Você está na página 1de 2

Kernconcepten ICT voor de generieke kennisbasis

Professionele attitude
1. De student is op de hoogte van nieuwste ontwikkelingen rondom ICT en onderwijs.
2. De student kan ICT inzetten om zichzelf te professionaliseren: zelfstandig of in online
samenwerkingsverband.
3. De student kan ICT inzetten om samen te werken en te communicatie met collega’s en
derden.
4. De student kan ICT inzetten om te reflecteren.
5. De student kan flexibel reageren op storingen computer.

Mediapedagogiek
6. De student heeft kennis van de digitale wereld van de leerling en de manier waarop de
leerling zich hierin gedraagt.
7. De student kan rekening houden met de ICT-vaardigheden van leerlingen
8. De student kan advies geven aan ouders over het ICT-gebruik van leerlingen.

Mediadidactiek
9. De student kent het begrip mediawijsheid en kan leerlingen hierin begeleiden.
10. De student kent het begrip informatievaardigheden en kan leerlingen hierin
begeleiden.
11. De student weet waar digitale leer-, oefen en toetsmiddelen te vinden zijn.
12. De student kan digitale leer-, oefen- en toetsmiddelen beoordelen op kwaliteit.
13. De student kan digitale leer-, oefen- en toetsmiddelen arrangeren, ontwikkelen en
structureel inzetten binnen verschillende vakgebieden.
14. De student kan vanuit zijn onderwijsvisie digitale leer-, oefen- en toetsmiddelen
verantwoord inzetten.
15. De student kan digitale leer en oefenmiddelen inzetten om in te spelen op de niveaus,
interesses, tempo en wijze van leerlingen van leerlingen.
16. De student kan digitale leer- en oefenmiddelen inzetten om te visualiseren en
schematiseren.
17. De student kan digitale leer- en oefenmaterialen inzetten om in te spelen op
leerproblemen.
18. De student kan digitale leermiddelen inzetten om in te spelen op de actualiteit.
19. De student kent diverse ICT-middelen om in te zetten voor het onderwijs.

Digitaal samenwerken
20. Kan leerlingen online laten samenwerken en communiceren.

Digitaal feedback geven


21. Kan leerlingen feeback geven in een digitale omgeving.

Digitaal begeleiden
22. Kan ICT inzetten om leerlingen te begeleiden, denkprocessen zichtbaar te maken, te
reflecteren, feedback te geven en te toetsen.

Digitaal volgen
23. Kan gebruik maken van een ELO en digitaal leerlingvolgsysteem om leerlingen te
volgen.
Digitale regels en afspraken
24. De student kent de regels en afspraken rondom ICT gebruik op school en kan hier een
bijdrage aan leveren.
25. De student kan leerlingen veilig en verantwoord de computer laten gebruiken en kent
de gevaren van langdurig computeren.

ICT-vaardigheden
26. De student beschikt over algemene ICT-vaardigheden en kennis die van belang zijn
voor het onderwijs.
27. De student kan het digitaal schoolbord en andere ICT-middelen inzetten voor het
onderwijs.
28. De student is in staat om fraude en plagiaat op te sporen.