Você está na página 1de 116

Illustratie: Nolle Smit

Meezingen met liedjes van Annie M.G. Schmidt

lesmateriaal

Zing met ons mee

groep 1 en 2
lesmateriaal 2012 - 2013
concertgebouw.nl/educatie

Zing met ons mee


Meezingen met liedjes van Annie M.G. Schmidt

Inhoud

Voorwoord .................................................................................................................................... 2
Inleiding ......................................................................................................................................... 3
Zingen met kinderen ..................................................................................................................... 4
Cd index ........................................................................................................................................ 8
Les 1: Ik ben lekker stout ................................................................................................................ 9
Les 2: Het beertje Pippeloentje ..................................................................................................... 11
Les 3: Stekelvarkentjes wiegelied ................................................................................................. 13
Les 4: Sebastiaan .......................................................................................................................... 15
Les 5: Tante en oom in Laren ........................................................................................................ 17
Les 6: De leeuw is los .................................................................................................................... 19
Les 7: Dikkertje Dap ...................................................................................................................... 21
Les 8: De heks van Sier-kon-fleks .................................................................................................. 23
Les 9: De wim-wam reus ............................................................................................................... 25
Les 10: Het lelijke eendje .............................................................................................................. 27
Les 11: De geit van dokter Sanders .............................................................................................. 29
Les 12: Pippeloentje gaat naar Engeland ....................................................................................... 31
Les 13: Zomeravond ..................................................................................................................... 32
Les 14: Mn opa ............................................................................................................................. 34
Bronvermelding ............................................................................................................................ 36
Inhoud bijlagen ............................................................................................................................. 37








Voorwoord
Zing met ons mee is een project voor leerlingen uit groep 1 en 2 van
het primair onderwijs.Tijdens het concert zullen de kinderen samen
met Cora Burggraaf en verschillende muzikanten liedjes zingen van
Annie M.G. Schmidt, echte klassiekers! In dit lesmateriaal staan
veertien voorbereidende lessen waarin de leerlingen de liedjes en
bewegingen leren die ze tijdens de voorstelling uitvoeren. Thierry
Castel maakte eigentijdse arrangementen van de liedjes, Bart Oomen
maakte er als regisseur een geheel van. Het lesmateriaal is geschreven
door Marloes van Ede.

Wij wensen u en de kinderen veel plezier tijdens de voorbereidende
lessen en het concert.

Zing met ons mee


Meezingen met liedjes van Annie M.G. Schmidt

Inleiding

Binnenkort bezoekt u met uw klas de bijzondere voorstelling Zing met ons mee in Het
Concertgebouw. Zing met ons mee is een bijzondere voorstelling omdat de kinderen
samen met de musici de veertien liedjes gaan zingen. Om deze voorstelling straks een
nog mooiere belevenis te laten zijn, ontdekt u via deze lesbrief alles over de muziek
die de leerlingen gaan horen en uitvoeren en worden de leerlingen inhoudelijk
voorbereid op het concert.

Over het lesmateriaal
Deze lesbrief is een belangrijk onderdeel van het project Zing met ons mee. Het is de
bedoeling dat u de lessen zelf aan uw klas geeft voorafgaand aan de voorstelling.
Het is voor de kinderen nog leuker om naar de voorstelling te gaan als ze alle liedjes
goed kennen. Bij een aantal liedjes zingen de kinderen alleen het refrein, maar
stimuleert u de kinderen vooral om alle liedjes helemaal mee te zingen. Bij dit
project hoort een liedboek en een cd. U kunt de tekeningen bij elk lied met de
kinderen bespreken.

De voorbereidende lessen
Er zijn veertien lessen waarin de kinderen de liedjes leren. Elke les duurt ongeveer 45
minuten. De lessen bestaan uit een inleiding, een gedeelte waarin het lied wordt
aangeleerd, een afsluiting en extra opdrachten. De onderdelen uit de lessen kunnen
ook los van elkaar of op een ander moment worden ingezet. Bij een aantal lessen
staan bewegingen. Leer de kinderen deze bewegingen, deze komen terug tijdens
het concert. Sluit elke les af met een herhaling van het net geleerde lied. Achterin de
lesbrief vindt u de liedteksten en bladmuziek van alle liedjes. Deze kunt u gebruiken
bij het instuderen van de liedjes.

De cd
Op de cd staan alle liedjes die tijdens de voorstelling worden gezongen en gespeeld.
De liedjes zijn ingezongen door Cora Burggraaf. Na de gezongen versie volgen op de
cd de liedjes instrumentaal. Het is belangrijk dat u de instrumentale versie steeds
aan het einde van de les gebruikt of als u de liedjes herhaalt. De kinderen leren de
liedjes zo zelfstandig te zingen. U kunt de cd opzetten tijdens de andere lessen of
tijdens het spelen en werken. De inhoud van de cd is weergegeven op bladzijde 8.

Zingen m et k inderen
Op de volgende paginas vindt u handreikingen die u kunt inzetten om zo goed en
mooi mogelijk met uw klas te zingen.
Kerndoelen
Door met de kinderen aan dit project deel te nemen wordt er onder andere gewerkt
aan de volgende kerndoelen:
- Nederlands, kerndoel 1,2,3
- Orintatie op jezelf en de wereld, kerndoel 35, 37, 38
- Kunstzinnige orintatie, kerndoel 54, 55, 56
- Bewegingsonderwijs, kerndoel 57, 58

Zingen met kinderen


Wanneer u met kinderen gaat zingen, bijvoorbeeld met de hele klas, een schoolkoor
of met een kleinere groep kinderen, zijn er een aantal punten waaraan aandacht
besteed moet worden om een goed resultaat te bereiken.

Iedereen heeft zijn eigen stijl van lesgeven en een voorkeur voor werkvormen en
hoewel het soms lastig is om de muziekles of het zingen in een drukke schooldag in
te plannen, hopen we dat u met deze basis gouden regels elke les, hoe kort ook,
weer voortbouwt op de vorige en er een positief resultaat mee zult bereiken.

Met e en g roep z ingen is e en p roces v an:
- Het ontwikkelen van goede gewoontes
- Hoge verwachtingen scheppen en daaraan vasthouden
- Plezier hebben!

Goede g ewoontes v oor h et z ingen h ouden o nder m eer in:
- Begin elke les met een warming-up (kijk voor tips bij het kopje warming-up).
- Maak van zingen een regelmatig terugkerende activiteit en ga niet alleen
zingen als extraatje als al het andere werk is gedaan.
- Bevorder het bewust zijn van een goede zanghouding en ademhaling bij de
kinderen. Dit komt de kwaliteit van het zingen ten goede, daarnaast houden
kinderen zingen op deze manier langer vol.
- Stimuleer de kinderen om goed naar elkaar te luisteren. Was het zuiver en
zong iedereen gelijk?
- Stimuleer stilte van de kinderen voor en na het zingen van elk lied.
- Probeer eens verschillende zangvormen uit, een hees geluid, een nasaal
geluid, maar weet goed wat u als leider van de groep wilt bereiken.
- Articuleer duidelijk, streef naar goed verstaanbare klinkers en medeklinkers.
- Herhaal het lied of stukjes uit een lied op verschillende manieren tijdens het
aanleren. Zing het lied eens harder, zachter, met een ander ritme, een toon
hoger, woorden fluisterend, het ritme klappend, enzovoorts.
- Zet sterke zangers bij elkaar, vanuit dit sterke groepje zangers krijgt de rest
van de groep meer zelfvertrouwen.
- Als de klas gaat optreden zonder begeleiding, repeteer dan ook een keer
zonder begeleiding, luister eens als leerkracht. Kunnen de kinderen het lied
alleen zingen?
- Houd de muzikale begeleiding minimaal. Zo kunnen kinderen zich niet
verschuilen achter de muziek. Met weinig muzikale begeleiding werken de
kinderen aan het luisteren, hun zelfvertrouwen en worden ze niet
afhankelijk van de begeleiding. Ook worden ze zich meer bewust van de
andere kinderen die zingen.
- Probeer ook eens om meerstemmig te zingen. Als het lukt om een lied
tweestemmig te zingen, lukt het misschien ook wel driestemmig of in canon.
- Voeg bewegingen toe, bijvoorbeeld een klap of stamp.
- Werk toe naar een uitvoering, laat de groep meedenken over de uitvoering
en de presentatie.
- Werk bij de kinderen aan een houding waarbij ze steeds beter willen worden
en beter willen leren zingen.
- Laat zingen vaker terugkomen in de school en niet alleen bij de kinderen.
Bijvoorbeeld op het eindfeest van school of aan het einde van een
vergadering.


Zing met ons mee


Meezingen met liedjes van Annie M.G. Schmidt

Warming-up
Vaak blijft er niet veel tijd over voor de muziekles en dan kan het verleidelijk zijn om
een warming-up over te slaan. Maar een goede warming-up is erg belangrijk.
Een warming-up is de start van de les en niet alleen om het lichaam en de stem op
te warmen, maar ook om de aandacht en concentratie van de kinderen te krijgen.
Na de warming-up is de groep klaar voor de les.

Plezier is n van de belangrijkste dingen van een warming-up, maar door een
warming-up te doen werken de kinderen ook aan de volgende aspecten:

Losmaken v an s tem e n lichaam
- De kinderen rekken en strekken hun lichaam
- De kinderen verhogen hun energie
- De kinderen worden zich bewust van hun houding en ademhaling
- De kinderen merken welke invloed stilstaan en bewegen heeft op hun stem
- De kinderen bereiden hun stem voor op het zingen

Focussen
- De kinderen hebben aandacht voor de les
- De kinderen ontwikkelen hun gehoor en horen of de gezongen lijn zuiver is
en ritmisch klopt

Versterken v an h et g roepsgevoel
- De kinderen hebben allemaal aandacht voor de les
- Als de kinderen een gezamenlijk doel hebben en samen ergens aan werken
zullen ze veel meer bereiken dan alle kinderen individueel

Variatie
Zorg voor variatie in de warming-up zodat iedereen bij de les blijft.

Beweging e n s tilstaan
Als kinderen gaan zingen (dit geldt voor iedereen die zingt) moeten ze vrij kunnen
bewegen om rustig en ontspannen te kunnen ademhalen. Als de kinderen al wat
langer staan is het verleidelijk om te gespannen te gaan staan of op een verkeerde
manier. Zorg ervoor dat als de kinderen staand zingen, ze ontspannen blijven staan
en op een goede manier. Laat de kinderen rechtop staan met hun voeten op
heupbreedte en hun gewicht over beide voeten verdeeld, zodat ze goed in evenwicht
staan. Dit geldt trouwens ook als de kinderen op hun stoel zingen, stimuleer dan dat
ze goed rechtop zitten.

Oude b ekende e n n ieuwe d ingen
Door terug te grijpen naar opdrachten en spelletjes die kinderen al kennen versterkt
u het groepsgevoel en kunnen de kinderen ontspannen. Wissel deze oude bekende
opdrachten en spelletjes af met nieuwe opdrachten en spelletjes zodat de kinderen
genteresseerd en enthousiast blijven.

Stem- e n lichamelijke o efeningen
Focus op lichamelijke oefeningen, deze zijn minstens zo belangrijk voor je stem als
stemoefeningen. Houding, ademhaling en balans hebben veel invloed op je stem.
Vergeet daarbij ook het gezicht, de mond, de nek en de kaak niet. Alles moet
ontspannen zijn voordat de kinderen beginnen met zingen.


Oefeningen voor de warming-up


Houding
- Laat de kinderen in de juiste zanghouding staan; rechtop met de voeten op
heupbreedte en het gewicht over beide voeten verdeeld, zodat je goed in
evenwicht staat.
- Vraag de kinderen dan op hun tenen te gaan staan en te proberen of ze het
plafond kunnen aanraken met hun handen.
- Vraag de kinderen in te ademen en bij de uitademing weer langzaam terug
op hun voeten te staan. De kinderen houden hun handen nog wel boven
hun hoofd.
- Laat de kinderen opnieuw inademen en bij het uitademen hun handen naar
beneden vallen en hun hoofd naar voren.
- Terwijl de kinderen zo staan halen ze opnieuw adem en bij de uitademing
tillen ze hun hoofd iets op.
- De kinderen gaan nu weer rechtop staan en zorgen ervoor dat hun
schouders los zijn, hun armen losjes langs hun lichaam hangen, hun knien
niet op slot staan en hun handen en kaak ontspannen zijn.

Ademhaling
- De kinderen ademen diep in en uit terwijl hun schouders ontspannen zijn.
- Laat de kinderen dan acht tellen inademen, hun adem twee tellen
vasthouden en dan weer vier tellen uitademen. Herhaal dit een aantal keer.
- Probeer eens om de kinderen zonder geluid te laten inademen en veel
geluid te laten maken bij het uitademen. Probeer het dan eens andersom,
met veel geluid inademen en zonder geluid uitademen.
- Herhaal de vorige oefening, maar laat de kinderen dan acht tellen lang hun
adem uitblazen.
- Herhaal de oefening nog eens, maar sis nu op de uitademing. Door deze
oefening worden kinderen zich bewust van hoe je controle kunt hebben op
de uitademing als je aan het zingen bent.
- Als laatste oefening, in plaats van sissen, neurin de kinderen op de
uitademing. Zorg ervoor dat de kinderen voor in hun mond neurin en dat
ze ook voelen waar het geluid in hun mond gemaakt wordt. Dan maken de
kinderen langzaam een o van hun mond en zingen o. Hoe klinkt het met
iedereen samen?

Stemoefeningen
- Iedereen schudt zijn armen, benen, voeten en alle andere lichaamsdelen en
maakt bij elke beweging een geluid. Probeer eens lage en hoge geluiden,
heeft dat effecten op de bewegingen?
- De kinderen gapen heel luidruchtig en rekken zich helemaal uit. Voelen ze
zich nu ontspannen?
- De kinderen doen alsof ze een aardappel in hun keel hebben. Maak
ademhaalgeluiden en maak er dan ook stemgeluid bij. Werk dan langzaam
toe naar een lange noot, klinkt het nu als een operazanger? Laat de
kinderen dit uitproberen door de ruimte op te zoeken in de klas en met hun
houding en gezichtsuitdrukking net te doen alsof ze operazangers zijn.
- De kinderen beelden zich in dat ze een heks zijn of een zoemende mug en
maken daarbij een hoog nasaal geluid. Het geluid wordt langzaam een a.
Houd deze a even vast.

Door deze oefeningen worden de kinderen er zich bewust van waar het geluid van
hun stem gemaakt wordt en wat er nog meer nodig is om goed te kunnen zingen.


Zing met ons mee


Meezingen met liedjes van Annie M.G. Schmidt

In de lessen wordt het aanleren van de liedjes aangeboden door middel van voor- en
nazingen. U zingt dan een regel voor en de kinderen herhalen deze. Probeer de
kinderen steeds te laten luisteren naar de melodie en de tekst. Dit stimuleert u door
middel van voor- en nazingen en door de kinderen vooraf een luisteropdracht mee
te geven, bijvoorbeeld; wat heeft het kind in het lied allemaal al gedaan?. Kinderen
leren veel door herhaling. Daarom raden wij u aan om de liedjes regelmatig in de
klas te laten horen en de geleerde liedjes veel te herhalen. Dit staat niet per les
aangegeven, maar het is voor het goed kennen van de liedjes wel wenselijk. Probeer
hierbij om de cd ook op shuffle te zetten zodat niet alleen de eerste liedjes van de cd
aan de beurt komen, maar alle liedjes.

Ook met jonge kinderen is het belangrijk om goed in te zingen. Om de stemmen van
de kinderen op te warmen kunt u bijvoorbeeld korte melodien voorzingen, de
kinderen herhalen deze. Een andere oefening is dat de kinderen uw vinger volgen.
Vertel de kinderen dat het een vlieg is en dat ze met de beweging mee mogen zingen.
Omhoog betekent hoger zingen, en omlaag betekent lager zingen. Zoals eerder al is
genoemd, een goede houding bij het zingen is belangrijk. Stimuleert u de kinderen
om rechtop te zitten of te staan.

Cd index

1. Ik ben lekker stout


2. Het beertje Pippeloentje
3. Stekelvarkentjes wiegelied
4. Sebastiaan
5. Tante en oom in Laren
6. De leeuw is los
7. Dikkertje Dap
8. De heks van Sier-kon-fleks

9. De wim-wam reus

10. Het lelijke eendje
11. De geit van dokter Sanders

12. Pippeloentje gaat naar Engeland
13. Zomeravond
14. Mn opa



15. Ik ben lekker stout


16. Het beertje Pippeloentje

17. Stekelvarkentjes wiegelied

18. Sebastiaan


19. Tante en oom in Laren

20. De leeuw is los


21. Dikkertje Dap


22. De heks van Sier-kon-fleks

23. De wim-wam reus


24. Het lelijke eendje


25. De geit van dokter Sanders

26. Pippeloentje gaat naar Engeland
27. Zomeravond


28. Mn opa


(instrumentaal)
(instrumentaal)
(instrumentaal)
(instrumentaal)
(instrumentaal)
(instrumentaal)
(instrumentaal)
(instrumentaal)
(instrumentaal)
(instrumentaal)
(instrumentaal)
(instrumentaal)
(instrumentaal)
(instrumentaal)

Zing met ons mee


Meezingen met liedjes van Annie M.G. Schmidt

Les 1: Ik ben lekker stout


Nodig:
- Cd-speler
- Cd track 1 en 15
- Bijlage 1: Informatie over Het Concertgebouw
- Bijlage 2: Cora Burggraaf
- Bijlage 3: Muzikanten uit het ensemble
- Bijlage 4: Kleurplaten instrumenten
- Bijlage 5: Afbeeldingen instrumenten

Tijd:
Ongeveer 45 minuten

In deze les:
Maken de kinderen kennis met Het Concertgebouw, de muzikanten en hun
instrumenten.

Inleiding
Vraag de kinderen wie weet wat een concert is. Wat gebeurt er tijdens een concert?
Een concert houdt in dat er mensen zingen of op muziekinstrumenten spelen en dat
er andere mensen naar luisteren. Wie van de kinderen is wel eens naar een concert
geweest? Waar was dat en wie speelden er? Op welke instrumenten werd er
gespeeld? Een plek waar veel concerten gegeven worden is Het Concertgebouw.
Kennen de kinderen het gebouw? Laat de kinderen de afbeelding zien van Het
Concertgebouw en vertel over het gebouw. Gebruik hiervoor bijlage 1. Misschien zijn
kinderen er wel eens langs gefietst of langs gereden met de tram. In Het
Concertgebouw wordt een bijzonder concert gegeven: Zing met ons mee. Het is
bijzonder omdat de kinderen niet alleen gaan luisteren maar ook meezingen met de
liedjes die de muzikanten op het podium spelen. Vertel de kinderen dat ze de
komende tijd liedjes zullen leren die ze tijdens het concert zullen meezingen.

Laat de kinderen de foto zien van Cora Burggraaf. Vertel dat Cora Burggraaf de
zangeres is die tijdens het concert met de kinderen zal zingen. Zij wordt begeleid
door een ensemble, zo heet het groepje van muzikanten die de muziek spelen als
Cora zingt. Laat de kinderen de afbeeldingen van de instrumenten zien. Herkennen
de kinderen misschien al instrumenten? Leg uit wat voor instrumenten het zijn en
vertel wie de muzikanten zijn die erop spelen. Joost speelt saxofoon en dwarsfluit,
Thomas contrabas en Mark drums. Thierry speelt piano, tijdens het concert zal hij op
een grote vleugel spelen.

Kern
Over Annie M.G. Schmidt
Annie M.G. Schmidt werd geboren in 1911. Ze werkte als bibliothecaresse en
directrice van een bibliotheek voordat ze vanaf 1948 voor Het Parool een column en
versjes schreef. Ze schreef al eerder boeken met gedichten maar na de oorlog werd
haar werk pas echt populair. Annie M.G. Schmidt schreef ook musicals, hoorspelen,
toneelstukken en cabaret. Ze heeft voor haar boeken en versjes nationale en
internationale prijzen ontvangen. In 1995 is Annie M.G. Schmidt overleden.
De liedjes die de kinderen gaan leren zijn door Annie M.G. Schmidt geschreven,
zij schreef ook de boeken over Jip en Janneke. Annie heeft ook opgetreden in
Het Concertgebouw. In de Grote Zaal maar ook in de Kleine Zaal, waar het Zing met
ons mee concert plaatsvindt.

Zijn de kinderen wel eens stout geweest? Wanneer was dat en wat gebeurde er
toen? Als ze een dag lang dingen mochten doen die ze normaal gesproken niet
mogen doen, wat zouden ze dan gaan doen?

Er was eens een kind dat geen zin had in allemaal regels, het wilde gewoon lekker
stout zijn. Lees de liedtekst van het lied Ik ben lekker stout een keer voor aan de
kinderen. Kunnen de kinderen horen wat het kind niet wil en wat het wel wil?
Wanneer ben je stout en wanneer ben je lief? Bespreek de moeilijke woorden. De
tweede keer dat u het lied voorleest kunt u bewegingen maken bij het lied. Bijna elke
zin nodigt uit voor een beweging. Bijvoorbeeld ik wil niet meer met het hoofd
schudden en ik wil geen handjes geven een handje schudden, enzovoorts. Spreek
de tekst nog een keer uit en doe de bewegingen er bij en laat de kinderen de
bewegingen meedoen en de zinnen aanvullen. Wat weten ze al? Deze bewegingen
worden niet uitgevoerd tijdens het concert.

Laat nu het lied een keer horen op cd track 1 en leer de melodie aan door middel van
voor- en nazingen. Bij het voor- en nazingen is het belangrijk dat u duidelijke
handgebaren gebruikt als u zelf zingt en duidelijk aangeeft wanneer de kinderen
mogen nazingen. Zorg ervoor dat de kinderen niet mee gaan zingen tijdens het
voorzingen. Het is belangrijk dat de kinderen goed leren luisteren zodat er geen
fouten worden aangeleerd.

Afsluiting
Kunnen de kinderen het lied ook neurin? Of zoemen als een bij? Herhaal het lied
nog een keer in zijn geheel. Om alle kinderen tegelijk te laten inzetten met zingen,
zingt u eerst een klein stukje voor, bijvoorbeeld de eerste zin van het lied. De
kinderen horen het ritme en de toonhoogte waarop ze moeten zingen. Geef met
bijvoorbeeld een handbeweging goed aan wanneer iedereen begint met zingen.

Woordenschat
- De volgende woorden hebben eventueel extra uitleg nodig: havermout,
roetsen, schipbreuk, teil, met twee woorden spreken, kanapee, melkboer.

Extra
- De kinderen kunnen de kleurplaten inkleuren van de instrumenten.
- De kinderen kunnen instrumenten knutselen van dozen en papier.

10

Zing met ons mee


Meezingen met liedjes van Annie M.G. Schmidt

Les 2: Het beertje Pippeloentje


Nodig:
- Cd-speler
- Cd track 2 en 16
- Knuffelbeer

Tijd:
Ongeveer 45 minuten

In deze les:
Maken de leerlingen kennis met het beertje Pippeloentje en leren ze een lied over
hem.

Inleiding
Laat het intro een keer horen van de instrumentale versie op de cd track 16. Welke
instrumenten horen ze? De piano en saxofoon. De piano speelt in het intro twee keer
een loopje omhoog, vraag de kinderen hun handen op te steken als ze de piano het
loopje horen spelen. In dit lied zitten pauzes, soms op onverwachte momenten. De
kinderen mogen vrij bewegen op de muziek. Als er geen muziek klinkt staan ze stil,
als er weer muziek klinkt mogen ze bewegen enzovoorts. Wat vonden ze van de
muziek? Klinkt het vrolijk of boos en gaat het langzaam of snel? Het klinkt meer een
beetje lief en het lied gaat langzaam.

Kern
Ga dan weer in de kring zitten. Weten de kinderen nog waar ze naartoe gaan en wie
ze daar gaan zien? Het lied dat de kinderen nu gaan leren gaat over het beertje
Pippeloentje, hebben de kinderen daar weleens van gehoord? Laat de knuffelbeer
zien en vertel dat het beertje Pippeloentje is. Vraag via beertje Pippeloentje met een
lage stem; hebben jullie ook je berenstem mee?, laat de kinderen in een zin
antwoorden ja wij hebben onze berenstem mee. Herhaal dit met verschillende
soorten stemmen, hoge stem, fluisterstem enzovoorts. Eindig met een zangstem.

Lees het eerste couplet voor van het lied Het beertje Pippeloentje. Vraag de
kinderen te luisteren naar wat Pippeloentje niet heeft en wat hij wel heeft. Wat
hebben de kinderen onthouden? Lees nu het tweede couplet voor, wat gaat
Pippeloentje niet doen en wat wel? Bespreek ook hier de moeilijke woorden.
Pippeloentje heeft sommige dingen niet en doet sommige dingen niet, maar is dat
erg? Pippeloentje heeft wel een mooie pet en als hij morgen wakker wordt kan hij
weer spelen. Doen of hebben de kinderen ook wel eens iets niet? Vinden ze dat
vervelend?

Laat de kinderen de tekening uit het cd-boek zien. Wie is beertje Pippeloentje op de
tekening? Wat doet beertje Pippeloentje op de tekening? Leer het lied nu aan door
steeds de eerste regel te zingen en de kinderen het te laten aanvullen. Let hierbij op
dat de kinderen de melodie goed overnemen. Begin met het eerste couplet en wijs
de onderdelen uit het lied aan bij uzelf, zoals een sok, een schoen enzovoorts. Als dat
lukt gaat u verder met het tweede couplet. Laat de kinderen de bewegingen
meedoen.

Afsluiting
Herhaal het lied nog een keer met track 2 en 16. Wie van de kinderen kan er al een
stukje alleen zingen? Het kind dat al een stukje alleen kan zingen mag het beertje
Pippeloentje op schoot nemen en het lied laten horen aan de klas.


11

Woordenschat
- De volgende woorden hebben eventueel extra uitleg nodig: dasje, boordje,
jakje, wolletje, parasolletje, ponnetje, plantsoentje, tollen.

Extra
- De kinderen kunnen de berenpoppetjes tekenen uit het lied.
- De kinderen kunnen een aankleedbeer knutselen met verschillende
kledingstukken die in het lied genoemd worden.

12

Zing met ons mee


Meezingen met liedjes van Annie M.G. Schmidt

Les 3: Stekelvarkentjes wiegelied


Nodig:
- Cd-speler
- Cd track 3 en 17
- Bijlage 6: Woordkaarten Stekelvarkentjes wiegelied
- Schoolinstrumentarium

Tijd:
Ongeveer 45 minuten

In deze les:
Praten de kinderen over anders zijn en leren ze het Stekelvarkentjes wiegelied.

Inleiding
Begin een gesprek over verschillende eigenschappen van dieren. Hoe zien ze eruit,
wat voor vacht hebben ze en wat kunnen ze goed? Alle dieren hebben iets bijzonders,
of iets waar ze heel goed in zijn. Alle kinderen hebben iets bijzonders, kunnen de
kinderen van zichzelf en van andere kinderen aangeven wat zij voor bijzonders
hebben of wat zij goed kunnen?

Kern
Laat het Stekelvarkentjes wiegelied een keer horen, gebruik hiervoor track 3 van de
cd. Welke dieren komen er in voor en wat hebben zij voor iets bijzonders? Bespreek
alle dieren uit het lied en hun bijzondere kenmerken. Horen de kinderen wat voor
soort liedje het is? Het is een slaapliedje. Zingen de vaders en moeders van de
kinderen ook wel eens een slaapliedje? Een slaapliedje wordt ook wel een wiegelied
genoemd, je kunt op de muziek meewiegen.
Lees of zing het lied een keer voor en laat de kinderen de zinnen over de dieren
aanvullen.

U leest of zingt het begin van de zin en de kinderen zeggen het laatste woord van de
zin. Als u het lied herhaalt laat u steeds meer weg van het lied, de kinderen vullen
steeds meer aan. Herhaal op deze manier nog een keer het lied helemaal en laat alle
zinnen door de kinderen aanvullen, welke kennen ze al? Als dit goed gaat kunt u de
kinderen de melodie leren door middel van voor- en nazingen.

Afsluiting
Herhaal het lied nog een keer in zijn geheel en gebruik hiervoor de instrumentale
versie op track 17. Als afsluiting kunt u een dierengeluidenspel spelen met de
kinderen. Welke geluiden maken de dieren uit het lied? Welke dierengeluiden
kennen de kinderen nog meer? De kinderen mogen verspreid in de klas gaan staan
en u wijst n kind aan dat een dierengeluid mag maken. Een ander kind heeft met
zijn ogen dicht geluisterd en vertelt waar het geluid vandaan kwam en wat voor
dierengeluid het was. Dit spel kunt u ook spelen met instrumenten. U wijst steeds
n kind aan dat geluid mag maken op een instrument, een ander kind mag zeggen
waar het geluid vandaan kwam en welk instrument het is geweest.
Woordenschat
- De volgende woorden hebben eventueel extra uitleg nodig: suja, manen,
snorren, vinnen.


13

Extra
-

-
-
-

Welke bewegingen kunnen er bij het lied gemaakt worden? Laat de


kinderen bij de verschillende dieren bewegingen bedenken. Deze worden
niet uitgevoerd tijdens het concert.
De kinderen maken een schilderij van de dieren uit het lied. Hoe zien de
dieren er uit en wat is er speciaal aan ze?
De kinderen maken een stekelvarken van klei.
De kinderen maken een mobiel van dieren net als op de tekening in het
liedboek.

14

In bijlage 6 vindt u woordkaarten. Kopieer deze eventueel op steviger papier


en knip de kaarten uit. U kunt met de kaarten verschillende activiteiten
aanbieden:
Beschrijf het dier op het plaatje en laat de kinderen raden om welk
die het gaat.
Leg de kaarten op een rij en laat de kinderen goed kijken. Haal dan
een kaart weg en vraag de kinderen welke kaart er weg is.
Klap de lettergrepen van de dieren met de kinderen. U kunt er ook
een raadspelletje van maken. U klapt n van de woorden, horen
de kinderen welk dier u klapt?
Noem n, drie of vier kaarten en laat een kind de kaarten
neerleggen zoals u ze net genoemd heeft.
De kinderen kunnen de woorden schrijven of stempelen.
U kunt met de kinderen rijmen op de woorden.

Zing met ons mee


Meezingen met liedjes van Annie M.G. Schmidt

Les 4: Sebastiaan

Nodig:
-
-
-
-
-

Cd-speler
Cd track 4 en 18
Een bol wol
Bijlage 7: Werkblad Sebastiaan
Bijlage 8: Werkblad poten van Sebastiaan

Tijd:
Ongeveer 45 minuten

In deze les:
Praten de kinderen over spinnen en leren de kinderen het lied over de spin
Sebastiaan.

Inleiding
Zoek op www.schooltv.nl/beeldbank in het zoekveld naar spinnen. Laat het filmpje
zien van Flip de Beer over spinnen. Ze gaan op zoek naar spinnen in de tuin. Praat
met de kinderen over het filmpje, hoe zien spinnen eruit? Hoeveel poten hebben
spinnen en wat doen ze de hele dag? Hebben de kinderen wel eens spinnen in de tuin
gezien? Het lied waar de kinderen nu naar gaan luisteren gaat over een spin,
Sebastiaan. Laat het lied een keer horen met cd track 4. Welke instrumenten horen
ze in het intro? De dwarsfluit en de piano zijn in het begin te horen. Hoe klinkt het
lied? Klinkt het blij of vrolijk? Of juist niet? Het lied klinkt soms wat spannend, je
hoort aan de muziek dat er iets gaat gebeuren. Aan het begin van elk couplet klinkt
de muziek vrolijker en opgewekter. Zijn de spinnen binnen of buiten? Waar zijn ze
bang voor?

Kern
Het lied is een gesprek tussen spin Sebastiaan en de andere spinnen. Cora Burggraaf
zingt de tekst van spin Sebastiaan, de kinderen zingen de coupletten van de andere
spinnen. De kinderen zingen dan couplet 2, 4, 6 en 7. Maar stimuleert u de kinderen
vooral om alles mee te zingen.

Leer het lied aan door middel van voor- en nazingen. Hebben de kinderen woorden
gehoord die rijmen? Spinnen/beginnen, nou/kou, groot/dood, bang/drang,
enzovoorts. Kunnen de kinderen het ook een beetje bang zingen? Of alsof ze een
beetje boos zijn op de spin Sebastiaan? Als de kinderen het lied goed kennen kunt u
het lied laten uitspelen door de kinderen. En van de kinderen kan de spin
Sebastiaan zijn en dit uitspelen in de kring. Als het kind het durft en het lied al kent
kan het het lied alleen zingen, anders zingen alle kinderen het hele lied mee.

Afsluiting
Met de kinderen kunt u een web weven. Ga hiervoor eventueel naar de speelzaal.
Neem de bol wol en begin bij n kind en wikkel het draad om het middel van het
kind. Het kind zegt de naam van het kind waar hij/zij het bolletje wol naar toe gooit.
Het andere kind vangt de wol en wikkelt het ook weer losjes om zich heen of houdt
een stukje draad vast en zo verder tot er een spinnenweb gemaakt is. Als uitbreiding
kunt u er een plastic bal of ballon als spin over laten bewegen.

15

Woordenschat
- De volgende woorden hebben eventueel extra uitleg nodig: drang, toom je
in, innig, eigenzinnig.

Extra
- De kinderen kunnen op de kralenplank een spin of spinnenweb maken. Op
internet zijn voorbeelden te vinden voor de kralenplank.
- Maak de schrijfoefening van de spin. In bijlage 7 vindt u een schrijfoefening
voor de kinderen.
- De kinderen maken het werkblad over de poten van spin Sebastiaan. In
bijlage 8 vindt u het werkblad.
- De kinderen knutselen een spin. Bijvoorbeeld van twee stukjes van een
eierdoos met pootjes van muizentrappetjes of van twee pompons.
- Van ijslollystokjes en draad kunnen de kinderen een web weven. Of gebruik
een kastanje met prikkers.
- Ga op zoek naar spinnen in het lokaal en buiten. Wat doen spinnen en hoe
zien ze eruit? Hoeveel poten hebben spinnen en hoeveel poten hebben
andere beestjes?
- Op www.schooltv.nl/beeldbank staan ook andere filmpjes over spinnen,
deze kunt u met de kinderen bekijken.

16

Zing met ons mee


Meezingen met liedjes van Annie M.G. Schmidt

Les 5: Tante en oom in Laren



Nodig:
- Cd-speler
- Cd track 5 en 19
- Xylofoon of klankstaven

Tijd:
Ongeveer 45 minuten

In deze les:
Zingen de kinderen hoog en laag met de xylofoon of klankstaven en leren de
kinderen het lied Tante en oom in Laren.

Inleiding
Weten de kinderen nog waarvoor ze liedjes aan het oefenen zijn? Ze gaan kijken en
luisteren naar het concert in Het Concertgebouw. Weten ze nog wie er gaan
optreden? De kinderen gaan zelf optreden, ze zingen alle liedjes mee en Cora
Burggraaf en het ensemble treden op. Laat de afbeeldingen van de musici en de
instrumenten nog eens zien, weten de kinderen hoe de musici heten en welke
instrumenten de musici bespelen?
Het lied dat de kinderen vandaag gaan leren gaat over een huis in een boom. Hebben
de kinderen wel eens een boomhut gemaakt? Waar kun je nog meer wonen? Zou het
handig zijn om in een boom te wonen? Je moet in ieder geval iedere keer omhoog en
omlaag klimmen. Zing met de kinderen een toonladder van laag naar hoog om in de
boom te klimmen. Gebruik eventueel een xylofoon. Zing dan van hoog naar laag.
Laat de kinderen er bewegingen bij maken alsof ze in een boom klimmen en weer
terug. Misschien komen jullie er halverwege achter dat je nog iets vergeten bent en
maak je kleine stapjes op de toonladder.

Kern
Laat het lied Tante en oom in Laren een keer horen met cd track 5. In wat voor boom
wonen oom en tante? Wat hangt er nog meer in de boom? Leer het lied aan door
middel van voor- en nazingen. Luister met de kinderen nog eens naar het vierde
couplet. Hoe zingt Cora Burggraaf daar? Ze klinkt als de oom, met een lage stem, ze
praat meer dan ze zingt en oom praat een beetje raar. Wanneer Cora in het vierde
couplet als tante zingt, hoe klinkt dat? Dat klinkt hoger en tante spreekt de woorden
netjes uit. Kunnen de kinderen de coupletten ook zingen als oom en tante? Dus met
een hoge klank zingen wanneer tante zingt en de woorden heel netjes uitspreken of
met een lage klank zingen en de woorden een beetje raar uitspreken als oom?
Kunnen de kinderen het lied ook heel zachtjes zingen of juist iets harder? Lukt het
om het lied langzamer of juist iets sneller te zingen, maar wel zo dat het mooi blijft?

Afsluiting
Herhaal het lied nog een keer in zijn geheel. Herhaal de liedjes uit de vorige lessen.
Welke liedjes kennen de kinderen al helemaal? U, of een kind kan een lied neurin,
wie weet om welk lied het gaat? Dit lied wordt nog eens gezongen. Welk lied vinden
ze het mooist of het spannendst en waarom?

Woordenschat
- De volgende woorden hebben eventueel extra uitleg nodig: bezwaarlijk,
gemakken, vitten, klauteren.



17

Extra
-
-
-

18

De kinderen kunnen de boomhut plakken of schilderen. Hoe ziet de hut er


uit? En wat hangt er allemaal in de boom?
Van ijsstokjes kunnen de kinderen een boomhut knutselen.
U kunt met de kinderen naar buiten, naar het park of rondom de school
kijken naar de bomen. Staan er veel bomen? Hoe zien de bomen eruit, zijn
ze dik of dun of hoog of laag? Welk seizoen is het? In welke boom zou je
goed een boomhut kunnen bouwen? Enzovoorts. Als u A-3 papier en wasco
krijt meeneemt kunt met de kinderen het profiel van het schors overtrekken
van een aantal bomen.
In de speelzaal kunnen de kinderen klimmen en klauteren als in bomen.

Zing met ons mee


Meezingen met liedjes van Annie M.G. Schmidt

Les 6: De leeuw is los



Nodig:
- Cd-speler
- Cd track 6 en 20
- Bijlage 5: Afbeeldingen instrumenten

Tijd:
Ongeveer 45 minuten

In deze les:
Stappen de kinderen mee op de maat en leren ze het lied De leeuw is los.

Inleiding
Ga met de kinderen naar de speelzaal of zorg dat er ruimte is in het lokaal. Laat het
lied De leeuw is los een keer horen, gebruik hiervoor track 6 op de cd. Waar loopt de
leeuw allemaal rond en wie komt hij allemaal tegen? Bespreek wat de leeuw
tegenkomt en welke beroepen de mensen uitvoeren. Herkennen kinderen uit
Amsterdam de plekken waar de leeuw langsloopt? Wat doet Jan? Wat gebeurt er
dan met de leeuw? Wat is een klontje?

Laat het lied nog een keer horen, nu lopen de kinderen door de klas of speelzaal en
stappen in de maat mee. Als dat goed gaat kan daarna het stappen uitgebreid
worden met het uitbeelden van wat de kinderen onderweg tegenkomen. De leeuw,
de tramconducteur, het klontje dat gegeven wordt enzovoorts. Bespreek kort hoe de
kinderen de gebeurtenissen in het lied hebben uitgebeeld en of alles goed uit te
beelden was. Laat dan het lied nog eens horen en laat de kinderen weer rondlopen
en uitbeelden.

Kern
Ga terug in de kring zitten en laat het intro van het lied nog een keer horen. Welke
instrumenten horen de kinderen? Kopieer hiervoor de afbeeldingen van de
instrumenten. Eerst hoor je heel duidelijk een ritme dat gespeeld wordt door het
drumstel, daarna komt de contrabas erbij met de lage noten. Dan hoor je de
saxofoon die de melodie speelt. De piano is lastiger te horen, deze speelt
tegelijkertijd met de saxofoon, horen de kinderen de piano? Leer het lied nu aan
door middel van voor- en nazingen. Het lied kan lastig zijn om aan te leren. Het ritme
van het lied gaat snel, let er op dat er daardoor niet sneller gezongen wordt. Het
stukje waarin gezongen wordt De leeuw is los, gaat erg snel, oefen dat eventueel
apart. Zijn er kinderen die al een stukje uit hun hoofd kennen van het lied? Als de
kinderen het lied goed kennen kunt u elk kind een zin laten zingen. U begint met het
zingen van de eerste zin en laat het volgende kind de tweede zin zingen enzovoorts.
Eventueel kunt u hiervoor een voorwerp gebruiken dat u doorgeeft, bijvoorbeeld een
knuffel of een afbeelding van een leeuw. Telkens wanneer een ander kind aan de
beurt is wordt het voorwerp doorgegeven.

Afsluiting
Herhaal het lied nog eens in zijn geheel. Als het goed gaat, zingt u het lied met de
instrumentale versie op track 20.

De leeuw is moe van het wandelen in de stad en gaat slapen. En kind slaapt als
leeuw in het midden van de kring. Zachtjes sluipen er een aantal kinderen dichterbij
en gaan achter de leeuw zitten. Weet de leeuw hoeveel kinderen er achter hem
zitten?

19

Woordenschat
- De volgende woorden hebben eventueel extra uitleg nodig: briest, klingelt,
pianostemmer, klontje, mak, warempel.

Extra
- U kunt met de kinderen het spel leeuwentemmertje spelen. En van de
kinderen is de leeuwentemmer en verlaat de klas. De andere kinderen zijn
de leeuwen en mogen bewegen door de klas. Als de leeuwentemmer de
klas binnenkomt mogen de leeuwen niet meer bewegen. De leeuwen die
nog wel bewegen zijn af.
- In de speelzaal kunt u gymmen zoals in het circus, over het koord
balanceren, springen als een acrobaat enzovoorts.
- De kinderen kunnen een tikspel spelen waarbij de slapende leeuw wordt
wakker gemaakt. De kinderen roepen leeuw word wakker en dan probeert
de leeuw zoveel mogelijk kinderen te tikken.
- De kinderen kunnen beroepen of personen uitbeelden uit het lied,
bijvoorbeeld de leeuw, de behanger, de tramconducteur enzovoorts.
Kunnen de andere kinderen raden wat er wordt uitgebeeld?
- Het programma Koekeloere heeft een uitzending over het thema van een
Kinderboekenweek De leeuw is los. Ze gaan op zoek naar een ontsnapte
leeuw. Op www.uitzendinggemist.nl kunt u zoeken naar Koekeloere, de
leeuw is los.

20

Zing met ons mee


Meezingen met liedjes van Annie M.G. Schmidt

Les 7: Dikkertje Dap



Nodig:
- Cd-speler
- Cd track 7 en 21
- Klankstaven of een xylofoon
- Handtrom of woodblock
- Bijlage 5: Afbeeldingen instrumenten
- Bijlage 9: Werkblad Dikkertje Dap

Tijd:
Ongeveer 45 minuten

In deze les:
Luisteren en herkennen de kinderen de instrumenten die bespeeld worden in de
verschillende liedjes en ze leren het lied Dikkertje Dap.

Inleiding
Kopieer de afbeeldingen van de instrumenten. Leg de afbeeldingen in het midden
van de kring. De vorige les hebben de kinderen tijdens het intro van De leeuw is los
geluisterd naar de instrumenten. Weten ze nog welke instrumenten tijdens het intro
van De leeuw is los speelden? Laat het intro nog eens horen en herhaal het lied. Laat
nu van een aantal andere ingestudeerde liedjes het intro horen. Weten de kinderen
nu ook nog welk liedje het is en welke instrumenten ze horen? Waar horen ze dat
aan?

- Sebastiaan, track 4. De dwarsfluit is goed te horen.
- Het beertje Pippeloentje, track 2. De saxofoon speelt hier samen met de
piano het intro.
- De leeuw is los, track 6. Eerst speelt het drumstel, dan komt de contrabas
erbij en als laatste de saxofoon en de piano.
- Mn opa, track 14. Eerst speelt de piano, later komt het drumstel erbij en
dan de contrabas.
- Eindig met het intro van Dikkertje Dap, track 7. Dit intro begint met het
drumstel en daarna spelen de saxofoon, piano en contrabas tegelijk.
Kunnen de kinderen de verschillende instrumenten onderscheiden?

Kern
Laat het lied Dikkertje Dap een keer horen. Wat gebeurt er in het lied? In welk lied
krijgt een dier ook een klontje? In het lied De leeuw is los krijgt de leeuw een klontje.
Leer het lied aan door middel van voor- en nazingen. Na een aantal zinnen zijn er
twee tellen rust voordat het lied weer verder gaat. Bijvoorbeeld:

Dikkertje Dap x x
Klom op de trap x x

Dag giraf xx
Zei Dikkertje Dap x x

Na deze zinnen kunt u twee keer in uw handen klappen. De kinderen klappen mee. In
het tweede couplet is er na de zin Ik kan mooie poppetjes tekenen een korte pauze.
Tussen het tweede en derde couplet wordt een instrumentaal intermezzo gespeeld.
In het laatste couplet zitten weer een aantal korte pauzes. U kunt deze pauzes
aangeven door bijvoorbeeld met uw handen naar buiten te bewegen en als het lied
weer verder gaat uw handen weer naar binnen te bewegen.

21

Afsluiting
U kunt net als in het lied Tante en oom in Laren bij Dikkertje Dap de xylofoon of
klankstaven gebruiken. Dikkertje Dap roetsjt van de nek van de giraffe. Hoe klinkt
dat op een xylofoon of op de klankstaven? Kunnen kinderen dat met hun stem doen?
Hoe klinkt het als Dikkertje Dap op de grond valt? Hiervoor kan een handtrom of
woodblock gebruikt worden. Als Dikkertje Dap morgen de trap meeneemt, hoe
klinkt het dan als hij naar boven loopt? De rusten in het lied kunnen ook met de
xylofoon gespeeld worden. Laat een aantal kinderen deze rusten spelen op de
klankstaven of xylofoon en herhaal de liedjes uit de vorige lessen nog eens.

Woordenschat
- De volgende woorden hebben eventueel extra uitleg nodig: paf, spellen,
Artis, griezelig.

Extra
- De luisteropdracht van de inleiding kan ook gedaan worden met eigen
schoolinstrumentarium. Leg een aantal instrumenten in het midden van de
kring en laat n kind een instrument uitkiezen en bespelen. De andere
kinderen hebben hun ogen dicht. Welk instrument wordt er bespeeld? Hoe
heet het instrument en hoe ziet het er uit?
- De kinderen knutselen de giraf uit Dikkertje Dap. Teken op A-4 papier de
omtrek van een giraf, de kinderen kunnen stukjes scheuren van bruin en
geel papier en op de giraf plakken.
- De kinderen kunnen een giraf knutselen van lege kartonnen doosjes en wc-
rolletjes.
- In het lied kan Dikkertje Dap al rekenen, in bijlage 9 vindt u een werkblad
waarmee de kinderen groepjes maken van laarsjes.
- Dikkertje Dap kan mooie poppetjes tekenen, de kinderen kunnen ook de
poppetjes uit het lied tekenen of ze kunnen Dikkertje Dap en de giraf
schilderen.

22

Zing met ons mee


Meezingen met liedjes van Annie M.G. Schmidt

Les 8: De heks van Sier-kon-fleks


Nodig:
- Cd-speler
- Cd track 8 en 22
- Ritmestokjes

Tijd:
Ongeveer 45 minuten

In deze les:
Praten de kinderen over de dagen van de week en de weekindeling en leren het lied
De heks van Sier-kon-fleks.

Inleiding
Vraag aan de kinderen wat voor dag het vandaag is en wat ze vandaag allemaal gaan
doen op school. Wie weet wat voor dag het gisteren was en wat voor dag het
morgen is? Bespreek de dagen en wat er op die dagen gedaan wordt. Wie van de
kinderen kan alle dagen van de week benoemen en lukt dit ook als je op een andere
dag begint? Op school is afgesproken wat er elke dag gedaan wordt, maar bij de
heks van Sier-kon-fleks gaat het anders. Laat de kinderen het lied horen met track 8
op de cd. Wat tovert de heks allemaal? Bespreek de moeilijke woorden met de
kinderen en laat eventueel afbeeldingen zien van de woorden op het digibord.

Kern
Laat de kinderen het stuk van het lied nog eens horen waarin de heks aan het
toveren is, gebruik hiervoor cd track 8 vanaf 0.44 minuten. Kunnen ze aan de muziek
horen dat het lied over een heks gaat? Het klinkt een beetje spannend. Hoe zou je
daarop bewegen? Misschien een beetje sluipend of heel voorzichtig? Laat dan nog
een keer het begin horen, hoe klinkt deze muziek? Deze muziek klinkt vrolijker.
Welke manier van bewegen past hierbij? Laat de kinderen vrij bewegen door het
lokaal of door de speelzaal en vraag ze goed te luisteren wanneer de muziek en dus
hun manier van bewegen verandert.

Leer dan het lied aan door middel van voor- en nazingen. Het couplet is gezongen,
het stukje waarin de heks tovert wordt gesproken. Herhaal het lied nog eens met de
instrumentale versie. In de instrumentale versie is geen ruimte voor de spreektekst,
oefen deze wel met de kinderen.

Afsluiting
Deel ritmestokjes uit aan de kinderen. Als u niet genoeg ritmestokjes heeft voor de
hele klas kunnen de andere kinderen in hun handen klappen en wisselt u af, zodat elk
kind een keer met de stokjes gespeeld heeft. Vertel dat de ritmestokjes toverstokjes
zijn, je kunt er muziek mee maken. U kunt op de maat meespelen met het lied. Lukt
het ook om het ritme mee te spelen? De kinderen spelen met u mee, u kunt
vertragen of versnellen of op de grond tikken of op de stoel. Een andere variant
is voor- en naspelen, een kind speelt een ritme op de toverstokjes dat de andere
kinderen herhalen.

Bedenk met de kinderen een aantal moeilijke en grappige heksenspreuken. Wat
gebeurt er als er zon heksenspreuk wordt uitgesproken? Geef bijvoorbeeld een
opdracht in een spreuk die de kinderen kunnen uitvoeren. Tenslotte zegt u een
spreuk waarbij iedereen weer netjes op zijn/haar stoel gaat zitten.


23

Woordenschat
- De volgende woorden hebben eventueel extra uitleg nodig: mokka-stel,
jakkert, kolonel, glazuur, dameskoor, griffier, vloeipapier, perplex.

Extra
- Verzin met de kinderen samen een nieuw lied over de heks van Sier-kon-
fleks. Wat toveren jullie op zondag, maandag, enzovoorts?
- Speel het spel heksentikkertje. Twee heksen (afhankelijk van het aantal
kinderen) rennen rond. Als ze iemand tikken verzinnen ze ter plekke wat
diegene 'wordt'! Het kan van alles zijn, maar als je getikt bent moet je het
uitvoeren. Of spreek van tevoren af dat iedereen die getikt wordt als een
kikker gaat rondspringen. De toverfee kan iedereen met een aanraking
weer verlossen van de betovering.
- De kinderen kunnen in de speelzaal vliegen op bezemstelen.
- De kinderen kunnen een heksenhoed of heks knutselen.
- De kinderen kunnen een tovertekening maken. De kinderen kleuren met
verschillende kleuren wasco een vel papier vol. Daarna gaan zij er met
zwarte wasco overheen. De kinderen kunnen nu met een prikpen een
tekening maken in de zwarte wasco en er komen verschillende kleuren
tevoorschijn.
- De kinderen kunnen toverstafjes op lengte leggen. Laat de kinderen van
zwart papier toverstafjes knippen en laat ze deze op volgorde van klein naar
groot opplakken op een vel papier.


24

Zing met ons mee


Meezingen met liedjes van Annie M.G. Schmidt

Les 9: De wim-wam reus



Nodig:
- Cd-speler
- Cd track 9 en 23
- Instrumenten van het schoolinstrumentarium
- Bijlage 10: Werkblad De wim-wam reus

Tijd:
Ongeveer 45 minuten

In deze les:
Praten de kinderen over groot en klein en leren de kinderen het lied De wim-wam
reus.

Inleiding
Hebben de kinderen wel eens van een reus gehoord? Hoe ziet een reus er uit en wat
doet een reus? Een reus is heel groot en voor een reus zijn gewone dingen zoals een
stoel of een auto te klein. Zijn er nog meer dingen onhandig als je een reus zou zijn?
Of juist als je heel klein zou zijn, zoals een kabouter? Zijn de kinderen vergeleken
met sommige dieren misschien ook reuzen? Bijvoorbeeld in vergelijking tot een muis
zijn de kinderen heel groot. Praat met de kinderen over groot en klein. Wat is er in de
klas heel groot of heel klein?
Het lied dat ze vandaag gaan leren gaat over een reus. Laat het lied een keer horen
met cd track 9. Hoe heet de reus? Is het een vriendelijke reus? Waarom wel of niet?
Het lied gaat over de wim-wam reus en het is geen vriendelijke reus want als er
kinderen zijn die niet naar bed willen gaat hij naar ze toe op zijn paard en slaat hij ze
met een eind hout.

Kern
Dit lied leent zich goed voor het aanvullen van de zinnen. U zegt de tekst voor, de
kinderen vullen de zin aan. Leer daarna de melodie aan door middel van voor- en
nazingen. In het lied wordt het woord wim-wam een heel aantal keer gezongen.
Spreek met de kinderen af dat ze wim-wam niet meer mogen zingen. In plaats
daarvan klappen ze twee keer in hun handen of maken ze twee keer geluid op een
instrument. Lukt het de kinderen om wim-wam in hun hoofd te zingen (met hun
denkstem) en dan het lied verder te zingen?

Afsluiting
Leg in het midden van de kring een aantal instrumenten neer. In het lied gaat het
over een grote reus en in de les is gesproken over klein en groot. Onderzoek samen
met de kinderen de instrumenten, wat is het kleinste instrument dat in de kring ligt?
Welke is het grootste? Welk instrument klinkt het hoogst en welke het laagst? Welk
instrument klinkt het kortst of het langst? De instrumenten kunnen op volgorde
gelegd worden. Als er ruimte voor is kunnen de kinderen op een later moment zelf
met de instrumenten experimenteren. Herhaal tot slot de liedjes uit de vorige lessen.

Woordenschat
- De volgende woorden hebben eventueel extra uitleg nodig: darren, galop,
vaart.


25

Extra
-
-
-
-
-
-
-

26

De kinderen kunnen bewegingen bij het lied bedenken. Deze worden niet
uitgevoerd tijdens het concert.
De kinderen kunnen het werkblad van bijlage 10 maken. Ze geven steeds
het grootste en het kleinste plaatje een kleur.
Zoek in de klas naar de kleinste/grootste voorwerpen, bijvoorbeeld een
schoen, appel, beker enzovoorts.
De kinderen kunnen een tekening maken van de reus. Als de reus heel groot
is, hoe klein zijn dan de huizen en de mensen?
In de speelzaal kunnen de kinderen van mat naar mat springen als de wim-
wam reus over de sloten.
De kinderen kunnen in galop een parcours afleggen in de speelzaal net als
het paard van de wim-wam reus. Ga zigzaggend langs de huisjes, gebruik
hiervoor kleine pilonnen.
Speel een tikspel waarbij n van de kinderen de reus is. De andere kinderen
bewegen vrij door de ruimte, de reus probeert ze te tikken. Als de kinderen
op de mat, het bed staan, zijn ze vrij.

Zing met ons mee


Meezingen met liedjes van Annie M.G. Schmidt

Les 10: Het lelijke eendje



Nodig:
- Cd-speler
- Cd track 10 en 24
- Bijlage 11: Het lelijke eendje
- Een grote dobbelsteen
- Afbeeldingen van lichaamsdelen

Tijd:
Ongeveer 45 minuten

In deze les:
Praten de kinderen over huisdieren en leren de kinderen het lied Het lelijke eendje.

Inleiding
Hebben de kinderen in de klas een huisdier? Wat voor een huisdier hebben ze? Wat
voor geluid of wat voor beweging maakt hun huisdier? Laat alle kinderen de
bewegingen en geluiden maken. Als er niet zoveel kinderen met huisdieren in de klas
zijn kunt u vragen welke dieren nog meer als huisdier gehouden kunnen worden of
welke dieren er op een boerderij zijn. Maak dan de geluiden en bewegingen die bij
deze dieren passen.

In het lied Het lelijke eendje hebben ze geen kat of hond als huisdier, ze hebben een
eend. Laat het lied een keer horen aan de kinderen met cd track 10. Welk instrument
begint er in het intro? Dat is het drumstel. Daarna komen de saxofoon en de piano
erbij. Wat gebeurt er in het lied? Ze hebben het in het lied alleen niet over een echte
eend, maar over een auto die eend genoemd wordt. Laat de afbeelding van het
lelijke eendje zien op bijlage 11. Waarom is de familie in het lied zo blij met het lelijke
eendje? Het brengt ze overal naartoe en het kan tegen ijzel en kou. Het is nooit ziek
en niet duur. Misschien een beetje lelijk, maar wel heel aardig. Laat het lied nog eens
horen. Wanneer zingt Cora hoog? Bij de woorden beestje, diertje, altijd, aardig en
hebben zingt Cora het hoogst. Hoe vaak horen de kinderen het woord eendje in het
refrein? Laat de kinderen hun hand opsteken wanneer ze het woord eendje horen.

Kern
De kinderen zingen van dit lied alleen het refrein mee. Als het goed gaat mogen de
kinderen het hele lied meezingen. Het refrein is lastig door de loopjes en de grote
sprongen in de melodie. Geef met uw handen de loopjes aan in de melodie en of de
melodie omhoog of omlaag gaat. De coupletten worden half gezongen/half
gesproken.

Het lelijke eendje
Het lied is geschreven door Annie M.G. Schmidt in 1959 als reclamelied voor de
Citron 2CV, het lelijke eendje. Mensen die een auto kochten kregen het plaatje
cadeau, voor anderen was het te koop voor een kwartje. Het lied werd in 2009
tijdens een verkiezing van beste reclameliedjes gekozen als beste reclamelied uit de
periode 1950-1980.
De naam 2CV staat voor deux chevaux en verwijst naar 2 paarden ofwel 2 pk, het
vermogen van de motor. Waar de naam lelijk eendje vandaan komt is niet helemaal
duidelijk, waarschijnlijk heeft het te maken met het uiterlijk van de auto. Het lelijke
eendje werd ontworpen als goedkope auto die voor iedereen beschikbaar moest zijn
en die multifunctioneel inzetbaar was. Er werden tot 1990 meer dan vijf miljoen
lelijke eendjes geproduceerd.


27

Afsluiting
Herhaal het lied nog een keer in zijn geheel en herhaal de liedjes die tot nu toe
geleerd zijn. Als afsluiting mag er gedanst worden op de muziek. Print of teken een
aantal lichaamsdelen zo dat ze op de dobbelsteen passen. Bijvoorbeeld een hoofd,
heupen, voet, been, arm of hand. Plak de afbeeldingen op de dobbelsteen. De
kinderen bewegen/dansen alleen met het lichaamsdeel dat net gegooid is met de
dobbelsteen. Er mag veel gegooid worden om het af te wisselen. U kunt de andere
liedjes van de cd hiervoor gebruiken. Sluit af met de instrumentale versie van
Stekelvarkentjes wiegelied om alle kinderen rustig te laten meewiegen.

Woordenschat
- De volgende woorden hebben eventueel extra uitleg nodig: nauw, behuisd,
ijzel, geschapen, buitenbeentje, vief, poedel, sjiek, klimaat, trekken, hei,
generen.

Extra
- U kunt het sprookje voorlezen van Het lelijke eendje.
- De kinderen maken een tekening van hun huisdier of lievelingsdier.
- De kinderen kunnen een eendje vouwen van zestien vierkantjes.
- De kinderen kunnen een lelijk eendje (de auto) knutselen van doosjes en
karton.


28

Zing met ons mee


Meezingen met liedjes van Annie M.G. Schmidt

Les 11: De geit van dokter Sanders



Nodig:
- Cd-speler
- Cd track 11 en 25

Tijd:
Ongeveer 45 minuten

In deze les:
Praten de kinderen over wat anders zijn is en leren ze het lied De geit van dokter
Sanders.

Inleiding
Laat het lied De geit van dokter Sanders een keer horen met cd track 11. Wat is er
met de geit van dokter Sanders aan de hand? Hij is anders. Wat hebben de mensen
als oplossing bedacht? Ze hebben de twee geiten omgeruild. Werkte het omruilen?
Niet echt, nu wordt er nog steeds gezongen dat de geit van dokters Sanders anders
is. Begin een gesprek met de kinderen over anders zijn. Wat is hetzelfde bij de
kinderen en wat is anders? Is het erg als iets anders is, of is het juist leuk?
Laat het lied nog een keer horen en laat de kinderen hun vinger opsteken als de
muziek sneller of langzamer gaat. De muziek gaat sneller bij dokter Snellebellebel. Bij
de zin Maar veel geholpen heeft het niet, gaat de muziek een stuk langzamer. Bij De
geit van dokter Sanders is anders gaat de muziek terug naar het oude tempo.
Wanneer opnieuw dokter Snellebellebel wordt gezongen gaat de muziek weer sneller.

Kern
De kinderen zingen van dit lied alleen het refrein mee. Leer het refrein aan door
middel van voor- en nazingen. Als het goed gaat mogen de kinderen het hele lied
meezingen. Om het hele lied aan te leren kunt u de zinnen van de coupletten laten
aanvullen door de kinderen. Let er goed op dat bij het snelle en langzame deel het
zingen en de muziek gelijk blijven. Bij het refrein kunnen bewegingen gemaakt
worden:

De geit van dokter Sanders: Bij het woord geit met twee handen op de knien klappen.
Is anders, is anders: Linkerarm op de eerste anders naar buiten draaien, rechterarm
bij de tweede anders naar buiten draaien.
Is anders van model: Bij anders beide armen naar buiten draaien, bij model armen
omhoog houden.
Dan de geit van dokter Snel: Bij geit weer de handen op de knien, bij dokter Snel met
de handen om elkaar heen draaien op het tempo van de muziek.
Dan de geit van dokter Snel: Hetzelfde als boven.
Dan de geit van dokter Snellebellebel: Hetzelfde als boven alleen bij Snellebellebel
draaien de handen steeds sneller om elkaar heen.

Afsluiting
Herhaal het lied nog n keer in zijn geheel en herhaal de liedjes die tot nu toe
geleerd zijn. Leg een aantal voorwerpen op de grond in de kring en benoem de
voorwerpen. Leg er dan een doek overheen en vraag de kinderen hun ogen dicht te
doen. Haal n van de voorwerpen weg. Vraag de kinderen of ze zien wat er
weggehaald/anders is. Bij de volgende keren kan een kind iets wegnemen of erbij
leggen.


29

Woordenschat
- De volgende woorden hebben eventueel extra uitleg nodig: onaangenaam,
droefenis, wrokt, bedisseld, model.

Extra
- Alle kinderen zitten in de kring. En van de kinderen mag even op de gang
wachten. In de kring wordt er iets veranderd, bijvoorbeeld de kinderen
wisselen van plek, of van schoenen, of misschien een bril of jasje. Dan komt
het kind van de gang weer terug en mag het raden wat er veranderd is. Als
het erg moeilijk is kunnen er tips gegeven worden.
- Op www.schooltv.nl is een filmpje te vinden over geiten voor de groepen 1
en 2.
- De kinderen knutselen een geit van bijvoorbeeld een wc-rolletje met een sik
van watten.

30

Zing met ons mee


Meezingen met liedjes van Annie M.G. Schmidt

Les 12: Pippeloentje gaat naar Engeland



Nodig:
- Cd-speler
- Cd track 12 en 26
- Knuffelbeer (dezelfde als uit les 2)
- Bijlage 12: Pippeloentje gaat naar Engeland

Tijd:
Ongeveer 45 minuten

In deze les:
Gebruiken de kinderen hun stem op verschillende manieren en leren ze het lied
Pippeloentje gaat naar Engeland.

Inleiding
Kennen de kinderen het beertje Pippeloentje nog? Haal de knuffelbeer tevoorschijn
en vraag de kinderen welke stemmen ze vandaag hebben, een hoge/lage,
fluisterstem, heksenstem, enzovoorts en eindig weer met een zangstem. Het is heel
handig dat ze hun zangstem mee hebben genomen want vandaag gaan ze zingen.

Kern
Laat het lied Pippeloentje gaat naar Engeland een keer horen aan de kinderen met
cd track 12. Wat gaat Pippeloentje doen? Hij gaat naar Engeland. Wat weten de
kinderen van Engeland? Is iemand daar wel eens geweest? Welke taal spreken ze
daar? Als je naar Engeland wilt, kun je met het vliegtuig of met de boot. Je kunt er
ook naartoe rijden door een tunnel. Pippeloentje gaat in het lied met de boot. Wie
heeft er wel eens gevaren op een boot? Hoe was dat? Bespreek de moeilijke en
onbekende woorden.

U kunt van elk laatste woord in de zin een tekening/pictogram maken op A-4 vellen.
Pippeloentje, zoentje, hand, Engeland, enzovoorts. Leg de tekeningen van het
eerste couplet in het midden van de kring. Laat de kinderen het eerste couplet horen
en vraag ze goed te luisteren naar wat er gebeurt. Wie van de kinderen kan de
tekeningen in de juiste volgorde leggen? Doe dit ook met de volgende coupletten.
Leer dan het lied per couplet aan door middel van voor- en nazingen en gebruik
hierbij de tekeningen. U kunt de kinderen vragen welke van de tekeningen er weg
kan omdat ze die al goed weten. Bijvoorbeeld de tekening van een zoentje. Dit kunt
u net zo lang herhalen totdat de kinderen een heel couplet kennen.

Afsluiting
Zing het lied nog een keer in zijn geheel. U kunt met de knuffelbeer aangeven of de
kinderen mogen zingen of dat ze verder zingen in hun hoofd. Spreek een teken af.
Als Pippeloentje bijvoorbeeld op schoot zit, mogen de kinderen zingen, als
Pippeloentje achter uw rug is zingen de kinderen verder in hun hoofd.

Woordenschat
- De volgende woorden hebben eventueel extra uitleg nodig: jekker, reling.

Extra
- De kinderen kunnen het beertje Pippeloentje tekenen. Misschien kunnen ze
het lied opschrijven, net als in de kring maken ze een kleine
tekening/pictogram voor elke zin. Zo kunnen ze het lied thuis ook zingen.
- Beertje Pippeloentje neemt een wekker mee en een grote zak met brood. U
kunt met de kinderen het spel spelen Ik ga naar Engeland en neem mee.
- De kinderen kunnen het lied uitbeelden in de kring.

31

Les 13: Zomeravond



Nodig:
- Cd-speler
- Cd track 13 en 27
- Bijlage 13: Woordkaarten Zomeravond
- Triangel of bekken

Tijd:
Ongeveer 45 minuten

In deze les:
Leren de kinderen het lied Zomeravond.

Inleiding
Laat de instrumentale versie van het lied Zomeravond aan de kinderen horen met cd
track 27. De kinderen luisteren met hun ogen dicht naar de muziek. Na een paar
minuten vraagt u de kinderen waar ze aan hebben gedacht. Was het een mooie
gedachte? Waarom kwam die gedachte in ze op? Hoe klonk de muziek? Werden de
kinderen vrolijk of juist verdrietig van de muziek? Wat voor lied zou er bij deze
muziek passen?

Kern
Laat nu het lied met tekst horen. Kwam de gezongen tekst overeen met wat de
kinderen hadden verwacht? Is het een vrolijke of verdrietige tekst? Het kind ligt al in
bed terwijl iedereen nog buiten of beneden bezig is. Het kind voelt zich alleen en wat
verdrietig. Liggen de kinderen ook weleens wakker in bed terwijl ze niet kunnen
slapen? Waar komt dat dan door? Het lied heet Zomeravond, hebben de kinderen in
het lied gehoord dat het zomeravond is? Er wordt gezongen over de zon die nog
schijnt, iedereen die nog buiten is en vogels die nog aan het fluiten zijn. Leer het lied
aan door middel van voor- en nazingen. Doe dit per couplet en herhaal elk couplet in
zijn geheel. Als de kinderen het lied goed kennen, zing het lied dan met de
instrumentale versie.

Afsluiting
Voor de afsluiting kunt u naar de speelzaal of zorg ervoor dat de kinderen ruimte
hebben in de klas. De kinderen liggen te slapen op de grond. Het is helemaal stil. De
triangel of het bekken is de wekker. Als de wekker afgaat worden de kinderen
wakker en kunnen ze vrij bewegen door de ruimte totdat het weer stil wordt en de
kinderen weer gaan slapen. U kunt hiervoor ook de instrumentale versie gebruiken.
Als de cd wordt stilgezet, staan de kinderen stil. Als de muziek weer klinkt, bewegen
de kinderen.

Woordenschat
- De volgende woorden hebben eventueel extra uitleg nodig: benee, merel.

Extra
- In bijlage 13 vindt u woordkaarten. Kopieer de kaarten op stevig papier en
knip deze uit. Bespreek de kaarten met de kinderen, wat staat er op de
kaarten? Klap dan met de kinderen de lettergrepen van de woorden. Welke
woorden hebben twee lettergrepen? Laat een kind een kaart trekken en het
woord op de kaart omschrijven zonder het woord te zeggen. Kunnen de
kinderen raden wat er op de kaart staat? Bij de extra opdrachten van les 3
staan nog meer voorbeelden van wat u met de woordkaarten kunt doen.

32

Zing met ons mee


Meezingen met liedjes van Annie M.G. Schmidt

-

In de speelzaal of op het speelplein kan het spel Moeder, moeder hoe laat is
het? gespeeld worden. De kinderen staan aan n kant van de speelzaal.
En van de kinderen is de moeder en loopt vrij rond. De kinderen vragen
mama, mama, (of papa) hoe laat is het?. Het kind dat de moeder of vader
is noemt een tijd. Wanneer hij/zij zegt: Het is bedtijd, rennen de kinderen
zo snel mogelijk naar de andere kant van de zaal. Zodra ze achter de lijn
staan mogen ze niet meer getikt worden. Na elk spel mag een ander kind
moeder of vader zijn.
Leg in de speelzaal 12 hoepels als een klok neer met cijferkaarten van 1 t/m
12. Vraag alle kinderen met bijvoorbeeld blauwe schoenen om naar de trom
te luisteren en naar de goede tijd te lopen. Sla een tijd op de trom en de
kinderen lopen naar de juiste hoepel. Als het een uur later is, weten de
kinderen dan ook naar welke hoepel ze moeten lopen? Of een uur vroeger?
De kinderen kunnen een tekening maken van hun slaapkamer. Hoe ziet hun
bed er uit? Welk behang hebben ze? Enzovoorts.

33

Les 14: Mn opa



Nodig:
- Cd-speler
- Cd track 14 en 28
- Bijlage 14: Werkblad Mn opa

Tijd:
Ongeveer 45 minuten

In deze les:
Praten de kinderen over opa en oma, familie en leren de kinderen het lied Mn opa.

Inleiding
Vraag de kinderen nog eens naar het optreden waarnaar ze gaan kijken en luisteren.
Wie gaan er optreden? Op welke instrumenten spelen ze? Gebruik hiervoor het
liedboek en de afbeeldingen uit de bijlagen. Herhaal de liedjes uit de vorige lessen.
Welk lied vinden de kinderen het mooiste en waarom? Welke liedjes gaan er al heel
goed en welke moeten er nog even geoefend worden? Er is nog n lied dat de
kinderen leren voor het concert. Laat het lied Mn opa een keer horen met cd track
14. Waar gaat het lied over? Wie heeft er gehoord wat het kind in het lied allemaal
deed met haar opa? Begin een gesprek over opas en omas. Hebben de kinderen
opas en omas? Gaan ze daar wel eens naar toe en doen ze dan ook leuke dingen?

Kern
Laat het lied nog een keer horen en vraag de kinderen te gaan staan wanneer ze het
woord opa horen. Als dit heel goed gaat kunt u de oefening uitbreiden door de
andere helft van de klas te laten staan. Deze groep gaat zitten wanneer ze het woord
opa horen. Lukt het om met de klas twee tegenovergestelde bewegingen te maken?

Laat de kinderen dan het begin van het refrein horen. Hoe vaak wordt er opa
gezongen in de eerste zin? Horen ze verschil in de drie keer dat mn opa gezongen
wordt? Elke keer wordt de pa een toon hoger. Let hierop bij het aanleren van het
lied. De kinderen zingen bij dit lied alleen het refrein mee. Leer het lied aan door
middel van voor- en nazingen. Waneer dit goed gaat stimuleert u de kinderen om
het hele lied mee te zingen.

Afsluiting
De kinderen zingen het lied nog eens en maken bewegingen bij het refrein. Oefen
eerst de bewegingen in een rustig tempo en daarna met de muziek. Als dit goed gaat
kunnen de kinderen meezingen en meebewegen bij het lied.

- Mn/mij: met twee handen op de borst klappen
- Opa: in de handen klappen
- Heel Europa: met de armen een cirkel maken boven het hoofd
- Niemand/nergens: met twee handen en wijsvingers een kruisbeweging
maken
- Hij: met twee armen naar voren wijzen

Woordenschat
- De volgende woorden hebben eventueel extra uitleg nodig: toffies,
bokkewagen, dijk, detectiefje, lijk, leeuwentemmer.


34

Zing met ons mee


Meezingen met liedjes van Annie M.G. Schmidt

Extra
-
-
-
-

De kinderen kunnen het werkblad uit bijlage 14 maken. Hoeveel


lettergrepen of woordstukjes hebben de woorden uit het lied Mn opa?
De kinderen kunnen een mooie tekening of een mooi schilderij voor hun opa
of oma maken.
De kinderen kunnen een kleine stamboom tekenen met daarop zichzelf,
broertjes, zusjes, papas, mamas en opas en omas.
Organiseer een generale repetitie voor opas en omas (natuurlijk ook voor
papas en mamas). Herhaal en oefen alle liedjes zodat de kinderen alles
kunnen meezingen. Laat een aantal van de liedjes horen aan de opas en
omas. Misschien kan een kind het presenteren of iets vertellen over het
concert waar ze naar gaan luisteren?
De kinderen kunnen een stamboom in 3-d knutselen door op een vel papier
van verschillende kleine doosjes de familie te knutselen. Daarbij letten de
kinderen op de lengte van iemand. Mama is bijvoorbeeld groter dan het
kind, maar het kind is groter dan zijn kleine zusje.

35

Bronvermelding

-
-
-
-
-
-
-
-
-
-

36

www.schoolplaten.nl
www.annie-mg.com
www.wikipedia.nl
www.citron.nl
www.jufsanne.nl
www.digischool.nl
www.jufjanneke.nl
www.kleurplaat.nl
www.kleutergroep.nl
H. Wiechers, Muziekkriebels, Amsterdam 2009

Zing met ons mee


Meezingen met liedjes van Annie M.G. Schmidt

Inhoud bijlagen

Bijlage 1: Informatie over Het Concertgebouw
Bijlage 2: Cora Burggraaf
Bijlage 3: Muzikanten uit het ensemble
Bijlage 4: Kleurplaten instrumenten
Bijlage 5: Afbeeldingen instrumenten
Bijlage 6: Woordkaarten Stekelvarkentjes wiegelied
Bijlage 7: Werkblad Sebastiaan
Bijlage 8: Werkblad poten van Sebastiaan
Bijlage 9: Werkblad Dikkertje Dap
Bijlage 10: Werkblad De wim-wam reus
Bijlage 11: Het lelijke eendje
Bijlage 12: Pippeloentje gaat naar Engeland
Bijlage 13: Woordkaarten Zomeravond
Bijlage 14: Werkblad Mn opa
Liedteksten
Bladmuziek

37

38

Zing met ons mee


Meezingen met liedjes van Annie M.G. Schmidt

Bijlage 1: Informatie over Het Concertgebouw



Hier vindt u informatie over de geschiedenis van Het Concertgebouw.
Laat onderstaande afbeelding aan de leerlingen zien:


Herkennen ze het gebouw? Het is Het Concertgebouw!

Vertel dat Het Concertgebouw heel vroeger, toen het
net gebouwd was, nog middenin de weilanden lag. Dat
is nu wel anders. Er zijn huizen, winkels en musea
omheen gebouwd. Er rijdt nu een tram naar het gebouw
toe, terwijl je vroeger in je koets naar een concert werd
gereden.

39

Akoestiek
Het Concertgebouw is een wereldberoemd gebouw. Dat komt omdat de Grote Zaal een heel
goede akoestiek heeft. Dat betekent dat de muziek die er gespeeld wordt heel erg mooi klinkt.
Niet alleen omdat de muzikanten zo mooi spelen, maar ook omdat de zaal ervoor zorgt dat de
muziek op haar allermooist in de oren van het publiek terechtkomt. Het geluid uit de instrumenten
botst tegen de muren en het plafond van de zaal en komt daarna in je oren. De muren en het
plafond van Het Concertgebouw zitten precies op de goede plek. En ze zijn van het juiste materiaal
gemaakt. Daarom klinkt de muziek er zo mooi. En daarom is Het Concertgebouw zo ontzettend
beroemd.

Zalen
Het Concertgebouw heeft verschillende zalen.
Er zijn twee concertzalen (zalen die bedoeld zijn om
concerten in te geven):
-
De Grote Zaal
-
De Kleine Zaal

Er zijn twee zalen die even groot zijn als de Kleine Zaal,
waarin ook muziek wordt gemaakt, maar niet zo vaak
voor publiek:
-
De Spiegelzaal
-
De Koorzaal

Verder zijn er verschillende foyers (een deftig woord voor koffieruimtes), waarin bijvoorbeeld
tijdens sommige projecten voor kinderen kleine concertjes worden gegeven.

En dan zijn er nog een heleboel ruimtes die je normaal gesproken niet ziet als je naar Het
Concertgebouw gaat:
-
De zolder, die net zo groot is als de Grote Zaal.
-
De artiestenfoyer, een ruimte waarin de musici kunnen eten en drinken als ze

pauze hebben.
-
De kleedkamers, waar de musici zich kunnen omkleden voor en na het concert.
-
Een muziekbibliotheek, waar alle muziek wordt bewaard die tijdens de

concerten wordt gespeeld.

De lier
Aan n ding kun je Het Concertgebouw altijd gemakkelijk herkennen. Dat is de gouden lier (een
soort harp) die op het dak van het gebouw staat. Je zou niet zeggen dat die lier veel groter is dan jij,
maar hij is zelfs veel groter dan jij bent over twintig jaar! Kijk maar:


















40

Zing met ons mee


Meezingen met liedjes van Annie M.G. Schmidt

Zo ziet Het Concertgebouw er nu uit:

41

Bijlage 2: Cora Burggraaf



Cora Burggraaf (zang)

42

Zing met ons mee


Meezingen met liedjes van Annie M.G. Schmidt

Bijlage 3: Muzikanten uit het ensemble






















Joost Janssen (saxofoon en dwarsfluit)

43




















Thierry Castel (piano)

44

Zing met ons mee


Meezingen met liedjes van Annie M.G. Schmidt



























Thomas Pol (contrabas)

45

Mark van Kersbergen (drummer)

46

Zing met ons mee


Meezingen met liedjes van Annie M.G. Schmidt

Bijlage 4: Kleurplaten instrumenten



Vleugel

47

Saxofoon

48

Zing met ons mee


Meezingen met liedjes van Annie M.G. Schmidt

Contrabas

49

Drums

50

Zing met ons mee


Meezingen met liedjes van Annie M.G. Schmidt

Dwarsfluit




51

Bijlage 5: Afbeeldingen instrumenten



Vleugel

52

Zing met ons mee


Meezingen met liedjes van Annie M.G. Schmidt

Saxofoon

53

Contrabas

54

Zing met ons mee


Meezingen met liedjes van Annie M.G. Schmidt

Drums

55

Dwarsfluit



















56

Zing met ons mee


Meezingen met liedjes van Annie M.G. Schmidt

Bijlage 6: Woordkaarten Stekelvarkentjes wiegelied


















57

58

Zing met ons mee


Meezingen met liedjes van Annie M.G. Schmidt

Bijlage 7: Werkblad Sebastiaan







59

Bijlage 8: Werkblad poten van Sebastiaan



Teken poten bij elke spin totdat ze weer 8 poten hebben

60

Zing met ons mee


Meezingen met liedjes van Annie M.G. Schmidt

Bijlage 9: Werkblad Dikkertje Dap


Maak groepjes van .. laarsjes




61

Bijlage 10: Werkblad De wim-wam reus


Kleur de grootste blauw en kleur de kleinste rood


62

Zing met ons mee


Meezingen met liedjes van Annie M.G. Schmidt

Bijlage 11: Het lelijke eendje


63

Bijlage 12: Pippeloentje gaat naar Engeland


64

Zing met ons mee


Meezingen met liedjes van Annie M.G. Schmidt



65

Bijlage 13: Woordkaarten Zomeravond
















66

Zing met ons mee


Meezingen met liedjes van Annie M.G. Schmidt

Bijlage 14: Werkblad Mn opa



Hoeveel lettergrepen of woordstukjes hebben de woorden? Kleur het aantal rondjes voor het
aantal lettergrepen.


OOOO


OOOO

OOOO



OOOO


OOOO



OOOO

OOOO

OOOO

OOOO


OOOO


OOOO


OOOO

67

Liedteksten

Ik ben lekker stout

Ik wil niet meer, ik wil niet meer!
Ik wil geen handjes geven!
Ik wil niet zeggen elke keer:
Jawel mevrouw, jawel meneer
nee, nooit meer in mn leven!
Ik hou mn handen op mn rug
en ik zeg lekker niks terug!

Ik wil geen vieze havermout,
ik wil geen tandjes poetsen!
k Wil lekker knoeien met het zout,
ik wil niet aardig zijn, maar stout
en van de leuning roetsen
en schipbreuk spelen in de teil
en ik wil spugen op het zeil!

En heel hard stampen in een plas
en dan mn tong uitsteken
en morsen op mn nieuwe jas
en ik wil overmorgen pas
weer met twee woorden spreken!
Ik wil alles wat niet mag,
de hele dag, de hele dag!

En ik wil op de kanapee
met hele vuile schoenen
en ik wil aldoor zeggen: Nee!
En ik wil met de melkboer mee
en dan het paardje zoenen.
En dat is alles wat ik wil
en als ze kwaad zijn zeg ik: Bil!



















Het beertje Pippeloentje


Kijk, het beertje Pippeloentje
heeft geen sok en heeft geen schoentje,
heeft geen dasje en geen boordje
en geen broekje en geen jakje
en geen pakje met een zakje
en geen hemdje en geen wolletje
en geeneens een parasolletje
en geen ponnetje voor in bed,
maar
Pippeloentje heeft een pet.

Kijk het beertje Pippeloentje
gaat niet wandlen in t plantsoentje
en niet steppen op een stepje
en niet knikkren en niet tollen
en niet hard de straat op hollen
en niet schrijven en niet rekenen
en geen berenpoppetjes tekenen
en niet roetsjen van de trap,
maar
Pippeloentje eet zijn pap.

Geef het beertje maar een zoentje.
Welterusten Pippeloentje.






























Stekelvarkentjes wiegelied

Suja, suja, Prikkeltje, daar buiten schijnt de maan,
je bent een stekelvarkentje, maar trek het je niet aan.
Je bent een stekelvarkentje, dat heb je al begrepen,
de leeuwen hebben manen en de tijgers hebben strepen
en onze tante eekhoorn heeft een rode wollen staart,
maar jij hebt allemaal stekeltjes en dat is zo veel waard.

Slaap mijn kleine Prikkeltje, dan word je groot en dik,
dan word je net zon stekelvarken als je pa en ik.
Het olifantje heeft een slurf, de beren hebben klauwen,
de papegaai heeft veren, van die groene, van die blauwe
en onze oom giraffe heeft een hele lange nek,
maar jij hebt allemaal stekeltjes en dat is ook niet gek.

Suja, suja, Prikkeltje, het is al vreeslijk laat.
Je bent het mooiste stekelvarken dat er maar bestaat.
De poezen hebben snorren en daar kunnen ze mee spinnen,
de koeien hebben horens en de vissen hebben vinnen
en onze neef de otter heeft een bruin fluwelen jas,
maar jij hebt allemaal stekeltjes, die komen nog te pas.
Die komen nog te pas.

































Sebastiaan

Dit is de spin Sebastiaan.
Het is niet goed met hem gegaan.
Luister!
Hij zei tot alle and're spinnen:
Vreemd, ik weet niet wat ik heb,
maar ik krijg zo'n drang van binnen
tot het weven van een web.
Zeiden alle and're spinnen:
O, Sebastiaan, nee, Sebastiaan,
kom, Sebastiaan, laat dat nou.
Wou jij aan een web beginnen
in die vreselijke kou?
Zei Sebastiaan tot de spinnen:
't Web hoeft niet zo groot te zijn,
't hoeft niet buiten, 't kan ook binnen
ergens achter een gordijn.
Zeiden alle and're spinnen:
O, Sebastiaan, nee, Sebastiaan,
toe, Sebastiaan, toom je in.
Het is zo gevaarlijk binnen,
zo gevaarlijk voor een spin.
Zei Sebastiaan eigenzinnig:
Nee, de drang is mij te groot.
Zeiden alle and'ren innig:
Sebastiaan, dit wordt je dood.
O, o, o, o, Sebastiaan.
Het is niet goed met hem gegaan.
Door het raam klom hij naar binnen,
eigenzinnig en niet bang.
Zeiden alle and're spinnen:
Kijk, daar gaat hij met zijn DRANG
Na een poosje werd toen even
dit berichtje doorgegeven:
Binnen werd een moord gepleegd,
Sebastiaan is opgeveegd.








Tante en oom in Laren



Ik heb een tante en een oom,
die zitten in een eikenboom,
een eikenboom in Laren!
Ze hebben zelf van eikenhout,
daar in die boom een huis gebouwd,
ze wonen er al jaren.

Daar slapen ze dan en daar eten ze dan.
t Is erg gezellig daar niet van.
Zo vrij aan alle kanten!
Ze hebben geen buren met radio,
maar tante vindt het maar zo-zo.
Het is zo hoog, zegt tante.

Ze is nooit echt op haar gemak.
De kinderwagen hangt aan een tak
en dat is wel bezwaarlijk.
Ze zegt ook telkens tegen oom:
k Wil liever in een lagere boom,
hier is t me te gevaarlijk.

Maar dan zegt oom: och kom, och kom!
Een lagere boom? Welnee waarom?
We hebben hier alle gemakken.
De kinderen willen toch ook niet weg?
Het is nog al niet heerlijk, zeg,
dat klauteren in die takken!

Vind jij het net een vogelkooi?
Het uitzicht is toch prachtig mooi!
Jij moet ook altijd vitten.
En tante zegt: Nou ja, affijn,
als jij het zegt, zal t wel zo zijn,
dan blijven wij hier maar zitten.

Dus woont mijn tante met mijn oom
nog steeds daar in die eikenboom,
ze zijn er erg tevreden.
Mijn oom haalt brood en komt weer thuis,
de kinderen klauteren rondom het huis.
En nooit valt er n naar beneden.











De leeuw is los

De leeuw is los, de leeuw is los!
Hij wandelt door de straten.
Hij wil naar 't Amsterdamse bos,
dat heb ik in de gaten.
Hij bromt, hij briest, hij brult.
Zijn staart is woest gekruld.

Oh kijk eens aan!
Oh kijk hem gaan!
Daar loopt hij al over het Singel.
De tram blijft staan, de tram blijft staan
en belt van klingeldeklingeldeklingel.
T verkeer staat heelmaal stil.
De conductrice geeft een gil.

De leeuw is los, de leeuw is los
oh oh oh de leeuw is los!
De leeuw is los, de leeuw is los
oh oh oh de leeuw is los!

Nu is al hij op dOvertoom!
De mensen worden steeds banger.
Oh kijk, die man klimt in een boom,
die man is onze behanger.
Die lange verkeersagent
loopt heel hard weg, zon bange vent.

O kijk, daar komt een jongen aan!
O, zou z'n moeder dat weten?
O kijk dat jochie daar eens staan!
Straks wordt hij opgevreten!
Wie is die jongen dan?
O zeg, dat is mijn broertje Jan!

De leeuw is los, de leeuw is los
oh oh oh de leeuw is los!
De leeuw is los, de leeuw is los
oh oh oh de leeuw is los!

Hij pakt een klontje uit zn zak.
Wat gaat hij nu beginnen?
De leeuw kalmeert, de leeuw wordt mak!
Het beest begint te spinnen!
Jan klopt hem op zn rug
en brengt hem gauw naar Artis terug.
Hoera! Hoera! Hoera!








Dikkertje Dap

Dikkertje Dap klom op de trap,
's morgens vroeg om kwart over zeven,
om de giraf een klontje te geven.
Dag giraf! Zei Dikkertje Dap,
weet je wat ik heb gekregen?
Rode laarsjes voor de regen.
't Is toch niet waar? Zei de giraf,
Dikkertje, Dikkertje, Dikkertje, Dikkertje, ik sta paf.

O, giraf, zei Dikkertje Dap,
'k moet je nog veel meer vertellen;
Ik kan al drie letters spellen.
A, B, C, is dat niet knap?
Ik kan ook al bijna rekenen,
ik kan mooie poppetjes tekenen.
Lieve deugd, zei de giraf,
kerel, kerel, kerel, kerel, ik sta paf.

Zeg, giraf, zei Dikkertje Dap,
mag ik niet eens even bij je
stiekem van je nek afglijden?
Zo, maar eventjes, voor de grap?
Denk je dat de grond van Artis
als ik neerkom heel erg hard is?
Stap maar op, zei de giraf,
stap maar op en glij maar af!

Dikkertje Dap klom van de trap
met een griezelig grote stap
op de nek van de giraf.
Zette Dikkertje Dap zich af

Roetsjj, daar gleed hij met een vaartje
tot het eindje van het staartje.
Boem!
Au!

Dag, giraf, zei Dikkertje Dap,
morgen kom ik toch weer hier met de trap.













De heks van Sier-kon-fleks



Dit is de heks van Sier-kon-fleks,
ze woont in Kopenhagen.
Iedere dag doet zij wat geks
en alle mensen klagen:
O, wat een heks,
wat een akelige heks,
hoe lang moet dat nog duren?
Wie wil de heks van Sier-kon-fleks
voorgoed het bos in sturen?

Op zondag neemt zij de kolonel
en tovert hem om in een mokka-stel.

Op maandag doet zij niet zo veel,
dan jakkert zij op haar bezemsteel.

Op dinsdag eet zij een schooljuffrouw
en laat het verder maar blauw-blauw.

Op woensdag neemt zij het mokka-stel
en tovert het om in een kolonel.
De vreugd is maar van korte duur:
hij zit nog onder het glazuur.

Op donderdag neemt zij het dameskoor
en schuift het onder de voordeur door.

Op vrijdag bijt zij de griffier
en wikkelt hem in vloeipapier.

Op zaterdag gaat zij in het bad,
zodat het in de rondte spat
en verder speelt zij met haar kat
het spelletje van `wie doet me wat'.

Dit is de heks van Sier-kon-fleks,
ze woont in Kopenhagen.
Alle mensen staan perpleks,
zoals die heks kan plagen.
O, wat een heks,
wat een griezelige heks.
't Is niet om te verdragen!
Wie wil de heks van Sier-kon-fleks
voorgoed het bos in jagen?










De wim-wam reus
In de wilde zwarte bossen woont de wim-wam-reus
met de wim-wam oren en de wim-wam neus.
's Avonds loopt hij daar te darren in de maneschijn
en als hier de kleine kindertjes ondeugend zijn,
kan die reus dat altijd horen
met zijn wim-wam wim-wam oren,
en als jij niet naar je bedje wil 't is heus, heus, heus,
kan die reus dat altijd ruiken met zijn wim-wam neus.

En dan komt ie naar beneden op zijn wim-wam paard
met de wim-wam poten en de wim-wam staart,
dwars door alle wilde bossen in galop lop lop,
over honderdduizend heuveltjes van hop hop hop
springt het over alle sloten
met zijn wim-wam wim-wam poten,
springt hij over alle sloten met een griezelige vaart
en maar zwaaien en maar zwaaien met zijn wim-wam staart!

Pas maar op pas maar op voor de wim-wam reus
met de wim-wam oren en de wim-wam neus,
want als jij niet naar je bedje wil en jij bent stout
geeft die reus je op je bibs met een lang eind hout!
En geeneens gewoon hout
Nee nee!
Wim-wam hout!




























Het lelijke eendje



Wij hebben geen hond en wij hebben geen kat.
Wij zijn er te nauw voor behuisd.
Soms zeggen de mensen: wat jammer is dat.
Dan zeg ik: dat is het nou juist.
Wij hebben een beestje dat buiten kan slapen.
Het kan tegen ijzel en kou.
't Is net of dat diertje voor ons is geschapen.
Zo vriendelijk is het en trouw.

refr.:
Wij hebben een eendje dat woont bij ons in.
Een lelijk klein eendje voor 't hele gezin.
En altijd gaat dat eendje met ons mee,
naar 't bos en de hei en de zee.
Een buitenbeentje, maar aardig en vief,
ons lelijke eendje, lelijk maar lief.
Wij hebben een eendje dat woont bij ons in.
Een eendje voor t hele gezin.

Hij is niet zo fraai als de poedel hiernaast.
Wij hebben hem niet voor de show.
En sommige buren die kijken verbaasd.
Ze vinden het dier maar zo-zo.
Zij zouden zich haast voor dat eendje generen.
Wij trekken ons niets daarvan aan.
Geen een ander dier zit zo goed in zijn veren
en kijk hem daar nou weer eens gaan.

refr.

Hij hoeft praktisch nooit naar de dierenarts toe.
Hij eet bijna niets, is nooit ziek.
Je kunt altijd op hem vertrouwen en hoe.
Al is hij niet duur en niet sjiek.
En 's zomers dan gaan wij samen landen ontdekken.
Ver weg in een zonnig klimaat.
Wij houden van vrijheid, van reizen en trekken.
Want vrijheid is waar het om gaat.

refr.

De geit van dokter Sanders



refr.2x:
De geit van dokter Sanders
is anders, is anders,
de geit van dokter Sanders
is anders van model,
dan de geit van dokter Snel,
dan de geit van dokter Snellebellebel,
Snellebellebel, Snellebellebellebellebellebellebel.

En dokter Sanders zit voor 't raam
en vindt het zeer onaangenaam.
Hij zucht en kijkt de hele tijd
naar dokter Snellebel zn geit.
Met veel verdriet en droefenis,
omdat zijn geit zo anders is.
En alle mensen staan voor 't hek
en roepen: kijk nou toch wat gek!

refr.2x

En dokter Snel aan de overkant
heeft ook het land heel erg het land.
Hij knarsetandt en wrokt en huilt:
de geiten moeten maar geruild.
Meteen! zegt dokter Snellebel
en dokter Sanders zegt: Jawel!
Toen hebben ze het snel bedisseld
en beide geiten omgewisseld.

Maar veel geholpen heeft het niet.
Het is nu nog hetzelfde lied.

refr.





















Pippeloentje gaat naar Engeland


Kleine beertje Pippeloentje
geeft zn mammabeer een zoentje,
geeft zn pappabeer een hand,
want hij gaat naar Engeland.

Pippeloentje heeft een jekker
en een koffer met een wekker
en een grote zak met brood
hij gaat varen op de boot.

En de westenwinden waaien
en de andre beren zwaaien,
en ze roepen met zn allen:
Zul je niet int water vallen?

En niet op de railing staan?
En geen andre beertjes slaan?
En niet schoppen met je schoentje?
Goeie reis dan Pippeloentje!
Kleine beertje Pippeloentje
geeft zn mammabeer een zoentje,
geeft zn pappabeer een hand,
want hij gaat naar Engeland.




























Zomeravond

Ik lig al in bed,
maar de zon is nog op
en de merel zo hard aan het fluiten.
Ik lig al in bed
met de beer en de pop
maar verder is iedereen buiten,

de radio speelt
in de kamer benee
of is het hiernaast bij de bakker?
Nu hoor ik een kraan,
o ze zetten weer thee
en ik ben nog zo vreselijk wakker.

Ik lig al in bed
en ik mag er niet uit
want de klok heeft al zeven geslagen.
Ik wil een stuk koek,
of een halve beschuit,
maar ik durf er niet om te vragen.

Ik lig maar in bed
en ik speel met mn teen
en de zon is nog altijd aan 't schijnen.
Ik vind het gemeen
dat juist ik nou alleen
in mijn bed lig met dichte gordijnen.



























Mn opa
Elke zondagmiddag bracht ie toffies voor me mee.
Ik weet nog de spelletjes die opa met me dee:
restaurantje spelen en mn opa was de kok,
bokkenwagen spelen en mn opa was de bok.

refr:
M'n opa, m'n opa, mn opa,
in heel Europa
was er niemand zoals hij.
M'n opa, m'n opa, mn opa,
en niemand was zo aardig voor mij.
In heel Europa,
m'n ouwe opa,
nergens zo iemand als hij,
niemand zo aardig voor mij.
In heel Europa,
mn ouwe opa,
niemand zo aardig voor mij:
mn ouwe opa.

Als ik me verveelde ging ik altijd naar em toe.
Hij verzon een spelletje en nooit was ie te moe:
van de dijk af rollen en m'n opa was de dijk,
detectiefje spelen en m'n opa was het lijk.

refr.

Samen naar de apies kijke, samen naar het strand
en als je geluk had ging je samen naar de brand.
Samen op het ijs en met een sleetje in de sneeuw,
leeuwentemmer spelen en m'n opa was de leeuw.

Altijd als we samen waren hadden we plezier,
stierenvechter spelen en m'n opa was de stier.

M'n opa, m'n opa, mn opa,
in heel Europa
was er niemand zoals hij.
M'n opa, m'n opa, mn opa,
en niemand was zo aardig voor mij.
In heel Europa,
m'n ouwe opa,
nergens zo iemand als hij,
niemand zo aardig voor mij.
In heel Europa,
mn ouwe opa,
niemand zo aardig,
niemand zo aardig,
niemand zo aardig als hij:
mn ouwe opa.

Ik ben lekker stout


INTRO

A1
7

4
&4

Ik

&
wil

&
wel

niet

zeg - gen

wil niet meer, ik wil niet meer! Ik

el - ke

me - vrouw, ja - wel


wil geen hand - jes ge - ven. Ik

keer: Ja - wel

me - neer) nee

me - vrouw, ja - wel

nooit meer

me - neer (ja -

in

m'n

le

ven!

Ik

& b b
hou m'n han - den op m'n rug en

ik zeg lek - ker niks

te - rug!

Ik

A2

&

wil geen vie - ze

&

lek -ker knoei - en

&
wil

niet

aar - dig

ha - ver - mout, ik

met

het

zout,

wil geen tand - jes

poet - sen! 'kWil

ik

wil

niet

zijn maar stout) en

van

de

aar - dig

zijn maar stout (ze

leu - ning roet - sen

en

&

b b

schip - breuk spe - len in de teil en

ik wil spu - gen op

het zeil!

j
En

& b b

bj b b bj j

heel hard stam - pen in een plas

en dan m'n tong uit - ste - ken

&
mor - sen op m'n nieu - we jas

&

en

woor - den

en

ik wil o - ver mor - gen pas weer met

spre - ken!

twee

j
>>

Ik wil al - les wat niet mag,

de he - le

solo

A3
8

j
>> >

& >
dag,

de he - le dag!

En

&
he - le

&

ik

wil

met

de

ik wil op de ka - na - pee met

vui - le schoe - nen

ik

wil

melk - boer mee (en

zij

wil

met

de

en

al - door zeg - gen: Nee! En

melk - boer mee) en

& b b
dan het paard -je zoe - nen. En

U
&
>
Bil!

dat is

al - les wat ik wil en

als ze kwaad zijn zeg

>

ik:

Het beertje Pippeloentje

intro

A
7

b4
&b 4

Kijk, het beer - tje Pip - pe - loen - tje heeft geen sok en heeft geen

b
&b
schoen - tje, heeft geen das - je

en geen

boord

je

en geen broek - je

b
& b

en

geen

jak - je en geen pak - je met een zak - je en geen hemd -je en geen wol - le - tje

3
3
b
b

&

eens een pa - ra - sol - le - tje en geen

en geen

pon -ne - tje voor in bed,

maar Pip - pe -

b U
b

&

loen - tje heeft een pet. Kijk het beer - tje

b
&b

Pip - pe

loen - tje gaat niet wand -'len in't plant

soen - tje en niet step - pen op een

step

je

en niet

b
&b

tol - len en niet hard de straat op

b
&b

knik - 'ren

hol - len en niet schrij - ven en niet

bere - pop - pe - tjes tek -'nen en niet roets - jen van de trap,

re

en

niet


J
- ke - nen en geen

j
maar Pip - pe -

b
&b

loen - tje

eet

b
&b

z'n

pap.

Geef

het

rus - ten

beer - tje

Wel - te

maar een

zoen - tje.

Pip - pe - loen - tje.

sax solo
rit.

b
&b


Geef het


beer - tje maar een zoen - tje.

a tempo

b
&b

Wel - te

rus - ten

Pip - pe - loen - tje.

Stekelvarkentjes wiegelied

mp

b 6
& b bb 8

j
j j j
j

Su - ja, su - ja, Prik - kel - tje, daar bui - ten schijnt de


Slaap mijn klei - ne Prik - kel - tje, dan word je groot en
Su - ja, su - ja, Prik - kel - tje, het is
al vrees'-lijk

j
b b j
j
b

&

J

J
maan,
dik,
laat.

b
& b bb

je bent een ste - kel - var - ken - tje, maar trek het je
niet aan.
dan word je net zo'n ste - kel - var - ken als je pa
en ik.
Je bent het mooi - ste ste - kel - var - ken dat er maar be staat.

Je
Het
De

j j

bent een ste kel - var - ken - tje, dat heb je al


be - gre - pen,
o - li - fan - tje heeft een slurf, de be - ren heb - ben klau - wen,
poe - zen heb - ben snor - ren en daar kun - nen ze mee spin - nen,

b
& b bb

leeu - wen heb - ben ma - nen en


pa - pe - gaai
heeft ve - ren, van
koei - en heb - ben ho - rens en

de
de
de

j j

de
tij - gers heb - ben stre - pen
die groe - ne, van die blau - we
de vis - sen heb - ben vin - nen

en
en
en

b
& b bb

on - ze tan - te eek - hoorn heeft een ro - de wol - len


on - ze oom gi - raf - fe heeft een he - le lan - ge
on - ze neef, de
ot - ter heeft een bruin u - we - len

bb
&b b
jij
jij

hebt al - le - maal ste - kel - tjes


hebt al - le - maal ste - kel - tjes

en
en

dat
dat

j

is
is

staart,
nek,
jas,

maar
maar
maar

zo - veel waard.
ook - niet gek.

B
ff
. . . . . . .
b

b
b
b
& b
. . . . n

oee

. . .

oee

D.C. al Coda

b . . . .
& b bb b
-

. . . . n

mf
j
b
j
b
& b b J j J J
jij hebt al - le - maal ste - kel - tjes die ko - men nog te pas.

Die ko - men nog te pas.

. . .
b

b
b. . . .
&b b
. n
. . .
oee

pp

rall.

. . .
U
b

.
.
.
.
b

.
&b b
. . .
n
oee

Sebastiaan
A1
mp

4
b3
& b b4

4 j
n n
4

Dit is de spin Se - bas - ti - aan.

b
&b b
gaan.

b2
& b b4

heb,

Het is niet goed met hem ge-

Luister!

Hij zei tot al - le an -'dre spin - nen:

4
4

j
b b 42

Vreemd, ik weet niet wat ik

3
4

4
4

maar ik krijg zo'n drang van bin - nen

tot het we - ven van een

B1
mf

b4
& b b4

web.


J
Zei - den al - le an -'dre spin - nen: Oh, Se - bas - ti - aan, nee, Se - bas - ti - aan,

A2

b
3
4
& b b b J b n # n 4 n 4
kom, Se - bas - ti - aan, laat dat nou. Wou jij aan een web be - gin - nen

b4
& b b 4 b
kou?

b4
& b b4

in die vre - se - lij - ke

j
b b 42 44

Zei Se - bas - tiaan tot de spin - nen: 'tWeb hoeft niet zo groot te

3
4

4
4

'thoeft niet bui - ten 'tkan ook bin - nen

er -gens ach - ter een gor - dijn.

zijn,

B2

b
&b b

Zei - den

b
& b b b
nee,

al - le

an - 'dre

spin - nen:

j
n

Se - bas - ti - aan,

toe,

n n
J

Oh,

Se - bas - ti - aan,

b
J

Se - bas - ti - aan,

toom

je

in.

A3
p

b
3
4
& b b n # n 4 n 4 b
Het is

zo ge - vaar - lijk bin - nen

zo ge - vaar - lijk voor een

spin.

mf

b
&b b

Zei

Se - basti - aan

b2
& b b4

ei - gen - zin - nig:

4
4

Nee,

Zei - den

al

mij

le

te

2
4

de drang is

groot.

j
b

an - 'dren

in - nig:

Se -

3
b
&b b

bas - ti - aan,

3
4

j

dit wordt je dood.

A4

4
b3
& b b4

4
4

j
n n
Oh,

b
&b b
aan.

Het is niet goed met hem ge-gaan.

j
b b 42

b
& b b
ei

gen - zin - nig en niet

bang.

oh,

oh,

oh,

n n
Se - bas - ti -

Door het raam klom hij naar bin - nen,

4
4


Zei - den al - le

an - 'dre spin - nen

3
b3
& b b4

Kijk, daar gaat hij met z'n

4
4

DRANG...

C
f

bb
b
&



Na

een poos - je

b
& b b n

werd toen

e - ven

dit

>

bin - nen werd een moord

be - richt - je

>

door - ge - ge - ven:

ge - pleegd, (stamp, stamp,

>

n
J

stamp)

Se -

rit.

b
& b b n

2
2
j 4
n
op - ge - veegd!
is

bas - ti - aan

4
4

Da
a
rs
l
a
p
e
nz
ed
a
ne
nd
a
a
re
t
e
nz
ed
a
n
.

tI
se
r
gg
e
z
e
l
l
i
gd
a
a
rn
i
e
tv
a
n
.
Zov
r
i
ja
a
na
l
l
ek
a
n
t
e
n
!
Zeh
e
b
b
e
ng
e
e
nb
u
r
e
nme
tr
a
d
i
o
,
ma
a
rt
a
n
t
ev
i
n
d
th
e
tma
a
rz
o
z
o
.
He
ti
sz
oh
o
o
g
,
z
e
g
tt
a
n
t
e
.

Vi
n
dj
i
jh
e
tn
e
te
e
nv
o
g
e
l
k
o
o
i
?
He
tu
i
t
z
i
c
h
ti
st
o
c
hp
r
a
c
h
t
i
gmo
o
i
!
J
i
jmo
e
to
o
ka
l
t
i
j
dv
i
t
t
e
n
.
Ent
a
n
t
ez
e
g
t
:No
uj
a
,
a
f
f
i
j
n
,
a
l
sj
i
jh
e
tz
e
g
t
,
z
a
l
twe
lz
oz
i
j
n
,
d
a
nb
l
i
j
v
e
nwi
jh
i
e
rma
a
rz
i
t
t
e
n
.

Zei
sn
o
o
i
te
c
h
to
ph
a
a
rg
e
ma
k
.
Dek
i
n
d
e
r
wa
g
e
nh
a
n
g
ta
a
ne
e
nt
a
k
e
nd
a
ti
swe
lb
e
z
wa
a
r
l
i
j
k
.
Zez
e
g
to
o
kt
e
l
k
e
n
st
e
g
e
no
o
m:

kWi
ll
i
e
v
e
ri
ne
e
nl
a
g
e
r
eb
o
o
m,
h
i
e
ri
s
tmet
eg
e
v
a
a
r
l
i
j
k
.

Du
swo
o
n
tmi
j
nt
a
n
t
eme
tmi
j
no
o
m
n
o
gs
t
e
e
d
sd
a
a
ri
nd
i
ee
i
k
e
n
b
o
o
m,
z
ez
i
j
ne
re
r
gt
e
v
r
e
d
e
n
.
Mi
j
no
o
mh
a
a
l
tb
r
o
o
de
nk
o
mtwe
e
rt
h
u
i
s
,
d
ek
i
n
d
e
r
e
nk
l
a
u
t
e
r
e
nr
o
n
d
o
mh
e
th
u
i
s
.
Enn
o
o
i
tv
a
l
te
r

nn
a
a
rb
e
n
e
d
e
n
.

I
n
t
e
r
l
u
d
e
Ma
a
rd
a
nz
e
g
to
o
m:o
c
hk
o
m,
o
c
hk
o
m!
Ee
nl
a
g
e
r
eb
o
o
m?We
l
n
e
ewa
a
r
o
m?
Weh
e
b
b
e
nh
i
e
ra
l
l
eg
e
ma
k
k
e
n
.
Dek
i
n
d
e
r
e
nwi
l
l
e
nt
o
c
ho
o
kn
i
e
twe
g
?
He
ti
sn
o
ga
ln
i
e
th
e
e
r
l
i
j
k
,
z
e
g
,
d
a
tk
l
a
u
t
e
r
e
ni
nd
i
et
a
k
k
e
n
!

De leeuw is los
6
4
&4

A1

j
j

De leeuw is

los,

de leeuw is los!

Hij wan - delt door de

r
& j j #
stra - ten.

Hij wil naar't Am - ster - dam - se bos,

dat heb ik in de

ga - ten.

Hij

3
& r r
bromt, hij briest,

hij brult.

Zijn staart is woest ge - kruld.

A2

j
j

&

Oh kijk eens aan!

&

Sin - gel.

Oh kijk hem gaan!

j

De

Daar loopt hij al o - ver het

j
#

tram

blijft staan, de tram blijft staan

en

3
3


&

belt van klin - gel - de - klin - gel - de - klin - gel.

j r
j

't Ver - keer

staat heel

- maal

B1

j
&
stil.

r #

De con - duc - tri - ce geeft een

gil.

De leeuw is los, de leeuw is los,

r
j
& R R R # r

oh

oh

oh

de leeuw is

los.

De

#

leeuw is

los,

de leeuw is

los,

#
& R R R
oh

oh

oh

de leeuw is

los!

Nu is

hij

A3

j
&
al

op d'O - ver toom

De men - sen

& j #
kijk,

die man klimt in een boom,

& r
lan - ge

die

ver - keers

wor - den steeds

bang - er.

Oh

r
man is

on - ze be - han - ger.

a - gent

Die

loopt heel hard weg, zo'n ban - ge

A4

& j
vent.

Oh kijk, daar

&

we - ten?

&
wordt

&
dan?

komt

Oh

een jon - gen aan!

kijk

hij

op - ge

Oh

zeg,

Oh, zou zijn - moe - der dat

j
#

dat jo - chie daar eens

staan!

vre - ten!

Wie

is

die jon

dat

is mijn broer - tje

Straks

j
>

gen

Jan!

De

B2

r # j r
R
R
R

& #
leeuw is

los,

de leeuw is

los,

oh

oh

oh

de leeuw is

los.

De

1.

2.
r
r
j

#
&
# r
R R R
R
R
R

leeuw is los, de leeuw is los,

oh oh oh de leeuw is los!

oh oh oh de leeuw is los!

A5

&

&

gin - nen?

&
beest be - gint te

Hij pakt een

klon - tje

De leeuw

uit z'n zak.

Wat gaat hij

kal - meert, de leeuw wordt

nu be-

mak!

Het

j
r
r



spin - nen!

& n R
gauw naar Ar - tis te - rug.

Jan klopt

Hoe - raaa!

hem op

Hoe - raaa!

z'n rug,

en brengt hem

Hoe - raaa!

Dikkertje Dap

### 4
& 4

Dik - ker - tje Dap


Oh
gi - raf,

's mor - gens


'k moet je

klom op de trap,
zei Dikker - tje Dap

###
j
n
&
vroeg om kwart o - ver ze - ven,
nog veel meer ver - tel - len;

om de gi - raf een klon - tje te ge - ven.


ik kan al drie let - ters
spel - len.

3
### n j

&
n n

raf!
C,

Zei Dik - ker - tje Dap,


is dat
niet knap?

Dag gi A, B,

weet je wat ik heb ge - kre - gen?


Ik kan ook al bij - na reke - nen,

Ro - de
ik kan

3
###
&
j j

laars - jes
moo - ie

voor de re - gen.
poppe - tjes teke - nen.

't Is toch niet waar?


Lie - ve deugd,

Zei de gi - raf,
zei de gi - raf,

Dik - ker - tje,


ke - rel,

7
3
### 3 3

42

&

Dik - ker - tje, Dik - ker - tje, Dik - ker - tje, ik


ke - rel, ke - rel, ke - rel ik

sta
sta

44

paf!
paf!

3
###
j

&

Zeg, gi - raf,

###
&

zei Dik - ker -tje Dap,

dat

de grond van

stie -kem

n n n

van je nek af - glij - den?

###

&

mag ik niet eens e - ven bij je

Zo, maar e - ven - tjes voor de grap?

Denk je


Ar - tis

als ik neer -kom

heel erg hard is?

Stap maar

###
&

3
j
j j

op,

###
&

zei de gi - raf,

stap maar op

en glij

maar af!

Dap

klom van de trap

###
&

###

&

### >
&

vaar - tje

tot het

op de

ein - dje

Roetsj, daar

>

van het staar - tje.

Dag, gi - raf,

zei Dik - ker - tje Dap,

mor - gen

12

###
&
kom

ik

Boem!

Au!

stap

Zet - te Dik - ker -tje Dap zich af...

met een

gliss. U

n n n

nek van de gi - raf.

gleed hij

met een grie -ze - lig - e gro - te

Dik - ker -tje

toch weer hier

met

de

2
4
trap.

4
4

De heks van Sier-kon-eks


A1

12

mf

#4
& 4

Dit is de heks van Sier - kon - eks

ze


woont in Ko - pen -

Ie - de - re dag doet

zij wat geks

&

ha - gen.

en

al - le men - sen

#
&

# #
Oh, wat een heks, wat een

#
&

a - ke - li - ge heks,

hoe lang moet dat nog

du - ren?

kla - gen:

Wie wil de heks van Sier - kon - eks voor - goed het bos in

stu - ren?

A2

12

mf

#4
& 4

Dit is de heks van Sier - kon - eks, ze woont in Ko - pen - ha - gen.

&
al

le men - sen


J
staan per - pleks,

zo - als

#
&

# #
Oh wat een heks, wat een grie - ze - li - ge heks.

#
&
Wie


wil

de heks

#
& w
ja

van

die heks kan

pla

gen.

't Is niet om te ver - dra - gen!

Sier - kon - eks

voor - goed

het

bos

in

>
w
-

w
-

gen?

3
#

&

De

&
. .
.

heks van Sier - kon - eks!

De

. .
.

heks van Sier - kon - eks

De

2
#
&
. .
.

heks van Sier - kon - eks!

> > > >

>

De heks van Sier - kon - eks!

De wim-wam reus

A1

10
b 4
& b bb 4



In de

bbb
b
& n

reus met de wim - wam

b
& b bb

wil - de zwar - te

bos - sen woont de wim - wam

o - ren en de wim - wam neus. 'sA -vonds

loopt hij daar te

dar - ren in de ma - ne - schijn en als hier de klei - ne kin - der - tjes on - deu - gend

b
& b bb

zijn, kan die reus dat

al - tijd

ho

ren met zijn wim - wam

wim - wam

2
b
& b bb w
o

n w

n n
-

ren, en als

jij

niet

naar je bed - je

wil 'tis heus, heus, heus,

3
bb
&b b

kan die reus dat al - tijd rui - ken met zijn wim - wam

neus.

A2

bb
&b b
En dan komt hij naar be - ne

bbb
b
&

- den op zijn wim - wam paard met de wim - wam

po - ten en de wim - wam staart, dwars door al - le wil - de bos - sen in ga - lop

lop

bb
&b b

lop,

o - ver

hon - derd - dui - zend heu -vel - tjes van hop

hop

hop springt het

b
& b bb

o - ver

al

- le

slo - ten

met zijn wim - wam

wim - wam

po - ten,

2
b
& b bb

n w

n
springt hij

b
& b bb

o - ver al - le

slo - ten met een grie - ze - li - ge vaart

en maar zwaa - ien en maar zwaa - ien met zijn wim - wam

staart!

B1
C

7
b
& b bb

Pas maar op

pas maar op

voor de wim - wam

b
& b bb
reus

met de wim - wam

b
& b bb
bed - je wil en

jij

o - ren en de wim - wam

neus, want als

jij niet naar je

bent stout

geeft die reus je op je bibs

met een

A tempo

bbb
b
&
n
lang

eind

U

hout!

En geen -eens


>

ge - woon hout

nw

nee,

nee

w
-

ee

>

Wim - wam

Wim

>

b
& b bb

b b >
b
& b

>


>

hout!

Wim - wam

>
hout!

>
>
wam

>
hout!

Wim

>
wam

>
hout!

Het lelijke eendje

4
3

b4
&b 4

4
4

j

Wij heb - ben geen

A1/A2
3
3

b
& b

hond
fraai

j
j

en wij heb - ben geen


kat.
als de poe - del hier - naast.

b
&b

huisd.
show.

Wij zijn er te nauw voor beWij heb - ben hem niet voor de

j
j
#

Soms zeg - gen de men - sen:
En som - mi - ge bu - ren

wat jam - mer is


dat.
die kij - ken ver - baasd.

Dan
Ze

3
3

b
& b n

zeg
ik:
vin - den

dat is
het dier

j
#

het nou juist.


maar zo - zo.

Wij heb - ben een


Ze zou - den zich

3
3
3

b
&b

beest - je
haast voor

dat bui - ten kan sla - pen.


dat eend - je ge - ne - ren.

Het
Wij

kan te - gen ij - zel en


trek - ken ons niets daar - van

3
3

b
&b

't

Is net of dat
Geen een an - der

dier
dier

kou.
aan.

tje
zit


J
voor ons is
zo goed in

ge zijn

3
j
j
#
3

b
b
& #

scha - pen.
ve - ren

Zo
en

vrien - de - lijk is
het en trouw.
kijk hem daar nou weer eens gaan.

Wij

B1,2
3

&
heb

ben

een

eend

je

dat

woont

3
3

&
bij

ons

lijk

klein eend

in.

Een

le

je

voor't

3
3
3
3
3
3
3
j
j
j
j
j
j

j
j

&

3

he - le ge zin.En

al - tijd gaat dat eend - je met ons mee,

naar 't

bos en de hei en de

3
3
3
3
j

j j
j

J
3

#
&
zee.

Een

bui - ten - been-tje maar aar - dig en vief,

3
j
j
&
3

le

lijk maar lief. Wij

ons le - lij - ke eend - je

3
3
3
3
j
j
j

heb - ben een eend - je dat woont bij ons in.

Een

3
3
j
j
&

eend - je voor't he - le

ge - zin.

bb

j

Hij is niet zo
Hij hoeft prak - tisch

A3
3
3

b
&b

3
3
j

j
j

nooit

naar de die - ren - arts toe.

Hij eet bij - na niets, is nooit ziek.

Je kunt al - tijd

3
3

b
&b

op

hem

j
n
ver - trou - wen en

hoe.

Al

is

hij niet duur en niet

3
3

b
& b #

En 's zo - mers dan gaan wij

sjiek.

sa - men lan - den ont - dek - ken.

Ver

3
3
3

b
&b

3
3
3
j

#
j

weg in een zon - nig kli - maat

Wij hou - den van vrij - heid, van rei - zen en trek - ken. Want

B3
3
3

b
&b

j # j
n

vrij - heid is waar het om gaat.

Wij

3
3
3
3
j

j
j

heb - ben een eend - je dat woont bij ons in.

Een

3
3
3
j
j
j

3

&

le - lijk klein eend - je voor't he

le

ge - zin.

En

al - tijd

gaat dat eend - je

3
3

& j

met ons mee,

j

naar het bos

en

en

de hei

de

zee.

Een

#
&

bui - ten - been - tje maar aar - dig en vief,

j
ons

le - lij - ke eend - je,

4
3
j
j
&
3

le

lijk maar lief. Wij

3
3
3
3
j
j j
J

heb - ben een eend - je dat woont bij ons in.

Een

C
sax solo

3
3

j
& j

eend - je voor't he - le ge - zin.

Wij

3
3

#
&

3
3
j
j j
J

heb - ben een eend - je dat woont bij ons in.

Een

eend - je voor't he - le

#
&
zin.

Een

>

eend - je voor't he - le

ge - zin!

ge -

De geit van dokter Sanders

???

b4
& b b 4

U
>

aaaaah stop!

De geit van dok - ter...

De

A1

b
J
& b b J

geit van dok - ter San - ders

is

an - ders,

is

an - ders,

de geit van dok - ter

bb
b
&
San - ders

is

an - ders van mo - del,

dan de geit van dok - ter Snel,

dan de

1.

b
&b b
geit van dok - ter Snel - le - bel - le - bel,

Snel - le - bel - le - bel,

Snel - le - bel - le - bel - le - bel - le

2.

b
&b b

bel - le - bel - le - bel. De

Snel - le - bel - le - bel,

Snel - le - bel - le - bel,

B1

b
& b b J

Snel - le - bel - le - bel - le - bel - le - bel - le - bel - le - bel. En dok - ter San - ders zit voor't raam en

b
& b b
vindt

het zeer on - aan - ge - naam. Hij

b
& b b n
dok - ter Snel - le - bel z'n geit.

b

&b b
dat zijn geit zo

an - ders is. En

Met

zucht

en kijkt de

he - le


veel ver - driet en

tijd naar

droe - fe - nis om -

al - le men - sen staan voor het hek

en

B2

b
>
& b b J
roepen: 'Kijk nou toch wat gek!'

b
& b b
ook

De

het land heel

erg het land. Hij

b
& b b n

dok - ter Snel aan de

knar - se - tandt en

wrokt en huilt: de

'Met - een' zegt dok - ter

Snel - le - bel en

gei - ten moe - ten - maar ge - ruild.

b

&b b
J

o - ver - kant heeft

j n

dok - ter San - ders zegt 'ja - wel'. Toen heb - ben zij het snel be - dis - seld en bei - de gei - ten

b
&b b

om - ge - wis - seld.

b
&b b
heeft

Maar

het

niet.

Het

is

nu

nog

het

veel

ge - hol - pen

lied.

De

zelf - de

A3
langzaam beginnen, steeds sneller

b
J
& b b J b

geit van dok - ter San - ders

is

an - ders,

is

an - ders,

de

geit van dok - ter

b
&b b
San - ders

b
&b b
geit

b
&b b

is

an - ders van mo - del,

dan de geit van dok - ter Snel,

dan de

van

dok - ter

Snel - le - bel - le - bel,

Snel - le - bel - le - bel,

>

Snel - le - bel - le - bel - le - bel - le - bel - le - bel - le - bel!

Pippeloentje gaat naar Engeland

mf

A1

2
## 4
& 4

#
&#

mam - ma - beer een

##
&

Klei - ne

beer - tje Pip - pe - loen - tje geeft z'n

zoen - tje, geeft z'n

gaat naar

pap - pa

Geeft z'n

pap - pa

beer een hand,

En - ge - land.

want hij

beer een hand,

want

hij

2
4

2
## 2
4
& 4 4

gaat naar En - ge - land.

Pip - pe -

B1

& b

j n

loen - tje heeft een

&b

jek - ker

gro - te zak met brood

en een kof - fer met een

j
#

hij gaat va - ren op

de

wek - ker

boot.

en een

##
#
En de

A2

##
&
wes - ten - wind - en waai - en

#
& # n

roe - pen met


en

z'n

al - len: Zul

de

je

and' - re

be - ren zwaa - ien

niet in't

wa - ter

val - len

en

ze

en

ze

2
## n
2
4
&
n 4 4
roe - pen met z'n al - len: Zul je

niet in't wa - ter

val - len?

B2

#
& #

op

de rai - ling staan?


En niet

&b
slaan?

##
&

En geen and' - re beer - tjes

loen - tje!

##

j
#

En niet schop - pen met je schoen - tje?

Goe - ie reis

dan Pip - pe -

En niet schop - pen met je schoen - tje?

Goe - ie reis dan Pip - pe - loen - tje!

A3
p

6
#
&#

cresc.

##
&

Klei - ne

beer - tje Pip - pe - loen - tje geeft z'n

cresc.

mam - ma - beer een

zoen - tje, geeft z'n

pap - pa

beer een hand,

want hij

mf
cresc.

##
&

gaat naar

En - ge - land.

Geeft z'n

pap - pa

beer een hand,

want

hij

f
cresc.
ff

#
&#

n n


> > > > >

gaat naar En - ge - land. Geeft z'n pap - pa beer een hand, want hij gaat naar En - ge - land.

Zomeravond
INTRO

A1,2

3
b 6
& b bbb 8

Ik

b 9
& b bbb 8

n 98

lig al in bed,
lig al in bed

6
8
j

maar de zon is nog op


en ik mag er niet uit

me - rel zo hard aan het


ui - ten.
klok heeft al ze - ven ge - sla - gen.

Ik
Ik

b
& b bbb n

met de beer en de pop


of een hal - ve be schuit


lig al in bed
wil een stuk koek,

nj n

j n n

en de
want de

j9
8

maar ver - der is ie - de - reen bui - ten,


maar ik durf er niet
om te vra - gen.

de
Ik

bbb 9
6
b
& b 8 j 8

ra - di - o speelt
lig maar in bed...

in de ka - mer be - nee
en ik speel met mijn teen

of is het hier - naast bij de


en de zon is nog al - tijd aan't

b 6
9
& b bbb 8 j 8
bak - ker?
schij - nen.

Nu hoor ik een kraan,


Ik vind het ge - meen

o ze zet - ten weer thee


dat juist ik nou al - leen

en ik
in mijn

1.

b
6

8
& b bbb

ben nog zo vre - se - lijk wak -

j 68

ker.

Ik

2.

bb6
9
& b b b 8 8
bed lig met dich - te

gor

3
bb6
& b b b8

dij

nen.

2
9
8

6
8

M'n opa

A1

10
3

4
& b4

El - ke zon - dag - mid - dag bracht ie

tof - es voor me mee.

&b

j

b #
Ik weet nog de spel - le - tjes

die

o - pa met me dee:

res - tau - ran - tje spe - len

en m'n

&b

o - pa was de kok,

bok -ken - wa - gen spe - len

en m'n o - pa was de bok.

M'n

B1

& b > >


>
o - pa, m'n o - pa, m'n

o - pa,

j
>

& b > >


>
o - pa, m'n o - pa, m'n o - pa,

&b
ro

pa m'n ou - we

&b

nie - mand zo aar - dig voor mij.

&b
nie - mand zo aar - dig voor mij:

pa,

M'n

en nie - mand was zo aar - dig voor mij.

in heel Eu - ro - pa was er nie - mand zo als hij.

In heel Eu -



ner - gens zo ie - mand als


J
-

pa, m'n ou -we

J w
m'n ou -we

hij,

In heel Eu - ro

w
-

pa.

pa,

A2
3

&b

j

Als ik me ver - veel - de, ging ik

j
b

al - tijd naar em toe.

Hij ver - zon een spel - le - tje

en

& b #
nooit was ie te moe:

van de dijk af rol - len

en m'n o - pa was de dijk,

B2
3

& b . j >
>
>
de tec - tief - je spe - len

en m'n o - pa was het lijk.

M'n

& b >
o - pa,

&b

>

j
>

&b
mij.

M'n o - pa, m'n o - pa, m'n

en nie - mand was zo aar - dig voor mij.

j
> >

in heel Eu - ro - pa was er nie - mand zo als hij.

o - pa,

&b

o - pa, m'n o - pa, m'n

pa,

In heel Eu - ro - pa, m'n ou -we



ner - gens zo ie - mand als

J
In heel Eu - ro

pa, m'n ou -we

hij,

nie - mand zo aar - dig voor

pa,

nie - mand zo aar - dig voor

A3

&b
mij:

w
J
m'n ou -we

pa.

Sa - men naar de a - pies kij - ke,


3

&b
sa - men naar het strand

en als je ge - luk had ging je


3

& b n
Sa - men op het ijs en met een

sa - men naar de brand.


3

slee - tje in de sneeuw, leeu - wen - tem - mer spe - len en m'n

3
FREELY

&b
o - pa was de leeuw.

Al - tijd als we sa - men wa - ren had - den we ple - zier,

B3

A tempo
3

& b j >
>
stie - ren - vech - ter spe - len

en m'n o - pa was de stier.

M'n

& b >
o - pa,

&b

>

in heel Eu - ro - pa was er nie - mand zo als hij.

j
>

o - pa,

&b
o

ner - gens zo ie - mand als

&b
mij.

In heel Eu - ro

&b

&b
hij:

zo

aar

nie - mand zo aar - dig voor

pa,

mand

hij,

pa, m'n ou -we

dig,

m'n ou - we



nie - mand zo aar - dig,

In heel Eu - ro - pa, m'n ou -we

nie

pa,

j
> >
M'n o - pa, m'n o - pa, m'n

en nie - mand was zo aar - dig voor mij.

o - pa, m'n o - pa, m'n

nie

mand

w
-

pa.

zo

aar

dig

als

maurice
amado
foundation