuivers, elk
van 16 penningen, als rekenmunt').
De politieke centralisatie der Nederlandsche gewesten tijdens het
Bourgondische en het Oostenrijksche huis heeft ongetwijfeld een
gunstigen invloed op het muntwezen uitgeoefend. Toch bleef er op
dit gebied veel verwarring heerschen en kwam de verzwakking van
de rekenmunt nog niet tot stilstand. De gouden Carolus, dien Karel V
in 1522 deed munten, moest spoedig "opgezet" worden. Hetzelfde
geschiedde met den zilveren Carolus, onzen eersten zilveren gulden,
die in 1542, wederom ter waarde van 20 stuivers, werd aangemunt.
Deze gold, volgens de muntordonnanties, in de jaren 1579, 1581, 1586
en 1610 resp. 28, 30, 33 en 35 stuivers. Deze "opzetting" geschiedde
niet uit winstbejag, doch was uitsluitend het gevolg van de algemeene
muntverwarring, waardoor goede munten van zelf in het verkeer
hooger geschat werden. De voortdurende verhooging van de tarifeering
van den Carolus bewijst dus, dat de gulden als rekenmunt (= 20
stuivers) in het verloop der 16de eeuw voortdurend is verzwakt, d.w.z.
in metaalinhoud is verminderd.
') Vgl. N. G. Pierson, Leerboek der Staathuishoudkunde I, p. 469
(tweede druk).
') Vgl, Pierson t. a. p., p. 469 e. v. Na te hebben medegedeeld, dat in
1388 het Dordtsche schild ter waarde van 40 groot is geslagen, vervolgt de
schrijver: " aar gelang de rekenmunt is verzwakt, heeft dat stille mCr
gegolden; doch de gewoonte om guldens te slaan van 40 groot
heeft stand gehouden; telkens komen nieuwe guldens van 40 groot, die
natuurlijk telkens een mindere hoeveelheid goud bevatten, voor den dag.
Het Dordtsche schild bevatte ruim 4 gram goud; de gOlldcn florijn, die
onder Maximiliaan is geslagen, ongeveer 2.52 gram; de gouden Carolus
van 1520 1.77 gram. Al deze stukken zijn' voor 40 groot uitgegeven. Door
deze gewoonte om goudstukken in het verkeer te brengen, die bij hunne
uitgifte juist gelijk waren aan 40 grooten, zal het gebruikelijk zijn
geworden de uitdrukking ,,40 grooten" door de kortere benaming "gulden"
te vervangen. Eerst in 1542 is men een zilveren penning van 20 stuivf'rs
of 40 grooten gaan slaan, vermoedelijk omdat het goudstuk van die waarde
te klein was geworden voor het verkeer: het was de zilveren Carollls.
Dit is de eerste verschijning der zilveren guldens".
326
Het spreekt vanzelf, dat de Opstand ten aanzien van het geldwezen
zeer nadeelige gevolgen heeft gehad. De Unie van Utrecht (1579)
schrijft dan echter weer een zekere mate van eenheid in het muntwezen
voor. Art. 12 der Unie bepaalt: "dat alle voors. Provincin gehouden
suilen sijn sich metten anderen te conformeren in 't stuk van der munte,
te weten, in den cours van den gelde, naer uytwijsen sukker ordon-
nantin, als men daerop metten aldereersten maken sal, de welcke
d' een sonder d' ander niet en sal mogen veranderen". Een uitwerking
van dit beginsel geeft het groote muntplakkaat t) van Leicester (1586),
dat beschouwd kan worden als de eerste serieuze poging om het munt-
stelsel der Republiek op een vaste basis te stellen.
In dit plakkaat wordt bepaald, dat er voortaan in iedere provincie
niet meer dan n Munt mag zijn. Op deze provinciale Munten mogen
alleen geslagen worden: de gouden nobel en de zilveren Neder!. reaal
en bovendien nog de gouden ducaat benevens een zilveren daalder
op den voet van de muntverordening van het Duitsche Rijk. Het aan-
munten der beide laatstgenoemde penningen wordt gemotiveerd met
een beroep op de behoefte van den handel op de Oostzee; zij zijn dus
blijkbaar v.n. als negotiepenningen bedoeld. Het is opmerkelijk, dat
de leeuwendaalder, die Holland in 1575 begonnen was aan te munten,
in het plakkaat van Leicester niet genoemd wordt. Aa"n iedere Munt
moeten aanwezig zijn: een muntmeester, een waardijn, een essaijeur
en een ijzersnijder (stempelsnijder), die alle beedigd zullen worden.
De loffelijke bedoeling va)1 Leicester was dus blijkbaar om het
muntstelsel te vereenvoudigen en om het uniform te regelen. Van' de
uitvoering van al deze fraaie bepalingen kwam echter in de praktijk
weinig terecht. De zes steden in het Oosten des lands, die vroeger van
den keizer het muntrecht verkregen hadden, hebben daarvan geen af-
stand willen doen. Deze Rijksmunten of stedelijke Munten waren die
van Nijmegen, Zutphen, Deventer, Zwolle, Kampen en Groningen.
Bovendien had natuurlijk elk der zeven gewesten, als souverein, het
muntrecht. Dit recht wordt ook in het plakkaat van Leicester uitdruk-
kelijk erkend. Het was echter in strijd met dit plakkaat, dat in de
provincie Holland naast de eertijds grafelijke, nu provinciale Munt
te Dordrecht nog een aparte Munt van West-Friesland bleef bestaan,
die beurtelings (om de 10 jaar) te Enkhuizen, Hoorn en Medemblik was
gevestigd. Zoo had de nieuwe Republiek dus niet minder dan 14 Mun-
ten, behoudens nog de "hagemunten", de clandestiene werkplaatsen!
1) De muntplakkaten van de Republiek zijn te vinden in het Groot
Plakkaatboek en in het Nederlandsche Muntboeck (Amsterdam, 1645). Zie
ook de uitgave van de Resolutin der Staten-Generaal van dr. N. Japikse.
327
Het behoeft geen betoog, dat dit aantal veel te groot was. Evenals in
de Middeleeuwen waren ook tijdens de Republiek de muntmeesters
geen ambtenaren, doch ondernemers, die het bedrijf op eigen risico
uitoefenden tegen uitkeering van het sleischat aan provincie of stad.
De scherpe concurrentie tusschen de muntmeesters onderling gaf uit
den aard der zaak aanleiding tot velerlei geknoei ten aanzien van
gewicht en gehalte van het geld.
Dat men met deze knoeierijen echter toch steeds binnen zekere
grenzen bleef, is te danken geweest aan het toezicht der Gene-
raalmeesters van de Munt. Wanneer dit college is opgericht, is niet
bekend, doch blijkens een instructie van 1535 heeft het reeds in den
landsheerlijken tijd bestaan. In den bewogen en verwarden tijd van
den Opstand is het blijkbaar verdwenen; er waren toen in sommige
provincies wel afzonderlijke generaalmeesters, doch zij vormden geen
college meer, dat toezicht hield op het muntbedrijf in het geheele land.
Doch in 1586, dus tegelijk met de uitvaardiging van het groote munt-
plakkaat, wordt het college der Generaalmeesters weer hersteld, nu
als Generaliteitscollege onder den naam van Raden en Generaalmeesters
van de Munt, ook wel aangeduid als Generaliteitsmuntkamer. Het
college was voortaan gevestigd te 's-Gravenhage en bestond uit 3 tot
5 leden, waara"arr nog ~ e n secretaris en een essaijeur toegevoegd waren.
De taak der Generaalmeesters was tweeledig: 1. controle uitoefenen
op de muntmeesters; 2. adviezen geven in muntaangelegenheden aan
de Staten-Generaal en aan de Staten der afzonderlijke provincies. Dit
merkwaardige orgaan, dat pas in 1850 is afgeschaft, heeft zeer veel
bijgedragen tot de verbetering van ons muntwezen ').
Voorloopig liet het geldwezen der Republiek echter nog veel te
wenschen over. Het plakkaat van 1586 is slecht nageleefd. In Novem-
ber 1592 wordt door de Staten-Generaal plechtig besloten "te doen
ophouden ende cesseren al soodanigh muntwerck, als in de provincin
respective ingevoert was tegen den voet ende ordre, genomen ende
gesteld in de voorsz. jare 1586 ". Uit een plakkaat van 1593 blijkt,
dat dit besluit overal gunstig is ontvangen, behalve in Overijsel, waar
zoowel de provinciale Munt als de Rijksmunten doorgaan met de aan-
munting van slecht geld. Doch reeds in een plakkaat van 2 Sept. 1594
wordt wederom geklaagd over het "verloop" in het muntwezen, "her-
kommende principalijck uit de ongelijcklieydt van de muntslagen, in
') In het boek van Fruin-Colenbrander "Staatsinstellingen in Neder-
land tot den val der Republiek" wordt dit belangrijke college slechts met
enkele woorden genoemd!
328
d'eene ende d'andere provincie gepleegt". Het wordt daarom noodig
geacht om "ordre te stellen op de gelijckmatigheydt van de muntslagh"
en tevens om nogmaals alle "hegemunterijen, vervalschingen ende
rijsingen van den cours van den gelden" te verbieden.
Een nieuwe poging tot regeling van het muntwezen is gedaan in
1603. In het groote muntplakkaat van dit jaar wordt de muntverwar-
ring toegeschreven aan "de jegenwoordige oorloge ende licentie des
tijdts". Anders dan in het plakkaat van Leicester wordt in dat van
1603 het muntrecht der steden "pretenderende te hebben gerechtigheyt
van 't Rijck" erkend, zij 't dan ook slechts indirect. Voorgeschreven
wordt, dat op de provinciale en stedelijke Munten "eenpaerlijck anders
egeene penningen sullen mogen worden ghemaeckt oft gemunt dan
eenen gouden ducaat ende Nederlandschen rijcxdaler". Opmerkelijk
is het, dat er geen sprake meer is van den nobel en van den Nederl.
reaal.
Het voorschrift alleen deze penningen te munten, beteekent echter
volstrekt niet, dat geen ander geld mocht circuleeren. Evenals in de
vroegere plakkaten wordt nog een overgroot aantal penningen opge-
somd, waarvan de circulatie tegen een bepaalden koers is toegelaten.
Eerst in het muntplakkaat van 21 Maart 1606 wordt ook de munt-
slag van den gouden rijder en van den zilveren leeuwendaalder toe-
gestaan. Daarmede had dus de leeuwendaalder, die reeds sinds 1575
door Holland geslagen werd, zich definitief het burgerrecht in het
muntstelsel der Republiek veroverd. Aldus bestaat het geld der Repu-
bliek, tot 1659, in hoofdzaak uit: rijksdaalder, leeuwendaalder, gouden
c1ucaat en gouden rij der.
Daarnaast werden echter ook nog andere penningen gemunt, o.a.
de zilveren 28-stuiverspenning of goudgulden, die v.n. in Friesland,
Groningen en Overijsel werd geslagen en die, in verband met het
eigenaardige hoofddeksel van den daarop afgebeelden persoon, in den
volksmond den naam "klapmuts" verkreeg '). Voorts brachten de
muntmeesters een overgroote hoeveelheid "payement" (pasmunt)
- schellingen, stuivers, oortjes en duiten - in omloop, aangezien
hieraan het meeste te verdienen was. Dan was er nog veel oud geld
') In het begin der 17de eeuw werden, ten behoeve van den Indischen
handel, ook nog realen gemunt. De inlanders waren n.l. in hun verkeer
met de Portugeezen gewend geraakt aan betaling in realen (de z.g. stukken
\'an achten). Ten gevolge yan den oorlog was de aanvoer van Spaansch
geld hier zeer gering. Daarom verkreeg in 16{l1 de Amsterdamsche Oost-
Indische Compagnie het recht om op de Munt te Dordrecht realen te
doen aanmunten. Deze geldstukken vertoonen de wapens van Amsterdam
en van Holland.
329
in omloop, waaronder zich natuurlijk vele versleten en besnoeide geld-
stukken bevonden. Aan een regelmatige intrekking van versleten geld,
zooals dat tegenwoordig geschiedt, werd toen nog niet gedacht. Boven-
dien bracht de buitenlandsche handel, die zich toen juist zoo snel
uitbreidde, een massa vreemd geld in het land. Het spreekt van zelf,
dat daaronder heel wat geldstukken waren, waarvan gehalte en gewicht
veel te wenschen overlieten. Van sommige zeer slechte muntsoorten
werd in de muntplakkaten de omloop verboden; zij werden, zooals
dat heette, tot "biIlioen" verklaard. Men staat echter, bij het doorlezen
der plakkaten, verbaasd over het groote aantal vreemde zoowel als
inlandsche munten, waarvan de circulatie wl geoorloofd was. AI deze
penningen waren getarifeerd in de rekenmunt, dus in guldens en stui-
vers. Het publiek kende deze tarifeering uit de z.g. evaluatieboekjes,
die meestal ook afbeeldingen der toegelaten munten bevatten. Gemak-
kelijk was het hanteeren van geld in die dagen dus stellig niet!
Het geldwezen was dus in het begin der 17de eeuw in ons land
verre van goed. Het aantal muntwerkplaatsen was veel te groot. Tus-
schen de muntmeesters, die hun bedrijf als zelfstandige ondernemers
uitoefenden, bestond, zoowel bij den inkoop van het metaal als bij
den verkoop der handelspenningen aan de kooplieden, een hevige con-
currentie, die - ondanks het scherpe toezicht der Generaalmeesters
van de Munt - wel aanleiding moest geven tot geknoei. Daarbij
kwamen dan nog de andere, bovengenoemde ongunstige factoren: de
overmaat van pasmunt; de groote verscheidenheid van binnen- en bui-
tenlandsche penningen, wier tarifeering in de plakkaten ook niet steeds
even juist en nauwkeurig was; ten slotte de groote omloop van ver-
sleten, gesnoeide, onwettige ("gebillioeneerde") of vervalschte munten.
De nieuwe penningen der Republiek (rijksdaalder, leeuwendaalder,
ducaat en rij der) waren over het algemeen van goede hoedanigheid.
Daar deze echter circuleerden te midden van een massa slecht geld,
was het gevolg, dat de werking van de wet van Gresham 2) zich deed
1) Zooals hieryoor reeds is vermeld. komt de zilveren Carolusgulden
in het begin der 17de eeuw nog slechts zelden voor; deze geldt dan o.g. 35
stuivers en wordt in 1621 tot billioen verklaard. Wanneer in de 17de eeuw
in contracten enz. geldsommen in Carolusguldens worden uitgedrukt, wordt
hiermede de gulden als rekenmunt, doch niet het geldstuk uit den tijd van
Karel V bedoeld. Bij historici heerscht hieromtrent nog veel misverstand.
Zoo laat dr. De Gelder in zijn boek over Van der Helst dezen schilder met
Carolusguldens rinkelen!
2) Gresham, Engelsch staatsman tijdens Elisabeth, is n der eersten
geweest om te constateeren dat bij gelijktijdige circulatie van penningen
van goed en van slecht gehalte of gewicht, het slechte geld steeds het
goede uit den omloop verdringt.
330
gevoelen. Het goede geld werd achtergehouden en voor uitvoer of
schatvorming gebruikt of gesmolten en in slechte specie vermunt. Voor
zooverre het in circulatie bleef, deed het natuurlijk agio tegenover het
overige, minderwaardige geld; deze z.g. "steygeringhe" was streng
verboden, maar kon niltuurlijk toch niet belet worden. Ook het uit-
zoeken en achterhouden der zware, volwichtige geldstukken, hetgeen
men "bicquetteeren" noemde, was verboden, doch geschiedde des-
ondanks zeer algemeen. De wisselaars en de kassiers, die uit den aard
van hun beroep tot "bicquetteeren" het best in de gelegenheid waren,
lieten zich in dit opzicht niet onbetuigd. Het gevolg was, dat men
hun v.n. de schuld gaf van de agio van het goede geld '). Het wisse-
laarsbedrijf, dat in die tijden van groote geldverscheidenheid belang-
rijker was dan tegenwoordig, was vanouds aan een streng toezicht
van overheidswege onderworpen. Veelal werden de wisselaars bij elk
nieuw muntplakkaat verplicht om bij eede te beloven, dat zij de daarin
vervatte tarifeering strikt zouden opvolgen. Zij betoonden zich echter
nog al eens weerspannig. Na uitvaardiging van het plakkaat van 1606
weigerden o.a. de vijf Amsterdamsche wisselaars den van hen ge-
vorderden eed af te leggen. En der Generaalmeesters reisde toen
naar Amsterdam en liet de wisselaars op het stadhuis komen. Bij dit
onderhoud betoogden de wisselaars, dat de tarifeering van de ducaten,
rijksdaalders en leeuwendaalders in het plakkaat veel te laag was en
dat zij, "zoo sij als wisselaers in den eedt waren, haer deuren ende
winckelen wel mochten sluyten, alsoo de onvrije wisselaers meerder
proffijt ofte winst wisten te doen als sijluyden conden of mochten;
dat zijlieden mede in den tijdt van drye weecken daer sooveel van
hadden gehoort ende gesien, dat se van opinie waren, dat men tselve
de coopluyden voor desen tijt niet en conde beletten, oversulcx liever
wilden handelen ende ter Munte leveren als bij andere coopluyden ge-
daen wort dan bij eede verplicht te zij n ende niet te verdienen" 2).
Uit dit antwoord blijkt reeds, dat de oorzaak der "steygeringhe" dieper
lag dan men vermoedde. Ongetwijfeld maakten de wisselaars en de
kassiers zich aan het euvel van "bicquetteeren" schuldig, maar het is
duidelijk, dat deze handeling meer gevolg dan oorzaak van het kwaad
') Vgl. W. C. Mees, Proeve eener geschiedenis van het bankwezen in
Nederland gedurende den tijd der Republiek. Eveneens: W. F. Schimmel.
Geschiedkundig overzicht van het muntwezen in Nederland.
2) Evenals vele andere gegevens in dit artikel, is dit citaat ontleend aan
een dezer dagen verschijnend bronnenpublicatie betreffende de wissel-
banken van schrijver dezes, uitgaande van het Bureau voor '8 Rijks Ge-
8chiedk. Publicatin.
331
was, of hoogstens als een zeer secundaire factor - waardoor het
kwaad nog werd verergerd - kan gelden. Toenmaals dacht men daar
echter anders over en, hoewel niet geheel blind voor de werkelijke
oorzaken, gaf men toch een groot deel van de schuld aan de wisselaars
en kassiers.
De goede penningen deden dus opgeld of agio, d.w.z. zij werden
in het verkeer tegen een hoogeren prij s berekend dan waarop zij in
de plakkaten getarifeerd waren. Het verschil bedroeg meestal niet meer
dan enkele stuivers. Bleek het niet mogelijk om door strenge maat-
regelen het kwaad te beteugelen, dan werd gewoonlijk een "tolerantie"
uitgevaardigd, een plakkaat, waarbij voor eenigen tijd een hooger
tarief werd toegelaten. Na afloop van dezen termijn was het inmiddels
meestal duidelijk geworden, dat het volstrekt onmogelijk was om tot
den vroegeren prijs terug te keeren en dan werd definitief het hoogere
tarief vastgesteld. Ondertusschen was echter in het verkeer de waarde
van het bedoelde geldstuk al weer hooger geworden en was de offi-
cieele tarifeering dus wederom te laag. Dan begon hetzelfde spel van
strenge maatregelen, tolerantie en definitieve prijsverhooging opnieuw!
Aldus verzwakte de rekenmunt regelmatig zonder dat hierbij eenige
ongeoorloofde handeling van den souverein in het spel was. Zoo was
't in ons land in de 16de eeuw telkens gegaan en dien weg ging 't nu
weder op met de nieuwe penningen der Republiek. De tarifeering van
rijks- en leeuwendaalder, van ducaat en rijder moest telkens iets ver-
hoogd worden.
De monetaire verwarring heeft aanleiding gegeven tot de oprichting
van wisselbanken. In de handelsstad Amsterdam, waar men in 't bij-
zonder de nadeelige gevolgen der muntverwarring ondervond, is men
het eerst op het denkbeeld gekomen om het particuliere wisselaars- en
kassiersbedrijf te verbieden en door een monopolistische stedelijke in-
stelling te vervangen. Aldus werd in 1609 te Amsterdam een wissel-
bank opgericht, een voorbeeld, dat later door Middelburg, Delft en
Rotterdam is nagevolgd. Door hun giro-verkeer, dat uit de centrali-
satie van het kassiersbedrijf bij n bank van zelf ontstond, hebben deze
banken voor den handel een onberekenbaar nut gehad, maar het doel,
waarmede zij zij nopgericht - n.1. om de "steygeringhe" der goede
geldsoorten te weren - hebben zij niet kunnen bereiken. Dit ligt
trouwens voor de hand, wanneer men bedenkt, dat de primaire oorzaak
van het kwaad volstrekt niet bij de wisselaars en kassiers gelegen was.
Reeds vrij spoedig na de oprichting der Amsterdamsche Wisselbank
kwam weer een nieuwe bedreiging voor de waardevastheid onzer
standpenningen op. In de Zuidelijke Nederlanden deden de aartsher-
332
togen Albert en Isabella een zilveren penning munten, die weinig ver-
schilde van onzen rijksdaalder, doch een paar stuivers minder intrin-
sieke waarde bezat. Deze Albertusdaalder - ook wel kruisdaalder of
patacon genoemd - vertoonde aan de ne zijde het wapen der aarts-
hertogen en aan de andere zijde een Bourgondisch kruis. Reeds in
Nov. 1612 berichtten de Burgemeesters van Amsterdam aan de Staten-
GeneraaI, dat men "de nieuwe silvere cruysdaler, ontrent 46 stuyvers
waert sijnde, onder de rijcxdalers, also zij de oude cruys- ende
bourgoense dalers eniger wijse gelijcken, begint uyt te geven ".
In October 1613 vaardigden de Burgemeesters, op verzoek van de
Gecommitteerde Raden, een publicatie uit, waarbij zij de burgers
waarschuwen tegen den kruisdaalder, dien men voor een rijksdaalder
tracht uit te geven, doch die niet meer dan o. g. 45 stuivers waard
is 1). Ook door de Staten-Generaal werd de circulatie van den kruis-
daalder verboden. Doch al deze verboden en waarschuwingen waren
tevergeefsch; de kruisdaalder burgerde zich hier steeds meer in.
In 1618 lieten de aartshertogen een tweeden nieuwen penning
munten, den ducaton, en ook deze verwierf zich spoedig toegang tot
de Republiek en verkreeg, ondanks talrijke verbodsbepalingen, een
even groote populariteit als de kruisdaalder. De ducaton circuleerde
eveneens - vergeleken met onze eigen zilveren penningen - boven
zijn intrisieke waarde, n.l. voor 3 g. 3 st. Op den duur moest de
overheid tegenover deze indringers van taktiek veranderen. De kruis-
daaIder werd reeds in 1622 toegelaten, doch slechts tegen een koers
van 2 g. 7 st. (47 stuivers). In de praktij k hield men zich echter
daaraan niet, zoodat herhaaldelijk tolerantie tot hoogeren koers moest
worden verleend. Op den duur moest de kruisdaalder op 2 g. 10 st.
getarifeerd worden, waarmede hij op denzelfden prijs was gesteld als
de Ned. rijksdaalder 2), die echter meer zilver bevatte. De ducaton
is pas veel later, n.l. in 1638, wettelijk toegelaten.
Men meene intusschen niet, dat dit het eenige vreemde geld was,
dat hier circuleerde. De omloop der Spaansche zilveren realen was nog
lang geoorloofd; pas bij plakkaat van 27 Oct. 1634 zijn deze tot billioen
verklaard. Voorts was er een groote circulatie van vreemde rijks-
daalders. In een resolutie der Amsterdamsche Vroedschap van 5 Juni
1625 wordt geklaagd over de "vervullinghe in 't land van de vremde
rijcxdalers, die soo menichvuldich ende van zoo veelderleye soorten
1) De rijksdaalder is in het muntplakkaat van 1610 op 48
stuivers.
2) De prijs van den rijksdaalder was n.l. geleidelijk tot 50 stuivers
'\erhoogd.
333
zijn, dat het onmogelijk is voor de gemeynte de goede uyte quade -
die daer in groote menighte zijn - te onderscheyden ". In dit
stuk wordt o.a. het denkbeeld overwogen om daarvan niet meer dan
15, 16 17 soorten toe te laten! Voorts werd ons land overstroomd
met slechte vreemde pasmunt, als schellingen, oorten en duiten. Een
resolutie der Amsterdamsche Vroedschap van 28 November 1620 con-
stateert betreffende de z.g. arendschellingen : "datter zooveel ende wel
tot in de tsechtich verscheydene soorten in Duytslandt ende andere
quartieren met den arent geslagen, eenige maer drie ende eenige min-
der als vier stuyvers waerdich zijnde, in zeer grote menighte hier te
lande ende sonderlinge in deze stadt gebracht worden". Bij plakkaat
van Holland van 2 Dec. 1620 is toen de circulatie van alle arendschel-
lingen verboden.
Doch de gevaarlijkste indringers bleven de kruisaalder en de duca-
ton. Reeds in een plakkaat van 1638 wordt geconstateerd, dat zij het
zwaardere geld der Republiek - rijksdaalder en leeuwendaalder -
uit den omloop hebben verdrongen '). In een memorie van 1651 schrij-
ven de Generaalmeesters, dat het zoo ver gekomen is, dat "de slechte ")
gemeente onse Nederlantsche rijcx- ende leeuwendaelders qualijck
meer en kent". Vooral sinds den vrede van Munster wordt het zilver
in massa naar de Zuidelijke Nederlanden uitgevoerd om in den vorm
van kruisdaalders en ducatons weer terug te keeren. Onze zilveren
standpenningen werden nog wel aangemunt, doch fungeerden uitslui-
tend als handelspenningen. In ons eigen land uit de circulatie verdron-
gen, werden zij in de Oostzeelanden en in de Levant steeds meer
populair!
Veel meer nog dan onze zilveren standpenningen - waarvan de
koersstijging tot een paar stuivers beperkt bleef - is het goudgeld
in waarde gestegen. Ook in de tweede helft der 16de eeuw had men
dit verschij nsel reeds waargenomen, doch vooral in de eerste helft der
17de eeuw vindt men talrijke klachten over de voortdurende "stey-
geringhe" van al het goudgeld. Zoo wordt b.v. in een Amsterdamsche
keur van 15 Mei 1610 geconstateerd: "dat veele persoonen, terug-
') Het plakkaat constateert, dat "de landen mette yoorgemelte
penningen so seer ingenomen ende vervult zijn, dat men nauwelix andere
capitale silvere penninghen in de dagelijcxe vertieringhe ende verhandelinge
en siet." In verband hiermede werd een tolerantie van de circulatie der
beide Zuid-Ned. munten afgekondigd; de kruisdaalder tegen 50 st., de
ducaton 3 g. 3 st.
2) Eenvoudige.
334
gestellende alle behoorlijcke reverentie ende gehoorsaemheyt, hen ver-
vorderen ende onderwinden alle de goude specin tot veel hooger
prijs uyt te geven ende t'ontfangen als de leste permissie is toelaetende,
d'selve specin van daege tot daege sulcx opdringende, dat in corten
tijt bevonden is, dat eenighe van dezelve specin tot vier, vijff ende
ses ten hondert opgesteygert sijn, soeckende bij alsulcke onbehoorlijcke
ende verboden middelen grootelijx haer eygen proffijt te doen, nyet
alleen tot seer groote schade ende verderff van de gemeente ende
merckelijcke prejuditie in de gemeene coophandelinge, maer ook tot
nadeel van den staat van 't landt in 't generael.. ..... ".
Dit citaat zou nog gemakkelijk met vele andere kunnen worden
vermeerderd. De algemeene stijging van den koers van het goudgeld
heeft de geesten evenzeer bezig gehouden als de verdringing van onze
zilveren standpenningen door kruisdaalder en ducaton. Tevergeefs heeft
men getracht met strenge maatregelen het verschijnsel te bestrijden.
Ook ten aanzien van het goudgeld worden dan ook de tijdelijke tole-
ranties tegen hoogeren koers gevolgd door definitieve hoogere tarifee-
ringen. Doch de prijsstijging in het verkeer was veel grooter, met het
gevolg dat het goudgeld uit de circulatie verdween. De ducaat is dan
ook sinds het midden der 17de eeuw haast uitsluitend als handels-
munt in gebruik.
De oorzaak van dit verschijnsel was natuurlijk de groote verande-
ring in de waardeverhouding van goud en zilver. Sinds het midden
der 16de eeuw leverde Spaansch-Amerika enorm veel zilver aan
Europa, doch slechts weinig goud. De productie van goud bleef dan
ook verre achter bij die van zilver. Dat moest op den duur wel de
waardeverhouding veranderen. Het is merkwaardig, dat de tijdgenooten
daarvan zoo weinig begrip hadden. In de talrijke rapporten van de
Generaalmeesters van de Munt, van de commissarissen der Wisselbank
e.a. wordt de werkelijke oorzaak geen enkele maal genoemd '). Wel
wordt in deze stukken soms toegegeven, dat het goudgeld in naburige
landen hooger getarifeerd is en dat dit uitvoer ten gevolge moet heb-
ben; schoorvoetend erkent men voorts om die reden de noodzakelijk-
heid van een hoogere tarifeering. Doch de grondtoon van alle rap-
porten en besluiten van dien tijd is de gedachte om door strenge maat-
regelen de bestaande tarifeering, zoowel ten aanzien van goud- als
van zilvergeld, te handhaven. Ondanks alle teleurstellingen hield men
met echt-Hollandsche taaiheid en hardnekkigheid daaraan vast.
1) Alleen in !let plakkaBit van 1606 wordt, meer in 't algemeen,
geconstateerd, dat "die estimatie des goudts geresen is".
335
Behalve strafbepalingen gebruikte men ook den eed als een middel
tot handhaving der muntplakkaten. Eerst waren het alleen de regenten
en de ambtenaren, die men liet zweeren de tarifeering der munten te
zullen nakomen en handhaven. Doch het plakkaat van 1622 somt een
groot aantal categorien van burgers op, die alle verplicht zijn den
eed af te leggen. Daartoe behooren o.a. alle brouwers, alle her-
bergiers en alle kooplieden, zoowel de klein- als de groothandelaren!
Dit is ook inderdaad geschied. Er is een curieuse Amsterdamsche
keur van 23 October 1626, waarin geconstateerd wordt, dat een
aantal personen, die in de termen vallen, verzuimd hebben den eed
op het plakkaat van 1622 af te leggen - "eenighe doordien sij
tenselven tijde noch ongehuwt ende minderjarigh, andere omdat
sij uytlandigh waren" -, en dat deze zich nu gedragen, alsof zij
aan dit plakkaat niet gehouden zijn; zij worden nu verzocht om
hinnen 14 dagen den eed af te leggen; doen zij dit niet, dan zullen
zij toch behandeld worden "alsoff se den eed in conformit van 't voors.
placcaet ghedaen hebben"! Sinds 161 9 vindt men in de plakkaten het
uitdrukkelijke voorschrift, dat de rechters zich bij hun uitspraken aan
de wettelijke valuatie moeten houden. Dat teekent den toestand!
Een plakkaat van 1636 erkent, dat de menigvuldigheid van circu-
leerende penningen niet alleen veroorzaakt wordt door het binnen-
stroomen van buitenlandsch geld "maer oock door de inlandsche, soa
provinciaele als rijcksmunten, dewelcke van hare respective heeren
gelicentieert worden, onder het een pretext aft 't ander, sonder noch-
tans eenighen schijn van noodtwendigheydt ofte dienst, nu d'een dan
d'ander payementen te maken " Daarom schrijft het plakkaat
wederom nadrukkelijk voor, dat de provinciale Munten geen ander
geld mogen slaan dan rijksdaalders, leeuwendaalders, rijders en du-
caten, en de Rijksmunten slechts de penningen, die volgens de rijks-
ordonnantie geslagen mogen worden: rijksdaalder, goudgulden en
ducaat.
Het blijkt wel, dat men niet geheel blind was voor de werkelijke
oorzaken der muntverwarring; daar men zich echter onmachtig ge-
voelde om deze te bestrijden, nam men telkens weer zijn toevlucht tot
lapmiddelen. Zoo begreep men b.V. wel, dat er te veel Munten waren;
de Generaalmeesters hebben dikwijls genoeg aangedrongen op ophef-
fing der zes Rijksmunten. Maar voor dergelijke ingrijpende maatregelen
was het centrale gezag in de Republiek te zwak. Toch is er op den
duur wel iets bereikt. In het plakkaat van 13 Febr. 161 9 komt voor
het eerst het streven tot uiting om het groot aantal penningen, waarvan
336
de circulatie was toegelaten, te beperken. De in dit stuk aangekondigde
billioeneering geschiedde ook inderdaad in 1621, waarmede het aantal
toegelaten penningen belangrijk verminderde.
Over het algemeen was echter de toestand omstreeks het midden der
eeuw nog hoogst onbevredigend. De considerans van het plakkaat van
6 Maart 1645 is een ware jammerklacht over de "confusie" in het
geldwezen "daerdoor de gemeente komt te verarmen, alle !evensnoot-
druften te verduyren, confusie en diversie van koophandel te ontstaen,
eens yeders, soo des Landts als particulieren, jaerlicx inkomen - met
namen twelck in renten, pensioenen, tractementen en diergelijcke be-
grootingen van geldt bestaet - grootelijcks te verminderen, en so
voortgaende bijcans tot niet soude moeten vervallen, ja dat den staet
van 't Landt daerdoor komt in verwerringe ". Uit dienzelfden tijd
dateeren eenige verzoekschriften van Amsterdamsche kooplieden, waar-
in zij zich bitter beklagen over het nadeel, dat de muntverwarring aan
den handel berokkent; de vreemde kooplieden koopen op crediet en
betalen dan na een jaar of langer en profiteeren aldus van de verzwak-
king van de rekenmunt.
Eindelijk breekt het inzicht baan, dat met verboden en strafbepalin-
gen op dit gebied niet veel te bereiken is. De vele pogingen tot munt-
hervorming leden echter telkens schipbreuk. Het duurde nog tot 1659
eer een ingrijpende maatregel tot stand kwam. Na eindelooze onder-
handelingen en deliberaties besloten de Staten-Generaal toen tot het
aanmunten van twee nieuwe penningen op den voet van kruisdaalder
en ducaton. De beide nieuwe geldstukken, die iets lichter in gehalte
waren dan de Zuid-Nederlandsche oorspronkelijk waren geweest,
werden zilveren ducaat en zilveren rijder gedoopt, doch kregen in den
omloop al spoedig den naam van rijksdaalder 1) en ducaton.
Ongetwijfeld verkeerde het muntwezen der Republiek in de tweede
helft der 17de eeuw in een veel beteren toestand dan vroeger. Sinds
1659 bestond het circuleerende geld in hoofdzaak uit onze eigen pen-
ningen, al moest zoo nu en dan nog wel eens een waarschuwing tegen
de circulatie van Spaansche realen en ander vreemd geld worden uit-
1) Men moet dezen nieuwcn rijksda.alder niet verwarren met den oudpD,
die van beter gehalte was en tot onderscheiding voortaan veelal bank-
rijksdaalder werd genoemd. De oude rijksdaalder werd niet meer aan-
gemunt; soms echter, zooals in 1672, kwamen de oude exemplaren nog
weer te voorschijn en werden dan tegen 52 st. berekend. De leeu\vendaalder
daarentegen werd zelfs in de 18de euw nog veel aangemunt, omdat deze
als handelspenning, vooral in de Levant, zeer gezocht was.
337
gevaardigd. Bovendien werd nu door de muntmeesters niet meer zoo'n
groote verscheidenheid van penningen gemunt als in den aanvang
der 17de eeuw nog gebruikelijk was. Het strenge toezicht, door de
Generaalmeesters van de Munt op de muntmeesters uitgeoefend, heeft
eveneens een g u n ~ t i g e n invloed uitgeoefend.
Dat het geldwezen in ons land betrekkelijk zoo spoedig is verbeterd,
is overigens in het algemeen te verklaren uit het feit, dat de regeering
der Republiek in de 17de eeuw voor een groot deel in handen was van
regenten, die zelf kooplieden waren geweest of die althans met koop-
lieden in nauwe relatie stonden en die dus beseften, dat een goed
ingericht muntstelsel een levensbelang voor den handel is 1). Sinds
het midden der t 7de eeuw is de rekenmunt dan ook niet verder
verzwakt.
1) Van op::.ettelijke muntverzwakking, om daardoor de inkomsten uit
het sleischat te vergrooten, is dan ook in ons land tijdens de Republiek
nooit sprake geweest. In het buitenland geschiedde dit nog meermalen,
zij 't ook niet z dikwijls meer als in de Middeleeuwen. Men denke o.a.
aan de algemeene muntverzwakking in Duitschland tijdens het begin van
den Dertigjarigen Oorlog (de z.g. Kipper- und Wipperzeit, 1618-1623) en
aan de verzwakking van de Pruisische thalers door Frederik II tijdens
den Zevenjarigen Oorlog. In Frankrijk maakten Lodewijk XIV en vooral
ook, in 't begin der 18de eeuw, de regent, Philips van Orleans, zich in
ruime mate aan dit kwaad schuldig.
(Wordt vervolgd.)
TIJDSCHRIfT VOOR GESCHIEDENIS.
22
VALUTA- MO EI LI JKH ED EN EN G I RO - VERKEER
TI JDENS D E REPUBLI EK
D O O R
D R . J. G . V A N D I L L E N .
II.
In het vorige artikel is reeds gewezen op de groote beteekenis van
de munthervorming van 1659, waarbij de zilveren ducaat (nieuwe
rijksdaalder) en de zilveren rijder (ducaton) in ons muntstelsel zijn
ingevoerd. Het plakkaat van 11 Augustus 1659 is een mijlpaal geweest
in de geschiedenis van ons geldwezen
1
). Aan den omloop van vreemd
geld is hiermede grootendeels een einde gemaakt.
*) De aanhef va n het p l a kka a t v a n 11 Au g . 1659 l u i d t a l s volgt : Dewijle
d e pr ijse va n d e mat er i alen , d ie ter Mu n t e wer d en ghelever t , t welck men
noemt d en p r i js va n d en Mu nt e, i s het fond ament v a n d e mu n t slagh , v a n
d e evalu at i e end e va n alle het gu nt d aer aen r esp ect ivelijck d epend eert,
d at ver volgens d e bestend igheyt va n d eselve p r i js v a n allen ou d en t i jd en
i s geweest i n een bysond ere besor gi ngh va n d e Hooge Over heyt , als ni et
behoorend e op en af te loopen naer lu st en appet ijt v a n d en lever aer
nochte geenszins te p ar t i ci p er en v a n d e ongest ad ige nat u er e end e ver -
an d er li ckh eyt v a n d e gewoonlijcke commer ci e, maer a l l ei n i ch i s tot d i enst
va n d eselve; nocht ans alsoo gemelte p r i js ged uerend e d e oor logen end e
eenige ja r en her waer t s, su lcks tegen alle onse p lacat en end e mu n t s-
i nst r u ct i n, i s gesteygert d oor het ver loop van d e evalu at i e, oock d oor het
t r an sp or t v a n onse mu n t smat er i alen tot uyt heemsche end e n abu yr i ge
Mu n t en , d at wi j d eselve st eyger inge als n u niet t ' eenemael met gevoech-
li jckheyt hebben ku n n en her br engen tot d en ou d en voet v a n onsen mu n t -
slach : soo zi jn wi j genootsaeckt gewerd en te or d onner en, d at op a l l e
Mu n t en v a n onse Genieerd e Pr ovi nci n su llen mogen geslagen wer d en
twee nieu we si lver e cap i t ale p enni ngen, met d e helft en v a n d i en , ten name
va n een Ned er land sen si lver en r i jd er end e si lver en d u caet , end e bij mi d d el
v a n su lcks op d e voor sz. p r i js sood anige ver hooginge te maecken, waer -
med e hoop elijcken afgesned en k a n wer d en d er mat er i alen t r an sp or t
voorsz., als konnend e met d eselve ver hooginge sooveel h i er te land e ghe-
p r ofit eer t wer d en op d e p r ovi n ci ale mu n t sl ach v a n onse Un i e als eld er s
d aer een behoor lijcke mu nt soor t bearbeyt wer t ."
Voor t s wor d t verbod en om mu n t ma t er i a a l , gemu nt of ongemu nt , te

Ee n bi jz on d er h ei d v a n d it p l a k k a a t i s , d at h i er i n v oor het eer st
d e on d er s ch ei d i n g v a n z w a a r en cou r an t gel d w o r d t gema a kt . De
ou d e r i jk s d a a l d er en d e leeu wen d aald er w a r e n z ooa l s men z i ch
z a l h er in n er en sin d s l a n g d oor Zu i d - N e d e r l a n d s ch gel d u it d en
oml oop v e r d r on g e n ; zij w er d en echt er n og st eed s aan gemu n t t en behoeve
v a n d en h a n d e l , als n egot iep en n in gen d u s, en gol d en als z o o d a n i g
n a t u u r l i jk st eed s meer d a n d e officiele v a l u a t i e. N u w o r d t echt er i n
het gen oemd e p l a k k a a t d e fict ie g e h a n d h a a fd , d at d e w a a r d e v a n
r i jk s d a a l d e r en leeu wen d a a ld er n og st eed s niet meer d a n r esp . 50 en
40 st u iver s bed r a a gt . In over een st emmin g h ier med e wor d t d e z i l v er en
d u ca a t (n i eu we r i jk s d a a l d e r ) op 48 st . en d e z i l v er en r ijd er (d u ca t on )
op 60 st . gesch at , d och alleen als z . g . z w a a r g e l d ; d a a r n a a st w or d e n
d e beid e n ieu we p en n in gen v oor d en oml oop , als cou r an t g e l d , r esp .
op 50 en 63 st . get a r i feer d . Vo o r r i jk s d a a l d er en l eeu wen d a a l d er
w o r d t geen w a a r d e i n cou r an t gel d op gegeven , omd at d eze i n d e
ci r cu l a t i e niet meer v o o r k w a me n . Vo o r d en t er m z wa a r g e l d " w e r d
ook w e l d e b e n a mi n g b a n k g e l d " g ebr u i k t , a a n gez i en d e Ams t e r -
d a msch e Wi s s e l b a n k z i ch a a n d eze va lu a t ie moest h ou d en .
De p r i js , w a a r v o o r het ma r k f i jn z i l v e r a a n d e Mu n t e n w o r d t a a n -
gen omen , is i n het n ieu we p l a k k a a t v e r h oog d . Er k e n d w o r d t , d at het
on mogel i jk is d en vr oeger en i n k oop s p r i js te h a n d h a v en , a a n gez i en
d e z i l v e r p r i js d efin it ief h ooger is gewor d en t en gevolge z ooa l s
het i n het p l a k k a a t heet v a n het v er l oop v a n d e evalu at ie, oock
d oor het t r a n sp or t van on se mu n t ma t er i a l en t ot u yt h eemsch e end e
n a bu yr i ge Mu n t e n ".
Vo o r t s w o r d t ver bod en om mu n t ma t er i a a l te ver h an d elen of u it te
voer en . Di t w a s een h e r h a l i n g v a n d e v oor s ch r i ft en d er vr oeger e
p l a k k a t e n . De over h eid h a d z i ch st eed s op het st an d p u n t gest eld , d at
d e mu n t ma t er ia len geen gewon e h a n d el swa r en z i jn , d och t egen d en
officieelen p r i js t er Mu n t e beh oor en gelever d te w o r d e n . Ui t v oe r v a n
verhandelen nochte ter Munte te leveren tot hooger prijs dan de jegen-
woordige onderstaende onse lijste ofte verklaringe medebrenght". Boven-
dien wordt uitvoer van munt-materiaal verboden naer andere uyt-
heemsche ende vreemde Munten, gelegen buyten desen Staet", conform
het plakkaat van 7 Dec. 1613.
Het is eigenaardig, dat de inkoopsprijs van het zilver verschilt naar
gelang van den penning, die gemunt zal worden. De l everaer" ontvangt
per mark fijn zilver op den voet van den rijksdaalder 23 g. 14 st.; van
den leeuwendaalder 23 g. 11 st; van den zilveren rijder 23 g. 9 st. 24 mijt;
van den zilveren ducaat 23 g. 13 st. 12 mijt. (48 mijten = 1 stuiver.) Even-
eens worden de bedragen van muntloon, sleischatten enz. per mark op
eiken penning nauwkeurig opgegeven. Al deze sommen luiden i n zwaar
of bankgeld; i n courant geld zijn zij 5 % hooger. Groot Plakkaatboek, II.
g o u d en z i l v er w a s alleen g eo o r l o o fd i n d en v o r m van n eg ot i e-
p en n i n g en .
De z e v er p l i ch t i n g o m a l het in gevoer d e g o u d en z i l v er t egen een
v a s t en p r i js a a n d e Mu n t e n te lever en is echt er d oor d e k o o p l i ed en
v eel v u l d i g o n t d o k en . To t d e voor n a a mst e s ch u l d i g en beh oor d en v o o r a l
d e beid e gr oot e Comp agn ien . De Wes t -In d i s ch e Co mp a g n i e i m p o r -
t eer d e g o u d v a n d e ku s t v a n Gu i n e a , t er w i jl d e Oo s t -In d i s ch e C o m -
p a g n i e st eed s veel g o u d en z i l v er on gemu n t of i n d en v o r m v a n
Sp a a n sch e r ealen n a a r Ind i v e r z o n d ; beid e h a d d en d e n ei g i n g
bij h a a r t r an sact ies d e N ed er l a n d s ch e Mu n t en v oor bi j te g a a n . Do c h
z el fs d e st ed elijke Wi s s e l b a n k e n ma a kt en z i ch i n d it op z i ch t soms
aan w et s o n t d u i k i n g s ch u l d i g . Z o o w o r d t b . v . i n een mi ssi ve d er
Gen er a a l meest er s v a n d e Mu n t v a n 7 Ju n i 1628 g ek l a a g d d a t bij d e
Ba n ck e t ot Ams t er d a m ver coch t wer d e aen d i e v a n d e Oo s t -In d i s ch e
Co mp a g n i e mer ckel i jcke qu an t it eit en v a n Gu i n ees ch g ou t , i n lin g ot t en
gegot en , om t selve te lan d e u u t ver voer t te w er d en , son d er d at het t er
Mu n t e a l h i er i n geld e geconver t eer t w a s " *) .
To e n d e ed el met a a l h a n d el hier te lan d e st eed s meer i n bet eekenis
t oen am, wer d en d e gen oemd e bep a l i n g en o p d en d u u r o n h o u d b a a r
2
) .
Bi j r esolu t ies d er St a t en -Gen er a a l v a n 1 A u g . en 4 Oct . 1647 is d a n
o o k b e p a a l d , d at v o o r t a a n t weed er d e d eel v a n het in gevoer d e mu n t -
ma t er i a a l w ed er o m z o u mog en w o r d e n u i t g ev o er d . We l i s w a a r w e r d ,
z o o a l s h ier boven is v er mel d , bij het mu n t p l a k k a a t v a n 1659 d e u it voer
wed er om geheel v er bo d en , d och op a a n d r i n g en v a n Ams t er d a m
is r eed s bij r esolu t ie v a n 26 Ma a r t 1660 d e v r i jh ei d v a n u it voer h er s t el d ,
on d er v o o r w a a r d e d at t enminst e een d er d e d er in gevoer d e h oeveelh eid
t er Mu n t e z o u w o r d e n g el ev er d .
U i t d en a a r d d er z a a k heeft d e bet r ekkel i jke v r i jh e i d t en a a n z i en
v a n d en u i t voer v a n mu n t ma t er i a a l een zeer g u n st i g en i n v l o ed u i t -
geoefen d op d en ed el met a a l h a n d el . Vo o r het mu n t wez en w a s d eze
v r i jh e i d echt er niet z on d er bed en ki n g , w a n t h i er d oor w a s het v oor d e
mu n t meest er s d i k w i jl s zeer mo ei l i jk o m z i ch t egen d en va st g est eld en
p r i js v a n v ol d oen d e mu n t ma t er i a a l te v o o r z i e n
8
) .
l
) De citaten in dit artikel zijn grootendeels ontleend aan mijn Bron-
nen tot de geschiedenis der Wisselbanken". Rijks geschiedk. Pu bl icatin
59 en 60. Nijhoff, 's Gravenhage.
*) Vel . mijn artikelen Amsterd am als wereldmarkt der edele metalen",
De Economist, 1923.
) Zoo was althans de opvatting der Generaalmeesters van de Munt.
Door Amsterdam werd hiertegen ingebracht, dat bij verbod van uitvoer
We l i s w a a r w e r d bij exp or t d oor d e Ad mi r a l i t ei t s col l eges gecon t r o-
l eer d , of d e ver p l i ch t e l ever i n g ter Mu n t e v a n n d er d e va n de
gemp or t eer d e hoeveelheid h a d p l a a t s geh a d , d och bl i jk ba a r w a s
d eze cont r ole niet a l t i jd even st r en g. In elk geva l w a s er geen s p r a ke
v a n , d at de ma xi mu mp r i js geh a n d h a a fd kon w or d e n . De on d er l i n ge
concu r ent ie d er 14 mu nt meest er s h a d voor t s de s t r e k k i n g d en ma r k t -
p r i js n og hooger op te voer en . In d it op z i ch t bleven d e bep a l i n gen
va n het p l a k k a a t va n 1659 d a n ook d ood e let t er s. Reed s i n een r a p p or t
v a n 17 A u g . 1661 kl a gen de Oen er a a lmeest er s over de s t i jgi n g v a n
d en z i l v e r p r i js en v er kl a r en z i j, d at d e d a gel i jcxe er var ent heyt
sp r eeckt a l s d u ysent get u ygen , d at t er i n en bi n n en onse p r o v i n -
t in bij yd er een op en ba r en h a n d el ged r even w or t met gou t en
s i l ver , ma l ca n d er d ie t oep assend e tot su l cken p r i jse a l s elck naer s i jn
i n d u st r i e bed i n gen ca n ". On d e r d egenen, d ie z i ch h i er a a n s ch u l d i g
ma ke n , z i jn vele Jod en d oor loop end e bi jn a er a lle de pr ovint in va n
st ad t tot st ad t , op sou cken d e a l l w a t maer naem end e gest alt e va n geit
heeft , d a er en boven oock hoop en s i l ver va isellen a ls a n d e r s ". Bl i jk ba a r
w e r d d u s ook het gemu nt e gel d op gekoch t en ver smol t en .
In een r a p p or t va n 18 Sep t . 1663 const at eer en d e Gen er a a l meest er s
w e d e r om, d at het mu n t ma t er i a a l i n gr oot e hoeveelheid w or d t u i t -
gevoer d en d at d e mu nt meest er s het niet v oor de i n het p l a k k a a t va s t -
gest eld e p r i jz en ku n n en bekomen . Ind ien h a n d h a v i n g va n het p l a k k a a t
v a n 1659 on u i t voer ba a r bl i jkt te z i jn , z a l de ma xi mu mp r i js v er h oogd
moet en w o r d e n , het geen alleen mogel i jk is d oor d e sleischat t en va n de
Gen er a l i t ei t en v a n d e p r ovi n ci es en st ed en te ver mi n d er en . Do ch d i t
laat st e z a l niet gema kkel i jk z i jn , v e r z u ch t e n d e s ch r i jv er s : Da n hoe d ye
n u so op een s p r on gh te becomen u yt d e casse va n yd er p r ovi n t i e oft e
st ad t , hebbend e exer cit ie v a n mu n t s l a g h ! Hoe op u s , h i c l a bor e s t !"
De fa ct or s , d i e te Ams t e r d a m voor de mu nt meest er s het z i l v er
i n koch t en , w a r en ged w on gen st eed s hooger e p r i jz e n te be t a l e n
1
) .
Oo k de Wi s s e l ba n k e n kon d en z i ch n a t u u r l i jk niet a a n d en m a xi m u m -
van r au w" muntmateriaal ook de invoer sterk zou verminderen en de
edelmetaalhandel naar elders verplaatst zou worden. Zie voor deze contro-
verse mijn artikelen in de Economist van 1923.
*) Een rapport der Generaalmeesters van 28 Juli 1668 verklaart dat
vele particuliere coopluyden als in een gewoonte quamen bij conni-
ventie der regeringe, quasi omme de negotie te stabiliren het silver-
ende goutmateriael door publicque maeckelaers te contracteren ende dat
daerdoor de muntmeesters oorsaecke namen omme haer factoren tot
Amsterdam tot incoop van materialen, soo van gout als silver, te laten
resideren ende tegens malcanderen te loff ende te bott hoewel onder
en door een derde handt de materialen opcoopen "
p r i js h ou d en . Bi j r esolu t ies d er St a t en -Gen er a a l va n 18 Me i 1668
en va n 15 Ja n . 1670 is t oen d e wet t el i jke i n k oop s p r i js met 4y2 s t u i ver
ver h oog d en d u s gebr ach t op 24 g . 17V& st . (cou r a n t g el d ) p er ma r k
z i l ve r
1
) . Di t w a s alleen mog el i jk d oor a fs ch a ffi n g va n het sleisch at
d er Gen er alit eit en ver mi n d er i n g va n d at d er p r ovi n ci es en d er z es
st ed en, d ie het mu nt r echt bez a t en .
De z i l ver p r i js is echt er ged u r end e de t weed e helft d er 17d e eeu w
bl i jk ba a r voor t d u r en d gest egen. N a u w e l i jk s va st gest el d , w a s de ver -
h oog i n g va n d en wet t el i jken p r i js r eed s niet meer vol d oen d e. Da a r
ver d er e ver h oog i n g bl i jk ba a r niet mogel i jk w a s , best on d er sin d s
omst r eeks 1671 feit elijk voor l oop i g geen ma xi mu mp r i js meer .
De d u u r t e va n het z i l ver h a d ten gevolge, d at de mu nt meest er s z i ch
i n 't bi jz on d er op het slaan va n p asmu n t t oelegd en en voor t s d at z i j
bij de a a n mu n t i n g van cap it ale p en n i n g en " t en a a n z i en va n gehalt e
en gewi ch t gin gen kn oei en . Di t laat st e gesch ied d e voor a l bij het
mu nt en va n n egot iep en n in gen . In een memor ie d er Gen er aalmeest er s
va n 9 De c. 1680 heet het , d at de mu nt meest er s cap it ale p en n in gen
su llen d e mu n t en , d eselve op h als en cr a a g h , soo men seght , soo
schaer s coomen te ma ecken , in son d er h eyd t va n d e p en n in gen ter
coop ma n s ch a p , als ba n ckr i jcks d a el d er s , leeu wen d aeld er s ende silver e
d u cat en , d ewel cke t er st ond t d oor de coop l u yd en wer d en ver son d en ,
d at d e r ep u t at ie va n d en St aet d a er d oor te cor t ged aen end e d e
commer cie d a er d oor aenst oot sa l coomen te l i jd en " Zeer t er echt
w i jz en de Gen er aalmeest er s er h er h a a l d el i jk op , d at d e goed e r ep u t at ie,
d ie het Ned er l a n d s ch e gel d in d en vr eemd e geniet , voor d en h an d el
va n het gr oot st e bel a n g i s
2
) .
Te r w i jl in de gewone ci r cu l a t i e een over gr oot e ma ssa sch el l i n gen
en an d er e p asmu n t w er d a a n get r offen , h ad d en d u cat on en z i l ver en
d u caat st eed s meer het ka r a kt er va n n egot iep en n in gen ver kr eg en .
1
) Er wordt blijkbaar geen verschil meer gemaakt naar gelang der
penningen.
2
) In een rapport van 1 Aug. 1681 vermelden de Generaalmeesters,
dat de Franschen en Engelschen 7 a 8 jaren geleden bij hun handel i n
de Levant siende, dat hare gelden bij die barbaren, vermits de onseeckere
deught, niet vastelijck in cours conden werden gebraght, maer met onse
rijxdaelders, dogh meest leeuwendalers als daer seer acceptabel sijnde
te moeten handelen, ontrent die tijt op valsche Munten in de eylanden
van Tenedos ende Scio hebben getraght onse leeuwendalers naer te mun-
ten; dogh, alsoo die van tijt tot tijt door haer wierden versleght, sulx
dat daernaer ontrent seven penningen fijns i n plaets van negen pen-
ningen hielden, soo is hare negotie sedert die tijt genoeghsaem bedorven,
daer d'onse zedert door de geduyrige ge xperi menteerde deught der pen-
ningen is verbetert".
H et z el fd e d u s w a t vr oeger met r i jk s d a a l d er en l eeu wen d a a l d er gesch ied
w a s . Vo o r a l d e u it voer v a n d u cat on s h a d gr oot e a fmet i n gen a a n -
gen omen . Si n d s 1660 k 1670 bet r ok d e En gel s ch e Oos t -In d i s ch e
Co mp a g n i e r egel ma t i g gr oot e hoeveelhed en d u cat on s u it ons l a n d . In
d e laat st e ja r en d er 17d e eeu w w e r d d oor d e agent en v a n d it l i ch a a m
te Ams t e r d a m, het cen t r u m v a n d en sp eci eh a n d el , ja a r l i jk s v oor een
b ed r a g v a n 7 a 8 mi l l i oen gu l d en a a n d u cat on s gekoch t . Oo k onze
eigen Oos t -In d i s ch e Comp a g n i e v er z on d d e d u cat on s i n ma ssa n a a r
In d i. Bo v e n d i e n bes t on d er n o g een gr oot e u i t v oer v a n d u ca t on s
n a a r d e Zu i d e l i jk e N ed er l a n d en , w a a r zij t egen d en koer s v a n
65 st u iver s ci r cu l eer d en .
A l w a s d e mu n t v e r w a r r i n g l a n g niet z oo gr oot meer als i n d en
a a n v a n g d er 17d e eeu w, t och w a s d u s d e t oest an d a l l er mi n st b e v r e d i -
g en d . La n g z a me r h a n d k w a m men tot d e ov e r t u i g i n g , d at het w e n -
sch el i jk w a s wed er om een n i eu wen p en n i n g i n t e voer en . Si n d s 1671
d r i n gen d e Gen er a a lmeest er s on op h ou d el i jk a a n op d e a a n mu n t i n g
v a n een n i eu w gel d st u k, t er w a a r d e v a n d e r eken mu n t , d en g u l d e n .
Do o r d en geleer d en koop ma n Joh an n es Ph oon s en w o r d t d i t v oor s t el
i n z i jn boek over d e Ams t er d a ms ch e Wi s s e l b a n k , d at in 1677 ver sch een ,
k r a ch t i g on d er st eu n d . H i j w i js t op het voor beel d v a n an d er e l a n d en
en bet oogt , d at d oor a a n mu n t i n g v a n d e r eken mu n t ons mu n t st elsel
t en zeer st e ver bet er d z ou w o r d e n . To ch d u u r d e het n og ger u i men t i jd ,
eer d at d e gu l d en als s t a n d p en n i n g d er Rep u bl i ek w e r d a a n v a a r d .
We l i s w a a r g i n g H o l l a n d r eed s i n 1681 tot i n v oer i n g v a n het d r i e g u l d e n -
st u k over , d och d it v oor beel d w e r d p as i n 1686 d oor eenige and er e
p r ov i n ci es g e v ol g d , t er w i jl eer st eenige ja r en lat er d e gu l d en als s t a n d -
p en n i n g d er Gen er a l i t ei t w e r d a a n gen omen . H oe w e l d e d r i eg u l d en ,
n a a r v er h ou d i n g , v a n gelijk gehalt e en gewi ch t wa s a l s de d u ca t on
en d e z i l v er en d u caat , kon t och d e i n k oop s p r i js v a n z i l v er iet s v e r -
h oog d w or d e n , n.1. t ot 25 g . 2 st . p er ma r k . De koop l i ed en moch t en
het voor a a n mu n t i n g best emd e z i l v e r ook aan Wi s s e l b a n k e n lever en ,
d och kr egen d a n slecht s 25 g . 1 st .
Da a r echt er d e ma r k t p r i js v oor t d u r en d h ooger w a s d a n 25 g . 2 st .,
w e r d d e n ieu we p en n i n g v o o r l o o p i g slecht s in ger in ge h oeveelh eid
a a n gemu n t . Du ca t on s wer d en w e l gesl a gen , d och slecht s o m , boven
d en wet t el i jken koer s , aan d e koop l i ed en ver koch t te w or d en t ot u it voer
n a a r het bu i t en l a n d . In d e gewon e ci r cu l a t i e best on d een ov er v l oed
v a n p a smu n t , v oor a l v a n s ch el l i n gen . To t over maat v a n r a mp w a s een
gr oot d eel d ezer s ch el l i n gen , t en gevolge v a n kn oei er i jen d er mu n t -
meest er s, v a n slech t geh alt e. Zo o heer scht e h ier i n het laat st e k w a r t a a l
d er 17d e eeu w een wa r e s ch el l i n gen p l a a g t
De verergering van den toestand maakte, dat de Generaalmeesters
van de Munt steeds krachtiger op verbod van uitvoer van zilver en
op herstel van den maximumprijs gingen aandringen
1
). Dit stuitte
echter, evenals vroeger, af op het hardnekkig verzet van Amsterdam
Wel verscheen den 22en Dec. 1686 een plakkaat van Holland, waarbij
voor den inkoop van zilver door de muntmeesters, Wisselbanken en
gezworen wisselaars een maximumprijs van resp. 25 g. 2 st. en 25 g.
1 st. werd vastgesteld. Op overtreding werd een boete van 2000
gesteld, benevens confiscatie van het muntmateriaal. Veel uitwerking
had dit provinciaal plakkaat natuurlijk niet. Een algemeene regeling
voor de geheele Republiek was noodzakelijk. Het tot stand komen
van een Generaliteitsplakkaat werd echter vertraagd door de weigering
van Holland om toe te stemmen in een beperking van de vrijheid
van uitvoer van zilver en in de vaststelling van een maximumprijs
voor den zilverhandel in het algemeen. In het bovengenoemde plak-
kaat van Holland werd immers slechts een maximumprijs vastgesteld
voor den inkoop door muntmeesters, Wisselbanken en wisselaars,
terwijl de Generaalmeesters, constateerende, dat Holland niet en
gelieft te resolveren tot het extenderen der poenaliteit van de coopers
tot de vercoopers", oordeelden, dat de bepaling onvoldoende was, en
verlangden, dat de maximumprijs algemeen zou gelden, zoodat ook
de kooplieden onder het bereik der strafbepalingen zouden vallen.
In de derde plaats wilde Holland niets weten van de door de Generaal-
meesters gewenschte verplichting der Wisselbanken om al het door
haar ingekochte zilver aan de Munten te leveren. In de Staten-
Generaal werd vooral door Zeeland het standpunt der Generaal-
meesters verdedigd. De hardnekkige strijd, die hierover tusschen
Holland en Zeeland werd gevoerd, was echter oorzaak, dat er in
't geheel geen Generaliteitsplakkaat tot stand kwam.
In de volgende jaren zonden de Generaalmeesters steeds weer
opnieuw memories aan de Staten-Generaal, die vervuld waren van
klachten over den droevigen toestand van verval, waarin het munt-
wezen verkeerde. De houding van Holland, die in deze materie v.n.
door het belang van den Am sterdam schen speciehandel beheerscht
werd, bleef echter afwijzend. In den loop van het jaar 1689 kwam
men echter eindelijk ook in Amsterdam tot de overtuiging, dat de
*) Herhaaldelijk is ook het denkbeeld geopperd om uitsluitend de Wis-
selbanken tqt aankoop van muntmateriaal bevoegd te verklaren. De ban-
ken zouden dan alles, behoudens het voor draadtrekkers en zilversmeden
benoodigde, aan de muntmeesters moeten leveren.
oppositie tegen de door de Generaalmeesters voorgestelde maatregelen
niet langer vol te houden was. Zoo kwam ten slotte den derden Mei
1690 een Generaliteitsplakkaat tot stand, waarbij voorloopig slechts
voor zes maanden de uitvoer van de helft van het muntmateriaal,
dat zich in het land bevond of ingevoerd zou worden, werd verboden.
Een paspoort voor uitvoer zou slechts verleend worden op vertoon
van een recepis, ten bewijze dat een gelijke hoeveelheid aan een
muntmeester of aan een Wisselbank was geleverd ten prijze van
resp. 25 g. 2 st. of 25 g. 1 st. per mark zilver. De strafbepaling ten
aanzien van overtreding van den maximumprijs gold ook voor den
verkooper. De Wisselbanken werden verplicht al haar muntmateriaal,
behoudens hetgeen noodig was voor de draadtrekkers en de zilver-
smeden, aan de Munten te leveren.
Dit plakkaat is in de eerstvolgende jaren telkens verlengd, o.a. in
1694. De nakoming liet echter veel te wenschen over. In December
1691 deelt de Generaalmeester Willem Boreel mede, dat hetselve
silver oock jegenswoordigh tot Amsterdam nog 25 g. 13, 14, 15 st.
ter Beurse onder de coopluyden wert verkoght, gelijk blijkt uyt seker
kleyn prijscourantgen, dat sij malkanderen geven". In een ander
rapport wordt gemeld: doordien het de Wisselbancken en de silver-
handelaers, in weerwil van Uw Ho. Mo. ordres, met hunne convenintie
niet kunnen goet vinden te accorderen den gefixeerden prijs van 25 g.
2 st. per marck fijns als het fundament van Uw Ho. Mo. muntslagh
naer behoren te observeren, maer dat door het doen uytstrooyen van
clandestine prijscouranten waarbij tegens den teneur van Uw Ho.
Mo. placaat het marck fijns voor 25 g. 13, 14 k 15 st. ter koop wert
gepresenteert veroorsaeckt is geworden, dat op dezen huydigeir
dagh geen eenen capitalen penningh heeft kunnen werden gemunt
In het bijzonder wordt telkens over de Amsterdamsche Wisselbank
geklaagd. Deze neemt o.a. de kunstgreep te baat om ten behoeve
van de verkoopers van zilver de agio van het bankgeld slechts op
4 % te berekenen, terwijl deze in werkelijkheid meer dan 5 % bedraagt.
In een rapport der Generaalmeesters van 13 Nov. 1697 wordt ge-
constateerd, dat nch de muntmeesters, nch de Wisselbanken en
de gezworen wisselaars, nch de Oost-Indische Compagnie zich aan
het plakkaat storen. In het volgende jaar zijn daarom de op over-
treding gestelde straffen verzwaard.
Intusschen waren ook nog andere maatregelen ter verbetering van
het muntwezen genomen. De belangrijkste daarvan is wel, dat bij
resoluties der Staten-Generaal van 1691 en 1694 de gulden als stand-
penning der Generaliteit is aanvaard. De eigenlijke standpenning was
d e d r i e g u l d e n ; even wel wer d en ook gel d s t u kken va n 2, \ y2 en 1 gu l d en
i n ci r cu l a t i e g e b r a c h t
1
) . Vo o r t s z i jn in d e ja r en 16921694 kr a s s e
maat r egelen gen omen ten op z i ch t e d er slecht e sch el l i n gen . Dez e w e r -
d en n.1. i n koer s ger ed u ceer d tot st u iver , t er wi jl de goed e wer d en
gep oi n 9oen eer d
, ,
of a f g e s t e m p e l d
2
) . Va n d a a r d at vele sch ellin gen
u i t d ien t i jd een con t r ast emp el of z . g . k l o p " ver t oon en .
Ee n er nst ige bel emmer i n g voor ver bet er in g v a n het mu n t wez en wa s
gelegen in het over gr oot a a n t a l on d er l i n g con cu r r eer en d e Mu n t e n . In
1599 w a s r eed s d oor H o l l a n d voor gest el d te bep a l en , d at beu r t elin gs
st eed s slecht s t wee Mu n t e n z ou d en mogen wer ken , een d en kbeel d , d at
ook i n 1622 wed er om is op gekomen . Di t id is echt er nooit v er -
wez en l i jk t . Vo o r t s w a s a l va n d en a a n v a n g d er 17de eeu w af
d oor d e Gen er a a l mees t er s a a n ged r on gen op d e op h effi n g d er z es Ri j k s -
of St a d smu n t en . H i er t oe is men ei n d el i jk in 1694 over gega a n . De z es
st ed en wer d en sch ad eloos gest eld d oor een ja a r l i jks ch e u i t keer i n g v a n -
wege de Gen er a l i t ei t . H i er ov er z i jn in de volgen d e jar en n og w e l eens
moei l i jkh ed en ger ez en , maar tot her st el d ez er Mu n t en is ' t t och niet
meer gekomen . Da a r med e wa s d u s het a a n t a l Mu n t en v a n 14 tot 8
v er mi n d er d . Bov en d i en w a r e n i n de 18d e eeu w de p r ov i n ci a l e Mu n t en
v a n Fr i e s l a n d en Gr on i n g e n slecht s z eld en in w e r k i n g .
De i n v oer i n g v a n d en d r i egu l d en als st a n d p en n i n g en d e op h effi n g
d er Ri jks mu n t en z i jn on get wi jfel d de belan gr ijkst e h er vor mi n gen , d ie
op het gebi ed va n het mu n t wez en in het laat st e k w a r t a a l d er 17d e
eeu w t ot st an d z i jn gekomen .
Z i j hebben b l i jk b a a r ook su cces geh a d , w a n t in de eerste d ecennin
d er 18d e eeu w w a s het g e l d w e z e n i n on s l a n d , v er gel eken bij v r oeg er ,
v r i j goed i n or d e. De d r i e g u l d e n heeft n ooi t o p g e l d ged a a n en is ook
n ooi t n eg ot i ep en n i n g g e w o r d e n , z ooa l s met d e v r oeger i n gev oer d e
p en n i n gen st eed s ges ch i ed w a s . A l s n egot i ep en n i n gen z i jn i n d e
18d e eeu w d u ca t on s , r i jk s d a a l d er s , l eeu wen d a a l d er s en gou d en
d u ca t en i n g eb r u i k .
Me n w a s z i ch nu ook bet er bewu st v a n het v er sch i l i n nat u u r t u s -
sch en s t a n d a a r d gel d en n egot iep en n in gen . N o g i n het p l a kka a t va n
3 Me i 1690 w or d t gesp r oken v a n st a n d p en n i n gen , d ie t egel i jk p en n in gen
v a n negot ie z ou d en z i jn . In een memor ie va n 5 Me i 1692 oefent de
Gen er aalmeest er Bor eel op d ez e v er wa r r en d e t er mi n ol ogi e scher p e
kr i t i ek u it als sijn d e n ot oir e cont r ad ict in va n st an d t p en n in gh te si jn
*) Deze waren echter iets minder van gehalte dan de driegulden.
*) Vgl. W. F. Schimmel, Geschiedkundig overzicht van het muntwezen
in Nederland.
en een penningh van negotie te wesen, alsoo de standt- ofte valeur-
penningh van 't landt buyten alle licitatie off loff en bodt moet
blijven Dat werd in de 18de eeuw de algemeene opvatting.
De standpenning werd dan ook door de Amsterdamsche Wisselbank
in den regel niet in beleening aangenomen.
Terecht konden de Generaalmeesters in een memorie van 8 Nov.
1746 met trots constateeren, dat het muntwezen der Republiek door
een lange reeks van plakkaten, in den loop der jaren uitgevaardigd,
zeer verbeterd was. Waardoor ook het muntweesen hier te lande
heeft bekoomen een goede forme en consistentie, en de muntspecin
van deesen Staat, om derselver deugdelijkheid en juiste valeur, voor
die van alle natin zijn gereputeert en gesogt geworden in alle landen
van Europa en daarbuiten
,
\
Sinds den aanvang der 18de eeuw wordt de uitvoer van munt-
materiaal niet meer beperkt of belemmerd
1
). De plakkaten van 1690
en 1694 betreffende het verbod van uitvoer van de helft van het inge-
voerde muntmateriaal zijn blijkbaar spoedig in onbruik geraakt. De
edelmetaalhandel was dus in de 18de eeuw volkomen vrij.
Al waren de klachten over het geldwezen lang niet zoo talrijk en
zoo ernstig als in de vorige eeuw, geheel ontbroken hebben zij toch
echter niet. Vooral in de eerste helft der 18de eeuw was het munt-
wezen der Republiek nog niet zonder gebreken. De standpenning werd
wel aangemunt, maar niet steeds in voldoende hoeveelheid. De oorzaak
daarvan was de hooge zilverprijs, die het munten van drieguldens voor
de muntmeesters zeer onvoordeelig deed zijn. Daarentegen werden wel
zilveren negotiepenningen, vooral ducatons, in massa geslagen, daar
deze in den handel goed betaald werden. Bovendien legden de munt-
meesters zich steeds meer toe op de aanmunting van den gouden
negotiepenning, den ducaat. In verband met de grootere goudproductie,
ten gevolge van de ontginning der goudvelden van Brazili, werd
immers het goud steeds goedkooper.
De te geringe aanmunting van den standpenning wekte telkens
opnieuw de bezorgdheid der Generaalmeesters van de Munt. In een
missive van 14 Sept. 1707 bepleiten zij, zonder succes evenwel, weder-
invoering van het plakkaat betreffende beperking van den zilveruitvoer.
In memories uit de jaren 1710 en 1711 schrijven zij den hoogen zilver-
prijs aan de onderlinge concurrentie der muntmeesters toe; zij wen-
*) In den aanvang van den Spaanschen successie-oorlog is echter
de uitvoer van zilver, zoowel gemunt als ongemunt, voor korten tijd ge-
heel verboden geweest. Vgl. mijn artikelen in de Economist van 1923.
Tijdschrift voor Geschiedenis. 2
schen, dat de muntmeesters verplicht zullen worden om in overeen-
stemming met de oude, veelal in onbruik geraakte gewoonte het
geleverde muntmateriaal met het aantal penningen in specie, dat vol-
gens het voorschrift per mark goud of zilver gemunt moet worden, te
voldoen in plaats van het tegen den marktprijs te koopen. Doch ook
met dit voorstel hadden zij geen succes.
Ook in de jaren 1718, 1721 en 1722 zijn wederom pogingen gedaan,
die ditmaal niet alleen van de Generaalmeesters maar tevens van de
provincie Utrecht uitgingen, om een wettelijke beperking van de vrij-
heid van uitvoer van zilver te verkrijgen
1
). Doch ook deze pogingen
zijn afgestuit op den tegenstand van den Amsterdamschen handel. Uit
de gewisselde stukken blijkt, dat in 1721 het plan bestond een soort
kartel der muntmeesters te vormen om de onderlinge concurrentie bij
den inkoop van muntmateriaal uit te schakelen. Reeds was tusschen
vijf muntmeesters overeenstemming bereikt. Doch die van Zeeland en
Friesland hebben geweigerd zich aan te sluiten en daardoor is het plan
ten slotte in duigen gevallen.
In 1732 doen de Generaalmeesters het voorstel om tijdelijk den
aanmunt van ducatons, behoudens een beperkte hoeveelheid ten behoeve
van de Oost-Indische Compagnie, te verbieden, teneinde daardoor den
zilverprijs te drukken en het munten van den standpenning te bevorde-
ren. Sinds vijf jaren is er slechts voor een bedrag van 500.000 aan
guldens gemunt en daarentegen wel voor 12.000.000 aan ducatons,
terwijl van deze laatste hoeveelheid dewelke geheelijk naar Oost-Indin
vervoert is, door de Nederlandsche geoctryeerde Compagnie niet veel
meer als omtrent de helft is gerequireert geweest, en al het overige
gevolgelijk door andere Compagnien en door particulieren, en wel tot
onlijdelijk nadeel van de Nederlandsche geoctroyeerde Compagnie, ver-
sonden is". Het is echter begrijpelijk, dat men te Amsterdam van een
verbod van aanmunt van ducatons niets wilde weten, daar dit niet
alleen een stremminge, maar een geheele wegneminge van den toevoer
van 't silver na ons lieve vaderlandt na sigh soude sleepen". De
commissarissen der Amsterdamsche Wisselbank deden hunnerzijds een
tegenvoorstel, n.1. om aan de muntmeesters op den aanmunt der stand-
penningen een grein meer remedie
2
) toe te staan. Dit denkbeeld, dat
een geringe verzwakking van den standpenning beteekende, kon echter
*) Ook het oude denkbeeld dook weder op om de kooplieden te ver-
plichten al hun zilver tegen 25 g. 1 st. per mark te verkoopen aan de
Wisselbanken, die het dan met n stuiver winst per mark aan de munt-
meesters zouden moeten leveren.
*) De geoorloofde afwijking van het voorgeschreven gehalte.
geen genade vinden in de oogen der Generaalmeesters van de Munt.
Het gevolg van dit gebrek aan overeenstemming was, dat er niets
geschiedde.
Intussohen verergerde het kwaad hoe langer hoe meer ten gevolge
van de geleidelijke waardedaling van het goud in verhouding tot het
zilver. Aangezien de vroegere gouden standpenning, de rijder, niet
meer werd aangemunt, had de Republiek in dien tijd volgens onze
moderne terminologie den zilveren standaard. De kooplieden had-
den echter vrijheid om den gouden ducaat, als negotiepenning, te
doen aanmunten en maakten hiervan natuurlijk in ruime mate gebruik.
De ducaat drong nu echter ook steeds meer, tegen den koers van 5 g.
5 st., in de gewone circulatie binnen en dit werd in den beginne door
de overheid niet tegengegaan. Op den duur verdrong het goud echter
het zilver bijna geheel uit den omloop. Niet alleen dat de driegulden
nagenoeg niet meer werd aangemunt, maar, sinds o.g. 1740, werd de
standpenning zelfs in massa versmolten en uitgevoerd. In den loop
der veertiger jaren werd de toestand steeds erger. Al spoedig zag
men niets meer dan goud in den omloop; zelfs het loon der arbeiders
werd in goudgeld betaald. Er circuleerde ook veel vreemd goudgeld
van twijfelachtig gehalte. Doch het ergste was, dat ook onder de
ducaten, die vroeger als negotiepenningen uitgevoerd nu in massa
uit het buitenland terugstroomden, zich vele bevonden, die niet het
vereischte gewicht of gehalte bezaten. En der oorzaken van den
slechten toestand, waarin zoovele der teruggekeerde ducaten bleken
te verkeeren, was ongetwijfeld de praktijk van het snoeien, die blijkbaar
vooral in het buitenland veelvuldig op de Nederlandsche ducaten werd
toegepast. Het snoeien was toen zeer gemakkelijk, omdat de randen
der geldstukken nog niet gekarteld waren. Doch er was nog een andere
oorzaak van het kwaad, n.1. dat door de muntmeesters bij het aan-
munten van negotiepenningen vaak de hand gelicht werd met de voor-
schriften betreffende gehalte en gewicht. Een omstandigheid, die de
muntmeesters tot op zekere hoogte verontschuldigde, was de sinds
geruimen tijd ingeslopen gewoonte om aan de speciehandelaren pro-
visie te geven. Het aantal stuks van een negotiepenning, dat de munt-
meesters voor een bepaalde gewichtshoeveelheid goud of zilver, hun
door de kooplieden ter hand gesteld, moesten afleveren, was in de
plakkaten nauwkeurig bepaald. Daaraan hield men zich niet steeds,
doch, voorzoover dit wel 't geval was, had de onderlinge concurrentie
er de muntmeesters toe gebracht om aan de kooplieden een zekere
provisie te geven, die op den ducaat allengs tot %, ja zelfs tot
% %
w a s
geklommen. Dat was dus een belangrijke korting op hun
mu n t l o o n en dit br ach t hen in de v er l eidin g om met gewich t en geh alt e
t e kn oeien . De gewoon t e om p r ovisie te geven best on d wa a r s ch ijn l ijk
r eeds in het ein de der 17de eeu w. In de r a p p or t en der Oen er aal meest er s
w o r dt dit m is br u ik echt er p as sin ds 1718 ver mel d. In h u n memor ie
v a n den 10en A u g . v a n dit ja a r bet oogen zij, dat aan de mu n t meest er s
u it dr u k k el ijk beh oor t t e w er den gen t er diceer t het geeven v a n een ige
p r o v is ie, het zij op het sil ver , het sij op het g o u dt ". Een r a p p o r t der
Gen er aal meest er s va n 20 Dec. 1726 bevat kl a ch t en over den m u n t -
meest er v a n de Ho l l a n ds ch e M u n t te Do r dr ech t , die t ot gr oot e
sch ade zijn er col l ega ' s aan de koop l ieden bij a a n m u n t in g v a n go u den
du cat en % % p r ovisie geeft . O p den du u r w a s deze gewoon t e b l ijk -
ba a r algemeen gewo r den , t ot schade v o o r de deu gdel ijkh eid der
n egot iep en n in gen . To en n u t egen het m idden der 18de eeu w het l a n d
met gou den du cat en over st r oomd w er d, k w a m de gr oot e o m v a n g v a n
het k w a a d in het vol l e l ich t . Ten gevol ge zo o wel v a n het sn oeien al s
v a n de gen oemde p r a kt ijken der mu n t meest er s bleek een gr oot deel
v a n het cir cu l eer en de g o u d u it on deu gdel ijke gel ds t u kken te best aan .
To t over maat v a n r a mp k w a m er in dien t ijd ook weer veel m in der -
w a a r dig e vr eemde p asmu n t in o m l o o p .
De g el dv er w a r r in g gaf, even als vr oeger , a a n l eidin g t ot gr oot e
on t evr eden h eid in alle l agen der b ev o l k in g , doch in ' t bijzo n der in
h a n del s kr in gen . In een adr es va n Amst er da msch e ko o p l ieden en w in k e-
l ier s v a n Ja n u a r i 1749 w o r dt gekl a a gd dat zeeder t een ige ja r en
h er wa a r t s is in gesl oop en ' t gebr u yk en u yt geven v a n gou de sp ecin
t ot bet al in ge v a n a l l e r oer en de goeder en , vr ach t en va n sch ep en ,
a r beydsl on en al s an der sin t s, in zoover r e dat , dezel ve u yt gift e en be-
t a l in ge bij de meest en als geau t hor iseer t wer den de a a n gezien , a l s
zo da n ig aan veele t egen s w i l en da n k wer den o p gedr o n gen , da a r do o r
de n egot ie zeer w er d gen commodeer t , te meer a l zo o deeze gou de
sp ecin , zo o wel in l an dse al s u yt l a n dse, bevon den wer den te zijn veel
m in der in g ew ig t al s dezel v e bij den s o u v er a in is geor don n eer t en
go ed gev o n den t e b eh o o r en ".
In v er ba n d met a l deze kl ach t en gin gen de St a t en -Gen er a a l n u
ein del ijk over t ot het n emen v a n in gr ijp en de ma a t r egel en . Den 31 en
Ma a r t 1749 ver scheen een p l a k k a a t , w a a r bij het biqu et t eer en en be-
sn oeien v a n de Neder l a n ds ch e gou den of zil ver en mu n t sp ecin , het
u it geven en on t van gen v a n te licht e gou den du cat en *) ben even s het
*) De circulatie van te lichte gouden ducaten werd echter toegelaten,
voor zooverre de afwijking boven de remedie van 2 azen niet meer
dan 4 azen bedroeg, en mits met korting van 1% stuiver per aas. Reeds
1 Mei 1750 volgde evenwel een absoluut verbod.
ver smelt en van Ned er l an d s ch e z i l ver en st an d p en n in gen t en st r engst e
w e r d ver bod en .
Bov en d i en w e r d bij r esolu t ie van 1 Au gu s t u s 1749 aan de mu n t -
meest er s het geven van p r ov i s i e bij de aan mu n t i n g van n egot ie-
p en n in gen ver bod en . Tev en s w e r d hu n ver bod en om de vr ach t kost en
v an het ver voer v an het mu n t mat er i aal voor h u n r eken i n g te nemen
d oor te Ams t er d am een kan t oor te h ou d en *). Vo o r t s w e r d bij d ez el fd e
r esolu t ie tot het kar t elen d er d u cat en beslot en om het snoeien t egen
te g aan .
H et v er bod van p r ov i s i e ver oor zaakt e gr oot e o p w i n d i n g en on t e-
vr ed en h eid in de kr i n gen v an d en Amst er d amsch en sp ecieh an d el. De
bew er i n g v an de Gen er aalmeest er s, d at het ver zet niet u i t g i n g van de
voor n ame koop l i ed en , d och alleen van de Jood sch e h an d el aar s, bleek
s p oed i g on ju ist te z i jn . De vol komen st i l st an d , d ie n a de u i t v aar d i g i n g
v an het v er bod in d en sp eciehand el i n t r ad , bew ees boven d ien , d at het
ver zet niet on gegr on d w as . Het mu n t mat er i aal g i n g Ams t er d am
voor bi j en st r oomd e n aar de Zu i d el i jk e Ned er l an d en en v oor al n aar
P r u i s e n , w aar het t ot gou d e en s i l v er e Fr e d e r i ck e n " w e r d gemu n t . Di t
feit maakt e gr oot en i n d r u k , z ood at d e Gen er aal mees t er s i n N o v e mb e r
1750 ad viseer d en om het v er bod van p r ovi si e te sch or sen . Oo k de
bekend e W i l l e m Ker s s eboom gaf het zelfd e ad vi es. H i j s ch r i jft : ver mit s
n u d e gen er ale n egot ie i n d eeze l an d en geen gr oot er st u t heeft , z oo
z i j niet is de eenigst e, d an d e v oor r an g in Eu r o p a omt r ent het aan -
voer en van gou t en z i l v er mu n t er i aal , en d at d eze v oor r an g n a het
oor d eel van zooveel d eft ige en magt i ge koop l u yd en gevaar loop t om
ver loor en te w or d en , sch ijn t het t en u yt er st e b i l l i k , ja n ood z aakel i jk,
*) Dit had blijkbaar v.n. betrekking op de praktijken van den Dordt-
schen muntmeester, Otto Buck, die blijkbaar kapitaalkrachtiger zijnde
dan zijn collega's de ducaten en andere negotiepenningen bij voorraad
deed munten en ze in zijn kantoor te Amsterdam direct verkrijgbaar stelde.
De Utrechtsche muntmeester Novisadi zegt daarvan in een memorie:
Zeedert dat Jan Ruts, tot voordeel van den muntmeester Otto Buck,
het comptoir van ruiling, verwisseling, vooruitbetaeling en andere dier-
gelijke kunstgreepen weer gebruikt heeft, is de negotie bedorven; braave
kooplieden hebben moeten stil sitten, omdat zij teegens zulken handel
niet aen kosten, de negotie is gekomen uit braave handen in die der baad-
zoekende negotianten, zoo men dezelve aldus noemen mag, en alle Neder-
landsen muntmeesters zijn van haare kostwinning berooft, de gezellen
en werklieden loopen leeg en lijden armoede, de respective provincin
worden van haare muntslag berooft, en, zoolang dit getollereert word,
zoo zijn alle de Munten, behalven die van Dort, geru neerd, maar soo haast
dit voor het muntweezen zoozeer verderfelijk werk in Amsterdam zal
uitgeroeit zijn, zoo zullen kooplieden en muntmeesters levreeden zijn".
aan het versoek van dezelve te gemoet te komen met de oude indulgentie
weeder toe te laten De schrijver meent, dat het geven van
provisie de muntmeesters volstrekt niet noodzaakt, zooals zij voor-
geven, om de hand te lichten met de bepalingen betreffende gehalte
en gewicht, daar hun immers zoowel op gehalte als gewicht een
remedie is toegestaan
1
).
Nadat een bemiddelingsvoorstel van Utrecht, om de provisie op een
vast bedrag te bepalen, was verworpen, hebben de Staten-Generaal
bij resolutie van 20 Februari 1751 het verbod van provisie voor den
tijd van drie jaren opgeschort. Het is evenwel nooit meer in werking
getreden.
De gouden ducaat was een negotiepenning en dus eigenlijk geen
wettig betaalmiddel. Het gewone publiek, dat de fijne onderscheiding
tusschen standaardgeld en negotiepenningen niet kende, was daarvan
echter onkundig. Daarom wordt in het plakkaat van 1 Mei 1750
uitdrukkelijk verklaard, dat niemand verplicht is gouden ducaten in
betaling te nemen. In het vorige jaar was dit reeds door de Burge-
meesters van Amsterdam ter algemeene kennis gebracht. In verband
met het wantrouwen tegen de ducaten hadden trouwens de Staten-
Generaal reeds bij resolutie van 1 Aug. 1749 besloten tot het opnieuw
*) Remedie is de toegelaten a fwi jki n g van het voorgeschreven gehalte
of gewicht . Kersseboom schr ijft d aar over : Bij de inst r u ct in d er mu nt -
meesteren is bepaalt op 't alloy va n den d u caat een gr ein fijn gouds
remedie en op 't gewicht een engels op 't ma r cq wer ks. Het is d er halven
den muntmeesteren gepermitteert den d u caat te maaken , niet i n alloye
tot 23 car at en 8 gr ein fijn , ma a r van 23 car at en 7 gr ein fijn. En i n p laat s
d at 70 d u cat en moeten wegens 8 oneen, is het hen gepermitteert d ie zoo-
d a n i g te maaken , d at 70 d u cat en ma a r wegen 7 oneen 9 engelsen. Beid e
die remedin of u yt sp ar ingen deelde sedert lange jaar en de munt meest er ,
bij ind u lgent ie van de wet, met de koop lu yd en en had d en om d ie r ed en
veel wer ks en de koop lu yd en had d en een voord eel, t welk het gou d deed
van bu yt en i n komen ". Het blijkt n u echter, d at de munt meest er s de
voorschreve beide remedin of u yt sp ar in gen op d en d u caat i n fijnt e en
gewigt niet meer, gelijk voorheen, met de koop lu yd en, d ie het goud lever en,
deelen, ma a r die als een pr ofijt voor haar zelven alleen behouden, waar -
va n de consequentie is, d at de koop lu yd en niet wi l l en en niet konnen
lat en wer ken d an alleen d ezu lke, d ie als agenten d er mu nt meest er en
zijn 't Gevolg va n d it alles is, d at de legio d er mu n t han d elaar s,
geen zoo voor d elig of misschien geen altoos voor d elig cont r act met die
agenten konnend e maaken, absolu t ontzet zijn va n ha a r hand el en het
gout om die r ed en nament lijk het missen va n 't gewoone en bij i n d u l -
gentie gepermitteert p r ofijt niet meer n a her waar t s doen komen, ma a r
n a elders versend en of doen ver send en, a l wa a r sij eenig pr ofijt te maaken
zien. Hetzelve, tgeene va n 't goud gezegt nebbe, is ook ap p licabel op 't z i l -
ver ". De schr ijver conclud eer t d a n , d at het wenschelijk is het ver bod
va n p r ovisie op te heffen.
d o e n a a n mu n t en , v a n st a a t swege, v a n heele en ha lv e gou d en r i jd er s
a ls p r ovision eele st an d p en n i n gen . Ko r t d a a r n a st eld en d e Ge n e r a a l -
meest er s voor om ook aan p a r t i cu li er en v er gu n n i n g te geven gou d en
r ijd er s te d oen s l a a n . Di t v oor s t el on t moet t e echt er d e hevi ge o p p o s i t i e
v a n Ams t e r d a m, w a a r men vr eesd e, d at hier d oor d e a a n mu n t i n g v a n
gou d en d u cat en , over al in Eu r o p a als n egot iep en n in gen z oo gezocht ,
z o u ver mi n d er en . Het d en kbeeld is d a n ook niet v er wez en li jkt . Ze l fs
i s bij r esolu t ie va n 3 N o v . 1751 beslot en om d en ver d er en aan mu n t
v a n gou d en r ijd er s geheel te st aken .
In t u sschen k w a m er in d e eer st volgen d e ja r en n og slecht s w e i n i g
ver bet er in g in d en t oest an d va n het cir cu leer en d e g e ld . In 1759 kla gen
d e koop li ed en va n Ams t e r d a m, Rot t er d a m en De n H a a g in een ad r es
a a n d e St a t en -Gen er a a l wed er om over de cir cu lat ie van seer i mp o r -
t ant e qu an t it eit en ligt e en besn oeyd e gou d e d u caat en , d ie in w e e r w i l
va n U w H o . Mo . heilsaame r esolu t in en p lacaat en in d e w a n d e l i n g
z i jn gebleev en ". De ad r essan t en v er kla r en , d at zij z i ch d i k w i jl s ge-
n ood z a a kt hebben gezien mi n d e r w a a r d i g gou d geld in bet a li n g aan
te n emen , d och d at zij het gemeld e on t fan ge ligt e gou d in bet aali n gen
haar er koop ma n scha p p en niet wed er om hebben kon n en u i t g e e v e n ".
Do o r d eze en an d er e klacht en bewogen , v a a r d i gen d e St a t en -Gen er a a l
d en 2en Ju n i 1760 een p la kka a t u it , w a a r b i j wed er om evenals i n
vr oeger e p la kka t en d e omloop va n d u cat en , d ie meer d an t wee azen
te licht z i jn , w or d t v er bod en . De op over t r ed i n g gest eld e st r affen w o r -
d en v e r z w a a r d . We d e r o m w or d t het p u bli ek ond er het oog gebr acht ,
d at d e gou d en d u cat en slecht s n egot iep en n in gen z i jn . Te r l o o p s w o r d t
v er meld , d at er op n i eu w gou d en r ijd er s gemu n t z u llen w or d e n , welke
a a n mu n t i n g cht er niet voor r eken i n g va n p a r t i cu li er en d och alleen
t en behoeve v a n d e heeren St aat en va n d e r esp ect ive p r ovin cin " z a l
ge s chi e d e n . Op d en a a n mu n t v a n gou d en r i jd er s heeft ook het p l a k -
k a a t v a n 16 Ju l i 1760 b e t r e k k i n g .
De p la kka t en v a n 1760 hebben bli jk ba a r meer su cces gehad d an d ie
d er v or i ge ja r en . Di t w e r d t r ou wen s zeer bevor d er d d oor een klein e
s t i jg i n g v a n d e w a a r d e va n het g o u d , d ie i n de 50er ja r en r eed s be-
gon n en w a s . De gou d en n egot iep en n in gen vloeid en weer w e g , t er wi jl
zelfs d e gou d en r ijd er s w a a r v a n men t r ou wen s u it v oor z i cht i g he i d
geen gr oot e hoeveelheid gemu n t ha d en w a a r v a n d e aan mu n t in 1764
geheel w a s gest aakt bi jn a geheel v e r d w e n e n
1
) . Fei t eli jk heer scht e
op n i eu w d e zilver en s t a n d a a r d .
*) W. F. Schimmel, Geschiedkundig overzicht van het muntwezen in
Nederland, p. 41 en 42.
Sinds dien tijd worden, tot het einde der Republiek toe, weinig
klachten meer over ons muntwezen vernomen. Alleen klagen de Gene-
raalmeesters in de jaren 17831785 wederom over uitvoer van
standpenningen, dien zij o. a. met de vele vreemde geldleeningen in
verband brengen. De moeilijkheid was echter blijkbaar van voorbij-
gaanden aard; bijzondere maatregelen zijn dan ook niet genomen.
Dat het muntwezen der Republiek de vergelijking met dat van
andere landen zoo goed kon doorstaan, was zeker niet in de laatste
plaats te danken aan de adviezen en aan het toezicht van het college
der Generaalmeesters van de Munt
1
) . Aan elke Munt was een waardijn
verbonden, die evenals de meesterknecht, de smitmeester",
nauwkeurig boek moest houden van den aanmunt en die bovendien per
bepaalde hoeveelheid een geldstuk in een verzegelde bus moest
werpen. Zoowel de boeken als de inhoud van de muntbus werden door
de Generaalmeesters regelmatig gecontroleerd; van het geld in de munt-
bus werd daarbij steeds een essaij gemaakt.
Daarnaast oefende ook nog de Amsterdamsche Wisselbank een
zekere, indirecte controle uit. De speciehandelaren waren n.1. gewoon
om de negotiepenningen, die zij hadden doen aanmunten, bij de Wissel-
bank te beleenen. De Bank liet steeds alle ter beleening aangeboden
specie door haar essaijeur onderzoeken; voldeed deze niet aan de
wettelijke voorschriften betreffende gehalte en gewicht, dan werden de
geldstukken doorgesneden en aldus aan den koopman teruggegeven,
die zich zooals te begrijpen is haastte om ze aan den muntmeester
terug te zenden. Dit had natuurlijk een goede, preventieve werking.
Evenwel het negotiegeld werd volstrekt niet altijd bij de
Bank beleend. Sommige muntmeesters waren gewoon zich vooruit van
de voornemens van den koopman dienaangaande te vergewissen. Met
negotiegeld, dat niet beleend werd, kon dus geknoeid worden! V ol -
strekt niet alle muntmeesters maakten zich daaraan schuldig, doch er
waren zwarte schapen onder hen. In Polen maakte men dan ook onder-
scheid tusschen de ducaten van de verschillende Munten der Republiek.
Uit een schrijven van den resident te Danzig aan de Staten-Generaal
uit 1763 blijkt, dat de Poolsohe boeren toenmaals wantrouwen koester-
den omtrent de ducaten, waar een haan of schuitje als bijteeken
f
) Dit college is in 1798 opgeheven, doch in 1814 weer in eere hersteld.
Het heeft zijn bestaan nog tot 1850 kunnen rekken. Door prof. Ackersdijck
werd tevergeefs evenwel de opheffing bestreden in een brochure,
waarin hij de groote verdiensten, die het college der Generaalmeesters
eeuwenlang voor ons muntwezen heeft gehad, in het licht stelde.
z.g. muntmeesterteeken op stond. De haan en het schuitje (buis)
waren de teekens van twee opvolgende muntmeesters van West-Fries-
land. De Generaalmeesters hebben toen een onderzoek ingesteld, doch
kwamen tot de conclusie, dat aan gehalte en gewicht der West-Friesche
ducaten niets ontbrak. Wat hierboven is medegedeeld omtrent de vele
lichte ducaten omstreeks het midden der 18de eeuw maakt echter het
wantrouwen der Poolsche boeren niet geheel onbegrijpelijk.
Nch de Generaalmeesters nch de Wisselbank hebben de fraudes
der muntmeesters geheel kunnen voorkomen, maar men krijgt uit de
stukken wel den indruk, dat deze dubbele controle van zeer veel nut
is geweest.
Een andere factor, die tot de verbetering van ons muntwezen heeft
bijgedragen, is de wijziging in de techniek geweest, die omstreeks 1671
is ingevoerd
1
). Tot zoolang was nog steeds de oude, middeleeuwsche
methode in gebruik. Hierbij werd het metaal eerst in een houtskooloven
gesmolten en geallieerd. De gestolde repen werden op de vereischte
dikte uitgehamerd en in stukken geknipt. Daarna werden deze stukken
zoolang met de metaalschaar bewerkt, totdat zij ongeveer de gedaante
van de te maken munt verkregen. Vervolgens werden de scherpe kanten
door hameren afgerond. Bij den eigenlijken muntslag werden uit de
hand gegraveerde stempels gebezigd. De metaalplaat, tusschen twee
stempels gelegd, ontving dan, met een zwaren hamer, den muntslag.
Reeds omstreeks het midden der 16de eeuw is te Parijs een nieuwe
methode gedemonstreerd, die echter door de tegenwerking van de zijde
van de oude Munt voor het muntbedrijf niet is ingevoerd, doch alleen
voor medailles in gebruik bleef. Een eeuw later, in 1645, werd echter
in Frankrijk de oude methode van muntslaan met den hamer definitief
verlaten. Voortaan werden de metaalrepen met een door paarden of
waterkracht bewogen walsmachine geplet, terwijl de stempeling door
een schroefpers geschiedde. In ons land is reeds in het begin der 17de
eeuw de invoering van de schroefpers ter sprake gekomen. In 1620
adviseerden de Generaalmeesters eohter om het gebruik van de schroef-
pers te verbieden, aangezien het loon der muntmeesters is gestelt op
het slaen van geld". Het motief voor afwijzing" zeggen Hoitsema
en Feith was dezelfde moeilijkheid, die zich tot voor korte jaren
steeds heeft doen gevoelen, wanneer er sprake was van een wijziging
in technische onderdeden van het muntbedrijf, dat toch door zekere
categorin van personen op bepaalde voorwaarden was aangenomen".
l
) Het volgende is v.n. ontleend aan: C. Hoitsema en F. Feith, De
Utrechtsche Munt; uit haar verleden en heden. Utrecht, A. Oosthoek, 1912.
Bi j d e mu n t h er z i en i n g v a n 1659 is wed er om a a n ged r on gen op d e i n -
v oer i n g v a n d e sch r oefp er s, d och ook nu l u i d d e het a d v i es d er Ge n e r a a l -
meest er s a f w i jz e n d . Het mot ief w a s d i t ma a l zeer e i g e n a a r d i g : d e
Gen er a a lmeest er s w a r en n.1. bed u ch t v oor v e r v a l s ch i n g , omd a t d e
n ieu we met h od e zooveel mi n d er l u i d r u ch t i g w a s d a n de h a m e r s l a g ! De
ou d e ma n ier z a l a a n een v a l sch en mu n t er meer d er t i mi d i t ei t , omsich t
en sch r i ck t oebr en gen v a n op sijn mi s h a n d el i n ge ver r a st , bet r a p t end e
beklaech t te connen w e r d e n , d a n soo wa n n eer d e p en n i n gen w i er d en
ges ch r oeft "
1
) .
De v o o r d e d e n v a n het n ieu we p r ocd sp r on gen echt er z ooz eer i n het
o o g , d at d e i n v oer i n g op d en d u u r t och niet w a s t egen te h ou d en . De
sch r oefp er s w a a r b or g d e i mmer s gr oot er e sn elh eid en n a u w k e u r i g h e i d
benevens een gel i jkma t i ger a f w e r k i n g d er g el d s t u k k en . In Ja n u a r i 1671
gaf H o l l a n d het v oor beel d en w e l d r a w a r en op alle Mu n t e n d er Re p u -
bl i ek w a l s ma ch i n es en sch r oefp er sen i n g ebr u i k .
En h er v or mi n g heeft d e ou d e Rep u b l i ek , als g ev ol g v a n het be-
gi n s el d er p r ov i n ci a l e sou ver ein it eit , n i mmer tot st a n d ku n n en b r e n -
gen , n.1. d e z oo n ood i ge cen t r alisat ie v a n het mu n t w ez en . Zon d er
r evolu t ie g i n g d at n iet ! To e n ev en wel , n a d e r evolu t ie, d e een h ei d s-
st aat w a s gest ich t , k on het Ve r t e g e n w oor d i g e n d Li ch a a m d er Ba t a a f -
sche Rep u bl i ek op 8 A u g . 1799 besl u i t en , d at er v oor t a a n slecht s n
n a t i on a l e Mu n t z ou z i jn . Di t beslu it is echt er p a s i n 1806 v er w ez en l i jk t .
De bed oel i n g w a s , d a t d e Mu n t op d en d u u r te Ams t e r d a m z ou k o me n ;
v o o r l o o p i g w e r d z i j echt er te Ut r ech t gev es t i gd . Ut r ech t heeft even wel
t ot op d en h u i d i gen d a g d e Ri jk s Mu n t beh ou d en .
Z o o ver t oon t d u s d e gesch ied en is v a n het mu n t wez en t ijd en s d e
Rep u bl i ek een beeld v a n gel ei d el i jke en voor t d u r en d e v er bet er i n g, a l
g i n g d at i n d en begin n e zeer l a n g z a a m . Af g e z i e n v a n d e p er iod e d er
ci r cu l a t i e v a n d e lich t e d u ca t en , w a s on s g el d w ez en i n d e 18d e eeu w
z el fs goed te n oemen , v oor a l i n v e r g e l i jk i n g met d at v a n an d er e l a n d e n .
Pa p i e r e n g el d heeft on s l a n d t ijd en s d e Rep u bl i ek niet g ek en d , d och
d a a r d oor z i jn w i j d a n ook ges p a a r d gebleven v oor d e r a mp en d er
i n fl a t i e, d i e eld er s zooveel v er woest i n gen h ebben a a n ger i ch t .
Ev e n w e l heeft d e g e l d v e r w a r r i n g , d ie h ier i n d en a a n v a n g d er 17d e
eeu w h eer sch t e, a a n l e i d i n g gegeven t ot een v r oeg t i jd i g e o n t w i k k e l i n g
v a n het gi r o-v er keer i n on s l a n d . De n 10en Me i 1606 d eeld en d e
Ams t er d a ms ch e Bu r gemeest er s a a n d e Vr o e d s ch a p med e, d a t bi j
eenige v a n d e voor n aemst e coop l u y d en a l h i er t er st ed e voor lan ge end e
*) Hoitsema en Feith, p. 64.
n och t eg en w oi r d i ch w a s ver soch t end e d aer op gen sist eer t , d at a l h i er
med e, gelijck tot Si v i l i n
1
) end e Ven et in , een ba n ck t ot v or d er i n ge v a n
d e coop h a n d el i n ge end e aen cleven v a n d ien op ger ech t moch t e w o r d e n ".
Bi j d e st ed elijke r egeer in g best on d w e l n ei gi n g om aan d it ver z oek te
v ol d oen , omd a t men h oop t e d oor op r i ch t i n g eener w i s s el ba n k d e
wi s s el a a r s en d e ka ssi er s ov er b od i g te ku n n en ma k en . Me n schr eef
i mmer s d e on op h ou d el i jke koer s s t i jgi n g d er goed e gel d s t u kken v . n .
aan de p r a k t i jk en d ezer lied en t oe, d ie gewoon w a r en het goed e gel d
u it te zoeken en acht er te h ou d en . De r esolu t ie d er Vr oed s ch a p v a n
18 Ju l i 1608, w a a r b i j i n p r i n ci p e tot de st i ch t i n g eener st ed elijke w i s s e l -
ba n k w or d t beslot en , noemt d a n ook een t weel ed i g d oel n.1. bet er e h a n d -
h a v i n g d er mu n t p l a kka t en en het ger ief van d en h a n d el . In Ja n u a r i 1609
w e r d d e Ams t er d a ms ch e Wi s s e l b a n k op ger i ch t .
Het d oel om d e s t eyger i n gh e" d er goed e geld soor t en te w er en
heeft d e Wi s s e l b a n k n a t u u r l i jk niet ku n n en ber ei ken . Des te bet er is z i j
ges l a a gd i n de t aak om d en h a n d el te ger ieven . Do o r d e cen t r alisat ie
v a n het ka ssi er sbed r i jf w a s zij i n st aat o m, op het v oor beel d v a n ou d er e
It aliaan sch e ba n ken , o.a . d ie v a n Ven et i, een syst eem van bet a l i n g p er
g i r o i n te voer en . Vol g e n s de eerste or d on n a n t i e mocht de Ba n k , v oor
h a a r d ienst en als ka ssier , aan de koop l i ed en een h alve st u iver p er
100 ber eken en . To e n d e koop l i ed en hier t egen bez w a a r ma a kt en , is
d i t a r t i k el echt er bu it en w e r k i n g gest el d . La n g e n t i jd , t ot 1683 t oe, i s
d a n ook het gi r o-v er keer te Ams t e r d a m geheel gr a t is geweest . Si n d s
d at ja a r w e r d echt er n st u iver p er ov er s ch r i jv i n g ber ek en d ; i n 1715
i s d i t b ed r a g tot t wee en in 1782 tot d r ie st u iver s v e r h o o g d . O o r -
s p r on kel i jk moch t men geen mi n d er b ed r a g d oen over sch r i jven d a n
3 0 0 ; in 1683 w e r d t oegest aan om ook klein er e sommen te gir eer en ,
d och h ier voor w e r d niet mi n d er d a n zes st u iver s p er ov er s ch r i jv i n g
b er ek en d ! H i e r u i t bl i jkt w e l , d a t het gi r o-v er keer i n h oofd z a a k voor d en
gr oot h a n d el best emd w a s . H et gir eer en gesch ied d e d oor mi d d e l v a n
een g i r obi l jet , d at d oor d en r eken i n gh ou d er zelf of d oor z i jn , p er
algemeene p r ocu r a t i e d aar t oe gema ch t i gd en bed ien d e i n p er soon moest
w or d en i n gel ev er d . O p d en d u u r w e r d het g ebr u i k el i jk , d a t d e boek-
h ou d er s r egel ma t i g aan de r eken i n gh ou d er s ber ich t z on d en bet r effen d e
d e o v e r s ch r i jv i n g e n .
De slecht e t oest an d v a n het cou r an t gel d heeft v er oor z a a k t , d a t
on d er d e Ams t er d a ms ch e koop l i ed en bet a l i n g p er g i r o s p oed i g een
algemeene gewoon t e w e r d , wa a r t oe t r ou wen s ook het v oor s ch r i ft , d at
w i s s e l s boven 600 st eed s i n ba n co bet a a l d moest en w o r d e n , veel heeft
*) Sevilla.
bi jged r a gen . Bov en d i en w e r d ook het gemak d ezer bet a l i n gs wi jz e
s p oed i g algemeen i n gez i en . Ev e n w e l heeft d it gjir o-ver keer z i c h st eed s
in h oofd z a a k t ot d en h an d el bep er kt ; zelfs t ijd ens d en gr oot st en bl oei
va n de Ba n k , in de eerste helft d er 18de eeu w, heeft het a a n t a l
r eken in gh ou d er s niet meer d a n 2500 2900 bed r a gen .
H et voor beel d va n Ams t er d a m w e r d i n 1616 d oor M i d d e l b u r g en
i n 1635 d oor Rot t er d a m g ev ol g d , t er wi jl ged u r en d e enkele jar en ook
t e Del ft een wi s s el ba n k heeft best aan . Te Ams t er d a m wer d en de
r eken in gen st eed s u i t sl u i t en d in z w a a r of b a n k g el d , d a t 4 5 % meer
w a a r d w a s d a n cou r an t g el d , geh ou d en . Da a r en t egen w e r d i n 1641
i n M i d d e l b u r g en i n 1645 in Rot t er d a m aan de koop l i ed en t oegest aan
h u n r eken in gen in cou r a n t geld te h ou d en , w a a r v a n een d r u k gebr u i k
w e r d gema a kt .
We l k ger ief d it gi r o-v er keer v oor d en h a n d el h a d , k a n ik niet bet er
weer geven d a n met d e w oor d en v a n Joh n La w , d i e i n 1716 in z i jn
Let t r es su r les ba n q u es " sch r eef: Les H o l l a n d a i s ont encor e r affin
p a r -d essu s les An g l a i s . Us ne se d onnent p a r l' incommod it de ga r d er
les bi l l et s de l a ban qu e, n i d ' aller ou en voyer les u n s chez les au t r es
p ou r r ecevoir . Ils ont de p et it s or d r es imp r ims q u ' i l s r emp l i ssen t , et
p a r lesqu els i l s assignent en ban qu e t ou t es les sommes q u ' i l s ont
p a yer , et r eoivent d e mme les p ayement s q u ' on leu r d oit fa i r e, de
sor t e qu e le H o l l a n d a i s d an s u n qu ar t d ' h eu r e, sans p ar ler p er son n e
n i sor t ir d e chez l u i , fait d es p ayement s et r ecet t es p ou r 4 ou 500.000
fl or i n s avec cin qu an t e d iffr ent es p er son n es et sans a voi r a u cu n
emba r r a s . C' est u ne d es p r i n ci p a l es r aison s q u i fon t t ant fl eu r i r le
commer ce Ams t e r d a m. Le H o l l a n d a i s ven d 1 ou 2 p ou r cent d e
p r ofi t , ayan t r ecevoir et p a yer en ban qu e, q u i r efu ser ait ce p r ofi t
mod iqu e et man qu er ai t l ' occa si on d e ven d r e, s ' i l d eva i t a voi r l ' e m -
ba r r a s de comp t er 50.000 ou 100.000 fl or i n s en e s p c e s ".
Z o o best on d d u s in d e d r i e gr oot st e koop st ed en d er Rep u bl i ek een
goed in ger ich t gi r o-v er keer . On t s t a a n d oor d e g el d v er w a r r i n g in het
begi n d er 17d e eeu w, heeft het z i c h geh a n d h a a fd ook t oen het mu n t -
st elsel allen gs op een bet er e ba si s w e r d gev est i gd . Va n de genoemd e
i n st el l i n gen genoot v oor a l d e Ams t er d a ms ch e Wi s s e l b a n k over d e
gan sch e w e r e k l een wel ver d i en d e r ep u t at ie v a n sol i d i t ei t . De bet r ou w-
ba a r h ei d v a n het Amst er d a msch e b a n k g e l d is on g et w i jfel d een d er
gr on d s l a gen geweest va n d en h a n d el sbl oei d er Rep u bl i ek.