Você está na página 1de 15

JAARBOEK

VOOR

Munt- en
Penningkunde

56157
1969/1970

KONINKLIJK
VOOR

NEDERLANDS

MUNT-

EN

GENOOTSCHAP

PENNINGKUNDE

AMSTERDAM

COMMISSIE VAN REDACTIE


Dr. H. Enno van Gelder, Voorburg
Dr. J. W. A. van Hengel, Utrecht
Drs. G. van der Meer, 's-Gravenhage
Dr. H. J. van der Wiel, Gouda
Adres van de redactie: Zeestraat 71b, 's-Gravenhage

DE MUNTEN VAN DE LIEFDE"


door Dr. H. Enno van Gelder
De geschiedenis van de ondergang bij de Shetlands van het Compagniesschip De
Liefde" en van de pogingen tot berging die in 1967 voornamelijk een grote hoeveel
heid munten hebben opgeleverd, is reeds meermalen uiteengezet . Hoewel het juiste
bedrag niet vaststaat, is bekend dat De Liefde bij het uitzeilen in 1711 een grote
hoeveelheid baar geld ten behoeve van de handel in de Oost meevoerde. Hiervan
zijn bij de berging teruggevonden:
a. 23 gouden dukaten geslagen te Utrecht, alle met jaartal 1711;
b. ca. 2500 zilveren rijders geslagen te Utrecht, alle met jaartal 1711;
c. ca. 2500 zilveren rijders en ducatons van uiteenlopende provincies en jaartallen,
lopend van 1618 tot 1707;
d. 20 dubbele stuivers geslagen in de Hollandse munt te Dordrecht, alle met jaar
tal 1711.
Dit wijst erop, dat de Kamer Amsterdam van de VOC, die als reder optrad, het
benodigde geld op twee manieren bijeenbracht. Een deel werd opgenomen uit eigen
kas of uit de voorraden van de Amsterdamse Wisselbank, waar de Compagnie een
rekening had (reeks c), de rest werd kort voor de vaart bij verschillende munthuizen
besteld: gouden dukaten en zilveren rijders te Utrecht, dubbeltjes te Dordrecht; de
tegenwaarde van deze in 1711 vervaardigde munten zal bestaan hebben uit onge
munt goud en zilver of uit muntsoorten, die voor de voorgenomen inkopen minder
geschikt geacht werden.
Numismatisch is de grote partij rijders en ducatons het interessantste. De samen
stelling van deze partij, die te vergelijken is met een op het land verborgen muntschat, is grotendeels bekend uit de reeks van 1750 stuks die eind 1969 te Londen
geveild is. De overige stukken zijn nog niet voldoende gereinigd en beschreven;
wel staat vast dat dit restant globaal dezelfde samenstelling vertoont als de ver
kochte stukken.
Omdat de tekst in de veilingcatalogus door de samenvatting in vrij grote lots
niet bijzonder overzichtelijk is en de beschrijving nogal summier, wordt deze reeks
in de hierbij weergegeven tabellen nogmaals systematisch opgesomd. Daarbij zijn
tevens een aantal onjuistheden en onnauwkeurigheden in die catalogus verbeterd
en aangevuld. Deze correcties berusten deels op waarnemingen van de heer J. Schulman en mijzelf vr de veiling, deels op mededelingen van kopers na de veiling. De
munten waren nl. voor ze verkocht werden, slechts globaal gereinigd, zodat dikwijls
na grondiger behandeling vroeger niet zichtbare details ontdekt konden worden.
Er moet echter rekening mee gehouden worden, dat nog steeds een aantal jaartallen
of munttekens door de dikwijls ver gaande corrosie nauwelijks zichtbaar zijn en
verkeerd gelezen kunnen zijn.
1

64

H.

NOORD NEDERLANDSE

ZILVEREN

ENNO

VAN

GELDER

RIJDERS

1 6 6 2

1 6 6 3

1 6 6 4

1 6 6 5

1 6 6 6

1 6 6 7

11

1 6 6 8

1 6 6 9

1 ?

2 5

1 6 7 1

1 6 7 2

KJ

1 6 7 0

4 / 1

* / 2

4 / 1

1/1

5/1

5
5

14

18

1 2

18/1
- / l

13

1 6 7 7

1 ?

1 6 7 8

--

1 6 7 9

1 6 8 0

1 6 8 1

4
2

3 8

4 3 |

1 0

10

1 ?

-1

*
1 6

5 6 1
2 8 1

2 9

16

16

6 6

3 7
4 9

1 6 1

12

3 9

2 7

11/1

10

1 6 7 6

3 7

4 8

11

1 6 7 5

1
19

13

6/1

--

1 6 8 3

1 6 9 2

1 6 9 4

1 7 0 4

1 6 8 2

12/1

1 6 7 4

1 6 7 3

Totaal

Zwolle

Kampen

1 6 6 1

8/1

Deventer

Overijsse

1 7

Friesland

1 6 6 0

Utrecht

Zeeland

c
West-Frii

Holland

1 6 5 9

<

Holland

Gelderlai

--

17/1

11

--

*
-

*
11
3/2

*
11
3

--

1 ?

*
-

8 9

4
3 6
7
1
4 7 1
2 1
3
1

1 6 9 3

1 7 0 5
1 7 0 6
1 7 0 7

1 7 0 8
1 7 0 9
1 7 1 0
1 7 1 1

(talrijk)

--

8 7

4 0

4 0

1 4 3 / 5

5 2 / 3

9 0 / 2

7 / 2

5 3 / 2

-2 1

1 0 4

6 4 / 1

7 0 8 1

65

LIEFDE"

TWEIRPEN

ZUIDNEDERLANDSE

DUCATIONS

U
C/1

aa

TOT

DE

orni

VAN

BRU

MUNTEN

<

1
2/1
-

3*
2
1

AARTSHERTOGEN
1618
1619
1620
1621
PHILIPS IV
1631
1632
1633
1634
1635
1636
1637
1638
1639
1640
1641
1642
1643
1644
1645
1646
1647
1648
1649
1650
1651
1652
1653
1654
1655
1656
1657
1658
1659
1660
1661
1662
1663
1664
1665
ONLEESBAAR

4
4
10/2
19/1
6
41/6
14
12/3
7/2
15/2
1
2

-2
*
*/L
13
27
32/2
28
12/1
9
22
13/1?
8/1
4/1?
12
25/1
8/2
17
20
11/1
20
15/3
2

2
1

*
*
11/1
4
2
22/2
6/1
5/1
4

_
_

1
2
1/2
3/1
2
2

*
*
-

*
_

1
3
1
2

*
2
-

6
9
25I
29
10
71
20419
12

5/1
1
1
-

--

_
_

1
-

-*

LI
13
33
48I
39
36
22
3
44
28

*
1
5
11/3
10/1?
17/1
9
2
16
5
2
3
5
12/1
2/1
5
11/1
5/3
16
17/1
2

-1
1
1
5
4
1
6/1
10
1
2
3
1

_
6

_
2
1

-_
--_

--

2/1

-5

211
2
3

12

111

9i
20
39
UI
22
34
18
41
46
4

15/1
5
38/2
16/2
2
1
18
1
4
*

/l
2/1
3
2/2
-

1703
1704
1705

22
4
1
1

572/40

9/1
3
13/1
8/2
1
1
13
1
1
5
1
*

5
3
-

Doornik

Brugge

ENNO VAN

1
4
7/1
4
6/1
*

'

74
1
94

288/22

/I

'i
22
4
1

92/9

25
9
564
334
3
6
374
1
4
1

3/1
-

GELDER

OO

Karei II
1666
1667
1668
1669
1670
1671
1672
1673
1674
1675
1676
1677
1678
1679
1680
1681
1682
1683
1684
1685
1686
1687
1688
1689

Brussel

Antwerpen

H.

Totaal

66

12/-

9994;

Bij de tabellen
Onder ieder jaartal is het aantal in de vondst vertegenwoordigde rijders, resp. ducatons opgenomen; daarachter eventueel, gescheiden door een verticale streep, het
aantal halve rijders of ducatons. In de totaalkolommen geheel rechts zijn hele en
halve samengeteld (2 halve gerekend voor 1 hele).
Uit de met een * aangeduide jaren zijn wel rijders of ducatons bekend (meest
in slechts een enkel exemplaar), doch niet in de vondst vertegenwoordigd. In de
overige jaren zijn zij, voorzover bekend, niet geslagen.

MUNTEN

VAN

DE

LIEFDE"

67

In de Zuidnederlandse reeks zijn de jaren 1622-1630 en 1690-1700 waarin


slechts zeer weinig ducatons geslagen zijn, kortheidshalve weggelaten.
Bij de Noordnederlandse rijders moeten, zoals bekend , twee typen worden onder
scheiden. Aanvankelijk stond het jaartal boven de kroon en was het provincie
wapen ongekroond (type I), later werd het jaartal in een cartouche onder het
Generaliteitswapen geplaatst en werd het provinciewapen van de bijbehorende kroon
voorzien (type II). De overgang van type I naar type II valt bij iedere muntplaats
in een ander jaar.
3

Gelderland: 1659-1677 type I (Delm. 1009); 1679-1681 type II met ledige car
touche (Delm. 1009a); 1707 type II (Delm. 1010).
Holland (Dordrecht): 1659-1669 type I (Delm. 1013); 1672-1694 type II (Delm.
1014).
Holland (Amsterdam): type I (Delm. 1017) 6 ex. van 1672; type II (Delm. 1018)
7 ex. van 1672 en alle ex. van 1673. Onder de laatste 2 ex. met omschrift
eindigend P R O V . H O L L A N D , 1 ex. met P R O V . H O L L A N * , de overige met P R O V .
HOLL*.

West-Friesland: 1659-1672 type I (Delm. 1019); hiervan hebben alle ex. van 1659
en 3 ex. van 1660 een geparelde binnencirkel, 5 ex. van 1660 en alle latere een
getrokken binnencirkel.
De jaren 1673 en 1674 vormen een overgang: 11 ex. van 1673 en 2 ex. van
1673 vertonen type I, 1 ex. van 1673 en 3 ex. van 1674 wapenzijde van type I
en ridderzijde van type II, 1 ex. van 1674 geheel type II. Na 1675 steeds type II
(Delm. 1020).
Zeeland: 1659-1664 type I (Delm. 1024); 1668 en 1670 type I met engelkopje onder
het wapen.
Utrecht: 1659-1673 type I (Delm. 1029); 1674 en 1675, evenals de halve rijder
1679, type I zonder binnencirkels (Delm. 1030); 1676-1692 evenals 1711
type II (Delm. 1031).
Friesland: 1659-1664 type I (Delm. 1033).
Overijssel: 1660-1668 type I (Delm. 1034); hiervan hebben de ex. van 1660-1662
een aan de randen versierd provinciewapen, die van 16641668 een groter
onversierd provinciewapen.
1676 en 1677 type II normaal, 1679-1682 type II met ledige cartouche
(samengevat onder Delm. 1035); de halve ducaton 1677 is echter van type I.

68

H.

ENNO

VAN

GELDER

Deventer: type I (Delm. 1038); hiervan met muntmeesterteken morekop alle ex.
van 1662, 9 ex. van 1664 en 1 ex. van 1666, met muntmeesterteken hondje 1 ex.
van 1664, 2 ex. van 1666 en 2 ex. van 1667.
Kampen: 1659-1670 type I (Delm. 1039); hiervan 1659-1663, 9 ex. van 1664,
3 ex. van 1666 en 1 ex. van 1668 met muntmeesterteken lelie, 1 ex. van 1664,
13 ex. van 1666, alle 8 ex. van 1667 en 28 ex. van 1668 met muntmeester
teken morekop .
Van 1676 is 1 ex. type I, 3 ex. ridderzijde type I en wapenzijde type II en 3 ex.
geheel type II met ledige cartouche (Delm. 1040); evenzo alle ex. van 1677
en 1679.
4

Zwolle: 1659 type I met de spreuk D A P A C E M enz. (Delm. 1041); 1660-1674 type I
(Delm. 1042); hiervan hebben alle ex. van 1660 en 5 ex. van 1661 een aan de
randen versierd stadswapen en een brede kroon boven het Generaliteitswapen,
3 ex. van 1661 en alle latere ex. een onversierd stadswapen en een smalle, hoge
kroon, terwijl 3 ex. van 1661 de oude wapenzijde, maar de nieuwe ridderzijde
vertonen.
De ex. van 1675 en 1676 vertonen een gemoderniseerd type I, waarop de
ruiter a trois quarts is weergegeven, zoals bij type II gebruikelijk.
De reeks van de Zuidnederlandse ducatons is veel eenvoudiger: behalve de overal
geldende wijziging in de portretten, komen verschillen in uitvoering van enige bete
kenis niet voor.
Tijdens de regering van Philips IV werd eenmaal het portret gewijzigd: in 1636
en 1637 werd de aanvankelijk gebruikte kop met molensteenkraag (type I) ver
vangen door een kop met iets oudere trekken en een klein rimpelkraagje (type II).
Het nieuwe type werd niet overal tegelijk ingevoerd.
Antwerpen: 26 ducatons en alle halve ducatons van 1636 vertonen type I, 15
ducatons van 1636 type II, evenals alle latere.
Brussel: 6 ducatons van 1636 zijn van type I, 16 van type II, evenals alle latere;
de halve ducatons van 1636 en 1637 zijn van type I.
Brugge: de stukken van 1636 hebben type I, de onmiddellijk volgende jaren zijn
niet vertegenwoordigd.
Doornik: als Brugge.

MUNTEN

VAN

DE

LIEFDE"

69

Tijdens de regering van Karei II is de variatie iets groter. Het kinderportret (type I)
ingevoerd bij de troonsbestijging van de minderjarige vorst werd pas nadat hij in
1682 21 jaar geworden was, geleidelijk door een meer volwassen portret vervangen,
dat in twee uitvoeringen bestaat: bekleed met mantel en jabot (type II) en bekleed
met harnas en langere pruik (type III). Een geheel nieuwe uitvoering, die met de
invoering van de schroefpers samenhangt (Delmonte 339) is in de vondst niet ver
tegenwoordigd.
De verdeling van de typen over de voorhanden exemplaren is als volgt:
Antwerpen: alle stukken tot en met 1679 type I, die van 1683 type II, de ducacatons en halve ducatons van 1684 type III.
Brussel: zelfde verdeling.
Brugge: alle stukken tot en met 1673 benevens 1 ducaton van 1684 en de halve
ducaton van 1684 type I; de overige ducatons van 1684 en de halve ducaton
van 1689 vertonen type III.

Reeds in het begin werd erop gewezen dat oude ducatons en rijders van De Liefde
afkomstig moeten zijn uit voor gebruik van de groothandel ten dienste staande
kassen. In het dagelijks verkeer speelden zij immers, zoals uit talrijke muntvondsten
blijkt, na ca 1685 in ons land geen rol meer. De op iets lagere muntvoet geslagen
daalders, florijnen, schellingen benevens drieguldens en guldens hebben hen volledig
uit het verkeer gedrongen. Aanmunting geschiedde nadien nog slechts zeer spora
disch en, althans in de Republiek, uitsluitend ten dienste van de buitenlandse handel.
Voordien hadden beide soorten wel het verkeer in de Republiek beheerst. De in
1617 ingevoerde ducatons van de Spaanse Nederlanden circuleerden hier sedert
ca 1640 overvloedig. In 1659 werd daaraan de rijder, in waarde geheel met de
ducaton overeenkomend, toegevoegd, zodat twee decennia lang beide soorten zon
der enig onderscheid door elkaar gebruikt werden.
In tegenstelling tot andere vondsten die meestal hoogstens enkele tientallen
stukken van deze soorten bevatten, is hier een zo groot aantal stuks uit n bron
tezamen voorhanden, dat het enige zin heeft de aantallen per atelier en per periode
voorhanden exemplaren te vergelijken met de van elders bekende productiecijfers
van de munthuizen. Exacte vergelijking per jaartal is helaas niet mogelijk, omdat
de rekeningen van de munthuizen meestal betrekking hebben op langere perioden
dan een jaar en in ieder geval nooit met een kalenderjaar samenvallen. Wel zijn
gelukkig de benodigde rekeningen vrijwel volledig bewaard .
5

70

H.

ENNO

VAN

GELDER

Bij een dergelijke vergelijking valt al dadelijk op het geringe aantal halve ducatons van de Spaanse Nederlanden. Blijkens de rekeningen werd onder Philips IV
op iedere 5 a 6 ducatons 1 halve ducaton afgeleverd, onder Karei II op iedere
6 a 7. Bij de munten van De Liefde komt echter voor ieder munthuis slechts 1
halve ducaton op 13 a 16 ducatons voor . Mogelijk moet de verklaring voor dit
verschijnsel daarin gezocht worden, dat halve ducatons minder geschikt geacht
werden voor de buitenlandse handel. Hiervoor pleit de overweging dat in de Republiek tussen 1680 en 1760, toen rijders uitsluitend ten behoeve van de export werden
geslagen, in het geheel geen halve rijders voorkomen. Anderzijds schijnen echter
ook in vondsten van vr 1680, toen deze soorten nog normaal in gebruik waren,
halve rijders en halve ducatons niet frequenter te zijn, dan in de lading van De
Liefde.
6

Verhoudingsgewijs zeer gering is ook het aantal ducatons van de Aartshertogen


Albert en Isabella : de totale productie van de jaren 16181621 ten bedrage van
ca 875.000 is slechts door 1V% stuks vertegenwoordigd. Vermoedelijk zijn deze
voor een aanzienlijk deel reeds in de jaren 1622-1630, toen de aanmaak vrijwel
stilstond, buiten de circulatie geraakt.
In 1631 begon de productie op grote schaal opnieuw om een hoogtepunt te
bereiken in 1636 (ook in de schat een topjaar). Na 1640 komt aan deze eerste phase
een einde: de cijfers van de rekeningen n van de schat dalen snel tot een dieptepunt in 1645/46. Daarna blijven de cijfers op een vrij hoog, zij het enigszins fluctuerend niveau, met hoogtepunten in 1649, 1654, 1665 en 1668. Na 1673 neemt de
productie en parallel daarmee de vertegenwoordiging in de schat, snel af tot ca
1684. De incidenteel in 1679 en 1684 geslagen vrij grote aantallen vinden in de
schat merkwaardigerwijze geen weerklank. Wel daarentegen de laatste aanmunting
vr 1711, de ducatons van 1703-1705 op naam van Philips V.
Behoudens de genoemde uitzonderingen kan gezegd worden dat de gehele aanmuntingsperiode van 1630 tot 1680 vrij gelijkmatig in de schat weerspiegeld wordt.
Ook de verdeling van de aangetroffen munten over de vier, na 1667 drie ZuidNederlandse munthuizen stemt in hoge mate met de verdeling in de schat overeen.
De volgende tabel geeft daarvan een indruk.
Philips IV 1628-ca 1646
Antwerpen
Brussel
Brugge
Doornik

De Liefde
145
67
13 /.
9

productie
5,80 mill.
2,92 mill.
0,77 mill.
0,21 mul.

1
1
1
1

Philips IV ca 1646-1665
Antwerpen

305

8,20 mill.

1 :27000

:40000
:40000
:56500
:24000

MUNTEN

VAN

DE

71

LIEFDE"

Brussel
Brugge
Doornik
Karei II 1666-ca 1682
Antwerpen
Brussel
Brugge

162
56
3

3,36 mill,
1,40 mill,
0,12 mill.

105 Vi
58
23

2,97 mill,
1,32 mill,
1,15 mill.

1
1

1
1

21000
25000
40000

28000
23000
50000

Globaal kan vastgesteld worden dat ongeveer van iedere 30.000 geslagen ducatons
er n in de Londense veiling terechtgekomen is; voor de oudere jaren ligt de ver
houding iets ongunstiger, voor de jongere iets gunstiger. Een duidelijke uitzondering
vormt slechts het opvallend kleine aantal Vlaamse ducatons van Karei II.
Bij de zilveren rijders van de provincies en steden van de Republiek vertoont de
verdeling naar jaren grote overeenkomst met die van ducatons der Spaanse Neder
landen. Hier begon de vervaardiging in de zomer van 1659, midden in de voor het
Zuiden geconstateerde hausse : de tijdelijke inzinking bij de zuidelijke munthuizen
in 1660 zal wel een onmiddellijk gevolg van de plotseling opgekomen concurrentie
zijn. Daarna volgen dezelfde fluctuaties als in het Zuiden, behoudens een Noord
nederlands dieptepunt in 1665, het begin van de voor de zeevaart zo desastreuze
Tweede Engelse oorlog. Na de oorlog bereikt ook het Noorden een topjaar in 1668.
De volgende top ligt iets later dan in het Zuiden : tijdens de Franse oorlog in 16721673 komen de munthuizen in de bezette oostelijke provincies geheel stil te liggen ,
zodat kennelijk de vraag deels naar het Zuiden uitwijkt. Na de ontruiming van het
grondgebied en het herstel van de zeevaart door de vrede met Engeland in 1674
komt er weer een sterke opleving, ditmaal ten koste van het Zuiden. N a 1680 komt
de aanmunting echter in beide delen der Nederlanden vrijwel tot stilstand.
7

De vraag voor binnenlands gebruik valt door het opkomen van de nieuwe munt
soorten als daalders, florijnen, schellingen en guldens geheel weg. Er wordt in de
volgende decennia nog slechts op onmiddellijke bestelling voor de buitenlandse
handel gewerkt, zodat de nieuwe rijders geheel naar elders afvloeien: het grote
aantal stukken van 1711 is een voorbeeld van een dergelijke bestelling, waarvan
slechts een heel enkel exemplaar de binnenlandse omloop bereikt heeft.

Veel minder overzichtelijk is de verhouding tussen de aantallen rijders afkomstig


uit de verschillende provincin en steden van de Republiek, zoals blijkt uit de vol
gende tabel.

72

1659-ca 1682
Gelderland
Holland
ld. Amsterdam
West-Friesland
Zeeland
Utrecht
Friesland
Overijssel
Deventer
Kampen
Zwolle

H. E N N O VAN

De Liefde
86
37

40
145V53V2

85
8
54

21
104
641/2

productie
1,60 mill.
1,09 mill.
1,39 mill.
1,32 mill.
ca 1,4 mill.
1,21 mill.

1
1
1
1
1
1

0,57 mill.
(0,02 mill.)
(ca0,6 mill.)
(0,41 mill.)

6981/2

1
1
1
1

GELDER

andere vondsten
18.500
60 Vi
28.000
22
34.500
9
9.000
106
26.000
46
14.000
431/2

51/2
10.500
52
1.000
20
6.000
841/2
6.500
421/2
4911/2

In tegenstelling tot de Spaanse Nederlanden waar de verhouding vrij constant was,


blijken hier grote verschillen. Slechts voor de beide Hollandse munthuizen en Zeeland komt, zoals in het Zuiden, ruwweg 1 stuk op 30.000 geslagen exemplaren voor.
Voor West-Friesland, Utrecht, Gelderland en Overijssel ligt deze verhouding IVz a 3
maal zo hoog, voor Kampen en Zwolle 5 maal en voor Deventer zelfs 30 maal zo
hoog. Dit is niet een gevolg van omstandigheden die speciaal de samenstelling van
de lading van De Liefde hebben benvloed : ter vergelijking is in de laatste kolom
het aantal rijders (2 halve voor n hele gerekend) opgenomen dat in 15 andere
grotere en kleinere Nederlandse vondsten uit de jaren 1662-1685 tezamen werd
geteld. Deze cijfers liggen, behalve voor Amsterdam, overal ongeveer in de zelfde
verhouding als die van De Liefde.
Een gedeeltelijke verklaring hiervoor is, dat althans een deel van de rekeningen
als onbetrouwbaar beschouwd moet worden. Het is ondenkbaar dat de toch niet zo
bijzonder zeldzame rijders van Deventer een oplage van slechts 24.000 stuks, zoals
de rekening aangeeft, vertegenwoordigen. Bekend is dat speciaal de Overijsselse
steden, die pas in 1659 onder veel tegenstribbelen de controle van de muntbussen
door de Haagse Generaal-meesters van de munt geaccepteerd hadden, met een
dubbele boekhouding werkten : er is daar, met oogluikende goedkeuring van de
stedelijke besturen, veel afgeleverd dat nooit in de officile verslagen vermeld is.
De aantallen bewaard gebleven rijders van Deventer, Kampen en Zwolle wijzen
er onmiskenbaar op dat de oplagen vele malen groter geweest zijn dan de rekeningen aangeven : in de tabel zijn deze aantallen dan ook als apert onjuist tussen
haakjes geplaatst.
9

Hoewel in de gehele Republiek het centraal toezicht op de activiteit van de muntmeesters minder strak was dan in de Spaanse Nederlanden, is er geen aanwijzing

MUNTEN

VAN

DE

LIEFDE"

73

om te veronderstellen dat ook de rekeningen van West-Friesland, Utrecht, Gelder


land en Overijssel als onbetrouwbaar terzijde gesteld zouden moeten worden, al kan
dat niet geheel uitgesloten worden.
Waarschijnlijk moet de verklaring voor de constatering dat Holland en Zeeland,
zowel in De Liefde als in binnenlandse vondsten, belangrijk minder sterk vertegen
woordigd blijken te zijn, in andere richting gezocht worden. Het is denkbaar dat in
de periode 1659-1685, toen rijders nog normaal in de binnenlandse circulatie om
liepen, maar ook uitgevoerd werden, deze uitvoer voor een onevenredig deel uit
rijders geslagen in de beide zeeprovincies Holland en Zeeland bestaan heeft. Dit
zou kunnen verklaren dat in de voorraad rijders die tot omstreeks 1685 in het land
circuleerde en daarna afvloeide naar de kassen van de Wisselbanken en dgl. (waaruit
in 1711 geput werd) Hollandse en Zeeuwse stukken relatief minder dan die van
de overige munthuizen voorkwamen. Deze hypothese is trouwens in overeenstem
ming daarmee dat ook de Zuid-Nederlandse ducatons in verhouding veel zwakker
zijn vertegenwoordigd dan die van de meeste Noord-Nederlandse gewesten. Immers,
deze ducatons zijn wel in enorme aantallen in de omloop binnen de Republiek door
gedrongen, maar uiteraard is ook een niet onaanzienlijk deel in het eigen land
achtergebleven of naar elders afgevloeid.

G. L. Berk, Schatgravers naar De Liefde, in Spiegel Historiael 3 (1968), p. 354.


J. Porteous, Preface in Catalogue of coins of the Netherlands recovered from the
Dutch East Indiaman De Liefde" wrecked off Out Skerries 7th November 1711,
Glendining & Co., London, 28th October 1969.
H. Enno van Gelder, De munten van De Liefde", in De Geuzenpenning 20 (1970),
p. 5-7.
Correcties op veilingcatalogus:
No. 16 voor 1674 te lezen 1676
31 voor 1680 te lezen 1681
34 voor 1672(?) te lezen 1677
38 voor 1679 te lezen 1669
41 voor 1662 te lezen 1669
56/7 hierin minstens 3 ex. van Delmonte 1017
68 toe te voegen 1673
75 voor 1676(5) te lezen 1679(5)
107 1 ex. van 1679 is van Overijssel
112 moet zijn Overijssel 1679
118 voor 1670 te lezen 1672
121 voor 1670 te lezen 1679
130 te lezen 1660, 1664(3)
136 het ex. 1676 is van Utrecht
161 voor 1661 te lezen 1667
166 voor 1670 te lezen 1668

74

H. E N N O VAN

GELDER

169 voor 1666(2) te lezen 1666(3)


186 1 ex. van 1676 is van 1666
189 1632(3) te schrappen
215 toe te voegen 1661
221 voor 1666 te lezen 1665
223 1651 is van Brussel
224 1660 is van Brussel
245 hiervan 1 ex. Vlaanderen 1684, type I
263 is van Vlaanderen
266 voor 1662 te lezen 1662(3)
281 voor 1636 te lezen 1656
283 lezing 1666 is onzeker
286 voor 1663 te lezen 1663(2)
296 voor 1666 te lezen 1666(2)
303 1 ex. van 1684 is van Vlaanderen
320 toe te voegen 1673
Zie mijn uiteenzettingen naar aanleiding van de vondst Katwoude: JMP 51 (1962),
p. 66-71.
Het voorkomen van een reeds verouderd muntmeesterteken te Deventer en te Kampen moet wel verklaard worden door het gebruik van oude stempels: het teken staat
nl. op de ongedateerde ridderzijde, het jaartal op de wapenzijde.
Die van de Spaanse Nederlanden zijn praktisch volledig. Voor de Republiek ontbreken: Zeeland 1668-1671, Friesland 1659-1672 en Kampen 1669-1672.
Voor de Republiek is een dergelijke vergelijking niet mogelijk omdat de rekeningen
steeds hele en halve rijders tezamen verantwoorden.
De hoge cijfers voor Dordrecht, Amsterdam en Hoorn berusten niet op verwerking
van gemporteerd zilver, maar op vermunting van ten behoeve van de oorlogvoering
gevorderd zilverwerk.
In de cijfers voor Zeeland en Kampen zijn schattingen verwerkt voor de daar ontbrekende rekeningen.
Zie hiervoor mijn Munthervorming tijdens de Republiek, blz. 43 e.a.

SUMMARY

The coins from De Liefde". The coins recovered from the Dutch East Indiaman De
Liefde wrecked off the Shetland Isles in 1711 and sold at Glendining's in 1969 are
tabulated, after correction of some erroneous attributions in the sale catalogue. The
frequency of the dates of ducatoons of the Spanish Netherlands and silver riders of
the Dutch Republic are compared with the quantities struck according to the mint
accounts. Explanations are proposed for the differences in survival rate calculated for
some periods and provinces.

DE PENNINGEN BETREFFENDE H E T KONINKLIIK HUIS 1949-1970


door Dr. A. J. Bemolt van Loghum

Slaterus
1

Het aantal bronnen waaruit ik ditmaal heb kunnen putten is maar gering. Over
deze penningen bestaat vrijwel geen literatuur. Alleen in de jaarverslagen van het
Koninklijk Penningkabinet en in het boek van Voh Weiier over de penningen die
bij de Koninklijke Begeer geslagen of gegoten zijn kon ik een aantal penningen op
dit onderwerp vinden. Verder moest ik mij tevreden stellen met circulaires van
de N.V. Koninklijke Begeer, Numint en Oranjemunt, aangevuld met berichten en
advertenties in kranten en tijdschriften. Een complicerende factor was, dat dezelfde
stempels vaak voor verschillende gebeurtenissen gebruikt zijn, met telkens ver
schillende omschriften.
De meeste door mij beschreven penningen heb ik gevonden in het Koninklijk
Penningkabinet, in het Koninklijk Huisarchief of bij de firma J. Schulman.
Alle penningen zijn geslagen, tenzij vermeld wordt dat zij gegoten zijn.
Veel dank ben ik verschuldigd aan Mej. drs. G. van der Meer, wetenschappelijk
ambtenaar bij het Koninklijk Penningkabinet, aan de Heer A. F. Ubels, hoofdarchivist bij het Koninklijk Huisarchief, en aan de Heer J. Schulman.

Afkortingen:
K.H.A. - Koninklijk Huisarchief
K.P.K. - Koninklijk Penningkabinet
V.V.P. - Vereniging voor Penningkunst
Dirks (18131863) J. Dirks, Beschrijving der Nederlandsche of op Nederland en
Nederlanders betrekking hebbende penningen, Haarlem 1889.
Zwierzina 1898-1908 W. K. F. Zwierzina, Penningkundige geschiedenis der regeering
van H.M. Koningin Wilhelmina der Nederlanden, 1898-1908, Amsterdam 1914.
Begeer III W. K. F. Zwierzina, Penningen geslagen of gegoten in de jaren 1880-1935,
deel III, 's-Gravenhage 1935.
Begeer V A. C. von Weiier, Penningen geslagen of gegoten in de jaren 1935-1960,
deel V, Leiden 1960.
Schulman J. Schulman, Handboek voor de Nederlandse munten van 1795-1969,
Amsterdam 1969.

Vervolg op de beschrijving in JMP 41 (1954), blz. 27-80.

SUMMARY

Medals concerning the Dutch Royal family 1949-1970. Continuation of a similar cata
logue published in JMP 1954.