Você está na página 1de 16

)

TIJDSCHRIFT
VOOR

STRAFRECHT
ONDER REDACTIE VAN

DE HO O GL EER AR EN

H. VAN DER HOEVEN,

G. A. VAN HAMEL,

te Leiden,

te Amsterdam,

J. D0MELAte NIEUWENHUIS,
EN D. teSIMONS,
Groningen
Utrecht,

IDIEIEIL DXCTVTIT

Aflevering 1 en 2.

BOEKHANDEL EN DRUKKERIJ
VOORHEEN

IE. J.

BERTILL

LEIDEN - 1905.

Losse linnen banden voor de Deelen van dit Tijdschrift zijn bij den Uit
gever verlkrijgbaar tegen 60 cents.

Aanteekeningen over het ,,vervalschen van munten.

321

Verder achteruitgaande, treffen wij ,,vervalscht aan in de


Muntwet van 1847, die het in artikels 21 en 22 vermeldt; in een
Nederlandsche muntwet voor de eerste maal (zij het ook zonder
te zijn toegelicht) want het komt noch in die van 1839 noch in

die van 1816 voor. Toch ontbrak het weder niet in sommige
artikelen der ontwerpen, welke aan de voorlaatste wet waren
voorafgegaan.
Hoe men destijds aan dat woord kwam is wel te bevroeden.
Men leefde toch in een tijd waarin zeer veel aandacht werd
geschonken aan wat op het gebied van het muntwezen aan de
orde was of moest komen. Niet alleen onderwerpen van munt

politiek maar ook daarnaast sommige van meer technischen aard,


in het bijzonder de langzamerhand zeer sterk achteruitgegane
toestand van ons metalen ruilmiddel boezemden belangstelling in.

Dit laatste toch werd in steeds toenemende mate (in het bijzon
der de oudere speciesoorten) verminkt door afsnijden of afvijlen,
volgens den kunstterm ,,snoeien der randen. De mogelijkheid
tot het voortwoekeren van dit kwaad, dat ten slotte ZOO Ondra

gelijk werd dat de geheele hermunting onzer circulatie in de


jaren 1842-1851 een uitvloeisel ervan was, hing nu voor een
belangrijk deel samen met de beteekenis aan n enkel woord,
en wel datgene wat ons hier bezighoudt, gegeven. Immers, het

bedoelde misdrijf begon sterker het hoofd op te steken na het

jaar 1824 toen te Amsterdam een muntsnoeier van Selus vrijge


sproken ') werd, aangezien zijn misdrijf niet geacht werd te zijn
een vorm van ,,altrer of wel vervalschen van munt. Dit
stond in verband met Art. 132 C. P., luidende: ,,Quiconque aura
contrefait ou altr les monnaies d'or ou d'argent ayant cours lgal

en France, ou participi l'mission ou exposition desdites mon


naies contrefaites ou altres etc... of in de officieele Nederlandsche

vertaling: ,,Al wie de gouden of zilveren munt in Frankrijk gang


baar en gewettigd, nagemaakt of vervalscht zal hebben of deel
hebben aan het in omloop brengen of uitgeven van gezegde nage
maakte of vervalschte munt enz. . .

1) Na dit vonnis ,,was het met wiskundige zekerheid te voerspellen dat de heb
zucht," haar, schandelijk gebied uitbreidende, het besnoeien van geld als een geoor

loofd, althans niet gevaarlijk bedrijf, stoutmoedig zoude uitoefenen (van Gigch).

322

Dr. C. Hoitsema.

Hier ligt, meen ik, het begin van het optreden van ,,ver
valschen in onze muntwetgeving en daarmede samenhangende
strafbepalingen.

Er is destijds over dat geincrimineerde woord heel wat te doen


geweest naar aanleiding juist van de reeds even vermelde vraag
of onder ,,altrer, vertaald met ,,altereeren of ook ,,vervalschen
al of niet snoeien van munt was begrepen. Een sterk opzienba
rende strafzaak in 1835 in den Haag behandeld, en met vrijspraak
eindigende, had een interessante polemiek ten gevolge tusschen

Mr. C. Asser, destijds hoofdambtenaar aan het Departement van


Justitie en den verdediger Mr. M. J. van Gigch '), waarin deze

kwestie van alle zijden werd bezien, met uitvoerige bespreking


van het woord, dat ons hier interesseert. Terwijl uit de vrij
sprekende vonnissen moest worden afgeleid dat onder alterer het
snoeien niet was begrepen (het liep daarbij om niet minder dan

eene beslissing tusschen doodstraf en vrijspraak, gebaseerd op de


uitlegging van n term) is kort daarop aan allen twijfel over
dit punt een einde gemaakt door de Wet van 24 April 1836
(Staatsbl. n. 13).

Wat was nu eigenlijk vervalschen of liever ,,altrer van


Art. 132 C. P.? De Dictionnaire de l'Acadmie franaise gaf aan:
Altrer, dans l'usage ordinaire, signifie changer l'tat d'une chose*)
de bien en mal. Altration en parlant des monnaies signifie la
1) Mr. C. Asser. Verhandeling over de vraag of bij het Wetboek van Strafrecht,
tegen het snoeien van geldmunten straf is bepaald, 's Hage 1836. Mr. M. J. van

Gigch. Proeve van betoog over de noodzakelijkheid om, in het Koningrijk der
Nederlanden eene strafwet op het snoeien van muntspecin vast te stellen, ter
beantwoording der vraag of tegen deze misdaad bij het Wetboek van Strafrecht
is voorzien, 's Hage 1836.

2) Een geestig, tweerlei gebruik werd in de vermelde discussie Asser-van Gigch


van deze woorden gemaakt. Duidelijk volgt eruit (Asser) dat snoeien onder ,,altrer
is begrepen: let wel, er staat niet ,,changer la nature d'un objet maar ,,l'tat;
een gesnoeide munt verandert niet van aard of natuur, zoolang zij niet is versmol

ten. Door het snoeien verandert echter de staat, die gebrekkig is geworden.
Evenals de vrouw, die zich in den echt begeeft niet van natuur maar van staat
verandert. Daartegenover kan men ook stellen: tot den staat van een muntstuk
behoort de waarde waarvoor het gangbaar is; een gesnoeid stuk is wel veranderd

van vorm en gewicht maar niet van staat; immers een gesnoeide Zeeuwsche rijks
daalder blijft een Zeeuwsche rijksdaalder, is evengoed f 2.60 waard en wordt
overal aangenomen, alsof er niets mede gebeurd was (van Gigch).
Van deze laatste redeneering was de opmerking over het aannemen juist.

Aanteekeningen over het ,,vervalschen van munten.

323

falsification des monnaies par l'excs de l'alliage. Altrer: on dit:


altrer les monnaies, pour dire, les falsifier par un faux alliage.
Hier worden dus voor het woord alterer (en dit zou ook gelden
moeten voor vervalschen) niet minder dan ne algemeene en nog

twee bijzondere definities gegeven. Voor munten zou er dus moe


ten zijn ,,excs de l'alliage of ,,un faux alliage. Slechter kan.
het niet, want het tweede alliage heeft de gewone beteekenis
(legeering), terwijl men het in het eerste geval moet opvatten
als het metaal dat te zamen met het edele metaal de legeering

vormt *). In beide gevallen slaat dit - tenzij men zeer gedwongen
redeneert - natuurlijk slechts op den aard van de metaallegeering,
waarvan het stuk is vervaardigd, die van den aanvang af reeds
foutief was: dit is echter namaak en niets anders.

Hoe meer men naar taalkundige verklaringen zocht of Ook nu


nog zoekt, des te verwarder wordt de zaak. In de bovengenoemde

strijdschriften wordt bijv. aangehaald de

Encyclopedie (1770)

die zegt: ,,La monnaie altre est celle qui n'est pas faite au
titre et au poids port par les ordonnances, ou qui ayant t

fabrique de bonne qualit a t diminue de son poids en la


rognant, en la limant sur la tranche ou en enlevant quelque partie
de la superficie. ...

In de Commentaires van Carnot: Rogner les pices de monnaie,


les diminuer de valeur par tout autre moyen, c'est les altrer.
Littr, Dictionnaire de la langue franaise (1878) heeft: altrer
les monnaies: les falsifier. Falsifier de la monnaie, en altrer
la valeur.

De , Dictionnaire gnral van Hatzfeld d Darmsteter noemt

Altrer: 1. modifier dans sa nature, 2. falsifier - les monnaies


- un texte, en daarop voor Falsifier: altrer volontairement en Vue

de tromper - le vin - des monnaies falsifies - un texte, un acte.


Veel wijzer wordt men voor ons geval niet.
Al moet nu ook altrer met vervalschen worden vertaald, wij

vinden ook zelfs hierin afwijkingen. Zoo wordt in art. 19 van


de Muntwet van 1816 (28 September, Stbl. n. 50) gesproken

1) Dit is later eenigszins veranderd, zoodat nu in de 7e Editie, 1878, wordt


gevonden: ,,altrer les monnaies, les falsifier par un alliage illgal, excessif.

Aanteekeningen over het ,,vervalschen van munten.

325

der innerlijke waarde van eenige geldmunten, door besnoeijen,


afvijlen, met sterk water afwasschen, of op eenige andere wijze,
met oogmerk, om dezelve weder uit te geven en in omloop te

brengen. Vrijwel letterlijk is hetzelfde weder te vinden in het


,,Projet du code pnal du royaume des Pays-Bas van 1827 (art.
428, Titel 14). Toch dient opgemerkt dat hier vervalschen wordt

gelijkgesteld met in waarde verminderen, hetgeen men later, en


m. i. terecht, heeft nagelaten.

Aan eene verwarring ') als zooeven beschreven, had door korte
definities op de goede plaats een einde kunnen worden gemaakt;
nu dit niet het geval is volgt er uit, dat onder vervalschen zoo

wel in munt- als strafwet alle opzettelijk teweeggebrachte afwij


kingen op het gebied der muntspecin zijn te begrijpen, met uit

zondering van diegene, welke reeds daarnaast afzonderlijk en


ondubbelzinnig worden vermeld.
Passen wij deze conclusie toe, dan behooren niet tot de rubriek

, vervalschte munt:
a. Valsche munten (in nabootsing van echte stukken, hoe goed
of slecht ook, vervaardigd).
b. Geschonden munten. Definitie in art. 210 Strafw. voor munt

schennis *) is: ,,in waarde verminderen. Dit is dus wegnemen


van een deel van het metaal, van de randen, van het oppervlak

(bijv. door chemische middelen) of uit het kerngedeelte.


Het overige is muntvervalsching. Dat stemt overeen met het

geen Mr. Noyon *) zegt bij art. 208 Strafw.: ,,Nevens namaken
1) Evenzeer lijkt het eenigszins verwarrend te spreken van ,,valsche munt waar
daaronder het misdrijf van namaak of van vervalsching wordt verstaan, terwijl eigen
lijk namaak alleen valsche munt oplevert. Dit is echter eene definitie, voorkomende
in art. 208 Strafw. Als een gevolg daarvan spreekt art. 56 Strafw. 2e lid, zelfs
van het voorwerp ten opzichte waarvan . . . . valsche munt . . . . gepleegd is, waar
van niet voor het eerst hier wordt opgemerkt dat dit wel heel leelijk is.
2) Mem. van toelichting bij dit artikel: . . . . ,want er bestaan wijzen van munt
schennis, vooral het inwendig snoeijen bekend onder den naam van uithalen, die
voor niet-deskundigen zeer bezwaarlijk te ontdekken zijn enz. Vooral zou beter

gepast hebben bij ,,uitwendig snoeien, dat immers vroeger zooveel ellende had
berokkend. Terwijl hier schenden en in waarde verminderen gelijkgesteld werden,
stonden beide begrippen in art. 21 en 22 der Muntwet 1847 (van kracht tot 1902)

blijkens de woorden ,,vervalscht, in waarde verminderd, verminkt of geschonden


naast elkander. Ook dit was aan de duidelijkheid niet bevorderlijk.
3) Wetboek van Strafrecht, 2e deel, 1899, pag. 306. In Smidt, Geschiedenis van
het wetboek van strafrecht, vindt men omtrent, vervalscht geene nadere opheldering.

Aanteekeningen over het ,,vervalschen van munten.

329

verandering van bijv. f 1000 tot f 10 000 op een waardepapier,


welke algemeen met den naam van vervalsching wordt aangeduid
en het zou met munt-technische opvattingen geheel overeenstem
men wanneer de twee bovengenoemde handelwijzen met misdadig
oogmerk algemeen waren aangewezen als degene welke het begrip
vervalschen van munt voorstellen.

Daartegen verheft zich nu echter van andere zijde een eigen


aardig bezwaar. De zoo juist als tweede vorm van vervalsching
aangegeven methode is in ons strafrecht geen onbekende, maar

onder een anderen naam, nl. dien van ,,kleuren van munten in
ruime mate bij de tot stand koming der tegenwoordige strafwet
besproken. In het ontwerp daarvan was het uit de groep ,,munt
misdrijven verbannen en naar Titel 25 ,,Bedrog en wel in
art. 357 overgebracht, terwijl het in den C. P. nog tot de eerste
categorie had behoord (art. 134 ).

Deze overbrenging, die bij den Raad van State bezwaar ont
moette, schijnt overigens vrij algemeen goedgekeurd te zijn. Zij
was door minister Modderman toegelicht: ,,Dat de hier omschre
ven feiten niet onder de muntmisdrijven *) kunnen worden gerang

1) Bij de behandeling in de IIe Kamer werd echter opgemerkt (door de Comm.


van Rapp.) dat het voorafgaande art. 356 (definitief 326) dat algemeen ,,oplich
ting omschreef, het geval van 357 reeds in zich sloot. De Minister vereenigde zich
hiermede en het laatste artikel werd ingetrokken. Hierdoor werd dus tevens aan

dezen vorm van ,,vervalsching zijn plaats aangewezen, terwijl toch vervalschingen
zonder nadere definitie in art. 208 en 209 zijn behouden gebleven.

2) In het Deutsche Reichs-Strafgesetzbuch, waarvan het 2e deel, 8er Abschnitt


tot titel heeft: Mnzverbrechen und Mnzvergehen, wordt in $ 146 de muntkleuring
te zamen met namaak behandeld. Het luidt: ,,Wer inlndisches oder auslndisches

Metallgeld oder Papiergeld nachmacht, um das nachgemachte Geld als echtes zu


gebrauchen oder sonst in Verkehr zu bringen, oder wer in gleicher Absicht echtem
Gelde durch Vernderung an demselben den Schein eines hheren Werts oder
verrufenem Gelde durch Wernderung an demselben das Ansehen eines noch gel

tenden giebt, wird u. s. w. Daar is toch ongetwijfeld het muntkleuren duidelijk


genoemd, zie ook Frank, Das Strafgesetzbuch, 1897, die tevens dit kleuren
,,Mnzflschung noemt. Dat Berner, Lehrbuch des Deutschen Strafrechts, pag. 392

als voorbeeld van den Schein eines hheren Werts geben het z. n. uithalen van
geld aanhaalde, is toch wel geheel verwerpelijk.

$ 147 der Duitsche strafwet luidt verder: ,,Dieselben Strafbestimmungen finden


auf denjenigen Anwendung, welcher das von ihm auch ohne die vorbezeichnete Absicht
nachgemachte oder verflschte Geld als echtes in Verkehr bringt u. s. w. Daar

is dus muntvervalsching a) kleuren en b) veranderen van ingetrokken munten, zoodat


ze op gangbare gelijken.

330

Dr. C. Hoitsema.

Schikt, volgt reeds daaruit, dat hier geene verandering of naboot


sing plaats heeft van het kenmerkend teeken hetwelk krachtens

de wet getuigenis aflegt van echtheid, waarde en gewicht. Men


voelt lichtelijk, met alle bescheidenheid opgemerkt, dat toch nog
enkele vragen onbeantwoord zijn gebleven:
1". Bij de uitgeholde en weder aangevulde, dus omnium con
sensu vervalschte munten, nog in art. 208, 209 en 213 Strafwetb.
begrepen, is dan toch ook dat kenmerkend teeken, d. w. z. de
stempelafslag niet aangedaan. Deze vervalsching zou dan ook
niet tot de muntmisdrijven moeten behooren.

2". Is de kleur van het stuk niet geheel onafscheidelijk van


dat kenmerkend teeken? De wet noemt de kleur wel niet maar

zij zegt toch dat de munten zijn van goud, zilver, enz. Dat is

even afdoende, werkelijk zilveren munt kan geen goudkleur hebben


en bronzen geen zilverkleur. De wettelijke samenhang tusschen
stempel en kleur wordt dus aangetast.

3. Bij gekleurde munt kan, behalve door kleurverandering boven


dien door wijzigingen van den stempelafslag getracht worden het
uiterlijk verschil met de munt van hooger waarde te verkleinen.
Die pogingen kunnen allerlei omvang ') aannemen. Zal nu reeds

bij de minste handeling in die richting wel van muntmisdrijf


sprake moeten zijn, al heeft de kleurverandering alleen het doel
reeds doen bereiken?

4". Als het uitgeven van gekleurde munten onder ,,bedrog


thuisbehoorde, had dat dan niet evengoed het geval moeten zijn
met
uitgeven
van valsche
en Woord)?
vervalschte munten (dit laatste
in dehet
andere
beteekenis
van het
e

Mr. Noyon die met de Mem. van Toelichting beaamt dat inder
daad dit ,,kleuren geen eigenlijk muntmisdrijf is, laat daarop
onmiddelijk eene bespreking volgen van vervalsching van munt
papier *) (waarvan art. 208, 209 en 213 naast muntspecin ook
1) Zoo zijn er gevallen geweest van het kleuren van lcentstukken, waarbij verder
alleen de 1 was weggemaakt; van oude centen, herleid tot ,,kwartjes (vr 1847)
door verzilvering en een kleine wijziging aan de W en verandering van 1 in 25.

Ook wel halve guldens, waarbij 1/2 in 10 veranderd, ,,50 cents onder het wapen
verwijderd en het stuk daarna verguld werd.
2) Welke vorm van muntmisdrijf nu, na de intrekking der muntbiljetten met

ingang van 1 October 1904 tot het verleden behoort.