Você está na página 1de 10

Bestuursprocesrecht II

Hoorcollege 7
Het stelsel van artikel 8:69 AWB:
Omvang van het geding:
Aanvulling van rechtsgronden;
Ambtshalve toetsing
Feitenaanvulling en bewijsrecht.
Het eerste lid van dit artikel zegt iets over de omvang van het
bestuursrechtelijke geding, waar gaat het over?
Het tweede lid zegt iets over hoe de rechter met het recht moet
omgaan. De rechter moet rechtsgronden aanvullen.
Het derde lid gaat over de bemoeienis van de bestuursrechter met
de feiten.
Het Nederlandse bestuursproces heeft een ontwikkeling
doorgemaakt van een controlemodel naar een geschilbeslechting
model. Dat komt ook naar voren in 8:69 met name het eerste lid is
de uitdrukking van het geschil beslechtende bestuursproces.
Het stelsel van 8:69 AWB.
Van oud naar nieuw.
In het Oude bestuursrecht was er geen bepaling die leek op 8:69
lid 1. Want alles draaide toen om ambtshalve controle door de
bestuursrechter van aangehaalde besluiten. Dat betekende dat
de bestuursrechter oude stijl volledige ambtshalve
vrijheid/bevoegdheid om het besluit af te meten aan de
maatstaven van het recht. In volle omvang toetsen van
rechtmatigheidsgebreken. De bestuursrechter had een algemene
rechtstatelijke functie bij het verzekeren van rechtmatig bestuur.
Toetsing in volle omvang van ieder besluit aan het recht is voor
de rechter nogal moeilijk. Je ziet het ook aan de functie van de
burger in het oude bestuursproces. De Burger was toen
weliswaar ook belanghebbende bij het besluit maar hij hoefde
niet aan te geven waarom hij het niet eens was met het besluit
waartegen hij beroep instelde. De belangen van de burger zijn
dan niet belangrijk. Slechts het onrechtmatige van het besluit is
belangrijk. Hij moet de rechter tippen en dan gaat de rechter het
besluit toetsen in het belang van de rechtsstaat. Er is iets heel
wezenlijk veranderd. 8:69 lid 1: de bestuursrechter doet
uitspraak op grondslag van het beroepsschrift. Daarmee is door
de wetgever duidelijk aangegeven dat de bestuursrechter niet
meer ambtshalve in volle omvang mag toetsen maar zich moet
richten op de punten die de appellant aanvoert in zijn
beroepsschrift. De appellant heeft een eigen
verantwoordelijkheid, je moet beroepsgronden aandragen,
aangeven waarom je het niet eens bent met het besluit. de
rechter is dan aan die beroepsgronden gebonden. Het begrip

beroepsgrond is niet meer dan het samenstel van argumenten


waarom de appellant het niet eens is met het besluit.
Kernpunten van ons huidige stelsel.
In het oude bestuursproces ging het om de toetsing van het
besluit op rechtmatigheidsgebreken in volle omvang. Het besluit
was de ultieme buitengrens van het bestuursrechtelijke proces.
Het besluit was het object van geding. In het hedendaagse
bestuursproces neemt het besluit nog steeds een centrale plaats
in. Het besluit geeft nog steeds de buitengrens aan van het
geding. Buiten het besluit kunnen partijen geen geding hebben
en kan de rechter niets toetsen. Maar er vindt een beperking
plaats, de rechter toetst niet meer het hele besluit.
1. De eerste beperking die niet in de wet staat is als de burger
alleen problemen heeft met een besluitonderdeel.
Bijvoorbeeld een vergunningvoorschrift, de rechtsstrijd kan
dan niet worden uitgebreid buiten dat vergunningvoorschrift.
De appellant heeft de omvang dan bepaald. De hoofdregel dat
het besluit de buitengrens is kent de nuancering dat het ook
kan gaan om slechts een bepaald onderdeel van een besluit.
dat kan je afleiden uit de parlementaire geschiedenis van 6:13
AWB. Stel er wordt geprocedeerd over besluit A, dat is dan de
buitengrens van het proces. Het kan gebeuren dat tijdens de
procedure bij de rechter het BO het besluit waar het om gaat
intrekt of een nieuw besluit neemt. Waar gaat de rechtsstrijd
dan over? Dat heeft de wetgever geregeld in 6:19 AWB:
bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op
een besluit tot intrekking/wijziging/vervangen van het
bestreden besluit tenzij partijen daarbij onvoldoende belang
hebben. Als het Bo dan het besluit ten voordele van de
appellant verandert dan is het onvoldoende belang om de
procedure te voeren.
6:13 en 6:19 zeggen iets over de buitengrens van het
bestuursrechtelijke geding. Kan beperkt zijn tot
besluitonderdelen, en verruimd zijn tot andere besluiten.
2. Uit het eerst lid van 8:69 volgt dat de rechtsstrijd gaat over de
aangevoerde beroepsgronden. De beroepsgronden beperken
de rechtsstrijd. De beroepsgronden geven ook uitdrukking van
de partijautonomie in het hedendaagse bestuursproces. In het
oude bestuursproces mocht de rechter heel veel ambtshalve
en was er weinig partijautonomie. Tegenwoordig heeft de
burger de bevoegdheid om de omvang van de rechtsstrijd zelf
in te vullen.
3. Lid 2 van 8:69 geeft de verplichting aan de rechter om zelf
rechtsgronden aan te voeren. Lid 3 is een bevoegdheid om
de feiten aan te vullen.
4. Het huidige stelsel kent een verbod op ambtshalve toetsing
( staat niet in het artikel). Toetsing buiten de grenzen van het
beroep is ambtshalve toetsing. Toetsing door de rechter buiten

de aangevoerde beroepsgronden. Het mag niet meer tenzij


er zijn een paar uitzonderingen op: toetsing van bepalingen
van openbare orde. Maar dat zijn uitzonderlijke situaties.
Aanvulling rechtsgronden.
De wet zegt dus dat rechtsgronden moeten worden aangevuld door
de bestuursrechter. Er moet dan eerst duidelijk zijn waar het geschil
over gaat. De bestuursrechter doet uitspraak op grond van het
beroepsschrift ( en stukken, vooronderzoek en onderzoek ter
terechtzitting). De rechter moet goed in beeld brengen waar nou het
geschil over gaat. Het belangrijkste in dat kader zijn de
beroepsgronden. Die beroepsgronden kunnen niet voldoende
duidelijk zijn en de bedoeling van de burger is niet duidelijk. Dus in
het bestuursproces ontstaat ter zitting een discussie over de
interpretatie van de beroepsgronden. Dat mag want de rechter moet
ook uitspraak doen op grond van het behandelde tijdens de zitting.
De bestuursrechter moet in samenspraak met partijen het geschil in
kaart brengen. het bestuursproces beoogt de burger een
ongelijkheidscompensatie te bieden. De bestuursrechter moet de
burger ondersteunen in zijn procesvoering want de BO verkeert in
een machtspositie. Daarom mag de Bestuursrechter in overleg met
de burger (+hoor wederhoor BO) bekijken wat de burger bedoelde
en of hij niet iets ander bedoelde. Daar is nog geen
rechtstoepassing bij komen kijken, er is slechts in beeld gebracht
waar het geschil overgaat. En dan pas kom je bij het 2e lid. Het
ambtshalve aanvullen van rechtsgronden betekent dat de rechter
op het in kaart gebrachte geschil het recht toe past. Rechtsgronden
aanvullen ziet ook met name op het vertalen van de
beroepsgronden in juridische gronden. De rechter zal uit de feitelijke
beroepsgronden moeten afleiden wat dat juridisch impliceert.
VB: appellant zegt dat jegens hem een bepaalde vergunning is
geweigerd en het idee heeft dat hij ongelijk is behandeld en dat kan
hij aannemelijk maken. De burger hoeft niet te zeggen er is een
strijd met gelijkheidsbeginsel etc. De rechter moet aan de hand van
onder meer het ongeschreven gelijkheidsbeginsel, de grondwet en
internationale bepalingen of in juridische zin dat gelijkheidsbeginsel
is geschonden.
VB 2: de procedure van een Groningse boer tegen een suikerfabriek.
De boer had in zijn beroepsschrift alleen aangegeven dat hij het niet
eens was met de milieuvergunning omdat de suikerfabriek stinkt.
Dat voldoet gewoon aan de eisen van een beroepsgrond. De rechter
kan dan de milieuvergunning toetsen aan allerlei eisen of die
rechtmatig is of niet. Maar als iemand zegt die fabriek stinkt is het
heel duidelijk waarom je het dan niet eens bent met de vergunning.
Daarnaast is de rechtsstrijd beperkt, de rechter mag niet ingaan op
geluidsoverlast, maar alleen op stankoverlast.
Met aanvulling van rechtsgronden bedoelt de wetgever niet dat de
rechter ook de rechtsgronden waarop het besluit steunt aanvult.

Samenvattend de verhouding tussen lid 1 en lid 2 van 8:69


Lid 1 gaat om het in kaart brengen van het geschil in feitelijke zin.
De activiteit van lid 1 moet plaatsvinden voordat lid 2 kan worden
toegepast. Bij het in kaart brengen van het in kaart brengen van het
geschil in feitelijke zin past hoor en wederhoor, doorvragen ter
zitting en ongelijkheidscompensatie. De rechter mag de burger
ondersteunen in zijn procesvoering. Als het geschil in kaart is
gebracht komen we bij het 2e lid: een verplichting van de rechter om
op het gerezen geschil het recht toe te passen.
- de beroepsgronden juridisch vertalen.
- Her geschil beslechten aan de hand van de maatstaven van
het recht. Hij moet beoordelen of het besluit in het licht van
het recht en gelet op de beroepsgronden stand kan houden.
Getoetst aan het recht binnen de grenzen van de
beroepsgronden.
In het 2e lid gaat het om ius curia novit: de rechter wordt geacht het
recht te kennen en past het ambtshalve toe. En de rechter moet
zondig ook recht vormen. Soms ontdekt de rechter onduidelijkheden
in wettelijke bepalingen en dan zal hij bevredigende juridische
oplossingen.
Ambtshalve toetsing is iets anders dan aanvulling van
rechtsgronden.
Het zijn 2 verschillende activiteiten die de rechter ambtshalve
verricht.
Ambtshalve toetsing.
Ambtshalve toetsing impliceert dat de rechter buiten de
beroepsgronden treedt en het besluit aan het recht toetst. Hij trekt
zich daarbij niets aan van de partij autonomie. De rechter is puur
een controleur van het recht en hoeft zich niets aan te trekken van
beroepsgronden of wat de partijen hebben beoogd. Ambtshalve
toetsing kan in strijd komen met uitgangspunten.
1. verbod op ultra petita gaan. (8:69 lid 1) de rechter mag niet
buiten de omvang van het geschil treden zoals dat door de
partijen aan hem is voorgelegd. Ambtshalve toetsing is in
strijd met dat verbod en toch is de rechter daartoe gehouden.
2. Het hedendaagse bestuursprocesrecht gaat ook uit van de
gedachte van reformatio in peius. Je kunt niet slechter af zijn
na een rechtsgang dan ervoor. Ambtshalve toetsing kan fors
leiden tot reformatio in peius.
Ambtshalve toetsing is dus een rechtsfiguur die nogal atypisch is
voor de hoofdstructuur van het hedendaagse bestuursprocesrecht.
In principe geen ambtshalve toetsing maar in sommige gevallen
moeten we het toch aanvaarden. Die gevallen zijn als er sprake is
van bepalingen van openbare orde.
Het bestuursproces heeft een bepaalde basisstructuur
( besluitmodel, en belanghebbende kunnen alleen in beroep gaan).

De rechter moet los van partijpunten toch waken over de


fundamentele basisprincipes waken. In ieder geval over bepalingen
die de essentie van het bestuursproces raken dat zijn bepalingen
over bevoegdheid en ontvankelijkheid. Los van partijstandpunten.
Dat kan verstrekkende gevolgen hebben.
VB: een bewoner van een boerderij procedeert tegen de bouw van
een windmolenpark die gelegen is op 4 kilometer afstand van zijn
woning. Het uitzicht van de boerderij is versperd door bomen dus de
windmolens verpesten niet heel zijn horizon. De boer is dus
omwonende en is door het bestuur en door de rechter aangemerkt
als belanghebbende. Hij procedeert tegen de omgevingsvergunning
inzake de bouw. Vervolgens boekt de boer succes en komt tot een
hoger beroepsprocedure. Daar ontdekt de rechter dat de boer
eigenlijk geen belanghebbende is terwijl het bestuur en de
eerstelijnsrechter hem wel als belanghebbenden hebben
aangemerkt. De wet zegt dan uit het systeem van ambtshalve
toetsing dat je dan als hoger beroepsrechter orde op zaken moet
stellen. Je constateert dat de boer geen belanghebbende is met alle
gevolgen van dien. De hoger beroepsrechter moet de fout herstellen
en de persoon kan dan niet meer procederen. Zelfs als je
wederpartij zegt je mag best procederen, dan kan het toch dat de
rechter moet constateren dat hij geen belanghebbende is op basis
van het recht. Dat leidt tot ultra petita gaan en tot reformatio in
peius. Dus ambtshalve toetsing is een hele ingrijpende rechtsfiguur.
Het verschil tussen aanvulling van rechtsgronden en ambtshalve
toetsing. Aanvulling van rechtsgronden is genoemd in de wet en
gebeurt binnen de omvang van het geschil, het ziet op alle
rechtsnormen. Ambtshalve toetsing is afgeleid uit de parlementaire
geschiedenis, het gebeurt buiten de omvang van het geschil en ziet
alleen op bepalingen van openbare orde.
Bepalingen van openbare orde zijn dus bepalingen die de
bevoegdheid van de rechter betreffen en de ontvankelijkheid van
het beroep. Dan moet je vooral denken aan het besluitbegrip en het
belanghebbende begrip, maar ook aan de bezwaar en
beroepstermijnen. Eisen van een goede procesorde.
De wetgever geeft geen lijstje van de bepalingen van de openbare
orde. In het verleden was ambtshalve toetsing de gebruikelijk
praktijk, de beperkte ambtshalve toetsing was iets nieuws.
Bepalingen van openbare orde.
Niet van openbare orde.
Het overgrote deel van het bestuursrecht is niet van openbare
orde. De bepalingen van openbare orde zijn fundamenteel
maar niet alle fundamentele bepalingen zijn van openbare
orde. Als je in rechten niet klaagt over deze dingen zal de
rechter er in beginsel niet ambtshalve een punt van maken.
het feit dat er een verbod op ambtshalve toetsing bestaat op

grond en mensenrechten betekent nog niet dat die slechts zijn


gewaarborgd. Van de burger wordt verlangt dat je in essentie
de rechter een aanknopingspunt biedt om tot toetsing over te
gaan.
hoor-en motiveringsplichten.
Beginselen van behoorlijk bestuur.
Grond- en mensenrechten.
Bepalingen van EU-recht tenzij( van der Weerd arrest. )
Dit was lange tijd een beetje een lastig verhaal. Is het niet zo
dat de Europese rechtsorde toch uitgaat van ambtshalve
toetsing als het gaat om schending van het Unierecht. Sinds
het van der Weerd arrest weten we dat het Nederlandse
systeem van 8:69 in essentie wel de goedkeuring heeft van
Luxemburg.
De Europese rechtsorde gaat ervanuit dat een verbod op
ambtshalve toetsing maf er nooit toe leiden dat de
doeltreffendheid van rechtsbescherming in gevaar komt. Je
moet als burger een rele kans hebben om gebreken van het
unierecht aan de orde te stellen bij de rechter. Dat is in het
Nederlandse recht gewoon mogelijk. Dus met het
doeltreffendheidsbeginsel is het in NL wel in orde. Luxemburg
eist ook dat je niet op een discriminatoire wijze het
procesrecht mag toepassen. Hier geldt dus het
gelijkheidsbeginsel. Als je in het nationale recht bepaalde
voorschriften aanmerkt als van openbare orde dan moet je
vergelijkbare bepalingen uit het unierecht ook aanmerken als
van openbare orde.
In specifieke gevallen kan het wel zo zijn dat het hof in
Luxemburg kan beslissen dat vanuit het oogpunt van
effectieve rechtsbescherming toch aan bepaalde voorschriften
ambtshalve zal moeten worden getoetst. Bijvoorbeeld bij
consumentenbescherming, bepaalde bepalingen moeten daar
ambtshalve gecontroleerd moeten worden. Maar alleen als
vanuit Luxemburg het signaal komt dat ambtshalve toetsing
moet plaatsvinden door de nationale rechter. De nationale
rechter is dan unierechter.
Grondrechten handvest bevat grondrechtelijke bepalingen.
Het EVRM gaat niet uit van ambtshalve toetsing. Sommige
mensen zeggen ambtshalve toetsing van grondrechten
handvest zou wel moeten. Maar gelet op rechtspraak het
standpunt dat Luxemburg ook geen ambtshalve toetsing
verlangt aan het grondrechten handvest.

Wel van openbare orde.


- Bepalingen inzake bevoegdheid en ontvankelijkheid
(bijvoorbeeld ook beroepstermijnen).
- 8:69 als zodanig is een bepaling die een samenballing is van
voorschriften die iets zeggen over de bevoegdheid van de
rechter om zich et het recht in te laten en feiten aan te vullen

en het geschil af te bakenen. Fundamentele eisen van de


goede rechtsorde. 8:69 is dus ook een bepaling die
ambtshalve wordt getoetst. Dat zie je met name in hoger
beroep. De hoger beroepsrechter controleren of de
eerstelijnsrechters zich hebben gehouden aan 8:69.
Eerstelijnsrechter heeft buiten de omvang van het geding ,en
dus buiten de beroepsgronden getoetst dan zal er
ambtshalve gecorrigeerd worden en zal de eerste lijn
rechtspraak onderuit gaan wegens strijd met 8:69.
Harde buitengrenzen bestuursbevoegdheden en onderliggen
de avv. Sommige auteurs zeggen dat bevoegdheden van
bestuursorganen ook ambtshalve worden getoetst. Vroeger
was dit heel gebruikelijk maar past minder goed in het
systeem van 8:69. In de rechtspraak niet veel signalen dat er
systematisch ambtshalve wordt getoetst aan
bevoegdhedenbepalingen van bestuursorganen. Een ander
puntje is toetsing aan algemeen verbindende voorschriften.
Tegen algemeen verbindende voorschriften kun je niet
rechtstreeks beroep instellen. De rechter mag wel bij wijze van
exceptie toetsen. Als jij aan het procederen bent tegen een
beschikking en je hebt beroepsgronden tegen die beschikking
dan mag de rechter door die beschikking heen kijken naar het
onderliggende algemeen verbindende voorschrift, dat is
exceptieve toetsing. Als een rechter een bepaalde
beroepsgrond niet goed kan beoordelen zonder ook een
onderliggend avv in zijn beoordeling te betrekken, dan zal hij
dit wel doen. De exceptieve toetsing is niet per se ambtshalve
toetsing, valt nog wel binnen de omvang van het geding, want
het gaat om de beroepsgrond.
Bepalingen van openbare orde zijn dus 99% bepalingen die de
bevoegdheid van de rechter en de ontvankelijkheid van het
beroep bevatten. En klein beetje ruimte voor fundamentele
beginselen van een goede procesorde.

Aanvulling van de feiten ( artikel 8:69 lid 3 awb).


In hoeverre mag de bestuursrechter zich met de feiten bezig
houden?
De bestuursrechter heeft een andere positie dan de burgerlijke
rechter. In het civiele proces staat partijautonomie centraal en die
moeten zelf feiten aandragen en bewijzen. 8:69 lid 3 zegt iets over
het karakter van het bestuursproces. De bestuursrechter kan
ambtshalve de feiten aanvullen. Het is geen verplichting.
Wat impliceert feitenaanvulling?
Het gaat om feiten die het geschil raken. Feiten relevant voor
het bestreden besluit of feiten voor een bepaalde
beroepsgrond. Die feiten kan de rechter ambtshalve
aanvullen. Ten aanzien van die feiten kan de rechter
ambtshalve uitzoeken hoe het werkelijk zit, hij kan zelfstandig
onderzoek verrichten.

8:69 lid 3 toont op de eerste plaats aan dat de


bestuursrechter een actieve rechter mag zijn en zich niet
hoeft neer te leggen bij partijstandpunten over de feiten.
Sterker nog de bestuursrechter mag de partijstandpunten over
de feiten na hoor en wederhoor passeren en zijn eigen visie op
de feiten hanteren. De bestuursrechter gaat uit van de
materiele waarheid. Het gaat niet over de waarheid waarover
de partijen het eens zijn, de formele waarheid, de
bestuursrechter mag ook in afwijking van partijstandpunten
over de feiten zelf feitenonderzoek verrichten en die in kaart
brengen.
De bestuursrechter mag ook feiten vaststellen los van de
feiten die het bestuur heeft vastgesteld. Dus de
bestuursrechter kan een correctie toepassen ten aanzien van
de bestuurlijke feitenvaststelling. In het besluitmodel is het
uitgangspunt dat het besluit bij de rechter op het bordje wordt
gelegd en het Bo dus al feiten heeft vastgesteld. De
bestuursrechter zou dan moten uitgaan van die vastgestelde
feiten, hij kan zorgvuldigheid wel toetsen ( indirecte
feitencontrole). Maar daarbij hoeft het niet te blijven, de
rechter mag zelf feiten vaststellen en in plaats stellen van de
feiten die het Bo heeft vastgesteld.
De rechter mag ambtshalve feitenonderzoek doen en in dat
kader heeft hij rechterlijke onderzoeksbevoegdheden
(benoeming deskundige, plaats bekijken(dissante), getuigen
verhoren, zelf inlichtingen vragen). Hij mag veel maar dat wil
niet zeggen dat hij dit ook doet. Daar kunnen principile
redenen voor zijn, trias, maar meestal komt dat doordat de
bestuursrechter er geen tijd voor heeft. Te weinig tijd en
middelen.
Feitenvaststelling heeft alles te maken met bewijs.
Inleiding bestuurlijk bewijsrecht.
De vrij-bewijsleer: een mythe?
Is er wel sprake van een vrij bewijs leer en wat houdt dat dan
in? Sommige zeggen vrije bewijsleer en sommige vrijbewijsleer. Een vrije leer houdt in er zijn geen regels, terwijl
vrij-bewijsleer zegt iets over het karakter van de leer(dit heeft
voorkeur). De wetgever heeft gezegd (parlementaire
geschiedenis): in het bestuursproces is er geen behoefte aan
strakke bewijsregels omdat we te maken hebben met een
actieve rechter die zelf wel uitzoekt hoe het zit (verwijzing
naar 8:69 lid 3. )maar dat is naef want de rechter heeft hier
vaak helemaal geen tijd voor en er is steeds meer
partijautonomie ontstaan. Daarmee is de discussie gerezen of
er niet meer regels moeten komen voor bewijs. Het
Nederlandse bestuursrecht beschikt wel degelijk over

bewijsrecht, het is niet keurig uitgewerkt maar er is wel een


heleboel bewijsrecht voor handen.
Bewijzen gaat altijd over de feiten, het recht hoef je nooit te
bewijzen. daarnaast moet je in ieder juridisch geschil weten
wat de bewijsomvang is: wat moet er bewezen worden? In het
bestuursproces zijn dat de feiten die het mogelijk maken de
beroepsgronden te beoordelen, feiten die aan het besluit en
aan de beroepsgronden ten grondslag liggen. Dan komt de
vraag nog wie moet dat dan bewijzen? wie heeft de
bewijslast? Dan moet je iets bewijzen en lukt dat niet dan
draag je daarvoor het risico, het bewijsrisico.
VB: ik beroep me in het beroepsproces op schending van het
vertrouwensbeginsel. Dan moet ik de feiten kunnen bewijzen
die aantonen dat het vertrouwensbeginsel geschonden is. als
dat niet lukt dan draag ik het risico het beroep is ongegrond.
Wanneer is iets dan bewezen?
De bewijsstandaard is de mate van zekerheid die nodig is om
de feiten aannemelijk te achten. Zekerheid kan nooit worden
verkregen. In het bestuursproces zou je kunnen zeggen dat de
rechter een gematigde bewijsstandaard hanteert. Feiten
moeten aannemelijk zijn. bij bestraffende procedures
(bestuurlijke boetes) ligt die bewijsstandaard iets hoger.
Rechter en partijen: wie moet wat bewijzen.
Bewijsomvang
Bewijslastverdeling.
Bewijslastverdeling: wie moet wat bewijzen. in het
bestuursproces kan dat het bestuur zijn, de burger en ook de
rechter 8:69 lid 3. Maar de rechter zal wat afstand bewaren en
alleen in bijzondere gevallen gebeurd dit niet. Wat zegt de wet
over de bewijslastverdeling?
- AWB.
Veel auteurs zeggen dat hoofdregels van bestuursrechtelijk
bewijsrecht volgen uit 2 bepalingen. De belangrijkste is 3:2
AWB. deze bepaling zegt dat BO hun besluiten zorgvuldig
moeten voorbereiden. De rechter zal het bestuur daar ook aan
houden. De rechter zegt de feiten staan niet vast, je moet het
besluit zorgvuldig voorbereiden, u kunt nog alsnog de
zorgvuldigheid te bereiken, zo niet dan bent u niet geslaagd in
de bewijsvoering die u moet doen op grond van 3:2. Er is nog
een andere bepaling die iets zegt over de bewijslast van de
burger. 4:2 lid 2 awb. zegt iets over het aanleveren van
informatie over feiten. De rechter zal de burger hier ook aan
houden. U had op basis van 4;2 lid 2 de gegevens moeten
overleggen die nodig waren voor de beslissing.
- de bijzondere wet
je kan allerlei wetten erbij nemen. Wet op inkomstenbelasting
bijvoorbeeld. de belastingdienst/wetgever gaat er vanuit dat
ik de belastingdienst goed informeer over mijn inkomsten. Dus

dat is een bewijsvoering last uit de bijzondere wet. Hetzelfde


geld bij aanvraag van uitkeringen en vergunningen.
vuistregels. (ongeschreven bewijsrecht)
hoef je niet allemaal te kennen, maar je moet wel weten dat
er ongeschreven bestuursrechtelijke regels van bewijsvoering
bestaan. Een bekende vuistregel is bijvoorbeeld de regel dat
als iemand zich beroept op bijzondere omstandigheden die
afwijken van het normale patroon hij die bijzondere
omstandigheden zal moeten aantonen.

We hebben het tot nu toe alleen gehad over inhoudelijk bewijsrecht,


materieel bewijsrecht. Bestuursrechtelijk bewijsrecht is formeel ook
relevant. Een formele deelvraag is op welk moment moet worden
bewezen.
Wanneer moet (kan) bewijs worden geleverd?
1. je moet je realiseren dat besluitvormingsfase een andere fase
is dan de rechtsbeschermingsfase. Dus bewijsvoering kan in
beide fases plaatsvinden. Maar uiteindelijk moet de
bewijsvoering voor de rechter plaatsvinden.
2. Tot op welk moment mag je nou bij de rechter bewijzen
produceren. Tot de zitting en op de zitting. Ter zitting kan je
verklaringen geven of getuigen horen dus ook ter zitting kan
nog bewijs worden geleverd. Dit alles moet binnen de grenzen
van de goede procesorde . je moet ordelijke handelen en de
rechter en je tegenpartij niet overrompelen met nieuwe
omvangrijke informatie in een te laat stadium. Uitwerking
hiervan is 8:58 AWB. als je bewijs wil leveren door het
indienen van nadere stukken dan geldt daar een 10 dagen
termijn. Die termijn is niet keihard, er zijn uitzonderingen. De
rechter gaat ervanuit dat 8:58 een uitwerking van de goede
procesorde is. het is afhankelijk van de aard van de nadere
stukken. Een foto kan kort voor de zitting overlegd worden
maar een omvangrijk rapport kan niet.
3. Bewijstrechter.
In het handboek nader uitgewerkt. De bewijstrechter houdt
verband met 3:2 en 4:2 lid 2. De bestuursrechter gaat er
vanuit dat als de burger op basis van 4:2 een verplichting
heeft om bewijs te leveren in de bestuurlijke fase en hij doet
dat niet, dan kan de burger die informatie niet alsnog in de
rechterlijke fase kan produceren. Het is een beperking op
bewijsvoering, je hebt je verplichting geschonden, je hebt je
kans verspeeld. Je hebt het BO dan niet in staat gesteld om op
basis van de juiste feiten een besluit te nemen en dan kun je
niet zeggen dat het BO het besluit onzorgvuldig heeft
voorbereid, dat is ook de schuld van de burger. Je mag de
burger alleen maar afrekenen op de bewijstrechter als het BO
de burger ook heeft gewezen op zijn plicht om informatie uit
te dragen.