Você está na página 1de 509

KONINKLIJK OUDHEIDKUNDIG GENOOTSCHAP

AMSTERDAM

CATALOGUS
VAN DE

MUNTWERZAMELING
BEVATTENDE TEVENS EEN OVERZICHT VAN HET MUNTWEZEN
ALLER TIJDEN EN LANDEN

6e wcz it Scoz

JO H. W.

STEPHANIK

Conservator van de Munt- en Penningverzameling

AMSTERDAM

TEN BRINK & DE VRIES


1897

V O O R BERIC IIT

Gevolg gevende aan de waardeerende opdracht van 28 december 1888,


waarbij het Bestuur van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap mij
zijne numismatische bezittingen ter regeling en beschrijving toevertrouwde,
sorteerde ik de zoo ver uiteenloopende

stukken,

bracht die in verschillende

afdeelingen bijeen, verwijderde de dubbelen en begon daarna aan 't be

werken van den Catalogus. Van dezen bied ik U thans het eerste deel,
de beschrijving der munten, aan.
De verzamelingen zijn verdeeld als volgt:
Afd. A. Munten en muntproeven, noodmunten en huismunten (koffie
B.

huis-, plantage- en gevangenismunten).


Gedenk-, leg- en strooipenningen, benevens geschiedkundige
draagteekens.

C. Vroedschaps- en gildepenningen.
D. Schutterspenningen.
E. Kerkelijke loodjes, godsdienstige draagteekens en armenpenningen.
F.

Belastingpenningen en kwitantieteekens der coperatieve ver


eenigingen.

G. Adrespenningen.

De kern dezer collecties bestaat uit het legaat, dat de heer W. CAN
NEMAN te Arnhem in 1881 aan het Genootschap vermaakte. Deze had

"rende zijn verblijf in Nederlandsch-Indi zooveel mogelijk de buiten


"peesche munten bijeengezameld en hieraan, na zijn terugkeer in het
vaderland, vele fraaie europeesche stukken toegevoegd. Aan hem hebben

"j het te danken dat de kolonin der europeesche staten zoo rijkelijk in

" kabinet vertegenwoordigd zijn.

IV

VOORBERICHT

Om deze kern hechtten zich allengs geschenken van leden en niet-leden,


die vooral overvloedig toevloeiden, nadat het Bestuur in september 1889
een rondschrijven richtte aan allen, die het in 't bezit waande van doe
bletten of alleenstaande exemplaren. Dit rondschrijven, eene opwekking
om door geschenken onze collecties vollediger te maken, had tot gevolg
dat ons Numismatisch. Kabinet met bijna 1200 exemplaren vermeerderd
werd.

Het is hier de plaats een woord van oprechten dank te richten tot hen,
die door hunne, dikwijls zoo kostbare geschenken ons kabinet tot een
schoon geheel hebben gevormd en wier namen ik straks volgen laat.
Deze Catalogus bevat alleen de onder Afd. A genoemde stukken. Vooraf

gaan eenige chronologische aanteekeningen die van belang zijn voor den
muntslag en eenige gegevens omtrent de muntstelsels. Alleen de plaats
namen zijn in het nederlandsch vertaald, de persoonsnamen niet, als
landgrenzen zijn voor de nieuwere munten de tegenwoordige genomen,
zoodat b.v. Metz en Straatsburg onder Duitschland behandeld zullen
worden. Op deze wijze vormt ieder rijk een op zich zelf staand geheel,
afgescheiden van zijne tegenwoordige naburen.
De platen in heliotypie achter de beschrijving vertoonen eenige sprekende
typen en de meest zeldzame exemplaren dezer verzameling.
De afdeelingen B-G (penningen en loodjes) zullen later in het tweede
deel beschreven worden.

Voor mededeeling van ingeslopen onjuistheden houd ik mij ten zeerste


aanbevolen. Zij vinden eene verontschuldiging in 't feit dat ik dit werk
moest zamenstellen in de snipperuren, die mijne andere bezigheden mij
slechts spaarzaam gunnen.

Moge dit boekje een nuttige gids zijn voor mijne medeleden, die de

verzamelingen wenschen te raadplegen, of die hunne eigene collectie willen


Ontwarren.

Ten slotte een woord van dank aan de leden van ons Bestuur, die
mij op alle mogelijke wijze de arbeid verlicht en aangenaam gemaakt
hebben.

JOH. JV. STEPHANIKT.

Amsterdam april 1897.

I N H O U D

Blz.

Voorbericht

III

Naamlijst der schenkers.

XIII

Titels der aangehaalde werken. . . . .


Afkortingen . . . . . . . . . .
Indeeling der munten . . . . . . .
GROEP

a. DE ANTIEKEN

"ROEP II

GROEP III

. . . . . .
. . . . . .
. . . . . .

. xvII
. .xxvIII
.
3

Sicilia .

Hellas .

Judaea.

Parthia

13

Bactriana .

14

Republiek.
Keizerrijk .

.
.

.
.

.
.

.
.

.
.

.
.

.
.

.
.

.
.

.
.

15

. . .

Byzantijnsch keizerrijk .

Frankisch rijk

Italia

b. RoMEINEN

. .
. .
. .

MIDDENEEUwEN .

EUROPEESCHE MUNTEN SEDERT 1500 .

11

20
36
-

39
44

GERMANEN.

Duitsch Keizerrijk.

. . . . . . . . . . . . . . .

45

Pruisen - Brandenburg.

47

Oost-Pruisen.

54

West-Pruisen Republiek Dantzig Stad Elbing.

56

Pommeren Stad Demmin .

57

Silezi Hertogdommen Liegnitz, Brieg en Wohlau


Saksen Stad Maagdenburg. . . . . . . .
Graafschap Mansfeld . . . . . . .
Stad Erfurt Graafschap Stolberg . . .

58
59
61
-

VI

INHOUD

Blz.

Westfalen Graafschap Ravensberg .


Graafschap Mark.

Graafschap Tecklenburg.
Bisdom Paderborn, domkapitel.

Bisdom Munster, domkapitel


Abdij Corvei . . . . .

Steden: Beckum, Bocholt, Dortmund, Hamm,


Herford, Koesfeld, Munster, Rheda, Soest,
Warendorf en Wiedenbrck .
71

Rijnprovincie Hertogdom Kleef.


Hertogdommen Gulik en Berg.

72
75

Heerlijkheid Schnau
Aartsbisdom Keulen .

Bisdom Trier.

76

Vorstendom Wied-Neuwied.

77

Graafschap Sayn-Altenkirchen .
Steden: Aken, Keulen . . . .
Sleeswijk-Holstein Hertogdom Lauenburg .
Hertogdom Holstein .

Hannover Luneburg-Celle.
Brunswijk-Kalenberg.
Graafschap Bentheim.
Bisdom Osnabrug.

SO
81

83

85
-

Vorstendom Oost-Friesland .

86

Steden: Goslar, Osnabrug


Aziatische Compagnie van Emden.

S7

Hessen-Nassau Keur-Hessen Schmalkalden

Koninkrijk
Graafschap
Graafschap
Hertogdom

S8

,
90

Westfalen
Schaumburg.
Hanau
Nassau

Vorstendom Nassau-Dietz
Vorstendom Wied-Runkel

Stad Frankfort a. Main .

Vorstendom Hohenzollern-Sigmaringen.
Saksen (koninkrijk).
Reusz-Schleitz (jongere tak) .
Saksen-Weimar-Eisenach

Saksen-Altenburg
Saksen-Koburg-Gotha
Saksen-Meiningen
Schwartzburg-Rudolstad
Schwartzburg-Sondershausen .

101
102
103

104
106

INHOUD

VII

Blz.

Anhalt.

Brunswijk. . . .
Waldeck-Pyrmont .
Lippe . . . . .
Schaumburg-Lipp
Mecklenburg-Schwerin
Mecklenburg-Strelitz
Lubek .

106

.
.
.

.
.
.

. .
.. .
. .

.
.
.

.
.
.

.
.
.

.
.
.

.
.
.

.
.
.

.
.
.

.
.
.

.
.
.

.
.
.

107
109
111

Steden: Rostock, Wismar .


. . . . . . . . . .

.
.

.
.

.
.

.
.

112

1 14

Hamburg .

115

Bremen

116

Oldenburg Birkenfeld Jever .


Hessen (Groothertogdom) . . . .

.
.

.
.

.
.

.
.

.
.

.
.

.
.

.
.

.
.

118

Maintz.

121

Solms-Hohensolms-Lich.

122

124

Lwenstein-Wertheim .

125

Baden.

Wurtemberg Mergentheim.
Beieren Keur-Palts .

126

Palts-Zweibrcken.

129

Bamberg. . . . . . . .
Burgau . . . . . . . .
Steden: Augsburg, Neurenberg .
Bayreuth - Ansbach. . . .
Stad Regensburg Wurtsburg.

.
.
.
.
.

.
.
.
.
.

.
.
.
.
.

130

Spiers

.
.
.

.
.
.

131
132
133

.
.

.
.

.
.

.
.

.
.

.
.

.
.

.
.

135
137

Duitsche noodmunten .

138

.
.
.

Duitsch Rijk na 1871 .


Elsas-Lotharingen - Metz .
Duitsche gelegenheidsmunten . . . .
*

.
.
.

Oostenrijk-Hongarije . . . . . . . . . . . . . . . . . 139
.

Gortz en Gradiska .

Tirol .

Bohemen Joachimsthal.

144

Hongarije Zevenbergen.
Salzburg. . .
Ragusa . . .

.
.
.

.
.
.

.
.
.

.
.
.

.
.
.

.
.
.

.
.
.

.
.
.

.
.
.

.
.
.

.
.
.

.
.
.

145
150
151

Noodmunten .
.
.
.
Duitsche kantons.

.
.

.
.

.
.

.
.

.
.

.
.

.
.

.
.

.
.

.
.

.
.

.
.

152

Zwitserland

.
.

143

Italiaansche kantons

. . .

156

Fransche kantons

157

Helveetsche republiek .

160

Nederland Holland .
Zeeland .

. .

161

170

INHOUD

VIII

Blz.
West-Friesland .
Bisdom Utrecht .

174

176

Stad Utrecht.

179
181

Overijsel .

Deventer.

183
185

Kampen.

Zwolle ,,Drie Steden.

186

Kuinre .

187

Friesland.

188
189

Groningen
Gelderland

192

Nijmegen Zutfen .

194

Arnhem - Huisen Kuilenburg.


Noord-Brabant

195
197

Limburg .

Maastricht Roermond.
Gronsveld Thorn
Bataafsch Gemeenebest.

198
199
200

Koninkrijk Holland.
Koninkrijk der Nederlanden .

201

Nederlandsche noodmunten.

208

Nederlandsche huismunten.

210

Belgi

Vlaanderen

203

212

Gent.

216
217

Henegouwen.
Doornik .
Namen
Luik .

218

220

Rekheim .

223

Rummen Schoonvorst .

224

Brabant

225

Republiek der Vereenigde Belgische Gewesten.


Koninkrijk Belgi
Belgische noodmunten .
Belgische huismunten . . .
Luxemburg . . . . . .
Groot-Britanni - Engeland .
Engelsche tokens
Wales Wight.

231
233
235

286
237
246
248

Schotland.
Ierland

250

Jersey Man .

252

Gibraltar.

253

IX

INHOUD

Blz.
*

Malta.

253
254

Zweden .

Zweedsche noodmunten

259

Zweedsche huismunten

260

Noorwegen .
Denemarken.

262

ROMANEN.
Itali.

264

265

Sardini (koninkrijk) .
Milaan (hertogdom)
Parma en Piacenza (hertogdom).
Bologna (republiek) .
-

269
270
271

Lucca (hertogdom). . . .
Koninkrijk der beide Sicilin
Veneti (republiek)
Pauselijke Staat

272

274
276
278

Monaco .

Frankrijk

Toskane.

267

. . . . . . . . . . . . .
Noodmunten Munten van particulieren.
Henrichemont - Oranje - Dombes . . . . .
Rthel Chateau-Renaud Bouillon - Abdij S.
Bertin Besanon.

289
291

293

Spanje

Balearen.

297

Griekenland Achaja
Athene (hertogdom)

300

Ionische eilanden .

302

Portugal.
GRIEKEN.
301

SLAVEN.
303

Rusland.
Polen.

307

309

Litauen Finland Georgi.

310

Rumeni Servi.

TURKEN.
312

Turkije .

GROEP IV AzIE.

Aziatisch-Turkije Kalifaat Omajaden .

Abbassiden .

320

Seldsjoeken van Roem


Atabeken van Aleppo.
Ejoebiden van Aleppo.

318

321

.
322

INHOUD

Ortokiden van Mardin.


Kruisvaarders
Antiochi

Armeni.
Perzi

Steden: Erivan, Isfahan, Mazenderan, Sjemakhi .


Siberi Dsjoedsjiden Samaniden.
Britsch-Indi Hindoestan .

Djaunpoer

Dekan Cochin

Kurg.
Koetari .

Madoera.
Misore

Poedoekottai Tinnevelli Tanjore.


Travan kore Tsjandragirri.

Munten der europeesche kolonisten.


Bombay .

Madras .

Noord-Cirkars
Bengalen.

Kotsjin - Paliakate Trankebar.


Negapatnam.
Ceylon
Engelsch Malakka Poeloe Pinang
Malakka Pahang
*

Straits Settlements.

Laboean Sabah Hongkong


Portugeesch-Indi .
Fransch-Azi

Voor-Indi (Inde franaise) .


Mah Pondisjeri
Achter-Indi (Indo-Chine franaise).
Annam .

Birma
Siam.

Siameesche speelpenningen
Siameesch Malakka

Nepal
China
Kin .

Chineesche opstandelingen
Gestempelde munten .

INHOUD

XI

Blz.
Korea

376

Japan

377

Ko-sjoe Rikoezen .
Filippijnen . . . . . . .

.
.

.
.

.
.

.
.

.
.

.
.

.
.

.
.

.
.

384
385

Broene Sarawak .

386

Nederlandsch-Indi . .

387

Munten der inlanders .

Java: Modjopahit Djenggala.


Mataram Tjirebon . .

.
.

.
.

.
.

.
.

.
.

.
. . 389

. . .

Sumatra: Atjeh Djambi Palembang

Banten Soemenap .

392

Borneo: Sambas Montrado

393

Boeton

II Munten der Europeanen . . . .


Compagnie van Verre. . . . .
Middelburgsche Compagnie . . .
Vereenigde Oostindische Compagnie
a. In Nederland geslagen .
b. In Indi vervaardigd. .
c. In Indi gemerkte munten
Bataafsche Republiek. . . . .
a. In Nederland geslagen .
b. In Indi geslagen. . .
Koninkrijk en Keizerrijk. . . . .
a. - In Nederland geslagen .
b. In Indi geslagen. . .
Britsch Bestuur.

394

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

395
396
406
408
409
411
412
-

413

415

Maloeka op Borneo

416

a. In Indi geslagen. . .
b. In Nederland geslagen .

.
.

.
.

.
.

.
.

.
.

420
422

Valsche munten

b. Ingevoerde valsche munten .

425

Plantage-munten

Nabootsingen der inlanders .

a.
IV

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

Sumatra onder britsch bestuur .

Nederlandsch Bestuur.

III

390

GROEP V AFRIKA .

Egypte.

426
427

Soedan

428
430

Tripolis.

433

Tunis

434

Algiers .

435

Marokko

436

XII

INHOUD

Blz.

Portugeesche eilanden in Afrika .


Sierra Leone

438
439

Goudkust .

440
441

Kongostaat.

Portugeesch Neder-Guinea .
S. Helena .

442

Zuidafrikaansche Republiek.
Madagaskar

443

Eiland Runion

444

Eiland Mauritius .

445

Duitsch Oost-Afrika .
GROEP

VI

AMERIKA .
I

446
447

Noord-Amerika .

44S

Canada

Vereenigde Staten van Amerika .


Mexiko

452

II

Centraal-Amerika

III

Antillen Hati

454

Guatemala, Honduras, Nicaragua, Costarica.

IV

449

455

456

Britsch West-Indi .

458

Deensch West-Indi.

459

Fransch West-Indi.

460

Nederlandsch West-Indi .

461

Zuid-Amerika

462

Columbia .

464

Venezuela.

Engelsch Guayana .
Nederlandsch Guayana.
Fransch Guayana

465
466
467
468

Brazili

Paraguay.
Uruguay . . . . .
Argentijnsche Republiek

471

Chili .

473

Peru

Bolivia
GROEP VII

AUSTRALI

475
-

476

Nieuw-Zuid-Wales .

477

Victoria

Sandwichs-Eilanden.
Platen.

472

NAAM LIJST DER SC H EN KERS

ACHTENBERG (G. vAN), Amsterdam.


Chineesche li's en annamitische donga's, benevens amerikaansch nikkel- en
kopergeld.
AHLERs (H.), Amsterdam.
Penning van de amsterdamsche Cholera-commissie 1832.

ARKEL (G. vAN), Amsterdam.


Verschillende munten, waarbij een fraaie shilling van koningin Elizabeth
van Engeland.

BEVERvooRDEN ToT OLDEMEULE (Jhr. Z. vAN), Amsterdam.


Eenige penningen.
BIERMAN (A. E.), Amsterdam.

Nederlandsche munten, gedenk- en legpenningen.


BoM (ADRIAAN), Amsterdam.
Turksche, chineesche, egyptische en tuneesche munten.
BULK CzN.,

"-,

(J.), Nieuwer-Amstel.

Eenige munten.

B EN W. vAN AMSTERDAM.
Penning op het bezoek van H.H. M.M. de Koningin en de Koningin-Regentes
aan Amsterdam, 1891.

CANNEMAN (W.), Arnhem.


Ingevolge de laatste wilsbeschikking van den heer W. Canneman verkreeg
ons Genootschap in 1881 zijne belangrijke verzameling buiten-europeesche
munten, verscheidene penningen, zijne numismatische bibliotheek en eene

fraaie penningkast.
Een en ander vormt de kern, waaromheen zich later onze numismatische
Verzamelingen ontwikkeld hebben.

XIV

NAAMLIJST DER SCHENKERS

CLERCQ (P. DE), Amsterdam, in vereeniging met den heer P. van Eeghen,
Amsterdam.

Achttiende eeuwsche dukaten en groote europeesche zilveren munten;

gouden friesche landdagpenningen, verschillende zilveren gedenkpennin


gen, waarbij eenige van Amsterdam.
CROCQ (H. G. DU), Amsterdam.

Gedenk- en legpenningen.

DoUw Es DEKKER (H. C.), Padang Oelak Tanding (Sumatra).


Aziatische en afrikaansche munten.

EEGHEN (P. v AN), Amsterdam.


Uitgebreide verzameling antieke en nieuwe munten in alle drie metalen,
benevens tal van gedenkpenningen.
Zie verder onder letter j. voor de stukken, in vereeniging met den heer
P. de Clercq geschonken.
*

EvERSDIJK (W. G.), Amsterdam.


*,

Koperen munten en penningen.

GEMUND (A. J. C. v AN), Haarlem.


Twee nederlandsche huismunten.

GoUw (J. E. TER), Hilversum.

Een groot aantal europeesche koperen munten en kwitantieteekens van


de Cop. Winkelvereeniging te Hilversum.

HAAN (DE), Amsterdam.


Twee nederlandsche munten.

HERWAARDEN (A. P. VAN), Leiden.

Eenige penningen.
HETTICH (F.), Amsterdam.
Thaler van keizer Leopold 1699.
HBNER (J. H.), Amsterdam.
Koperen europeesche munten.

KLEINE (A.), Amsterdam.


Stuiver van Oost-Friesland 1781.

W.

KLEINE (M.), Amsterdam.


*/, Thaler van 't keurvorstendom Saksen 1697.
KREUsLER (Ds. Th.), Leipzig. Door tusschenkomst van den heer C. Schffer
Amsterdam.
Verschillende munten van Dekan.

NAAMLIJST DER SCHENKERS

XV

LUGT-VERSCHUUR (Mevrouw), Amsterdam.

Koperen munten en legpenningen.


MoEs (E. W.), Amsterdam.

Groot aantal zilveren en koperen munten van Europa, Azi en Amerika.


MUNNIx (S), Hilversum. Door tusschenkomst van den heer J. E. ter Gouw,
Hilversum.

Stel ontvangteekens der Cop. Winkelvereeniging

de Volharding te

Veenendaal.
N. N.

Belangrijke verzameling middeneeuwsche munten van Nederland,


bb.

Nederlandsch-Indi en van Belgi.


NooRwEEGEN (P. W.), Amsterdam.
Europeesche koperen munten.

CC.

OuwERLING (M. J. M.), Delft.

van

Zilveren en koperen munten van Portugeesch-Afrika


dd.

PAREAU (Mr. A. M.), Amsterdam.


Bronzen gedenkpenningen van Nederland, zilveren munten van Oostenrijk
en Japan, benevens koperen europeesche munten en huismunten van
Nederland.

ee.

PRIKKEN (J. C. H.), Utrecht.


Eenige koperen munten.

RIEKE (J. M. A.), Amsterdam.


Hondenpenningen en kosher-loodjes van Amsterdam.
83.

SCHEEFHALs (Mejuffrouw A), Amsterdam.

hh.

SEY FFARDT (J. L. WILLEM), Amsterdam.

Spaansche peseta 1889.


Europeesche munten en amsterdamsche loodjes.

Six (Jhr. Dr. J. P), Amsterdam.


Halve en kwart djampel van Modjopahit (Java) en siameesche saloengs.
ij.
kk.

SoM EREN BRAND (Mr. J. E. vAN), Amsterdam.


Zilveren en koperen europeesche munten, benevens eenige penningen.
ISTAR (C. G. vAN DER), Amsterdam.
Eenige munten en penningen.

ll

STEPHANIK (Joh. W.), Amsterdam.


Zilveren munten van Bremen, Boheme, Servi, Rumeni, Hawaii, gouden
itsiboe van Kosjoe (Japan) en eenige penningen.
Ill In.

STERCK

(J. F. M), Amsterdam.

Munten van Portugal, Madeira en China.

XVI

NAAMLIJST DER SCHENKERS

nIn.

TERSTALL, Jr. (ALEX.), Amsterdam.

OO,

Nederlandsche gedenkpenningen.
TIMMERMANs (Mevrouw H. F.), 's-Gravenhage.
Eenige draagteekens.

pp.

VERDAM (Prof. Dr. J.), Leiden.


Zilveren en koperen munten van europeesche staten.
VERSTER (J. F.), Amsterdam.

Groote zilveren munten van europeesche staten, van Egypte, Duitsch Oost
Afrika enz. benevens tal van penningen - alle ontvangen tijdens 't
afdrukken van dezen catalogus.
qq.

VRIEs (R. W. P. DE), Amsterdam.

Zilveren munten van Nederland, koperen van de Ver. Staten van Noord
Amerika en eenige penningen.
rr.

WALLER (F. G.), Amsterdam.


Groote verzameling gouden, zilveren en koperen munten der verschillende

SS.

tt.

landen van Europa, Azi, Afrika en Amerika, benevens zilveren en

bronzen gedenk-, vroedschaps-, gilde- en schutterijpenningen.


WESTERHoLT (C. F. vAN), Warnsveld bij Zutfen.
Cent van Utrecht 1863, duit Utrecht 1781, valsche achtentwintig 1684
Deventer, duit Friesl. 1702.
WIssE (Mevrouw W.), 's-Gravenhage.
Hondenpenningen van 's-Gravenhage.

INAAMILIJST DER IN-BRUIKLEEN-GEVERS

UIUl.

NooRwEEGEN (P. W.), Amsterdam.

Gouden en zilveren munten van Europa, koperen munten van Nederland.


VV.

STEPHANIK (JoH. W.), Amsterdam.

Eenige frankische en karolingische munten, benevens het stel munten der


Bataafsche Republiek (1800).

RUILINGEN VOOR DOEBLETTEN

XX.

HERKOMST ONBEKEND

AANGEHAALDE WERKEN

ALGEMEEN

"ailliet - P. Catalogue descriptif des monnaies obsidionales et de ncessit, avec


atlas. Bruxelles 1870-78. 8. et oblong.

Mas Latrie le Cie de Trsor de chronologie, d'histoire et de gographie. Paris


1889. fol.

Neumann J. Beschreibung der bekanntesten Kupfermnzen. Prag 1858-72.


6 Bnde. 80.

"tzmann W. Numismatisches Legenden-Lexicon. Berlin 1865. 80.


Stokvis A. M H. J. Manuel d'histoire, de gnalogie et de chronologie de tous
les tats du globe, depuis les temps les plus reculs jusqu' nos jours. 3 tomes.
Leide 1888-93. 40.

GROEP I Antieken
Babelon Ernest. Description historique et chronologique des monnaies de la

"publique romaine. 2 tomes. Paris 1885-86. 8".


Berlin -. Beschreibung der antiken Mnzen der Kniglichen Museen zu Berlin.

" Band. Abtheilung I (Italien). Bearbeitet von Heinrich Dressel. Berlin 1894. 8".
Museum. Bactria - Catalogue of Indian coins in the British Museum:
Greek and Scytic kings of Bactria and India. London 1886. 8".

British

Cohen Henry. Description historique des monnaies frappes sous l'empire ro

"in 7 tomes. Paris et Londres 1859-68. 8".

"linder J. Die oskischen Mnzen. Leipzig 1850. 4".


"ner P. The coins of Elis. In the Numismatic Chronicle NS XIX. 1879.
Gardner Percy. The parthian coinage. London 1877. Groot 4".

" - Dr. J. G. Th. Handbuch der alten Numismatik. Leipzig 1854. 8".
" - C. w. Zur alten Numismatik Aegyptens. Wien 1867. 8".

XVIII

AANGEHAALDE WERKEN

Hultsch Friedrich. Griechische und rmische Metrologie. Berlin 1862. 8.


Imhoof-Blumer F. Monnaies grecques. Amsterdam 1883. 4.
Levy M. A. Geschichte der Jdischen Mnzen. Breslau 1862. 8".
Mionnet -- T. E. Description de mdailles antiques grecques et romaines. Paris
1S06-8. 80.

GROEP II

Middeneeuwsche volken

Belfort A. de. Description gnrale des monnaies mrovingiennes par ordre


alphabtique des ateliers. Paris 1892. 4 tomes. 8".
Cerexhe M. Les monnaies de Charlemagne. Gand 1887. 8".
Chijs P. O. van der. De munten der frankische en duitsch-nederlandsche vor
sten. Haarlem 1866. 4".

Gariel E. Les monnaies royales de France sous la race carolingienne. Strasbourg


et Paris 1883-85. 2 parties. 4".
Sabatier J. Description gnrale des monnaies byzantines frappes sous les
empereurs d'Orient depuis Arcadius jusqu' la prise de Constantinople par
Mahomet II. 2 tomes. Paris et Londres 1862. 8".

Schlumberger G. Numismatique de l'Orient latin. Paris 1878. 4".


GROEP III

Europa

ALGEMEEN

Appel's Repertorium zur Mnzkunde des Mittelaltersund der neuern Zeit. Pesth
und Wien 1820-29. 4 Bnde 7 Abtheilungen. 8".
Khler J. T. Vollstndiges Ducaten-Cabinet. Hannover 1759-60. 2 Theile. 8.
Mada D. S. Vollstaendiges Thaler-Cabinet. Knigsberg 1765-68. 8".
Revue belge de numismatique, publie sous les auspices de la Socit royale de
numismatique. Bruxelles. 8".
Schulthesz-Rechberg K. G. Ritter von. Thaler-Cabinet. Beschreibung aller be
kannt gewordenen Thaler. Wien und Mnchen 1840-67. 8".
Weisen A. Chr. Vollstndiges Gulden-Cabinet. Nrnberg 1780-82. 8".
GERMANEN

Duitsch Rijk

Baumgarten J. G. Verzeichnisz aller bekannten ducatenfrmige Goldmnzen


von Sachsen, Albertin. Linie. Dresden 1812.
Berry zie hierachter onder Frankrijk.

Binder Chr. Wrttembergische Mnz- und Medaillen-kunde. Stuttgart 1846. 8.


Bohl J. J. Die Trierischen Mnzen, chronologisch geordnet und beschrieben.
Coblenz 1823. 80.

Cappe H. Ph. Die Mnzen der deutschen Kaiser und Knige des Mittelalters
Dresden 1848-57. Drei Abtheilungen. 8".

AANGEHAALDE WERKEN

XIX

Dudik zie hierachter onder Oostenrijk-Hongarije.


Ernst - Oberbergrath C. von. Zur Geschichte der Mnzsttte Gnzburg. In Mit
theilungen der Bayer. Num. Gesellschaft. Jahrgang 1893. Mnchen. 8".
Gaedechens O. C. Hamburgische Mnzen und Medaillen. Hamburg 1854. 4".

Gtz Chr. J. Beitrge zum Groschen-Cabinet. Dresden 1811. 3 Bnde. 8.


Grobe Dr. L. Die Mnzen des Herzogthums Sachsen-Meiningen. Meiningen
1891. 4".

Grote H. und L. Hlzermann. Lippische Geld- und Mnzgeschichte. Leipzig


1867. 80.

Heller J. Die bambergischen Mnzen chronologisch geordnet und beschrieben.


Bamberg 1839. Klein 4.
Henckel Paul. Sammlung Brandenburg-Preusischer Mnzen und Medaillen.
Berlin 1876. Klein 40.

Hoffmeister J. C C. Historisch-kritische Beschreibung aller bis jetzt bekannt


gewordenen hessischen Mnzen, Medaillen und Marken. Leipzig 1862. 4.
Inn- und Knyphausen Graf Karl zu. Mnz- und Medaillen-Kabinet. Hannover
1872-77. 80.

Jungk H. Die bremischen Mnzen. Bremen 1875. 8".


Merzdorf Dr. J. F. L. Th. Oldenburg's Mnzen und Medaillen... historisch
kritisch beschrieben. Oldenburg 1860. 8".
Meyer zie hierachter onder Afrika.
Oldenburg zie hierachter onder Skandinavi en Denemarken.
Saurma-Jeltsch Hugo Freiherr von Schlesische Mnzen und Medaillen. Breslau
1883. 40.

Schlumberger G. L. Des bractates d'Allemagne. Considrations gnrales et


classification des types principaux. Paris 1873. Groot 8".
Schmidt M. Die Mnzen und Medaillen der Herzge von Sachsen-Lauenburg.
Ratzeburg 1884. 4".
-

Schnobel J. H. Lbeckisches Mnz- und Medaillenkabinet. Lbeck 1790. 80.

Schwalbach C. Die neuesten deutschen Mnzen unter Thalergrsse vor Ein


fhrung des Reichsgeldes. Leipzig 1879. 4".
Tentzel W. E. Saxonia numismatica lineae albertinae. Dresdae 1705. 4".

Weingrtner J. Beschreibung der Kupfer-Mnzen Westfalens. Paderborn 1872


76. 80.

Welzl von Wellenheim. Verzeichnisz seiner Mnz- und Medaillen-Sammlung. Wien


1845. 80.

II Band. II Abtheilung (Mittel-, Nord- und Ost-Europa, Asien, Afrika, Amerika,


Denkmnzen).

Oostenrijk-Hongarije
Dudik - Dr. B. Des hohen Deutschen Ritterordens Mnz-Sammlung in Wien,
geschichtlich dargestellt und beschrieben. Wien 1858. Groot 4".

AANGEHAALDE WERKEN

XX

Ernst Oberbergrath C. von Mnzzeichen und Mnzmeisterbuchstaben auf ster


reichischen Mnzen. Wiener Num. Zeitschrift, XXV Band, II Semester.

Hess A. Die Siebenbrgischen Mnzen des frstlichen Montenuovo'schen Mnz


cabinets. Frankfurt a.M. 1880. 80.

Kolb J. v. Die Mnzen, Medaillen und Jetone des Erzherzogthums Oesterreich


ob der Enns. Linz 1882. 89.

Miltner und Neumann. Beschreibung der bisher bekannten bhmischen Privatmnzen


und Medaillen. Prag 1852-70. 40.
Zeller G. Des Erzstiftes Salzburg Mnzrecht und Mnzwesen. Salzburg 1883. 4.

Zwitserland

Lohner C. Die Mnzen der Republik Bern. Zrich 1846-58. 8.


Stroehlin Paul Ch. Annuaire numismatique suisse, anne 1894-95. Genve. 8.
Haller G. E. von Schweizerisches Mnz- und Medaillenkabinet. 2 Theile. Bern
1780-81. 80.

Coraggioni Leodegar. Mnzgeschichte der Schweiz mit 50 Lichtdrucktafeln.


Genve 1895. 40.

Nederland

Besier Mr. L. W. A. De muntmeesters en hun muntslag in de provinciale en

stedelijke munthuizen van de Republiek der Vereenigde Nederlanden en van de


Bataafsche Republiek en in de Utrechtsche munt van het koningrijk Holland
en tijdens de inlijving bij het Fransche Keizerrijk. Utrecht 1890. 8".

Besier L. W. A. Catalogus der gouden en zilveren specin geslagen in het


tijdvak van het Bataafsch Gemeenebest, het koningrijk Holland en het Fransche
Keizerrijk. Utrecht 1885. 8".
Catalogus Rijksmuseum. Geschiedkundige catalogus der verzameling munten van
Nederland, Bezittingen en Kolonin, in bruikleen afgestaan aan het Rijksmuseum
door Joh. W. Stephanik. Gedrukt ter algemeene Landsdrukkerij op last van
Z. E. den Minister van Binnenlandsche Zaken ('s-Gravenhage) 1888. 8".
Chijs - P. O. van der. De munten der voormalige graafschappen Holland en
Zeeland. Haarlem 1858. 49.

Chijs P. O. van der. De munten der bisschoppen, van de Heerlijkheid en de


Stad Utrecht van de vroegste tijden tot aan de pacificatie van Gend. Haarlem
1859. 4".

Chijs P. O. van der. De munten der voormalige heeren en steden van Over
ijssel, van de vroegste tijden tot aan de pacificatie van Gend. Haarlem 1854. 4.
Chijs P. O. van der. De munten der voormalige hertogen van Gelderland, van
de vroegste tijden tot aan de pacificatie van Gend. Haarlem 1852. 4".
Chijs P. O. van der. De munten der voormalige heeren en steden van Gelder
land, van de vroegste tijden tot aan de pacificatie van Gend. Haarlem 1853. 4.

AANGEHAALDE WERKEN

XXI

Chestret de Haneffe Baron J. de. Notes sur l'histoire et la numismatique du


pays de Gronsveld. Revue belge de numismatique. 1874.
Nahuys Maurin comte. Histoire numismatique du royaume de Hollande sous
le rgne de S. M. Louis Napolon, roi de Hollande etc. Amsterdam 1858. 40.
Nahuys Maurin comte. Histoire numismatique de la Hollande pendant la runion
l'Empire Franais etc. Utrecht 1863. 4".
Plantijn Chr. Schat der Neder-duytscher spraken. Antwerpen 1573. 4.
Roest Th. M. Essai de classification des monnaies du comt puis duch de
Gueldre. Revue belge de numismatique 1893.
Snoeck Jhr. M. A. Munten te 's-Hertogenbosch geslagen 1579-1665. z. pl.
1884. 80.

Verkade P. Muntboek bevattende de namen en afbeeldingen van munten, ge


slagen in de zeven voormalig Vereenigde Nederlandsche Provincin, sedert den
vrede van Gent tot op onzen tijd. Schiedam 1848. 40.

Voogt W. J. de Geschiedenis van het munt wezen der provincie Gelderland.


Amsterdam 1874. 40.

Voogt W. J. de. Beschrijving van de munten geslagen door de stad Nijmegen.


Arnhem 1867. 80.

Voogt W. Lettre M. R. Chalon. Revue belge de numismatique 1870.


Wolters -. Notice historique sur l'ancien chapitre imprial de chanoinesses
Thorn. Gand 1850. 8".

Belgi
Chalon R. Recherches sur les monnaies des comtes de Hainaut. Bruxelles 1848.

4". avec 3 supplments.


Chalon R. Recherches sur les monnaies des comtes de Namur. Bruxelles 1858. 40.

Chestret de Haneffe Baron J. de Notes sur l'histoire et la numismatique du


pays de Reckheim. Revue belge de numismatique. 1872.

Chestret de Haneffe Baron J. de. Numismatique de la principaut de Lige et


de ses dpendances (Bouillon, Looz). Bruxelles 1888-90. 40.

Chijs P. O. van der. De munten der voormalige hertogdommen Braband en


Limburg. Haarlem 1851. 4.

Chijs P. O. van der. De munten der leenen van de voormalige hertogdommen


Braband en Limburg, enz. van de vroegste tijden tot aan de pacificatie van Gend.
Haarlem 1862. 40.

Cocheteux - Ch. Monnaies frappes Tournai. Revue belge de numismatique 1853.

Cumont - G. Les monnaies des tats-Belgiques-Unis, rvolution brabanonne


1789-90. Bruxelles 1885. 80.

Deschamps de Pas L. Essai sur l'histoire montaire des comtes de Flandre de

la maison de Bourgogne et description de leurs monnaies d'or et d'argent. Revue


numismatique Paris 1861. Nouvelle srie, tome VI. Le supplment: Les
monnaies noires dans la mme revue, anne 1866.

AANGEHAALDE WERKEN

XXII

Deschamps de Pas L. Essai sur l'histoire montaire des comtes de Flandre de

la maison d'Autriche et classement de leurs monnaies. Revue numismatique


Paris 1869 et Revue belge de numismatique. Bruxelles 1876.
Gaillard V. Recherches sur les monnaies des comtes de Flandre depuis les
temps les plus reculs jusqu' l'avnement de la maison de Bourgogne. Gand
1857. 40.

Groebe D. Beantwoording der prijsvraag over de munten van 1500-1621.


Brussel 1835. 49.

Guioth . Histoire numismatique de la rvolution belge ou description raisonne


des mdailles, des jetons et des monnaies, qui ont t frapps depuis le com
mencement de cette rvolution jusqu' ce jour. Hasselt 1844. 4".
Heiss zie onder Spanje.
Perreau A. Catalogue des monnaies de la principaut et vch de Lige.
Revue belge de numismatique 1861-63.
Piot J. G. C. De l'imitation des sceaux des communes sur les monnaies des

provinces mridionales des Pays-Bas et du Pays de Lige. Bruxelles 1848. 8.


Renesse-Breidbach Comte de Histoire numismatique de l'vch et principaut
de Lige. Bruxelles 1831. 8".
Roest Th. M. Monnaies seigneuriales du Brabant et Limbourg. Revue belge de
numismatique 1882.
Serrure C. P. Notice sur le cabinet montaire de S. A. le Prince de Ligne.
Gand 1847. 89.
Verkade zie onder Nederland.

Witte Alphonse de Histoire montaire des comtes de Louvain, ducs de Brabant


et marquis du Saint Empire Romain. 2 tomes. Anvers 1894-96. 4.
Wolters . Notice historique sur l'ancien comt imprial de Reckheim dans la
province actuelle de Limbourg. Gand 1848. 8".
Luxemburg

Ernst Oberbergrath C. von. Zie hiervr onder Duitschland.


Serrure R. Essai de numismatique luxembourgeoise. Annuaire de la Socit
franaise de numismatique, anne 1893. Paris.
Engeland Schotland en Ierland
Atkins zie onder Britsch-Indi.

Hawkins E. The silver coins of England. London 1887. 8".


Henfrey H. W. A guide to the study and arrangement of english coins. Lon
don 1870. 80.

Lindsay J. A view of the coinage of Scotland. Cork 1845. 4".


Lindsay J. A view of the coinage of Ireland. Cork 1839. 4".

Montagu H. The copper, tin and bronze coinage and patterns for coins of
England. London 1885. 8.

AANGEHAALDE WERKEN

XXIII

Rossi zie onder Itali.

Ruding - Annals of the coinage of Great Britain and its dependencies. 3d edition.
3 volumes. London 1840. 40.

Skandinavi en Denemarken

Beskrivelse over danske Mynter og Medailler i den kgl. Samling. Kjobenhavn


1791. fol.

Oldenburg's samling af svenska, svenska besittningarnes och landtgrefven Fredriks


hessiska mynter. Stockholm 1883. 8.
Scharp -. Frteckning fver hans samling af mynt och skdepenningar. I. Stock
holm 1851.

Stiernstedt A. W. Beskrifning fver svenska kopparmynt och polletter. Stock


holm 1871. 8".

Stiernstedt Friherre A. W. Beskrifning fver hans norska och danska mynt


kabinett. Stockholm 1881. 89.

Thomsen C. J. Nyere monter fra. Danmark, Norge, Sverrig, Slesvig och Hol
steen. Kjobenhavn 1871. 8.
ROMANEN

Itali

Cinagli Dre A. Le monete de Papi descritte in tavole sinottiche. Fermo 1848.


fol.

Gnecchi Fr. ed E. Le monete di Milano da Carlo Magno a Vittorio Emanuele II.


Milano 1884. Gr. 40.

Gnecchi Francesco ed Ercole. Saggio di bibliografia numismatica delle zecche


italiane medioevali e moderne. Milano 1889. 4".

Papadopoli N. Le monete di Venezia. Venezia 1893- . 4. (in publicazione).


Promis D. Monete dei Reali di Savoia. Torino 1841. 40.

Rossi Cav. Giancarlo. Catalogo della sua collezione. Roma 1880. 8".
Vergara Monete del regno di Napoli dal r Roggiero sino all' augustissimo
Carlo VI imperadore. Roma 1716. fol.

Werdnig Dr. G. Die Osellen oder Mnz-Medaillen der Republik Venedig. Wien
18S9. 40.

Monaco
Jolivot C. Mdailles et monnaies de Monaco. Monaco 1885. 80.

Frankrijk
Berry M. tudes et recherches historiques sur les monnaies de France. Paris
1852-53. 80.

Dewismes A. Catalogue raisonn des monnaies du comt d'Artois. St. Omer


1866. 80.

AANGEHAALDE WERKEN

XXIV

Hennin M. Histoire numismatique de la rvolution franaise. Paris 1826. 40.


Hoffmann H. Les monnaies royales de France depuis Hugues Capet jusqu'
Louis XVI. Paris 1878. 40.

Poey d'Avant F. Monnaies fodales de France. Paris 1858-62. 40.


Spanje en Portugal

Campaner y Fuertes D. Alvaro. Numismtica balear. Descripcion histrica de


las monedas de las islas baleares acunadas durante las dominaciones pnica,
romana, aragonesa y espanola. Palma de Mallorca 1879. 4".
Heiss A. Descripcion general de las monedas hispano-cristianas desde la invasion
de los Arabes. Madrid 1865-69. 4".

Lopez Fernandes M. B. Memoria das moedas correntes em Portugal, desdo o


tempo dos Romanos, at o anno de 1856. Lisboa 1856-57. 4".

Teixeira de Arago - A. C. Descripo geral e historica das moedas cunhadas


em nome dos reis, regentes e governadores de Portugal. Lisboa 1874-80. Gr. 80.
GRIEKEN

Griekenland

Schlumberger G. Numismatique de l'Orient latin. Paris 1878. 40.

Wellenheim zie onder Duitsch Rijk.


SLAVEN

Rusland Polen en Rumeni

Chaudoir, Baron S. de. Apercu sur les monnaies russes. St. Ptersbourg 1836
37. S0.

Hutten-Czapski - Comte E. Catalogue de sa collection des mdailles et monnaies


polonaises. St. Ptersbourg 1871-80. 4".
-

Sturdza D. A. Uebersicht der Mnzen und Medaillen des Frstenthums Roma

nien (Moldau und Walachei). Wien 1874. 80.


TURKEN

Turkije

Lane-Poole - St. The coins of the Turks in the British Museum. London 1883. 8.

AZI Algemeen
Fonrobert . Verzeichnisz von Mnzen und Denkmnzen der Erdtheile Australiem,

Asien, Afrika und verschiedener mohammedanischer Dynastien der Jules Fon


robert'schen Sammlung. Gefertigt von A. Weyl. Berlin 1878. 8".
Marsden W. The oriental coins, ancient and modern of his collection described
and historically illustrated. London 1823-25. 4.
Chijs Mr. J. A. van der. Catalogus der numismatische verzameling van het
-

Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen. Batavia 1896. Gr. 8".

AANGEHAALDE WERKEN

XXV

Aziatisch Turkije
Fraehn - C. M. Das Mohammedanische Mnzkabinet des Asiatischen Museums.

St. Petersburg 1821. 8".


Lane-Poole St. Catalogue of the Mohammedan coins preserved in the Bodleian
library at Oxford. Oxford 1888. 4.
Lane-Poole St. Coins of the Urtuk Turkomns. London 1875. 4".

Lavoix H. Monnaies lgendes arabes, frappes en Syrie par les Croiss. Paris
1877. S".

Catalogue of oriental coins in the British Museum. Volume I. London. 8".


Schlumberger zie onder Griekenland.
Perzi

Poole R. St. Catalogue of coins of the Shhs of Persia in the British Museum.
London 1887. 8".
Marsden zie hierboven onder Azi.
Britsch-Indi

Atkins J. The coins and tokens of the possessions and colonies of the British
Empire. London 1889. 8".
Bidie G. The pagoda or varha coins of Southern India. Calcutta 1883. 8.

Hultzsch E. The coins of the kings of Vijayanagar. In the Indian Antiquary


sept. 1891. Bombay. 4.
Elliot Sir Walter. Coins of Southern India. London 1886. 4. .

Havart D. Op- en Ondergangh van Cormandel. Amsterdam 1693. 4".


Lventhal Rev. E. The coins of Tinnevelly. Madras 1888. 8".
Prinsep's useful tables Volume II of Essays on indian antiquities. London
1858. S.

Rhys Davids T. W. On the ancient coins and measures of Ceylon. London


1877. 4".

Sewell R. A sketch of the dynasties of Southern India. Madras 1883. 4".


Sonnerat . Voyage aux Indes Orientales et la Chine, fait par ordre du Roi,
depuis 1774 jusqu'en 1781. Paris 1782. 2 tomes. 4".
Tufnell C. Catalogue of Mysore coins in the collection of the Government
Museum in Bangalore. Madras 1889. 8".

Portugeesch-Indi

Gerson da Cunha J. Contributions to the study of indo-portuguese numismatics.


- Bombay 1880. 8".
Fransch-Azi

Silvestre - J. Notes pour servir la recherche et au classement des monnaies et


mdailles de l'Annam et de la Cochinchine franaise. Saigon 1883. 8".

XXVI

AANGEHAALDE WERKEN

Toda E. Annam and its minor currency. Shanghai 1882. 8".


Zay E. Histoire montaire des colonies franaises. Paris 1892. 8".
Siam

Haas J. Siamese coinage. Shanghai 1880, 8".


Schlegel Prof. G. Siamesische und Chinesisch-Siamesische Mnzen. Mit Tafel.
Internationales Archiv fr Ethnographie. Band II. Leiden 1889. 4".
China

Bushell S. W. Coins of the present dynastie of China. Extr.


Chaudoir Baron S. de et M. Lontiefski. Recueil de monnaies de la Chine,
du Japon, de la Core, d'Annam et de Java. St Ptersbourg 1842. fol.
Chronologische Catalogus der keizerlijk chineesche munten in 't Kjan-loeng museum,
in 1750 op last van keizer Kao-tsoeng-sjoen uitgegeven.
Coevorden van. Chronologische lijst van chineesche munten, loopende van 't
jaar 202 vr tot 1864 na Chr. Batavia, z. j. foi.
Ezerman J. L. J. F. and B A. J. van Wettum. An alphabetical list of the
Emperors of China and of their Year-titles or Nien-Hao. Verschenen in 't fransche

tijdschrift T'oung pao. Leiden 1892.


Terrien de Lacouperie. Catalogue of chinese coins from the WIIth cent. B. C. to
A. D. 621, including the series in the British Museum. London 1892. 4".
Vissering W. On chinese currency, coin and paper money. Leiden 1877. 8".
Wylie Mr. A. Coins of the Ta Tsing or Present Dynasty of China, in the
Journal of the Shanghai Literary and Scientific Society, June 1858.
Japan

Japan's Gold- und Silbermnzen bis auf die Neuzeit. Berlin 1888. 8".
Kusska Dr. J. T. Das Japanische Geldwesen, geschichtlich und kritisch dar
gestelt. Berlin 1890. 8.
Schlegel G. Alphabetical list of the Mikados and Shoguns of Japan and also an
alphabetical list of the Year-titles or Nen-Go. Verschenen in 't fransche tijdschrift
T'oung pao. Leiden 1893.
Villaret E. de. Numismatique japonaise, dans la Revue Numismatique. Paris
1892. 8.
Nederlandsch Indi

Begin en de Voortgangh van de Vereenighde Nederlantsche Geoctroyeerde Oost


Indische Compagnie. z. pl. 1646. 4". obl.

Hageman Jcz. J. Handleiding tot de kennis der geschiedenis, aardrijkskunde


fabelleer en tijdrekenkunde van Java.

Millies H. C. Recherches sur les monnaies des indignes de l'archipel Indien


et de la pninsule malaie. La Haye 1871. 4".
-

AANGEHAALDE WERKEN

XXVII

Millies H. C. De munten der Engelschen voor den Oost-Indischen Archipel.


Amsterdam 1852. 8".
Nahuys Cie M. Numismatique des Indes nerlandaises. Revue belge 1887.
Netscher en Mr. J. A. van der Chijs E. De munten van Nederlandsch-Indi
beschreven en afgebeeld. Batavia 1863. 4".
AFRIKA

Cat. British Museum zie onder Turkije Lane-Poole.


Dombay Fr. von. Beschreibung der gangbaren Marokkanischen Gold-, Silber
und Kupfer-Mnzen. Wien 1803. 8".
Lopez Fernandes en Arago zie onder Spanje-Portugal.

Ibn-Khaldoun Histoire des Berbres et des dynasties musulmanes de l'Afrique


septentrionale, traduite de l'arabe par M. le baron de Slane. Alger. 1852-56. 8.
Marsden zie hierboven onder Azi.

Meyer A. Prgungen Brandenburg-Preussens betreffend dessen Afrikanische


Besitzungen und Aussenhandel 1681-1810. Berlin 1885. 8".
AMERIKA (Noord-Amerika)
Dickeson M. W. The american numismatic manual. Philadelphia 1860. 4".
Fonrobert -. Die Jules Fonrobert'sche Sammlung berseeischer Mnzen und
Medaillen. Bearbeitet von A. Weyl. Amerika: I Abtheilung: Nord-Amerika.
Berlin 1877. 8".
Leroux J. Le mdailler du Canada. Montreal 1888. 8".

Mac Lachlan R. W. Notes of interest on the Nova Scotia currency in the


Monthly Numismatic Circular. London jan. 1894. p. 522.
Midden-Amerika

Fonrobert -. Die Jules Fonrobert'sche Sammlung berseeischer Mnzen und


Medaillen. Bearbeitet von A. Weyl. Amerika. II Abtheilung: Central-Amerika.
Berlin 1878. 8".

Zuid-Amerika

Baum - A. Die Demarkationslinie Papst Alexanders VI und ihre Folgen. Kln


1890. 8.

Fonrobert -. Die Jules Fonrobert'sche Sammlung berseeischer Mnzen und


Medaillen. Bearbeitet von A. Weyl. Amerika. III Abtheilung: Sd-Amerika.
Berlin 1878. 8".

Nunez et H. Jalhay R. La rpublique de Colombie. Bruxelles 1893. 8.


Meili - Julius. Die Mnzen der Colonie Brasilien 1645 bis 1822. Zrich 1895. 8.
Meili - Julius. Die Mnzen des Kaiserreichs Brasilien 1822 bis 1889. z. pl. 1890. 8".

AFKORTING EN

Bb.

= borstbeeld

br.

= brons

= goud
jrt.
Kz.

mM.
Pl.

V. of Verg. = vergelijk
= voorzijde
Vz.
= wichtje

W.

jaartal

w. f. g.

keerzijde

w. f. z

muntmeester

Z.

millimeter

z. j.

= plaat

= wichtje fijn goud.


= wichtje fijn zilver.
= zilver.

= zonder jaartal.

de cijfers op de platen verwijzen naar


de nummers in den tekst.

Afdeeling A.
-----------------------------------

IO E:

M U N T E. N
- <--Re->H-oo

Indeeling der Munten

Zooals wij aanstonds zien zullen, begon men in de toenmaals in


Europa 1) bekende wereld omstreeks 700 v. Chr. te munten het

ligt dus voor de hand, dat het aantal verschillende exemplaren van
26 eeuwen overstelpend groot is geworden. En toch is die groote
hoeveelheid materiaal thans zoo gemakkelijk te overzien, dat zelfs in
de uitgebreidste muntverzamelingen 2) ieder gewenscht exemplaar spoedig
kan gevonden worden. Daartoe worden de stukken in zekere Groepen
bijeengebracht, waarbij zooveel mogelijk met de geschiedenis en met
de aardrijkskunde wordt rekening gehouden.
De hier volgende indeeling schijnt mij, voor onze verzameling, de
meest gewenschte toe en heb ik deze dan ook bijna overal gevolgd
alleen zijn eenige europeesche munten vr 1500 geslagen bij Groep III
gevoegd, omdat hun kleine aantal geene afzonderlijke behandeling recht
vaardigde.
Groep I: de Antieken of munten van die oude volken, welke de
toenmaals te onzent bekende wereld bewoonden van de vroegste
1) In Oost-Azi veel vroeger. De in 1750, op last van Keizer KAo-TsoENG-SJOEN
uitgegeven nieuwe druk van den chronologischen Catalogus der Keizerlijk Chineesche
munten in 't Kjan-loeng Museum, begint met de gegoten munten van Keizer FoEH-LI
(2952 v. Chr.)

*) De rijkste verzameling, die der Bibliothque nationale te Parijs, bevat ongeveer


300,000 verschillende exemplaren hierna volgen 't British Museum te Londen en
de Knigliche Mnzsammlung te Berlijn, ieder met ongeveer 250,000 stukken.
1+

IN DEELING

DER MUNTEN

tijden tot ongeveer 500 n. Chr. Het jaar 500 is gekozen, omdat toen in
alle provincin van het gevallen Westersch Romeinsch Keizerrijk, door
de germaansche en slavische veroveraars nieuwe staten gesticht waren.
Groep II : de middeneeuwsche volken van Europa (500-1500).
Dit laatste jaartal is gekozen, omdat zich omtrent dien tijd de studie
der Antieken (Renaissance) ook op het uiterlijk der munten doet ge
voelen de oudduitsche lettersoort (monnikschrift) plaats maakt voor
de romeinsche, 't gebruik van jaartallen in zwang komt en men alge
meen overgaat tot het aanmaken van zware zilverstukken.
Groep III: de europeesche munten sedert 1500.
Groep IV: de munten van Azi.
Groep V: Afrika.
Groep VI: Amerika.
Groep VII: Australi.
Dus, in groote trekken een geografisch systeem, hier en daar,
vooral in Groep II, gewijzigd door gewichtige staatkundige gebeurte

nissen. Het alfabethische en het in Duitschland veelal gevolgde


hirarchieke stelsel brengen de munten van nzelfde land, te ver van
elkander. Om MADER's ideaal, 't synchronistische systeem, dat op de
periodiseering der geschiedenis berust, toe te passen, zijn de Midden
eeuwen in deze verzameling te slecht vertegenwoordigd.

G R O EP I

De Antieken of munten van die oude volken, welke de toenmaals

in Europa bekende wereld bewoonden van de vroegste tijden tot


ongeveer 500 n. Chr.

In deze groep zijn bijeengebracht:


a. de munten der volken, die Europa, West-Azi en Noord-Afrika
voor 't optreden der Romeinen bewoonden en wier landen later in het

groote Romeinsche Rijk opgingen;


b.

de munten der Romeinen tot den val van 't Westersch Ro

meinsche Rijk.

a DE ANTIEKEN
Van de oude Babilonirs, Assyrirs, Medirs en Egyptenaren is niets
tot ons gekomen dat tot hunne kennis van gestempeld metaal als
waardemeter kan doen besluiten 1) en ook is niet met zekerheid bekend
waar de eerste stempeling plaats vond.
HERoDoTUs verhaalt dat de Lydirs in Klein-Azi de eersten geweest
zijn die zich van gemunt metaal bedienden volgens de Chronicon

Parium (een blad marmer op 't eiland Paros gevonden, dat eene chro
nologie der helleensche steden van 1582-264 v. Chr. geeft) echter,
zijn de eerste munten onder koning PHEIDoN van Argos (+ 747 v.

Chr.) op het Grieksche eiland Egina geslagen.


') Wel kunnen wij aannemen dat maten en gewichten 't eerst in Babiloni in
gebruik kwamen en dat van daaruit hun gebruik zich bij de Syrirs, Hebreeuwen,
Grieken en Persen verspreidde.

DE ANTIEKEN

Hoe 't zij algemeen wordt thans aangenomen dat de Grieken in


hun handel met Klein-Azi omstreeks 700 v. Chr. de eerste muntstuk

ken gebruikten. In 600 v. Chr. werd in de steden van Groot-Grieken


land metaal vermunt en in de volgende eeuwen maakte de grieksche

handel ook aan andere volken ) het gebruik van gemunt metaal bekend.
Deze namen grieksche maten en gewichten aan, bedienden zich van

grieksche stempelsnijders en zelfs met weinig uitzonderingen *) komen


grieksche opschriften op hunne munten voor.
Om deze reden worden dan ook dikwijls, alhoewel minder juist,
alle niet-romeinsche munten uit Groep I Grieksche munten genoemd.
Als beste indeeling voor al deze oudste munten wordt thans nog

algemeen het geografische systeem van den oostenrijkschen abt JosEPH


EcKIIEL (1737-98), door den florentijn DoMENIco SESTINI (1750-1832)
verbeterd, gebruikt. Het begint met Spanje (Hispania) vervolgt de
noordkust der Middenlandsche Zee, gaat over de eilanden der Egesche
Zee naar Klein-Azi, beschrijft de munten der binnenlanden tot Bac

triana en komt door Palestina naar Egypte, om langs Noord-Afrika


met Marokko (Mauretania) te sluiten.

IT A LIA

Oudtijds de naam van 't zuidelijk gedeelte dezes lands, (welke

naam zich later noordelijk uitbreidde), werden hieronder verschillende


landschappen begrepen, van welke slechts eenige in deze verzameling
vertegenwoordigd zijn.
Het werd bewoond door verschillende volken, waarvan de voor

naamste waren : in 't N. de Kelten (sedert 600 v. Chr.), zuidelijker


Etruskers, Umbrirs, Oskers, Sabijnen, Messapirs en Bruttirs.
1) Meestal gebruikten de kustbewoners reeds gemunt geld terwijl de bewoners
van 't binnenland zich nog met staven metaal behielpen (STRABo over Spanje).
*) De andere talen zijn celtiberisch (Hispania), etruskisch (Etruria), oskisch

(Campania), baktrisch, pehlwi (oud-perzisch), punisch (Phoenici, Carthago, Sardini,


Sicili), samaritaansch (Judaea) en numidisch (Mauretania).

ITALIA

Sedert de 2e helft der 8e eeuw en in de 7e eeuw v. Chr. vestigden


zich aan de zuidelijke kusten van Italia tal van grieksche handelaren,
die hier kolonin stichten en aan de omringende volken hunne hoogere
beschaving meedeelden. Zoo werd hier de grieksche taal verbreid,
grieksche maten en gewichten werden ingevoerd en spoedig vinden
wij den attischen muntvoet door bijna alle steden van Zuid-Itali
(Groot-Griekenland) aangenomen. Naar deze muntvoet werden de munten
geslagen. Of nu deze grieksche munten, of wel de etruskische en
oskische de oudsten zijn, is nog niet beslist. Eigenaardig zijn de in
Groot-Griekenland dikwerf voorkomende munten, wier keerzijde het
muntbeeld der voorzijde hol draagt, voor verdere aanteekening zie
onder Hellas.

Landschap Campania
1 ll. 1) Stad Cales (tegenwoordig Calvi)
Vz. Pallashoofd van links.

Berlin, blz. 78, N0. 13

Kz. Haan onder ster.

ll.

Neapolis (tegenw. Napels)


Vz. NEOIIOAIToN Gelauwerd Apollohoofd van links, hierachter

de letter O.
Kz. Campaansche stier met menschelijk gezicht van rechts,
door eene vliegende Victorie gekroond. Blz. 127, N0. 168
ll.

Vz. Gelauwerd Apollohoofd van links.


Kz. NEonoLIT | n oNI Lier en

ll.

Blz. 142, N0. 266

Teanum Sidicinum (tegenw. Tiano)


Vz. Gelauwerd Apollohoofd van links, hierachter cirkel TIANUD
in oskische letters.
K2. Als N0. 2.

FRIEDLNDER I. 6

Landschap Calabria
5 ll.

Tarentum (tegenw. Taranto)


Vz. Taras op den dolfijn van links.
Kz. Schelp.
Berlin, blz. 309, N0. 613

') De letters vr de munten geplaatst, verwijzen naar de ,,Naamlijst der schenkers.

ITALIA

Landschap Bruttium
6 ll.

Bruttium in 't algemeen


Vz. Gelauwerd Jupiterhoofd van rechts.
Kz. BPET TION Adelaar met uitgespreide vleugels van links.
MIONNET I. 182. 781

Il.

Vz. Als N0. 6.

Kz. BP ETTIo ... Naakte krijger met lans en schild van rechts,
aan zijne voeten ossekop.
I. 181. 778
Eiland Sicilia

Syracusae (tegenw. Siracusa)


Sicilia, door de Romeinen ook Trinacria genoemd, werd reeds vroeg
door phoenicische kooplieden bezocht, die op de westkust kolonin
stichtten (Palermo).
In de 8e eeuw v. Chr. vestigden zich Ionische Grieken aan de noord
kust, Dorirs aan de zuidkust. Van hunne kolonin was Syracusae de
voornaamste en de machtigste.
ll.

Vz. AIOXE . . . . Als N0. 6.


Kz.

XYPAK oXION Adelaar met uitgespreide vleugels op een


bliksem van links. In 't veld een ster.

9 ll.

Vz.

I. 308. 882

Proserpinahoofd van links.

K2 . Gebukte stier van links.

I. 305. 841

HELLAS (Griekenland)
Oudtijds bewoond door de Pelasgen, wordt Griekenland in de 16e eeuw
v. Chr. door helleensche stammen bevolkt, die uit Klein-Azi kwamen.

In de 11e eeuw v. Chr. dringen deze stammen zuidwaarts (dorische

volksverhuizing) en vestigt de machtige stam der Dorirs zich in

HELLAS

Zuid-Griekenland (Peloponnesos, sedert de 9e eeuw Morea genaamd)


en de stam der Ionirs in Midden-Griekenland (Hellas, thans Livadia).
Zij stichtten nu staatjes en steden met verschillenden regeeringsvorm,
die steeds onderling vijandig, nu eens vrij waren, dan wer afhankelijk
van een machtigen nabuur. Zoo heeft Sparta in de 6e eeuw v. Chr.
de heerschappij (hegemonie) over de peloponnesische staten en een
eeuw later beheerscht Athene de staten van Hellas.

Naijver tusschen deze beide en heerschzucht van andere staten


(Thebe) waren de oorzaken tot eindelooze twisten en oorlogen
van welke tweespalt Koning PHILIPPos van Macedoni partij trok en
na den slag van Cheroneia (338 v. Chr.) geheel Griekenland bij zijn
rijk inlijfde.

Wel verbonden de Grieken zich tegen den gemeenschappelijken


vijand, doch tevens haalden zij de Romeinen als redders in, die in
146 v. Chr. Griekenland als Provincia Achaia bij hun rijk inlijfden.
Als romeinsche provincie geraakte Griekenland geheel in verval.
Zooals wij gezien hebben begonnen de Grieken omstreeks 700 v.
Chr. te munten. Hunne oudste geldstukken zijn van zilver, eerst later
komen goud en 't mengsel elektron 1) voor, en ongeveer 400 v. Chr.
begint men bronzen *) munten te slaan. Bij het wegen en betalen werd
het talent *) (talanton) gebruikt 60 mina's (mna) 100 drachmen
(drachme) 6 oboloi (obolos).
Beide

eersten

waren

rekenmunten

en eerst de drachme

werd als

eenheid van 't muntstelsel in zilver aangemunt.


Als veelvouden in zilver had men het didrachmon of zilveren stater

') Een mengsel van 80 /o goud en 20 "lo zilver, soms zelfs *ls goud en 1/3 zilver.
Andere benamingen van metaalmengsels zijn billon, waarin minder dan 50 /o zilver
voorkomt en het overige koper is; potin bestaat uit 20 /o zilver en 80 /o koper
met zink (dit laatste werd vooral in Alexandria sedert den romeinschen keizer CLAU
DIUs vermunt).

*) Koper met 5-12 /o tin. De oudste bronzen munten zijn van Athene en van
AERoPos II (399-394 v. Chr.) koning van Macedoni.
*) Talanton beteekende oorspronkelijk weegschaal drachme, een hand vol
(stukjes zilver of koper) obelos, stuk zilver of koper, zes stuks werden gerekend
voor een handvol (attisch dialekt = obolos). Het meest verspreide talent het

kleine attische, door SoLoN 594 v. Chr. in Athene ingevoerd, woog 26.2 kilogram.
De slaper werd op den Akropolis bewaard.

10

HELLAS

(2 drachmen), tetradrachmon (4 dr.), pentadrachmon (5 dr.) en zelfs


het decadrachmon (10 dr. Athene, Siracusa en ALEXANDRos van Mace
doni) - als onderdeelen in zilver: pentobolon (5 oboloi), 1) tetrobolon

(4 ob.), triobolon (3 ob.), diobolon (2 ob.), trihemiobolon (13 ob.),


obolos, tritemorion (# ob.), hemiobolion (4 ob.), tetartemorion (# ob).
In brons # obolos (chalkous) en 'g obolos (lepton), benevens stukken
van 1, 2 en 4 lepta. Later maken de kleine zilveren munten plaats
voor bronzen stukken en komen zelfs obolen van brons voor.

In goud had men den stater (dareikos), van hetzelfde gewicht als
het zilveren didrachmon en in waarde gelijk 20 zilveren drachmen
verder den dubbelen, halven en kwart stater.

De drachmen waren wel is waar verschillend in gewicht, 2) naar ge


lang de talenten (1 talent altijd = 6000 drachmen) verschillend waren,

doch de eubesche of attische muntvoet vond de meeste navolging,


vooral sedert ALEXANDRos de Groote die voor zijne gouden en zijne
zilveren munten had aangenomen.
Onder de romeinsche heerschappij werd de drachme door den de
narius verdrongen en hiermede gelijk gesteld en komt 't woord assarion
voor obolos in gebruik.
Locri Epicnemidii
In Griekenland woonden tegenover 't eiland Euboea de Epiknemi
dische (naar 't gebergte Knemis) en de Opuntische (hoofdstad Opus)

Lokrirs. Aan den golf van Korinthe woonden de Ozolische Lokrirs,


deze laatste stichtte de kolonie der Epizephyrische Lokrirs in Zuid
Itali (tegenwoordig Bruzzano in Calabria). De volgende munten zijn
van 't eerstgenoemde volk.
10 ll.

Vz. Pallashoofd van rechts,

Kz. AOKP EIIIKNA Bundel van een groote en 3 kleinere druiven


trossen.

MION. II. 90.5

1) Verg. werken over grieksche en romeinsche metrologie (HULTsCH e.a.)


*) Zoo woog de eginesche drachme 6.54 wichtjes, de attische 4.365 en de korin
thische 2.91 wichtjes.

11

HELLAS

11 ll.

Vz. Als N0. 10.


Kz. AOK PON Verder als N0. 10.

Vergel. MIoN. II. 90.5

Landschap Arcadia (Arkades)


ll. Tegea (bij Palea Episkopi)
Vz. Pallashoofd van rechts.

Kz. TETEA AT Een naakt, doch gehelmd krijger van rechts


met schild.
IMHooF-BLUMER blz. 208, N0. 278

Landschap Elis (Eleioi)


Ten westen van Arkadia gelegen, was Elis een der vruchtbaarste
landschappen van den Peloponnesos vooral bekend door zijne heilige
tempelstad Olympia, waar alle 4 jaar de bekende spelen gehouden
werden.

De voornaamste stad was Elis, thans Paleopolis. Op de oudste mun


ten komt FAAEIQN, later AAEION voor, en op de romeinsche keizer
munten HAEIQN.
13 II.

Vz. Apollo met diadeem van rechts.


Kz. F-A (AEIoN) Zeus met bliksem en adelaar, in 't veld H-2.
brons 5.35 wichtjes.
Verg. GARDNER XIV. 2

J UD AE A

Ongeveer 2000 jaar v. Chr. toog ABRAHAM aan 't hoofd van zijn
volk van Mesopotami naar Palestina. Hier bleven de Hebreeuwen 1)
ruim 200 jaar gevestigd, trokken 1760 v. Chr. naar Egypte waar
hun 't landschap Gosen tot woonplaats werd aangewezen, doch onder
MozEs (1500 v. Chr.) zien wij hen door Arabi weer naar Palestina
terugtrekken.
1) Zoo werden zij genoemd door de naburige volken.
Ibrim = van de overzijde komend, daar ABRAHAM met zijn volk van de overzijde
van den Euphraat gekomen was.

12

JUDAEA

De Isralitische 1) staat werd nu gegrondvest, 't volk in 12 stammen


verdeeld, Jerusalem tot hoofdstad gekozen en onder koning SALoMoN
(960-931 v. Chr.) staat 't rijk in zijn rijksten bloei.
In oorlog met Babilon, werd in 586 v. Chr. Jerusalem door NABoE

KoEDoER-oETsoER II (NEBUKADNEzAR) verwoest en de Isralieten als


gevangenen naar Babiloni gevoerd.
Na den val van 't babilonische en de stichting van 't nieuw
persische rijk door KYRos, mochten de Joden *) wer naar Palestina
terugtrekken (536 v. Chr.)
Later komt dit land onder Macedoni, daarna onder Egypte en na
den dood van den egyptischen koning ProLEMAos PHILoPAToR (204 v.
Chr.) voegde ANTIoKhos III van Syri Palestina bij zijn rijk.
Door de verdrukking der Syrische vorsten verbitterd, wisten de
Joden zich onder aanvoering der Makkabers en Hasmonirs vrij te
vechten, doch burgertwisten waren reeds spoedig oorzaak dat de
Romeinen zich met 's lands aangelegenheden bemoeiden. Onder keizer
NERo werd Jerusalem ingenomen (70 na Chr.), de tempel verbrand
en sedert dien tijd is de politieke zelfstandigheid der Joden vernietigd
- langzamerhand verstrooide 't volk zich over de geheele aarde.
Bij de oude Hebreeuwen werd ten tijde van MozEs 't edel metaal
naar 't gewicht van den sjekel *) toegewogen waarschijnlijk zelfs
zijn in den voorexilischen tijd gemerkte metaalstukken van bepaald
gewicht in gebruik geweest *), deze zijn echter niet tot ons gekomen.
Na de ballingschap gebruikten zij den persischen gouden dareikos
(hebreeuwsch: darkemon of adarkon) en den zilveren medischen siglos
(hebreeuwsch: sjekel). Deze munten waren in alle satrapin van 't
persische rijk gangbaar en golden : 1 dareikos = 20 siglos. - In
munt kwam ook de #, #, 3 en # siglos voor. Na 't persische gebruikten
de Joden 't macedonische, daarna 't egyptische geld, tot in 138 v. Chr. *)
1) Isralieten genoemd, naar JAKOB's eerenaam: Isral, de godsstrijder.
*) Na de babilonische gevangenschap werd 't geheele volk Jehoedim genaamd
daar verreweg het meerendeel der teruggekeerden uit den stam van Juda waren.
*) Het hebreeuwsche talent (kikar) deed 3000 sjekel, 2 beka 10 gera.
*) Dr. M. A. LEvy, Geschichte der Jdischen Miinzen, geeft verschillende redenen aan.
") Komt overeen met 't jaar 174 der Seleucidische jaartelling, die bij de Joden in
gebruik was.

13

JUDAEA

ANTIoKHos VII SIDETEs, koning van Syri, aan den hoogepriester en


volksvorst SIMON TAssI 't muntrecht verleende dit recht hebben de

Joden 't laatst uitgeoefend tijdens den opstand onder BEN-KosIBA in


73 n. Chr.

Van SIMON TAssI MAKKABI zijn tot ons gekomen heele en halve
zilveren sjekels (14.5 en 7.1 wichtjes).
In deze verzameling bevinden zich 4 nabootsingen der eerste munt
soort 't zijn stukken die volgens Dr. J. G. Th. GRssE !) in de
vorige eeuw te Grlitz (Silesi) voor den verkoop aan 't Heilige Graf
gemaakt zijn.
14 rr.

Vz. ,,Sjekel Israel in eenigszins afwijkend nieuw-hebreeuwsch 2)


schrift een kelk, waaruit rook opstijgt.
Kz. nv-p bvn Jeroeslem hagdoscha (het heilige Jerusalem) Een
tak met bloemen en bladeren (Aronstaf).
Zilver.

e.

GRssE 52.8

Dezelfde; nabootsing in tin.

16-19 xx. Nabootsingen in tin, afwijkende exemplaren.

PAR, T HIA

De tegenwoordig persische provincie Khorasan, werd oudtijds be


woond door een volk dat door zijne ruiterij uitmuntte.
Eerst aan de Assyrirs, later aan Medi en 't Oudpersische rijk
onderworpen, wordt 't land 330 v. Chr. door ALEXANDRos van Macedoni

bij zijn rijk gevoegd.


Na de verdeeling van ALEXANDRos' rijk, kwamen de Parthen in opstand
tegen de Seleuciden, vochten zich onder aanvoering van ARSAKs I vrij
en stichtten 256 v. Chr. een zelfstandig rijk met Hekatompylos tot
hoofdstad.
") Handbuch der alten Numismatik, afgebeeld plaat 52, N. 8.
*) De echte munten dragen 't oud-hebreeuwsch alfabet, zooals 't voor de balling
schap gebruikt werd en door de in Palestina achtergebleven Samaritanen bewaard
was gebleven. Na de gevangenschap kwam 't tegenwoordige kwadraatschrift in ge
bruik. Ook hebben de echte stukken op de kz. een drieledige lelie in plaats van de
tak en zijn kleiner van middenlijn.

14

PARTHIA

De 31 vorsten van Parthia dragen allen, behalve hun bizonderen


naam, den naam ARSAKs 1). Van 65 v. Chr. tot 217 n. Chr. vinden
wij deze Arsakiden in verbitterde oorlogen met de Romeinen.
In 226 n. Chr. maakt een Pers, ARTAKHSHETR I (ARTAxERXEs zoon
van SAssAN) zich van 't bewind meester en sticht het Middenpersische
Rijk onder de Sassaniden.
Gouden partische munten zijn niet tot ons gekomen; de meeste
zijn van zilver (drachme en tetradrachmon), slechts weinige van brons.
Op alle zijn de opschriften in 't grieksch.
Arsaks Mithradats IW 112-113

20 i.

Drachme. Vz. Hoofd van den koning met diadeem van links.
Kz. Arsaks I (de stichter van 't rijk) op een troon gezeten
met gespannen boog in rechterhand, daaronder A. De letters
van 't omschrift barbaarsch.
Zilver 3.75

GARDNER 2) VI. 26

Blijkbaar is de stempel gesneden door een parthischen graveur die

de grieksche letters niet kende, doch het werk van een Griek nabootste.

BA CTR, IANA

Ongeveer 't tegenwoordige Afghanistan.


Bactriana, na ALEXANDRos den Groote's dood (323 v. Chr.) bij 't

rijk der Seleuciden gevoegd, scheidde zich in 246 v. Chr. onder


DroDoTos af en ging op in 't toen gevormde Grieksch-Baktrische Rijk.
HERMAIos (25 v. Chr.) is de laatste grieksche koning.
De Sassaniden veroverden Bactriana in de 3e eeuw en vormden van

dit land met Parthia het Middenpersische Rijk.


Voor de munten was de attische muntvoet (drachme = 4.365

wichtjes) in zwang de opschriften zijn in 't grieksch of in een'


tongval van 't Sanskriet met cursieve Pali letterteekens.
1) Evenals de romeinsche keizers, den naam Caesar.
*) The parthian coinage by PERCY GARDNER.

15

BACTRIANA

Eukratids 190-160 W. Chr.

21 ll. Vz. 's Konings gehelmd Borstb. van rechts; omschrift METAA....
PATIA . . . .

Kz. De Dioskuren. Vierkante munt.

British Museum. Bactria 36.

Heliokls 160-120 v. Chr.

ll. Vz. 's Konings Bb. met diadeem van rechts.

Kz. Stappend paard van links,


-

omschr. BACAEQX. . . . HAII ACY2 AIIAIY.

18.

Nabootsing; de baktrische munten werden in grooten getale door


de barbaarsche stammen van Midden-Azi nagebootst.
Hermaios 25 v. Chr.

ll. Vz. 's Konings Bb. met diadeem van rechts . . . >QTHPO2 . . . MAILY.
Kz. Zeus in zetel; omschrift in Pali.
33.
Azs ten tijde van Chr.

ll. Vz. De koning met lans te paard van rechts. Omschr. BAEIAEo2
BAXIAEQN METAA . . . .

Kz. Geboggelde stier met Pali omschrift. Vierkante munt.

170.

Soter Megas

Onder dezen titel regeerde een vorst van 30-50 na Chr. Zijn naam
is niet bekend.

25 ll. Vz. De koning met lans van rechts.


Kz. De koning te paard van rechts. . . . EVBACIAEV . . . .

b MUNTEN DER ROMEINEN


REPUBLIEK 510 27 v. Chr.

Volgens de sage werd Rome in 't jaar 754 v. Chr. door RoMULUs
en REMUs op den Palatijnschen berg aan den Tiber gesticht. De
6 koningen die RoMULUs opvolgden, breidden de stad uit, doch de

16

MUNTEN

DER ROMEINEN

geweldenarijen dezer vorsten veroorzaakten een oproer, de koning werd


verjaagd en de Republiek uitgeroepen (510 v. Chr.).
In 't vervolg werd ieder jaar de hoogste macht aan twee consuls
opgedragen onder deze werd Rome's gebied uitgebreid 't geheele
Latium, Midden-Itali, geheel Itali (222 v. Chr.) werden onderworpen
en toen in 30 v. Chr. 1) CAJUs OCTAvIANUs als alleenheerscher optrad
stond de geheele toenmaals beschaafde wereld onder Rome's gezag.
De oudste inwoners van Itali gebruikten vee *) als ruilmiddel, later
toen de mijnen bewerkt werden, komen baren koper in gebruik. Deze
baren dragen geen waarmerk, werden bij betalingen gewogen *) des
noods doorgehakt en worden aes rude ook rudera genaamd.
Volgens de overlevering liet koning SERVIUs TULLIUs (578-534 v.
Chr.) voor 't eerst deze baren met een merk gieten (aes signatum).
Dit merk bestaat in een os, schaap, varken, schild, zwaard of ver
schillende wapenen en van nu af zijn de stukken geregelde veelvou
den *) van 't romeinsche pond, dat 327.45 wichtjes woog. De onder
deelen dragen als merk punten en strepen.
Onder de Tienmannen (451-450 v. Chr.) komen wij een grooten
stap verder, doordien voor 't eerst de waarde op de stukken geplaatst
wordt en de as (aes grave) *) op 't juiste gewicht van n romeinsch
pond (van daar aes libralis) gegoten wordt.
De as werd verdeeld in 12 unciae en in munt komen voortaan stuk

ken voor van 12 (as), 6 (semis), 4 (triens), 3 (quadrans), 2 (sextans),


en 1 uncia, alsook semuncia.

De as blijft zijn gewicht van een rom. pond houden tot ongeveer
268 v. Chr. toen hij op 4 ons werd gebracht (aes trientalis) dus op
109.15 wichtjes, de onderdeelen naar evenredigheid. Dit jaar is te meer

merkwaardig daar van nu af de sextans en uncia in plaats van gego


1) Sedert 30 v. Chr. was OCTAvIANUs feitelijk alleenheerscher; doch eerst in 27
v. Chr. verkreeg hij van den Senaat den titel , Augustus.
*) Een os werd gelijk gesteld met 10 schapen. Men leest van kleinere boeten ad 2
schapen van grootere tot 30 ossen. 't Latijnsche woord voor vee = pecus, van
daar bezitting, geld = pecunia in 't fransch: geldboete = peine pcuniaire.
*) De zwaarst bekende weegt ruim 707 wichtjes de lichtste 2.21
*) Deze stukken heeten quadrussis (4 pond) en quincussis (= 5 pond).
*) Zwaar in tegenstelling met de latere lichte as-stukken.

MUNTEN

IDER

17

ROMEINEN

ten naar 't voorbeeld der Grieken geslagen worden en 't zilver als
gemunt metaal voor 't eerst in Rome verschijnt. Dit zilver werd op 't
kapitool in den tempel van JUNo Moneta 1) vermunt in stukken, die
gelijk waren aan:
10 as koper, gemerkt X, genaamd denarius, ruim 4.54 wichtjes.
V
quinarius 2.27
2!

X)

Yo

X)

Xo

IIS

>>

X)

sestertius

1.13

X)

Deze denarius, geslagen op 72 uit een pond, is geheel in navolging


van de grieksche drachme gemunt, en in 't algemeen zijn de beelde
naars der eerste romeinsche munten ontleend aan grieksche munten
van Illyri en Peoni. *) 't Zilver wordt nu betaalmiddel en 't koper
of brons pasmunt. De prijzen der voorwerpen oudtijds uitgedrukt in
assen, worden nu uitgedrukt in sestertii.
Een ander merkwaardig jaar is 217 v. Chr. toen bepaald werd dat
in plaats van 72 voortaan 84 denarii uit 't pond zouden gaan. Dit
gewicht van 3.9 wichtjes behoudt de denarius tot 't einde der Repu

bliek. In datzelfde jaar werd de as op 1 ons teruggebracht en ook


de as-stukken worden in 't vervolg geslagen, in plaats van gegoten.
Nog eens en wel in 89 v. Chr. werd 't gewicht van den as vermin
derd, hij woog nu slechts # ons. Eindelijk na geruimen tijd (74-15
v. Chr.) niet te zijn aangemunt verschijnt de as wer als 1/3 ons en
blijft op dit gewicht tot 't einde van 't Westersch Romeinsch Rijk *).
Goud komt onder de Republiek meestal slechts in baren voor. In
217 v. Chr. tijdens den strijd met HANNIBAL vermuntten eenige romein
sche veldheeren in Campania dit metaal en later onder SYLLA,
') MARCUs MANLIUs CAPIToLINUs woonde op 't kapitool toen de Galliers in 390 v.
Chr. hier Rome wilden binnensluipen. Hij werd door de aan JUNo gewijde ganzen
gewekt en belette de overrompeling. De godin JUNo kreeg hiervoor den eerenaam
Moneta (waarschuwster) en de beambten, die later in haar tempel 't zilver vermunt
ten monetarii.

*) De hoofdweg van 't verkeer met Griekenland liep over Brundisium (Brindisi) en
Dyrrhachium (Durazzo in turksch Albani).
*) 36 dezer assen waren dus in gewicht gelijk met het oude gelijknamige stuk ze worden daarom genoemd aes leve (licht koper) in tegenstelling met den vroegeren
aes grave.
2

18

MUNTEN DER

ROMEINEN

PoMPEJUs en JULIUs CESAR verschijnen weer gouden munten, thans


ten dienste van 't leger.
De besluiten der Comitiae, omtrent metaal, gewicht en beeldenaar
der munten, werden onder toezicht van den Senaat door de muntmees

ters 1), ten getale van drie, uitgevoerd (IIIVIRI A A A F. F. triumviri


aere, argento, auro flando feriundo). Ongeveer 254 v. Chr. begon het
hoofd dezer driemannen op de munten zijn familienaam *), aanvan
kelijk in monogram, later voluit, met toevoeging van praenomen en
soms ook van gentilicium te plaatsen. Dit gebruik heeft voortgeduurd
tot 't jaar 15 v. Chr. op de zilveren en tot 't jaar 4 v. Chr. op de
bronzen munten.

Tijdperk 268-254 v. Chr. (as = 109.15 wichtjes)


26 ll. Uncia. Vz. Gehelmd hoofd der Roma van links, achter 't hoofd
een punt.

Kz. ROMA Voorsteven van een schip (prora) daaronder een punt.
brons 11.75

BABELON I. blz. 47 N0. 19

ll. Semuncia. Vz. Mercuriushoofd van rechts.

Kz. ROMA Daaronder voorsteven van een schip.


brons 6.Niet bij BABELoN.

Tijdperk 217-89 v. Chr. (as = 27 wichtjes)


ll. Triens. Vz. Gehelmd hoofd der godin Roma van rechts, hierboven
4 punten (= 4 onsen).
Kz. ROMA Daaronder voorsteven van een schip.
A

brons 8.4

BAB. 63.51

29 ll. Sextans. Vz. Mercuriushoofd van rechts, waarboven 2 punten.


Kz. ROMA Voorsteven van een schip, hiervoor een cirkel
(grenspaal uit de renbaan),
brons 3.6
BAB. 64.23
') Vandaar worden de munten der Republiek ook, hoewel onjuist, romeinsche
familiemunten genoemd.
*) In dringende omstandigheden belastte de Senaat, sedert 114 v. Chr., ook andere
personen (quaestoren, edilen of praetoren) met den muntslag, hetgeen meestal door
de voorletters S. C. (Senatus consulto, door raadsbesluit) op de stukken werd aangeduid.

MUNTEN

19

DER ROMEINEN

Muntmeester: Lucius Saufeius 200 v. Chr.

30 ll. As. Vz. Gelauwerd hoofd van Janus, waarboven I.


Kz. L SAVF (VF in monogram); voorsteven ROMA. Boven aan
de munt een halve maan, links (heraldisch) I.
brons 16.85

BAB. II. 421.2

Marcus Atilius Saranus 174 v. Chr.

ll. As. V2. Als N0. 30.


Kz. M. ATILL Hieronder voorsteven besleten.
brons 26.5

BAB. I. 230.10

Lucius Sempronius Pitio 174 v. Chr.

ll. As. Vz. PIT-IO, waartusschen I, hieronder gelauwerd hoofd van


Janus.

Kz. L SEMP (MP in monogram), Voorsteven, ROMA voor


den voorsteven I.
brons 23.8

Verg. BAB. II. 431.3

Quintus Titius 90 v. Chr.


ll.

As.

Vz. Janushoofd.

Kz. QTITI; Voorsteven. Brons. Afgebroken.

BAB. II. 491.4

Tijdperk 89-74 v. Chr. (as = 13.5 wichtjes)


Lucius Titurius Lucii filius, Sabinus') 88 v. Chr.

34 ll. As. Vz. Gelauwerd Janushoofd, hierboven I.


Kz. . . . . TITVRIL (VR in monogram) Voorsteven . . .INVS
voor den voorsteven eene staande Zegegodin.
brons 12.Verg. BAB. II. 500.7
1) Dit is een aardig voorbeeld van de eigennamen der Romeinen. In de vroegste
tijden had ieder Romein slechts n naam, later twee en sedert de eerste jaren der
republiek drie: den voornaam (praenomen), bij 't schrijven meestal door de voor
letter aangeduid hier Lucius , den naam van het geslacht (nomen), meestal op
ius uitgaande hier Titurius en den naam der familie uit dat geslacht (cog
nomen) hier Sabinus. Soms werd nog een patronymikum hieraan toegevoegd hier Lucii filius, of een bijnaam (agnomen) b.v. Africanus, Asiaticus, deze laatste
komt bij bovenstaanden naam niet voor. De geslachtsnaam (nomen) der vrouw ver
kreeg een vrouwelijken uitgang b.v. Tituria.
2*

20

MUNTEN

DER

ROMEINEN

Caius Clovius 45 v. Chr.

35 ll. Midden brons. Vz. CAESAR DIC TER; Gevleugeld vrouwelijk borst
beeld van rechts.

Kz. C. CLOVI PRAEF; Gehelmde Pallas van links in


de rechterhand een zegeteeken, in de linker een schild en
4 werpspiesen aan hare voeten een kronkelende slang.
brons 12.35

BAB. I. 366.11

Waarschijnlijk ging CAIUs CLovIUs als generaal van CAIUs JULIUs


CAESAR met hem naar Spanje om daar de zonen van PoMPEIUs ten
onder te brengen, en liet bij deze gelegenheid dit stuk slaan.
CAESAR was voor de derde maal dictator in 4645 v. Chr.
Sextus Pompeius magnus 44 v. Chr.

36 ll. As. Vz. Gelauwerd Janushoofd.


Kz. PIVS voorsteven IMP.

SExTUs, 2e zoon van den grooten PoMPEIUs, zette na den dood zijns
vaders, den oorlog tegen JULIUs CAEsAR en later tegen OCTAvIANUs
voort. Hij werd bij Lesbos gevangen genomen en 35 v. Chr. ter dood
gebracht. Zijn bijnaam was Pius.
ROMEINSCH KEIZERRIJK 27 V. Chr. 476 n. Chr.

Burgertwisten tusschen Senaats- en volkspartij hadden den val der


Republiek voorbereid. CAIUs OCTAvIANUs, door 't leger tot de hoogste
macht gekomen, liet zich in 27 v. Chr. door den Senaat den titel
Augustus geven. Het hoogste gezag in de Republiek, dat tot dusver
bij den Senaat berust had, ging op n persoon, den Caesar '), over.
Onder keizer TRAIANUs (98-117) had Rome zijn grootsten omvang,
doch de verdediging van een rijk, dat zich over de geheele toenmaals
beschaafde westersche wereld uitstrekte, bleek op den duur ondoenlijk
door de voortdurende invallen der vijandige naburen.
CoNSTANTINUs (de eerste Christenkeizer 307-337) verlegde zijn
zetel van Rome naar Byzantium (sedert Constantinopolis).
') Sedert JULIUs CAESAR, de naam des heerschers van 't Romeinsche Rijk.

21

MUNTEN DER ROMEINEN

Na THEoDosIUs' dood (395) werd 't Romeinsche Rijk in twee deelen


gesplitst, zijn zoon ARCADIUs kreeg 't oosten, met Konstantinopel als

rijkszetel, diens broeder HoNoRIUs het westen, waarin Ravenna resi


dentie werd.

De grens liep van de golf van Sidra in Tripolis, noordelijk door


de Middenlandsche Zee, langs de turksche kust, door Servi, langs
den Theis door Hongarije, tot de noordgrens van 't Romeinsche Rijk.
Wij behandelen eerst de munten van 't Westersche, daarna die van

het Oostromeinsche Rijk.


Inmiddels drongen de Germanen steeds verder.
In

475

beklom

RoMULUs

AUGUSTUS

den

troon

te Ravenna maar

reeds in 't volgend jaar werd hij door ODovAKAR 1), hoofd der Herulen
onttroond en deze nam zelf als koning van Itali alle macht in
handen.

Gedurende de Republiek had de Senaat in Rome door zijne drie


mannen laten munten en buiten Rome was dit den legeroversten, als
uitvloeisel van hun imperium, veroorloofd geweest. In 44 v. Chr. ver
gunde de Senaat JULIUs CAESAR zijn beeltenis op de munten te plaatsen
en binnen Rome op 't kapitool te laten munten. Na CAESAR's dood liet
de Senaat korten tijd gouden munt slaan, met de voorletters S-C.
geteekend. Doch nauwelijks had OcTAVIANUs de alleenheerschappij ver
kregen of hij nam de vermunting der edele metalen, als keizerlijk
recht, geheel tot zich (15 v. Chr.) en liet aan den Senaat slechts 't
brons over, dat daarom steeds S-C gemerkt werd *). Het opzicht over
de gouden en zilveren munt kregen de keizerlijke procuratores de

driemannen behielden 't toezicht op de bronzen munt, in naam van


den Senaat.

Deze regeling bleef tot AURELIANUs, die ook de bronsvermunting


tot zich trok.

Onder de keizers werd geslagen in goud: aureus, waarvan er onder


OcTAvIANUs AUGUSTUs 40 in een rom. pond (327.45 wichtjes) gingen,

1) Op eene zijner munten komt ODOVAC voor.


*) De buiten Rome geslagen bronzen munten hebben S C. niet, aangezien de
generaals hiervoor de toestemming van den Romeinschen Raad niet noodig hadden.

22

MUNTEN DER ROMEINEN

later 50 en 60 en onder CoNSTANTINUs (307-337) eindelijk 72. Deze


waren in waarde gelijk aan 25 zilveren denarii.

De naam aureus wordt onder denzelfden CoNSTANTINUs vervangen


door solidus, terwijl de halve semissis en het derde deel triens

genaamd wordt.

In zilver: denarius (= '. aureus), die onder CoNSTANTINUs vervan


gen werd door een stuk, in waarde gelijk aan 1/1000 pond goud en
daarom miliarense genaamd, van deze miliarense gingen 12 op den
solidus. De # miliarense heette siliqua en deze was ook weer in
tween gedeeld.
Voor 't brons waren reeds onder AUGUSTUs de oude beeldenaars door

nieuwe, zonder aanduiding van waarde, vervangen hoofdzakelijk


daarom is 't tot dusver nog niet gelukt de in geschriften gevonden
muntbenamingen op bepaalde stukken toe te passen. Bij gebrek aan
iets beters worden nu de bronzen munten uit den keizertijd verdeeld
in groot, midden en klein bronzen, waarbij de grootere of kleinere
dikte der muntplaat, de grootte van 't hoofd en 't relief beslissen.
Octavianus Augustus 27 v. Chr.-14 n. Chr.

37 ll. Midden brons.

Vz. AWGWSTVS-TRIBWNIC-POTEST binnen 2


eikentakken door een strik verbonden.

K2. CCASSIWSCELER III VIR AAAFF. In 't Veld SC.


-

9.35

CoIIEN I. blz. 90, N0, 416

Cajus Cassius Celer was muntmeester in 15 v. Chr.


ll. Klein brons. Vz. LAMIA SILIWS ANNIVS en auguren staf.
Kz. III VIR AAAFF. In 't veld S C
2.8

COH. 88.393

39 ll. Klein brons. Vz. LAMIA SILIWS ANNIVS. In 't Veld een hoorn
van overvloed tusschen S-C
Kz, III VIR AAAFF. In 't veld een aanbeeld.
2.8

CoH. 88.394

Het muntmeesterschap van Lamia, Silius en Annius valt ook


in 't jaar 15 v. Chr.

23

MUNTEN DER ROMEINEN

40 ll.

Groot brons. Vz. CAESAR AVGVST PONT MAX TRIB . . . . Het

hoofd van Augustus van rechts.


K2. . . AECILIWS TVLLVS III VIR AAA . .
10.6

In 't Veld S. C
CoH. 93.437

Marcus Maecilius Tullus was muntmeester 12 v. Chr.


ll.

Klein brons. V2. L VALERIWS CATVLLVS. In 't Veld S C


Kz. III VIR . . . . FF. In 't veld een aanbeeld.
2.25

CoH. 98.478

Lucius Valerius was muntmeester van 9-4 v. Chr.


xx. Midden brons. Vz. . . . R DIVIAVGVSTVS . . Borstbeeld van rechts.

Kz. PONTIF . . . POT XXXIIII. In 't Veld S C Besleten.


CoH. 71.271

Het 34e tribunaatjaar van Augustus valt in 't jaar 11 n. Chr.


xx. Midden brons. Vz. Omschrift onleesbaar; hoofd van Augustus van
rechts.

K2. ASIN . . .VS III . . . AAA . . . In 't veld S-C Besleten.


CoH. 89.403

Caius Asinius Gallus was muntmeester in 't jaar 15.


Marcus Wipsanius Agrippa 27 --12 v. Chr.

Hij was vriend en veldheer van Augustus, huwde in 23 v. Chr.


diens dochter Julia, verkreeg 18 v. Chr. de tribuniciam potestatem
en + 12 v. Chr.
ll. Midden brons. Vz, M. AGRIPPA L F COS III

Kz. Neptunus tusschen S-C

10.5

CoH. 109.3

Agrippa met Augustus

45 m. Midden brons van Nemausus (tegenw. Nimes in Zuid-Frankrijk).


Vz. Bb. van Augustus en Agrippa; hieronder DIVI
Kz. Een krokodil van rechts, aan een palmboom geketend ;
hierboven COL | NEM 1)
') Dit is eene zoogenaamde koloniale munt. Ze werden geslagen in die steden,
welke door de Romeinen tot kolonin verklaard werden of de voorrechten der rom.

kolonin verkregen hadden. De meeste dragen latijnsche opschriften (COL gevolgd


door den stadsnaam) weinige, opschriften in 't grieksch (KOA). Ze komen tot in de
eerste helft der 3 eeuw n. Chr. voor.

24

MUNTEN

DER ROMEINEN

Tiberius 14-37
46 ll. Midden brons. V2. TI. CAESAR DIVIAVG . . . . GWSTIMP. VIII.
Hoofd van Tiberius van links.
Kz. PONTIF MAXTR POTXXX . . . . Ronde bol door een

scheepsroer gedekt beneden rechts een kleine bol.


CoH. 121.26

10.6

xx. Midden brons. Vz. TI CAESAR DIVI . . . . Hoofd als N0. 46.
Kz. PONTIF MAXIM TRIBVN POTEST XXXVI. In 't Veld

een gevleugelde merkuriusstaf tusschen S-C


CoH. 122.31

10.55

Caligula 37-41

xx. Midden brons. Vz. . . . . R AVG GERMANICVS PONMTR . . .


Caligula's hoofd van links.
Kz. Vesta zittende tusschen S-C Besleten.

CoH. 150.25

Caius Caligula was de zoon van Germanicus.


Claudius I 41-54

ll. Klein brons. Vz. TI CLAWDIWS CAESAR AVG.

In 't veld eene

hand, die een weegschaal vasthoudt.


Kz. COS DES IT PON MTR P. In 't Veld S C
2.75

CoH. 164.75

ll. Midden brons. Vz. TI CL AVDIVS CAESAR AVG P MTR PIM PPP.

Zijn hoofd van links.


Kz. Pallas met werpspies en schild tusschen S-C
9.6

CoH. 165.87

Zijn volle naam was Tiberius Claudius Drusus van hem zijn
de Aquae Claudiae, wier overblijfsels de romeinsche Campagna
zoo schilderachtig maken.
Ner0 54 68

51 ll. Midden brons. Vz. NERO CAESAR AVG GERM'IMP. Zijn gelau
werd hoofd van rechts.
Kz. PACE PR . . . . PARTA.

IANVM'CLVSIT. In 't veld de

gesloten tempel van Janus, met ingang links, tusschen S-C


9.5

COII. 198.179

MUNTEN DER

52 ll. Midden brons.

25

ROMEINEN

Vz. IMP NERO CAESAR AVG PMAX . . . .

PPP

Zijn hoofd van rechts, daaronder geen bol.


Kz. Gehelmde naakte figuur met een schild, naar rechts gaande
op 't schild SRQR het geheel tusschen S-C
Verg. Coh. 206.253

10.3

Vespasianus 69-79
ll.

Groot brons. Vz. IMP

CAES VESPAS AVG PM TRPPP COSIII

Zijn gelauwerd borstbeeld van rechts.


Kz. Naakte Mars tusschen S-C

27.4

CoH. 320.413

ll. Midden brons. Vz. IMP CAES VESP AVG PM TP COS VII Zijn
borstbeeld met antieke kroon 1) van rechts.

Kz. FELICIT-AS- . . . . BLICA De Geluksgodin tusschen S-C


11.5

CoII. 301.271

Flavius Vespasianus was ten derden maal consul in 't jaar


71 ten zevenden maal in 76.
Domitianus 81-96

xx. Midden brons. Vz. . . . . S DOMIT AVG GER . . . . ENSPO . . . . Zijn


borstbeeld met antieke kroon van rechts.
Kz. Onleesbaar.

10.7

CoH. 421.288

xx. Midden brons. Vz. IM . . . . OMITAVG GERMCOS . . . .

Kz. De godin der Munt tusschen S-C Van 't randschrift is


alleen M leesbaar.

9.6

CoH. 433.378

xx. Tessera 2). Vz. Gekroond borstbeeld van den Tiber van rechts.
Kz. Wolf, Besleten.
CoHEN VI. 544.15
Traianus 98-117

58xx. Denarius. Vz. IMP TRAIANO AvG GERDAC PM... CosVIPP


Zijn gelauwerd borstbeeld van rechts.
Kz. S. P. Q R OPTIMO PRINCIPI Drie legerstandaarden.
3. -

') In 't fransch couronne radie.

') Waarschijnlijk toegangsbewijzen tot theaters of baden.

CoHEN II. 44.274

26

MUNTEN

DER ROMEINEN

59 m. Denarius. Vz. IMP TRAIANO AVG GER DAC PM TR P COS VI PP

Zijn gelauwerd borstbeeld van rechts.


Kz. SPQR OPTIMO PRINCIPI. In de afsnede ALIM ITAL.

De godin van den Overvloed met haar hoorn en korenaren


en een kind aan hare voeten.

COH. 5.14

Hij bekleedde ten zesden maal 't consulaat in 102 en is de


eerste keizer, die den eernaam OPTIMO PRINCIPI van den
Senaat verkreeg.
Hadrianus 117-38

ll. Groot brons. Vz. . . . . RIANVS

AVGCO. . . . Zijn gelauwerd borst

beeld van rechts.

Kz. FEL . . . . AVG De Geluksgodin tusschen S-C


CoH. 204.822

21.8

xx. Groot brons.

V2. IMP CAESAR TRAIANWS HADR . . . . Borst


beeld als N0. 60.

Kz. PONT . . . De zittende Fortuna op de afsnede FORTRED


(Fortuna reduci).
22.55
CoH. 216.906
Antoninus Pius 138-61

xx. Klein brons. Vz. Zijn gelauwerd borstbeeld van rechts, omschrift
onleesbaar.

Kz. Gevleugelde mercuriusstaf tusschen S-C


CoH. 353.529

2.15

xx. Klein brons. Vz. ANTONINVS AVG PIVS PP Zijn gelauwerd


borstbeeld van rechts.

Kz. CO-S-IIII De godin des Overvloeds (valsch).


CoH. 412.990

Faustina vrouw van Antoninus Pius f 141


64 ll. Groot brons. Vz, DIVA-FAVSTINA Haar borstbeeld van rechts.

Kz. AETER-NI . . . . De godin der Eeuwigheid, in de rechter


hand een bal met vogel (fenix) in de linker het onder
gedeelte harer stola tusschen S-C
29.2

CoH. 439.141

MUNTEN DER

27

ROMEINEN

65 xx. Midden brons. Vz. DIVA AVGVS . . . Haar borstbeeld van rechts.
Kz. Altaar.

10.5

COH. 450.262

Marcus Aurelius 161-80

ll. Groot brons. Vz. AVRELI. ... AES-AR AVG PII FIL Zijn borst
beeld van rechts.

K2. TR POT VIIII. . . . Pallas tusschen S--C


CoH. 551.673

24.35

xx. Groot brons. Vz. Borstbeeld van rechts, omschrift onleesbaar.


Kz. Mars met lans naar links gaande, tusschen S-C
20.8
Verg. CoH. 562.756
Faustina de Jongere vrouw van Marcus Aurelius f 175
xx. Denarius. Vz. FAVSTINA AVGVSTA Haar borstbeeld van rechts.

Kz. IVNONI REGINAE De godin Juno met lans; aan hare


voeten een gans. Besleten.
CoH. 583,51
Commodus 180-92

xx. Midden brons. Vz. . . . COMMODVS . . . Zijn gelauwerd borstbeeld


van rechts.

Kz. . . . COS IIIIP . . . De godin Roma, op een schild zittend,


tusschen S-C

9.5

COHEN III. 157.658

xx. Midden brons. Vz. . . . . LIX AVG BRIT Zijn gelauwerd hoofd van
rechts.
Kz. WOT XX - PMTRPXV IMP VIII - COS VI SC in

5 regels binnen een lauwerkrans. 9.2

COH. 187.865

Commodus was consul voor den vierden keer in 185 en voor


den zesden keer in 190.

Pertinax 193 regeert 2 maanden en 25 dagen

71 xx. Denarius. Vz. IMP CAES P HELV PERTIN AVG Zijn gelauwerd
borstbeeld van rechts.

Kz. OPI-DIVIN TR P COS II De godin der Rijkdom, zittend,


houdt twee korenaren.
3.
Verg. CoH. 201,14

28

MUNTEN DER ROMEINEN

Gordianus lll Pius 238-44

72 ll. Groot brons. Vz. IMP GORDIANVS PIVS FEL AVG Zijn gelauwerd
borstbeeld van rechts.

Kz. LAETITIA AVG N. De godin der Vreugde met krans en


anker tusschen S-C

21.55

CoHEN IV. 157.242

Philippus de Oudere (Arabs) 244-49

xx. Denarius. Vz. IMP IVL PHILIPPVS PIVS FEL AVG Zijn borst
beeld met antieke kroon van rechts.

Kz. SPES FELICITATIS ORBIS De godin der Hoop met twee


bloemen naar rechts.

4.5

CoH. 186.99

ll. Groot brons. Vz. IMP M IVL PHILIPPWS AVG Zijn gelauwerd
borstbeeld van rechts.

Kz. De godin van den Overvloed tusschen S-C Omschrift


onleesbaar.

CoH. 190.131

19.2

0tacilia vrouw van Philippus den Oudere


ll. Groot brons. Vz. . . . . CIAOTACIL . . . . EVERA AVG Haar borst
beeld met diadeem van rechts.

Kz. PVDICITIA . . . . De godin der Eerbaarheid zittend.


CoH. 213.59

Besleten.

Haar naam voluit was MARCIA OTACILIA SEvERA.


Philippus de Jongere 244-49

ll. Groot brons. Vz. IMP M IVL PHILIPPVS AVG Zijn gelauwerd
borstbeeld van rechts.

K2, SAECWLARES AVG Eland naar rechts.


17.75
Verg. CoH. 225.71
Deze PHILIPPUs regeerde tegelijk met zijn vader, beiden werden
in 249 vermoord. Hunne munten zijn te onderscheiden door

de borstbeelden.
Traianus Decius 249-51

77 xx. Denarius. Vz. IMP CM . . . . AIANVS DECIVS AVG Zijn borstbeeld


met antieke kroon van rechts.

Kz. ADVENTVS AVG De keizer te paard naar rechts rijdend.


3.2

CoH. 233.4

Zijn naam voluit was CAIUs MEssIUS QUINTUS TRAIANUs DECIUs.

MUNTEN

DER

29

ROMEINEN

Gallienus 253-68

78xx. Groot brons. Vz. IMP . . . IC GALLIENVS PF AVG Zijn gelauwerd


borstbeeld van rechts.

Kz. FE . . . AS AVG De Geluksgodin tusschen S-C Beschadigd.


Saloninus 253-59

Zoon en mede keizer van Gallienus; zijne namen waren PUBLIUs


LICINIUs CoRNELIUs VALERIANUs SALoNINUs.

m. Denarius. Vz. VALERIANVS CAES. Zijn borstbeeld met stralen


kroon van rechts.

Kz. IOVI CRESCEN. I De kleine Jupiter rijdende op de geit


CoH. 482.18

Amalthea.
Claudius II 268 70

xx. Klein brons. Vz. Hoofd van Claudius van rechts.

Kz. De Gerechtigheid Omschriften onleesbaar.


Verg. CoHEN V. 85.33
xx. Klein brons. Vz. DIVO CLAVDIO 1) Zijn hoofd met stralenkroon
van rechts.

Kz. CONSECRATIO Arend naar links ziende.


2.4

CoH. 88.49

xx. Klein brons. Vz. . . . . WO CLAWDIO Peeld als N0. 81.

Kz. CONSECRATIO Vlammend altaar. Beschadigd. CoH. 88.52


xx. Klein brons. Vz. CL . . . . S AVG. Beeld als N0. 81.
Kz. Niet te ontwarren.

Verg. CoH. 102.170

Aurelianus 270-75

84 xx. Midden brons. Vz. IMP AVRELI ANVS AVG Zijn gelauwerd
borstbeeld van rechts.

Kz. CONCORDI. . . Aurelianus en Severina (zijne vrouw)


elkaar de hand gevend.
6.2
CoII. 129.42
1) 't Was een vroom gebruik algemeen beminde keizers na hun afsterven onder
de goden te plaatsen. Deze heiligverklaring (consecratio) wordt dikwijls op munten,
na hun dood geslagen, vermeld. Vandaar op deze voorzijde: ,,Aan den goddelijken
CLAUDIUs.

30

MUNTEN

85 xx.

DER

ROMEINEN

Klein brons. Vz. IMP AVRELIANVS AVG Zijn geharnast borst


beeld met antieke kroon van rechts.
Kz. CONCORDIA MILIT . . . . Beeld als N0. 84.
3.2

XX.

CoH. 133.73

Klein brons. Vz. . . . . LIANVS AVG. Beeld als N0. 85.

Kz. Twee staande figuren; omschrift onleesbaar.


Verg. CoH. 134.79
XX.

Klein brons. Vz. Hoofd van den keizer met antieke kroon. Omschrift
onleesbaar.

Kz. IOVI CONS . . . . Staande naakte figuur met lans; in de


afsnede AXPI.
Verg. CoH. 138.111
Probus 276-82

. Klein brons. Vz. IMP CM AVR PROBWS AVG Zijn borstbeeld met
stralenkroon van rechts.

Verg. CoH. 245.117

Kz. Onleesbaar.
XX.

Klein brons. Vz. Borstbeeld van Probus van rechts; omschrift on


leesbaar.

Kz. FIDES M ILITVM De godin der Trouw met twee leger


standaarden.
Verg. CoH. 262.261
XX.

Klein brons. Vz. IMP PRO BVS PF AVG Zijn borstbeeld met
antieke kroon van rechts.

Kz. SOLI INVICTO


rechts rijdend.

De Zonnegod in eene quadriga naar


3.45

CoH. 292.506

Carinus 283-85
XX.

Klein brons. Vz. IMP CARINVS PF AVG Zijn borstbeeld in harnas


met antieke kroon van rechts.

Kz. AEQVITAS AVG De Gerechtigheid met weegschaal en


hoorn van overvloed; in de afsnede KAz (liggende N).
2.85

CoH. 352.45

Diocletianus 284-305 1)
92 xx.

Klein brons. Vz. . . . .DIOCLE. . . . AVG Zijn borstbeeld met antieke


kroon van rechts.

') CAIUs VALERIUs DIoCLETIANUs werd tijdens de regeering van CARINUs door 't
oostersche leger tot Augustus uitgeroepen.

31

MUNTEN DER ROMEINEN

K2.

CONCORDIA MILITVM Twee krijgslieden; tusschen hen


CoH. 394.139

NS
93 m.

Midden brons. Vz. IMP C DIOCLETIANVS PF AUG. Zijn gelau


werd borstbeeld van rechts.
*

Kz. GENIO POPV | LI ROMANI Genius, met den eigenaar


digen modius tot hoofddeksel, houdt in de linkerhand een
hoorn des overvloeds, rechterhand onduidelijk. CoH. 399.176
XX.

Klein brons. Vz. IMP DIOCLETIANVS PF AVG. Beeld als N0. 92.

Kz. Lauwerkrans ; 't veld onleesbaar.

Verg. CoH. 424.366

Maximianus 286-305

Werd door zijn vriend DIoCLETIANUs in 286 tot medekeizer


benoemd, legde deze waardigheid neder in 305 en stierf 310.
XX.

Klein brons. Vz. . . . . XIMIANO SEN FORT IMP Zijn gelauwerd


borstbeeld van rechts.

Kz. . . . . AETERNAE Leeuw van rechts. Besleten.


CoH. 482.325
XX.

Klein brons. Vz. Zijn hoofd met antieke kroon van rechts, omschrift
onleesbaar.

Kz. WOT XX P in drie regels, binnen een lauwerkrans.


CoH. 498.457

2.9
XX.

Klein brons. Vz. Als voren.

Kz. VOT X XX in drie regels, binnen een lauwerkrans.


CoH. 499.463

Besleten.
Constantius I Chlorus 305-6
rr.

Midden brons. Vz. FL VAL CONSTANTIVS . . . . Zijn gelauwerd


borstbeeld met kuras van rechts.

Kz. . . . . AVG | GET CAESS NN De godin der Munt met


weegschaal en hoorn van overvloed.
7.4
99 xx.

Midden brons. Vz. CONSTANTIVS NOB CAES

CoH. 577.193

Zijn gelauwerd

borstbeeld van rechts.

Kz. SACRA MONET AVGG ET CAESS NOSTR. De godin der

Munt met weegschaal en hoorn van overvloed; in 't veld H.


8,3

CoH. 582.229

32

MUNTEN

100 xx.

DER

ROMEIN EN

Klein brons. Vz. CONSTANTIVS NOB CAES

Zijn borstbeeld

met antieke kroon van rechts.

Kz. VOT XX A in drie regels, binnen een lauwerkrans.


2.7
XX.

CoH. 586.261

Dezelfde munt, doch Kz. derde regel r


Maxentius 306-12

XX.

Midden brons. Vz. IMP CMAXENTIVS PF AVG Zijn gelauwerd


hoofd van rechts.

Kz. Tempel met kolommen; omschrift onleesbaar.


CoHEN VI. 33.46
XX.

Midden brons. Vz. . . . . AXENTI VS . . . . Beeld als N0. 102.

Kz. Tempel met zes kolommen; in den ingang zit de godin


Roma met lans en bol. Omschrift onleesbaar.
CoH. 34.52
XX.

Klein brons. Vz. MAXENTI VS PF AVG. Beeld als N0. 102.

Kz. VOT VQ MVL - X in vier regels, binnen een krans.


1.85

CoH. 42.112

Licinius de Oudere 307-23

. Klein brons. Vz. IMP C VAL LICIN.... IVS P F AVG Zijn


borstbeeld met antieke kroon van rechts.

Kz. IOVI . . . . TORI Jupiter met een arend, een gevangene


aan zijn voeten. In 't veld X; in de afsnede MHLB.
2.8

CoH. 62.89

Constantinus Magnus 307-37


XX.

Klein brons. Vz. Het gelauwerd borstbeeld van Constantinus van


rechts.

Kz. Een banier tusschen twee soldaten, omschrift onleesbaar.


Verg. CoII. 137.308
107 xx.

Klein brons. Vz. DN !) CONSTAN.... Nvs PF AvG zijn gelau


werd borstbeeld van rechts.

1) AURELIANUs (270-75) is de eerste keizer, die zich op de munten DOMINVS

noemen laat sedert CoNSTANTINUs trad deze titel (Dominus noster) geheel in de
plaats van Imperator, en ging ook op de byzantijnsche munten over.

MUNTEN

DER

33

ROMEINEN

Kz. GLORIA EXERCITVS In 't midden een banier; aan


iedere zijde een soldaat met lans; in de afsnede CONST
CoH. 138.312

1.5

108 xx.

Klein brons. Vz. Beeld als N0, 107. Omschrift onleesbaar.

Kz. GLORIA EXERC . . . . In 't midden twee legerstandaar

den; aan iedere zijde een soldaat met lans. De afsnede


onleesbaar.

2.55

CoH. 139.316

m. Klein brons. Vz. CONSTAN-TINVS AVG Zijn gelauwerd borst


beeld van rechts.

K2. PROVIDEN-TI.AE AVGG Door twee torens versterkte

poort; hierboven een achtpuntige ster.

CoH. 154.433

xx. Klein brons. Vz. IMP CONSTANTIN . . . . Zijn gelauwerd borst


beeld van rechts.

Kz. SOLI IN VI. . . . De staande Zonnegod. CoH. 157.459


xx. Klein brons. Vz. . . . .NSTAN. . . . AVG Zijn gelauwerd borstbeeld
van rechts.

Kz. SOLI IN . . . . TO COMITI Beeld onduidelijk; in 't veld


S-D

2.5

CoH. 159.471

xx. Klein brons. Vz. IMP CONSTANTINVS PF AVG Zijn gelauwerd


borstbeeld van rechts.

Kz. . . . . CTO COMITI Naakt beeld naar links geneigd. In


't veld F; in de afsnede AB
CoH. 159.474
m. Klein brons. Vz. IMP CONSTANTINVS PF AVG Zijn gelauwerd
borstbeeld van rechts.
K2. SOLI INV-I- CTO COMIT . .

De

Zonnegod met

bol

in de linkerhand, de viervingerige rechterhand omhoog

geheven.

CoH. 160.479

114 xx. Klein brons. Vz. VRBS-ROMA Gehelmd hoofd der stedemaagd
naar rechts.

Kz. De wolvin naar rechts, Romulus en Remus zoogend.


In de afsnede TAHe; boven de wolvin twee sterren.
2.3

CoH. 179.13
3

34

MUNTEN

DER ROMEINEN

Constantius II 336-61

115 xx. Klein brons. Vz. DN CONSTAN . . . . Zijn gelauwerd borstbeeld


van rechts; achter 't hoofd B
Kz. . . . . PARATIO Een soldaat met schild, doorsteekt een
vallenden vijand.
CoH. 313.219
xx.

Klein brons. Vz. . . . . TAN TIWS P . . . . Beeld als N0. 115,


K2. . . . . TEMP- . . . . Beeld als N0. 1 15.
CoH. 313.220

xx. Klein brons. Vz. . . . . TIWS . . . . Beeld als N0. 115.


K2. FEL TEMP-REPARATIO Beeld als N0. 1 15.
CoH. 313.222

xx. Klein brons. Vz. CONSTAN . . . . PF AVG Als N0. 11 5.

Kz. VICTORIAE DD AVGG QNN Twee Zegegodinnen met


krans en lans, elkander aanziende. In de afsnede II-O
door een palmtak gescheiden.
CoH. 320.272
Constans | 337-50

m. Midden brons. Vz. DN CONSTA-NS PF AVG Zijn borstbeeld


met

diadeem

van

links de

rechterhand

omspant een wereldbol.


Kz. FEL TEMP REPA-RATIO Een soldaat, met lans ge
wapend, trekt een gevangene uit diens woning. In de
afsnede R#P

COH. 265.120

Magnentius 350-53

m. Midden brons. Vz. DN MAGNEN-TIVS PF AVG Zijn borstbeeld


van rechts, achter 't hoofd A.
Kz. VICTORIAE DD NN AVG ET CAES Twee Zegegodin

nen houden een krans omhoog, waarin VOT |V |MVLT|X


In de afsnede TR . . (?)

CoH. 337.59

Julianus H 360-63

121 xx. Klein brons. Vz. DN FL CL . . . . NVS PF AVG Julianus' gehelmd


borstbeeld van links.

Kz. VOT | X | MV LT | XX in een lauwerkrans.


2.4

CoH. 376.132

MUNTEN DER

35

ROMEINEN

Gratianus 367-83

Hij werd in 367 door zijn vader tot Augustus verheven,


doch volgde dien eerst in 375 op.
122 xx.

Klein brons. Vz. Zijn borstbeeld van rechts; omschrift onleesbaar.


K2. . . . . REPARATIO Beeld onduidelijk. Verg. CoH. 435.51

XX.

Klein brons. Vz. DN GRATIANVS PF AVG Zijn borstbeeld met


diadeem van rechts.

Kz. GLORIA RO- . . . . Een soldaat sleept een gevangene


bij de haren voort en houdt in de andere hand een banier
met 't monogram van Christus (XP aaneen).
2.15

CoH. 436.55

Valentinianus Il 375-92

XX,

Klein brons. Vz. DN VALE . . . AVG Zijn borstbeeld met diadeem


van rechts.

Kz. SECVRI . . . VBLICAE Een staande Zegegodin met krans


en palmtak. In de afsnede SMAOS
1.9
125 xx.

CoH. 448.47

Klein brons. Vz. DN VALENTINIANVS PF AWG Borstbeeld als


N0. 124.

Kz. VICTOR-IA AVGGG. Beeld als N0. 124; afsnede on


duidelijk.
2.2
CoH. 448.50

3*

G R O EP II

EUROPEESCHE MUNTEN DER MIDDEN


EEUWEN (500-1500)
Het Byzantijnsch Rijk opent deze groep hieraan sluiten zich
de Franken, die onder hunne merovingische vorsten de byzantijnsche
munten nabootsten.

Van de andere landen: Duitschland, Hongarije, Nederland, Belgi,

Luxemburg, Engeland, Itali, Spanje en Griekenland is het aantal


middeneeuwsche stukken in deze verzameling zoo gering, dat wij die
met de jongere exemplaren in Groep III vereenigd hebben, om het
geheel niet te veel te versnipperen.

BYZANTIJN SCH 1) KEIZERRIJK

Wij hebben op blz. 21 gezien dat in 395 ARCADIUs keizer werd


der oostelijke helft van 't Romeinsch Keizerrijk met de hoofdstad
Konstantinopel. Deze scheiding bleef bestendigd en terwijl het Wester
sche Rijk met rassche schreden zijn val te gemoet ging, werd het
Byzantijnsche Rijk meer en meer versterkt en uitgebreid.
Keizer IoESTINIANos I (527-65) voegde in 534 geheel Noord-Afrika
1) De stad Byzantion was in 't jaar 330 door CoNSTANTINUs den Groote, onder
den naam Constantinopolis, tijdelijk tot hoofdstad van 't geheele Romeinsche Rijk
verheven. Na de scheiding bleef zij het van 't Oostersche Rijk vandaar het bijvoeg.
n w. ,,byzantijnsch.

BYZANTIJNSCH KEIZERRIJK

37

(rijk der Wandalen) en in 555 Itali (rijk der Oostgoten) en Spanje


bij zijn rijk.
De invallen der aangrenzende volken (in 't N. de Bulgaren, Serven
en Russen en in 't O. de Persen) vermochten aanvankelijk het Byzan
tijnsch Rijk niet blijvend te verkleinen in de 7e eeuw echter trad
in Azi een vijand op, die langzaam maar zeker voortrukkend, steeds
grooter stukken van 't Byzantijnsch Rijk afscheurde en dit ten slotte
geheel veroverde: 't zijn de Mohammedanen, in verschillende stammen
verdeeld.

Phoenici, Palestina en Syri vallen 634-39 den Arabieren in


handen; deze vestigen zich tegen 718 op verschillende eilanden der
Middenlandsche Zee gedurende de 11e eeuw gaan vele bezittingen
in Azi aan de Seldsjoeken verloren en in de 13e eeuw dagen de
Osmanen uit 't Oosten op. Zij bemachtigen in 1356 de eerste euro
peesche stad (Gallipoli) en 1453 houdt Sultan MoHAMMED II zijn zege
vierenden intocht in Konstantinopel (Vervolg zie onder Turkij).
De munten bleven aanvankelijk de romeinsche type behouden en
eerst tegen 't einde der 5e eeuw bespeuren wij de eerste afwijking
grieksche letters mengen zich in de nog latijnsche omschriften, de
figuren worden stijf en hoekig en de borstbeelden der keizers gelijken
elkaar alle in de 8e eeuw wordt 't latijn meer en meer door

grieksch verdrongen en sedert 1100 komen op de munten uitsluitend


grieksche opschriften voor. De munten tusschen 600 en 650 geslagen
getuigen wel van 't grootste verval in de stempelsnijkunst.
Geslagen werden in goud: solidus 1) (ruim 4.5 wichtjes), met halve
(semissis) en derde (triens).
in zilver: miliaresion 2) (= 1/12 gouden solidus) op een gewicht van
+ 6.75 w. De 1/2 miliaresion heette siliqua; sedert + 500 keratia.
in brons, het kleinste stuk nummium geheeten met veelvouden van
5, 10, 20, 30 en 40 nummia. Het stuk van 40 nummia werd follis

genoemd, en was in waarde gelijk aan 1/12 siliqua.


') Solidus met onderdeelen werden ook wel: nomisma, zmismion en trismizion

genoemd.
*) Deze munt, in 't latijn miliarense genaamd, had de waarde van 1/1ooo pond goud,
vandaar de naam.

38

BYZANTIJNSCH KEIZERRIJK

loestinianos I 527-65

126

ll.

160 Jaar. Follis van Konstantinopel (Groote proefmunt).


'V2. DN IVSTINI-ANVS PP AVI Zijn borstbeeld met harnas
en diadeem van voren gezien, in de rechterhand hemel
bol met kruis.
K2

---

M beteekenend 40 nummia 1); hierboven een kruis.

Rechts ANNO; links X met liggende grieksche vau.


Tusschen de M, als muntteeken, e. In de afsnede CON
Verg. SABATIER 13.13
loestinos ll en Sofia 565-78

ll.

80 Jaar.

Follis van Theoepolis.


Ioestinos en zijne vrouw Sofia zittend, tusschen hen een
lang kruis op een hemelbol. Omschrift . . . .LANCLL
. M (= 40 nummia); hierboven een kruis. Rechts ANNO;

--

links

VIII.

Tusschen

de

M het muntteeken T

afsnede (SHUP0

In de

Verg. 22.1

Flabi0s Tiberios Mauritios 582-602

ll.

20 Jaar.

Follis van Konstantinopel.

Vz. DN . . . . -RCPP AVG. Beeld als N0. 126.


Kz.

M. Hierboven een kruis. Rechts ANNO; links II Tus


schen de M het muntteeken T In de afsnede CON
24.18

ll.

40 Jaar. Follis van Nikomedia.


Vz, . . . . AV. . . . Beeld als N0. 126.
Kz.

M. Hierboven een kruis. Rechts ANNO; links II | II


(twee aan twee boven elkaar). Tusschen de M het munt

teeken T (liggend). In de afsnede NIKO


130

ll.

60 Jaar.

Plaat 24.

Follis van Konstantinopel.

Vz, . . . . AVRICI-TIbRPPAW Beeld als N0. 126.


K2.

Als N0. 128, doch links van M 't jaar VI en in de


afsnede CO . . . .

24.18

1) Dit is een voorbeeld van het oude gebruik om letters tot 't uitdrukken van
getallen te bezigen. Eerst in de 13 eeuw maakten de Arabieren 't gebruik van cijfers
in Europa bekend.

BYZANTIJNSCH

131

ll.

KEIZERRIJK

39

110 Jaar. Halve follis.

Vz. DN M . . . . PPAW Beeld als N0. 126.

Kz. K (= 20 nummia). Boven een A, rechts ANNO, links


XI; beneden A.
Verg. 25.10

Volksverhuizing
Reeds in de 3e eeuw hadden verschillende germaansche stammen
Noord-Europa verlaten en eenige noordelijke provincin van 't Romein
sche Rijk bezet; doch eerst een eeuw later viel de groote volksver

huizing voor. Op 't einde der 4e eeuw ondernamen de Hunnen, uit Azi
komend, hun woesten zwerftocht door Europa. Wat zij vonden werd
onderworpen of op de vlucht gedreven. 't Gevolg was dat de vluchtende
Germanen op romeinsch gebied uitweg zochten, zelve als veroveraars

optraden, groote deelen van 't Westersch Romeinsch Keizerrijk afscheur


den en den laatsten keizer in 476 afzetten.

In 500 waren alle provincin van 't vroegere Westersch Romeinsch


Keizerrijk in nieuwe staten veranderd. Van de meeste dezer staten zijn
munten tot ons gekomen '); alle slaafsche nabootsingen van de toen
in geheel Europa gangbare byzantijnsche stukken.
In deze verzameling komen alleen munten der Franken voor.

F R, A NK IS CH R, IJK

Onder den algemeenen naam van Franken hadden zich tegen 't einde
der 3e eeuw verschillende germaansche volken tusschen Rijn en Schelde
gevestigd. Zij breidden onder hunne koningen (Merovingen en Karo
1) Zoo kennen wij munten van ODov AKAR, die in 476 den laatsten romeinschen
keizer RoMULUs AUGUSTUs van den troon stiet van de Oostgoten en Longebarden
in Itali, van de Boergondirs in Zuid-Frankrijk, - van de Sueven en Wandalen
in Spanje en van de Wandalen in Afrika.

40

FRANKISCH

RIJK

lingen) hun gebied meer en meer uit en toen door de oorlogen van
hun koning KAREL DEN GRooTE (768-814) het Frankische Rijk zich
over 't tegenwoordige Frankrijk, Belgi, Nederland, Noord-Duitschland
tot aan de Elbe, Zuid-Duitschland en Oostenrijk tot aan den Theiss,

Zwitserland en Itali tot aan den Tiber, benevens Noordelijk Spanje


tot aan den Ebro, uitstrekte, werd deze in 800 1) te Rome door den
paus *) tot keizer (Augustus) gekroond, waardoor 't Roomsch-Duitsch
Keizerrijk gegrondvest werd, als steun tegen het schismatieke Byzantium.
In 843 had reeds de verdeeling van dit groote rijk plaats onder
KARELs' kleinkinderen.

19. LoDEWIJK de Duitscher kreeg Oost-Franken zie verder onder


Duitschland.

29.
3.

KAREL de Kale, West-Franken zie verder onder Frankrijk.


LoTHARIUs, Itali, Boergondi en Lotharingen deze landen
werden later tusschen Duitschland en Frankrijk verdeeld.

De Franken hadden onder hunne merovingische vorsten den munt


voet van keizer CoNSTANTINUs behouden, d. i. 72 solidi uit 1 pond goud.
Zij sloegen echter zelden den geheelen solidus, meestal zijn derden deel
= triens of tiers de sol.

Als beeldenaars gebruikten zij sedert de 5e eeuw nabootsingen van

de byzantijnsche trientes, voegden, evenals de Oostgoten in Itali en de


Wandalen in Afrika (Karthago) 't monogram hunner vorstennamen daar
aan toe en eerst van THEUDERICH (THIERRY) I van Austrasi (511-34)
bestaan koperen munten met den frankischen vorstennaam voluit.
In de 2e helft der 6e eeuw verschijnen de namen der monetarii
(muntmeesters) op de munten en weldra verdringen deze bijna geheel
de namen der vorsten, totdat PIPPIN de Korte hieraan een einde maakte.

Hij verving den gouden, door den zilveren muntvoet en in 775 be


paalde zijn zoon KAREL DE GRooTE, dat uit 't door hem verspreide
') De jaartallen zijn vergeleken met den Manuel d'histoire etc. par A. M. H. J. Stokvis.
*) De eerste frankische koningen hadden nog, zij 't ook maar in naam, den byzan
tijnschen keizer, als opperheer erkend.

41

FRANKISCH RIJK

oud-germaansche pond (= 367.13 wichtjes) zilver voortaan 240 denarii


zouden geslagen worden 2 obolen. Twaalf dezer denarii werden een
zilveren solidus genaamd.
Nabootsingen van byzantijnsche stukken VIe eeuw
132 vv. Tiers de sol (triens solidi) = 1/3 solidus.
Vz. Vorstelijk borstbeeld van rechts; 't omschrift bestaat
uit hoeken en strepen, die letters nabootsen.
Kz. Kruis tusschen twee teekens, die alpha en omega moeten
aanduiden, omschrift onleesbaar.
G.

1.25

v. D. CHIJs. XX.5

Deze nabootsingen worden dikwijls in ons land gevonden


en zijn misschien in Maastricht, Utrecht of Wijk-bij-Duur
stede geslagen.

Als voorbeeld dienden munten van den byzantijnschen keizer


IoESTINos (518-27).

vv. Tiers de sol. Vz. Vorstelijk borstbeeld.


Kz. Eene nabootsing van eene gevleugelde Zegegodin de
omschriften onleesbaar.

G. 1,32

I. 12

Nabootsing van een triens van den byzantijnschen keizer


IoESTINIANos I (527-65).

Munten met plaatsnamen


Parisius (Parijs)
i.

Verg. DE BELFoRT 3427.

Denier.

Dorestat (Wijk-bij-Duurstede)
135 vv. Tiers de sol.

Vz, AORESTATFIT Borstbeeld met diadeem van


rechts.

Kz. MAAELINVS M Een gevoet kruis, waaronder zes punten.


De tweede M staat voor Monetarius (Muntmeester).
G. 1.26

BELFoRT 1761

42

FRANKISCH RIJK

Traiectum (Utrecht of Maastricht)

Traiectum ad Rhenum (Utrecht) hoofdstad der gouw Niftarlake werd


onder den frankischen koning DAGoBERT I (628-38) voorgoed op de
Friezen veroverd en in 696 tot zetel aan bisschop WILLEBRORDUs aan
gewezen.

In Traiectum ad Mosam (Maastricht) werd reeds in 595 een rijksdag


gehouden. Beide plaatsen waren in 't frankische tijdvak belangrijk, in
beide werd gemunt.
Tot dusver is het nog niet gelukt alle stukken met TRIECTO FIT,
tusschen de twee munthuizen te verdeelen; de vergelijkende studie der
munttypen zal in deze den weg moeten banen.
136 vv. Tiers de sol. Vz. + TRIECTO FIT + Borstbeeld met diadeem
van rechts.

Kz. MAGANONE MON Een gevoet patriarchaal kruis, waar


onder zes punten.
G. 1.25
BELFoRT 4467.
vv. Tiers de sol. Vz. Als N0. 136.

Kz. BOSONE MO Een gevoet kruis tusschen twee punten


onder 't kruis een punt tusschen twee krukkenkruisjes.
G. 1.18

BELFoRT 4458.

vv. Looden munt (?) Vz. Een kerkje.


K2 Een gelijkarmig kruis; tusschen ieder arm drie punten.
v. D. CHIJs XX.15

Munten met vorstennamen

Pippin de Korte 751-68

139 vv. Denarius. Vz. zIPv (Pv in monogram) I 2 ; boven de P en onder


de 2 drie punten.
Kz. AP (in monogram) - F; daarboven twee haakjes.
Z.
Beschadigd. Vz. v. D. CHIJs X, 18. Kz. X, 12
Niet bij GARIEL.

43

FRANKISCH RIJK

Karel de Groote 768 (800 keizer) -814


140 vv. Denarius. Vz. - OoR | ST1T in twee regels. Hieronder een helle
baard.

Kz. CARo (AR als monogram) | LVS.

CEREXHE 39.

Lodewijk de Wrome 814-40


vv. Solidus. Vz. CIIIIWWIOOU IIH AWG Borstbeeld met diadeem
van rechts.

Kz. IIIIV IIIIV IIIV IIIIO In 't midden een grieksch kruis.
G. 4.5
Verg. GARIEL XIV. 13
De ruwe omschriften moeten beteekenen Vz. DN HLUDO
VVICWS IMP. AVG. en K2. MVNIS DIVINVM.

vv. Denarius met 't schip. Vz. HLVDOVVICVS IMP AVG Gelauwerd
borstbeeld van rechts.

Kz. DORESTATVS In 't veld een schip op golven.


Z. 1.05

GARIEL XVI.59

vv. Denarius. Vz. KHLVDOVVICVS IIP In 't veld een grieksch


kruis met vier punten.
Kz. KPISTIAHA RELIGIO 1) Een christentempel.
Z. 1.45

GARIEL XLIII.4

vv. Denarius. Vz. KHLVDOVVICWS IMP In 't veld binnen een

parelcirkel een grieksch kruis.


Kz. DOR | KESTA | TVS in drie regels.
Z. 1.65
Verg. GARIEL XVI.58
Karel de Kale 843-77

145 vv. Obool = 1/3 denarius. Vz. Monogram van Karel den Kale.
Kz. DORE a TADO In 't veld een grieksch kruis. VII.52

') XP van Christiana zijn de beide grieksche letters, die 't oude monogram van
Christus vormen, zooals 't op byzantijnsche munten en in de katacomben te Rome
herhaald voorkomt. Zie ook hierboven N. 123.

G R O EP III

DE EUROPEESCHE MUNTEN
SEDERT 1500
In de volgende bladzijden zijn de europeesche munten gerangschikt

volgens de thans bestaande rijken, binnen welker grenzen zij ge


slagen werden de rijken zelve zijn gegroepeerd volgens de taalver
wante volkstakken; eerst de Germanen, daarna de Romanen, Grieken

en Slaven en ten slotte de Tataren (Turkije). Wel is waar behoort


de taal niet tot de natuurlijke eigenschappen van een volk daar zij
even als de godsdienstvormen wordt aangeleerd, maar de verwantschap
van taal, zeden en gewoonten der naburige volken heeft zulk een
grooten invloed gehad op de regeling hunner muntwetten, dat eene
groepeering van taalverwante volken in de nieuwere europeesche numis
matiek alleszins gewettigd is.
Ter wille der eenheid is geheel Oostenrijk bij de germaansche groep
gebracht. Ook om verbrokkeling te ontgaan, zijn de weinige duitsche,
hongaarsche, nederlandsche, belgische enz. munten in deze verzameling
aanwezig en vr 1500 geslagen, niet afzonderlijk in Groep II
(Midden eeuwen) behandeld, doch in deze Groep bij de jongere stukken
gevoegd.

DUITSCH

KEIZERRIJK

45

-#3 G ER MAN EN e3

Duitsch Keizerrijk (Deutsches Reich)


Sedert de 5e eeuw hadden de noordelijke Franken hun gebied meer
oostwaarts uitgebreid, de Allemannen en (in 530) de Thuringers onder
worpen en de Beieren afhankelijk gemaakt. Aan hunne oorspronkelijke
taal 1) en gebruiken getrouw, legden zij den grondslag tot 't latere
Duitsche Rijk vooral, sedert 't verdrag van Verdun (843) hen van
de geromaniseerde West-Franken (later Frankrijk) afgescheiden had.
Hunne vorsten echter verwaarloosden 't groote Oostfrankische Rijk,
waardoor de hoofden der verschillende stammen (hertogen) meer op
den voorgrond treden. Zoo vinden wij reeds in de 10e eeuw Duitsch
land verdeeld in de 5 hertogdommen Saksen, Lotharingen, Franken,
Zwaben en Beieren, benevens eenige markgraafschappen tot bescher
ming der grenzen alle erkenden den uit hun midden gekozen
duitschen koning tot opperheer.
Koning Otto I (93673) herstelde de eenheid van 't Rijk. Hij deed
den verschillenden hertogen en graven zijn gezag eerbiedigen, veroverde

Itali en liet zich (2 febr. 962) door den paus tot Roomsch keizer *)
kronen. Aldus bracht hij de keizerlijke waardigheid naar Duitschland
over en van dien tijd af wordt Duitschland het Heilige Roomsche Rijk
genoemd.
Dit centrale gezag bleef bewaard tot 't begin der 14e eeuw. De
gouden bul van 1356 beperkte de direkte macht der keizers tot hunne
familiegoederen (huismacht), wat oorzaak was dat 't keizerrijk allengs
in een bond van bijna onafhankelijke staten ontaardde. Vooral de
habsburgsche keizers breidden hunne erflanden (Oostenrijk) steeds meer
') In de 9e eeuw wordt hun taal de duitsche genoemd en een eeuw later komt
de naam , Duitschers in gebruik voor de bewoners der verschillende landen, die
onder den oostfrankischen koning stonden.

*) FRIEDRICH III is de laatste keizer geweest, die in Rome (1452) gekroond werd
- sedert dien tijd kozen en benoemden de rijksvorsten zelve hunnen keizer.

46

DUITSCH

KEIZERRIJK

en meer uit, en vervreemdden zich allengs geheel van 't overige rijk.
In 1804 nam keizer FRANZ II den titel aan van Erfkeizer van Oos

tenrijk en ontdeed zich in 1806 van de duitsche keizerskroon. Het

Heilige Roomsche Rijk was ten einde.

Inmiddels was na den 7-jarigen oorlog (1756-63) Pruisen als


machtige staat naast Oostenrijk opgetreden. De naijver tusschen beide
staten werd steeds grooter en de slag bij Koniggrtz besliste in 1866
ten gunste van den eerste. De noordelijke duitsche staten vereenigden
zich ditzelfden jaar tot Noordduitschen Bond, waarin de pruisische
koning 't erfelijke voorzitterschap verkreeg. In 1870 traden ook de
zuidduitsche staten tot dezen bond toe (van nu af het Duitsche Rijk
genoemd) en alle te zamen riepen 't volgend jaar (18 jan. 1871) in
Versailles den koning van Pruisen tot Duitsch Keizer uit.

Aanvankelijk lieten de opvolgers der Karolingen op den duitschen


keizertroon in verschillende steden van hun rijk munten slaan; het

waren de denarius (1/210 pond zilver) en de obool, waarbij zich in 't


begin der 12e eeuw de holpenning of brakteaat voegde. Deze laatste
werd op zijne beurt, tegen 't einde der 13e eeuw, verdrongen door
den denarius grossus (groschen, groot), en terzelfder tijd kwam de
gouden florentia of goudgulden in omloop. In de 15e eeuw eindelijk,
verscheen de thaler.

De bisschoppen van Straatsburg zijn de eersten, die van den keizer


't muntrecht (873) verkregen, daarna volgden de hertogen van Beieren,
verschillende bisschoppen en bij 't erfelijk worden der leenen in de
11e eeuw beginnen overal de leenmannen zich 't muntrecht toe te
eigenen.
De keizerlijke munt wordt zeldzamer en sedert de 14e eeuw schier

geheel verdrongen naar de keizerlijke kroonlanden in Oostenrijk, ze


komen daarom onder Oostenrijk voor.

Voor deze verzameling hebben wij hoofdzakelijk na te gaan welke


muntstelsels in Duitschland gedurende de 18e en 19e eeuwen gebruikt
werden. De noordduitsche staten gebruikten den thaler - de zuid

duitsche den gulden, de thalervoet zal behandeld worden onder Pruisen,


de guldenvoet onder Hessen (Darmstad).

KONINKRIJK

47

PRUISEN

Ludwig IW (W) van Beieren 1314-47

146 i. Goudgulden, met LIOJOOV-ICI REX en muntteeken een helm


kroon; dus voor 1328 geslagen. 17 Januari 1328 werd hij tot
CAPPE XII.188
keizer Ludwig V gekroond.
Keizer Franz I Stephan 1745-65

147 i. 1745. Dukaat op zijne verkiezing tot keizer 1).

KHLER 110.

In de volgende bladzijden worden de duitsche staten behandeld Pruisen als hoofdstaat 't eerst, daarna de andere noordduitsche staten

van 't oosten beginnend; vervolgens zuidelijk van 't westen naar het
oosten terugkeerend: de zuidduitsche.

KONINKRIJK PRUISEN (Preussen)


Dit land is provinciegewijs van 't oosten naar het westen be
handeld.

De muntletters, die aangeven in welk munthuis de pruisische stukken


geslagen zijn, beteekenen:
A = Berlijn.
= 1750-1822 Breslau ; sedert 1866 Hannover.
-

1750-67
1750-68
1750-90
1750-67

Kleef (Cleve); sedert 1866 Frankfort a.M.


Aurich; 1816-48 Dusseldorp.
Koningsbergen.
Maagdenburg.

1750-63 Stettin; 1807-10 Glatz.

') Vooral in Duitschland dienden de munten dikwijls om merkwaardige gebeur


tenissen te vereeuwigen deze hermaphrodieten, gedachtenismunten (Denkmnzen)
genoemd, zijn dus alleen munten voor zoover 't de waarde aan metaal en den vorm

betreft, de beeldenaar maakt hen aan gedenkpenningen gelijk. In Duitschland is


dit gebruik in 1874 afgeschaft.

48

PROVINCIE BRANDENBURG

PROVINCIE BRANDENBURG (A = Berlijn)


De kern van den pruisischen staat, werd Brandenburg in de 10e eeuw
nog door slavische volken (Wenden) bewoond. Gedeelten van hun grond
gebied door den duitschen koning HEINRICH I in 927 en later veroverd,
werden Altmark, Ostmark en Nordmark genoemd en in 1134 aan

ALBRECHT I den Beer (van Askani) door den keizer in leen gegeven.
ALBRECHT vereenigde in 1 142 door een verdrag met den wendenvorst
PRZIBISLAw de Mittelmark, Priegnitz en een gedeelte van de Neumark
met zijne bezittingen en nam den titel van Markgraaf van Branden
burg aan. In 1320 stierf de brandenburgsche tak der Askanirs uit

en gaf de keizer 't markgraafschap in leen aan zijn zoon, Ludwig


van Wittelsbach (Beieren). Hierop volgde in 1373 't luxemburgsche
huis dat in 1411 uitstierf.

FRIEDRICH VI burggraaf van Neurenberg, graaf van Zollern (later


Hohenzollern) werd nu door keizer SIGISMUND tot stadhouder en in

1415 tot keurvorst benoemd. Dit gravenhuis bleef tot op den tegen
woordigen tijd aan de regeering.

In 1618 werd keurvorst JoHANN SIGISMUND door zijn huwelijk hertog


van Pruisen, - zijn 2e opvolger FRIEDRICH WILHELM, de groote keur
vorst wist in den zweedsch-poolschen oorlog de volle soevereiniteit van
Pruisen te verkrijgen en in 1701 gaf de keizer aan FRIEDRICH III
toestemming Pruisen tot koninkrijk te verheffen. De naam Pruisen gaat
van nu af op al de bezittingen der keurvorsten van Brandenburg over.

Sedert de nieuwe organisatie van 1815 is Brandenburg (eenigzins


van grenzen gewijzigd) eene provincie van 't koninkrijk Pruisen.

De oudst bekende munten van Brandenburg zijn deniers (Dickpfennige)


en brakteaten (Hohlpfennige) der laatste Wendenvorsten: PRZIBISLAw

(+ 1150) en JAKZA voN KPENICK. Dit bleven de eenige muntsoorten


onder de markgraven tot FRIEDRICH II (144071) de eerste groschen 1)

liet aanmunten, met breakteaten als onderdeel. Spoedig volgden de halve


') In tegenstelling met de lichtere munten ,nummi grossi groschen genaamd.

PROVINCIE BRANDENBURG

49

groschen, de goudgulden (1516), de thaler (1521) en op 't einde der


16e eeuw de dukaat.

Op de munten (groschen) komt 't jaartal 1481 't eerst voor.


FRIEDRICH II de Groote liet in 1750 't pruisische muntstelsel geheel
nieuw inrichten 1); de 14-thalervoet, waarbij 14 thalers = 1 pruisisch
mark (= 233.8555 wichtjes) fijn zilver inhielden, werd ingevoerd en
er verschenen stukken van 1, # en ; thaler; later volgden de ,, ,
en 1', thaler en van 1764 66 zelfs ! (tympf genaamd) en 's thalers.
Deze thaler van 0.750 fijn, welke dus 16.704 w. f. z. bevatte, werd
verdeeld in 24 gute groschen 12 pfennige en de muntvoet verkreeg
den naam van pruisisch koerant. In 1821 werd deze indeeling gewijzigd
en de thaler gelijk gesteld met 30 neu- of silbergroschen 12 pfennige.
De pfennig werd dus 3 # o, in plaats van, zooals vroeger # # s thaler.
De drang naar eenheid in 't muntwezen werd steeds grooter en meer
en meer begonnen de noordduitsche staten zich bij het in 't noorden
toonaangevende Pruisen aan te sluiten. Hannover voerde in 1834 den
pruisischen koerantvoet in, Brunswijk in 1835 en door de Dresdener
muntconventie van 30 juli 1838 verbonden zich alle noordduitsche
staten van de Tolunie dezen muntvoet te volgen. Oldenburg sloot
zich in 1846 aan, de beide Mecklenburgs in 1848 en de nu alge
meene pruisische koerant voet werd voortaan genaamd Norddeutsche
Whrung.
Inmiddels

hadden

de zuidduitsche staten in 1837 te Munchen eene

muntovereenkomst gesloten, welke ook op 't pruisisch mark fijn zilver


berustte. Met 't oog hierop, besloot de dresdener vergadering Vereins
mnzen van 2 thalers aan te munten, welke zouden gelijk zijn aan
3} zuidduitsche gulden.
Deze eenheid iu 't muntwezen deed spoedig hare goede uitwerking
gevoelen, doch 't herleefde handelsverkeer tusschen de duitsche staten
wees voor en na op leemten, die de Conventie van 1838 niet had

voorzien. Een verbeterd verdrag was noodzakelijk geworden en opnieuw


verzamelden zich de afgevaardigden, doch thans van alle duitsche staten.

Het 24 jan. 1857 bekrachtigde Weener muntverdrag voerde in geheel


') Daartoe werd de hollandsche koopman PHILIP GRAUMAN ontboden.

50

PROVINCIE BRANDENBURG

Duitschland en in Oostenrijk als gewichtseenheid 't duitsche Zollpfund


van 500 wichtjes in.
Oostenrijk verkreeg de 45-guldenvoet (zie onder Oostenrijk).
Zuid-Duitschland, de 52;-guldenvoet (zie onder Hessen) en de noord
duitsche staten, zijnde: Pruisen, Hannover, Keur-Hessen, Schaumburg
Lippe, Saksen (kon.), Reuss (beide), Saksen-Weimar, S. Altenburg,
S. Koburg-Gotha (voor Gotha), Schwartsburg-Sondershausen, Schw.
Rudolstad, Anhalt, Brunswijk, Waldeck, Lippe-Detmold en Oldenburg
namen den 30-thalervoet aan. 30 thalers zouden voortaan 1 zollpfund

(500 wichtjes) fijn zilver bevatten. De indeeling (1 thaler = 30 silber


groschen 12 pfennige) bleef bestaan in Pruisen en eenige vorsten
dommen de silbergroschen 10 pfennige in Saksen, Hannover enz.
en het stelsel verkreeg den naam van Neue norddeutsche Wh
rung. Er verschenen in goud : negotiepenningen van 1 kroon (50 =
1 zollpfund f. g. Gehalte 0.900 fijn) - in zilver: standaardpenningen
van 1 thaler (30 = 1 zollpf. f. z. Gehalte 0.900 fijn), van # thaler
(0.520 fijn) en in 't koninkrijk Saksen van 3 thaler (0.667 fijn). De
Vereinsmnze van 2 thaler bleef als voorheen 3; gulden zuidduitsch
gelden.
De hierop volgende wetten van 1871 en 1873, die de Rijksmunten
invoerden, zullen aan 't einde van 't artikel Duitsch Keizerrijk
behandeld worden.

Friedrich Wilhelm 1640-88 keurvorst van Brandenburg

148 xx.

1676.

Halve groschen of sechser (= 6 pfennige).

HENCKEL 928.

Friedrich Wilhelm I 1713-40 koning van Pruisen

j.

1714.

Kwart dukaat.

Verg. 1284.

Friedrich II 1740-86

m.
ss.
i.

153 xx.

1753. Pfennig.
1765. Twaalfde thaler of doppelgroschen.

1697.

1766.

Twaalfde thaler.

1706.

Vier gute pfennige.

1709.

1590.

PROVINCIE BRANDENBURG

154 m,

dd.

1771.
1773.

Halve groschen.
Halve groschen.

1781.

Groschen.

1782.

Groschen; Kz. #24#

Groschen; Kz. 332433

jj.
1783.

Groschen; Kz.

#24%

Verg.

Groschen in roodkoper.
Groschen in geelkoper.
1786.

Groschen.

Friedrich Wilhelm II 1786-97

1794.

Pfennig.

1796.

Gouden friedrichsdor, ook pistole genaamd, was


gelijk aan 5 thaler.
Pfennig.
Pfennig.

XX.

1797.

1958.

1967.
1974.
1985.

Friedrich Wilhelm III 1797-1840

Dubbele friedrichsdor (= 10 thaler).


Pfennig scheidemnze.

184 jj.

Niet bij HENCKEL.


2105.

Zesde thaler.

2110.

Pfennig.

2141.

Thaler.

2222.

Zesde thaler.

2225.

Zweier of zweipfenniger (= 2 pfennige).

2227.

Zesde thaler.

2233.

Silbergroschen = 1/so thaler.


Dreier (= 3 pfennige).

2253.
2256.

Zweier.

2257.

Pfennig.

2258.

Dreier.

2265.

Zweier.

2266.

Pfennig.
Sechser of 1/2 silbergroschen.

2267.
2283.

Thaler."

2321.

Silbergroschen.

2332.
4*

52

PROVINCIE BRANDENBURG

185 dd.

1833.

Ausbeute thaler 1). Kz. SEGEN DES | MANSFELDER


BERGBAUES.

2344.

Friedrich Wilhelm IW 1840-61

rr.

1842.

Ausbeute thaler.

2504.

i.

Twaalfde thaler of 23 silbergroschen.

2506.

bb.

Zweier.

2510.

ij.

1843.

Twaalfde thaler.

251 6.

uu.

1845.

Dubbele thaler.

2534.

i.

1846.

Zweier.

2551.

Pfennig.

2552.

1849.

Zweier.

2582.

ij.
p.
bb.
i.
p.
ll.

1850. Vierpfenniger of Wierer (= 4 pfennige)


Zweier.

Pfennig.
1851. Silbergroschen.

Dreier

bb.

bb.

1852.

Zweier.

Pfennig.
Vierer.

2592.
2595.
2596.
2609.
2611.
2612.
2613.

SchwALBACH 364.

Niet bij HENCKEL.

i.

Dreier.

HENCKEL 2617.

bb.

Zweier.

2618.

Pfennig.
1853. Silbergroschen.

2626.

bb.
i.

2619.

bb.

Dreier.

2628.

bb.

Zweier.

2629.

ij.
jj.

1854.

ee.

Silbergroschen.

2636.

bb.

Zweier.

2639.

Twaalfde thaler.

2646.

Zweier.

2650.

i.
213 bb.

1855.

Pfennig. thaler.
Twaalfde

ee

2630.
2635.

') Evenals n". 147 is ook dit eene gedachtenismunt. Deze Ausbeute-mnzen
werden meestal geslagen van 't eerste metaal dat eene mijn opleverde, soms ook
wel ter gedachtenis aan een bizonder vruchtbaar jaar, of ter vereering aan hoog
geplaatste personen.

PROVINCIE

53

BRANDENBURG

Pfennig.

2651.

Dreier.

2661.

bb.

Zweier.

2662.

bb.

Pfennig.

2663.

Twaalfde thaler.

2666.

Tr,

Wierer.

2668.

jj.

Dreier.

2669.

bb.

Zweier.

2670.

bb.

Dreier.

2680.

bb.

Zweier.

2681.

bb.

Pfennig.

2682.

jj.

Twaalfde thaler.

2688.

lJ.

Silbergroschen.

2689.

bb.

Zweier.

2691.

Thaler.

2696.

bb.

Dreier.

2703.

bb.

Zweier.

214 bb.
bb.

SCHwALBACH 368. Niet bij HENCKEL.

Wilhelm I 1861-88 (keizer van Duitschland sedert 1871)

Thaler.

HENCKEL 2749.

bb.

Dreier.

2756.

bb.

Zweier.

2757.

Silbergroschen.

2765.

i.

jj.

1861.

Zweier.

2769.

Twaalfde thaler.

2779.

Silbergroschen.

2780.

ll.

Dreier.

2783.

P.

Zweier.

2784.

Silbergroschen.

2791.

bb.

Dreier.

2794.

bb.

Zweier.

2795.

kk.

Pfennig.

2796.

ll.

i.

hh.

ij.

Twaalfde thaler.

2801.

P.

Wierer.

2804.

t.

Dreier.

2805.

247 bb.

Zweier.

2806.

54

PROVINCIE BRANDENBURG

248

i.

1866.

hh.

2820.
Siegesthaler. Vz. Borstbeeld met lauwerkrans.
Gedachtenismunt, geslagen ter herinnering aan den geluk
kigen oorlog tegen Oostenrijk en de zuidduitsche staten,
die met den vrede van Praag (23 Aug. 1866) eindigde.
2823.
Silbergroschen.
Sechser.

2824.

bb.

Dreier.

2826.

Zweier.

2827.

Twaalfde thaler.

2835.

Silbergroschen.

2836.

Dreier.

2839.

bb.

Zweier.

2840.

bb.

Pfennig.
Silbergroschen.

2841.

bb.

Dreier.

2851.

bb.

Zweier.

2852.

Dreier.

2862.

bb.

Zweier.

2863.

Pfennig.

2864.

ll.

Dreier.

2894.

2848.

Siegesthaler.
Gedachtenismunt, geslagen ter herinnering aan den geluk
kigen oorlog tegen Frankrijk, die met den vrede van
Frankfort a.M. (10 Mei 1871) eindigde.
bb.

1872.

Dreier.

2958.

267 rr.

1873.

Twaalfde thaler.

2962.

PROVINCIN OOST- EN WEST-PRUISEN


Reeds vroeg kregen de Romeinen het barnsteen uit deze streken
zij noemden 't land Abalus en de bewoners Aestiers. Later ging deze
naam op de meer oostwaarts wonende stammen over (Esten, Estland)
en komen de bewoners onder den naam Poruzi, Pruzi, Pruci (zeekust

bewoners), volgens anderen Pruzzen (verstandigen) voor.


Gedurende de 11e en 12e eeuwen steeds in strijd met de invallende

PROVINCIN OOST- EN WEST-PRUISEN

55

hertogen van Polen, moeten zij aan deze verschillende gouwen afstaan
en onder poolschen invloed bestijgt de monnik CHRISTIAN von Oliva,
als eerste pruisische bisschop zijn zetel te Kulm. Hij stichtte in 1225
de orde der Ridders van Dobrin deze ridders werden echter nog

datzelfde jaar door de heidensche Pruisen verslagen en smolten in


1235 met de uit Palestina komende ridders der Duitsche Orde 1) samen.
Met den komst der Duitsche Ridders wordt de strijd hervat, gouw
op gouw gaat voor de Pruisen verloren en in 1283 is 't geheele
land aan de Orde onderworpen. De 14e eeuw kenmerkt zich door
voortdurende vijandelijkheden tusschen de Orde en Polen, dit kwam

in 1410 tot uitbarsting en in den slag bij Tannenberg werd de kracht


der Orde door de Polen voor goed geknakt. West-Pruisen kwam aan
Polen, Oost-Pruisen bleef als poolsch leen aan de Orde (1466). Door
't benoemen van duitsche vorsten tot 't grootmeesterschap zocht de
Orde nu steun tegen Polen te verkrijgen; zoo werd in 1511 ALBRECHT,
markgraaf van Brandenburg-Ansbach tot grootmeester gekozen en van
dien tijd dagteekent de verbinding met Brandenburg. In 1525 ging
deze grootmeester tot de luthersche leer over en liet zich door den
poolschen koning met 't nu wereldlijke hertogdom Pruisen (Oost
Pruisen) beleenen. Dit leen werd in 1618 met Brandenburg ver
eenigd en in 1637 erkende Polen Pruisen's soevereiniteit. Als eenige
soevereine bezitting der Hohenzollerns verhieven deze in 1701 het land
tot koninkrijk.

Bij Polen's eerste verdeeling in 1772, werd West-Pruisen met 't


koninkrijk hereenigd. Beide, sedert 1824 als ne provincie beschouwd,
komen van 1 jan. 1878 af, weder als de provincin Oost- en West
Pruisen voor.

De eerste munten, die wij hier aantreffen zijn brakteaten; na 1370

ook groschen (hier halbschoter genoemd) der Grootmeesters van de


Duitsche Orde. ALBRECHT van Brandenburg voegde dubbele en enkele
dukaten hieraan toe, benevens halve en kwart thalers.

Van enkele streken, waar de oude plaatselijke rekenwijze bij prui


') In 1226 had keizer FRIEDRICH II met instemming van den paus het Kulmer
land en Pruisen als rijksleen aan de Orde geschonken.

56

PROVINCIE OOST-PRUISEN

sische guldens 30 pruisische groschen, 3 schillinge, 6 pfennige


stand hield, ontmoeten wij in deze verzameling ook munten op dit

laatste muntstelsel geslagen.

Eene dikwijls voorkomende munt, de

tympf of ! thaler deed 18 pruis. groschen. Drie pruisische guldens


waren gelijk aan 1 reichsthaler.
Sedert 1811 verdwijnen die muntsoorten en volgen deze provincin
't pruisische muntstelsel.

Provincie Oost-Pruisen (E = Koningsbergen)


Friedrich II 1762-86

Koningsbergen.

268 p.

1764.

Groschen van

ss.

1766.

Twaalfde thaler.

3793.

ij.

1772.

Dreigrscher.

3819.

HENCKEL 3786.

Friedrich Wilhelm II 1786-97

i.

1790.

Groschen.

3878.

Provincie West-Pruisen

Republiek Dantzig
Na den slag van Tannenberg (1410) verkreeg de stad hare onaf
hankelijkheid, wist zich als vrijstaat staande te houden, onder bescher

ming van Polen en oefende het muntrecht uit.


Bij de 2e verdeeling van Polen (1793) werd Dantzig aan Pruisen
gehecht van 1807-14 door NAPoLoN I weer tot vrijstaat ge
vormd doch in 1814 voor goed bij Pruisen ingelijfd.
Men rekende hier naar bovengenoemde pruisische guldens 30 pruis.
groschen 3 schillingen.
272 p.

1808.

Schilling.

NEUMANN 4772.

PROVINCIE WEST-PRUISEN

57

Stad Elbing

Werd in 1237 door de Duitsche Ridders gesticht, sloot zich in


1454 bij Polen aan en kwam in 1772 bij de eerste deeling van Polen
onder Pruisen. Tijdens de vijandelijkheden van GUSTAF ADoLF van
Zweden met ZyGMUNT III (SIGIsMUND) koning van Polen, bezette de
eerste in 1621 de stad en liet er o. a. de volgende munt slaan.
Gustaf Adolf 1621-32

273 rr.

1632.

Schilling.

OLDENBURG 928.

PROVINCIE POMMEREN

Toen in de groote germaansche volksverhuizing (5e eeuw n. Chr.)


de oorspronkelijke bewoners het land verlaten hadden, vestigden zich
hier slaafsche stammen (Pomerani); zij bewoonden de tegenwoordige
provincie Pommeren en 't westelijke gedeelte der provincie West-Pruisen,
Pommerellen genaamd.

In 1170 namen de vorsten van Pommeren den hertogstitel aan en


werden in 1182 door den keizer als rijksvorsten erkend. In 1308 kwam
Pommerellen aan de Duitsche Orde en nadat in 1637 de laatste pom
mersche hertog BoGISLAV XIV kinderloos overleden was, werd bij den
vrede van Munster (1648) zijn overige land als volgt verdeeld: Bran
denburg kreeg Achter-Pommeren en Zweden Voor-Pommeren; de Oder
vormde de grens. Dit laatste gedeelte van Pommeren werd in 1816
ook bij Pruisen gevoegd.
Voor de muntstelsels zie hierboven onder Brandenburg, Oost- en
West-Pruisen.
Bogislav XIV 1620-37

274 ll.

1621.

Dubbele schilling.

GTZ 120.

58

PROVINCIE SILEZI

Stad Demmin

275 ll.

13e eeuw. Brakteaat met de lelie (het wapen der stad).


SCHLUMBERGER blz. 185.

PROVINCIE SILEZI

De naam wordt afgeleid van de rivier de Sleza (nu Lohe) welke


zich 8 mijlen onder Breslau in den Oder stort.
In 900 kwam 't gebied rechts van den Oder aan Polen, dat in 999
zijn gezag tot den Bober uitbreidde. Het geheel werd in 1179 tusschen
de zonen van den onttroonden poolschen koning WLADISLAw II zoo
danig verdeeld dat BoLESLAw I 't hertogdom Breslau (Neder-Silezi),
MIECzysLAw 't hertogdom Ratibor (Opper-Silezi) kreeg in de 13e
eeuw vinden in beide hertogdommen zoovele verdeelingen plaats, dat

wij hier in 't begin der 14e eeuw niet minder dan 18 regeerende
vorsten aantreffen. Met een paar uitzonderingen, erkenden deze hertogen
in 1327-29 den boheemschen koning JAN tot opperheer en sedert
werden de silezische hertogdommen langzamerhand bij Boheme en later
met dit koninkrijk bij de bezittingen der Habsburgers gevoegd.
Na den eersten silezischen oorlog tusschen Pruisen en de vorsten

van 't Duitsche Rijk (1742) verkreeg Pruisen: geheel Neder-Silezi en


't overgroote deel van Opper-Silezi; dit bezit werd in den vrede van

Hubertusburg (1763) bekrachtigd en sedert maakt Silezi eene provincie


van 't koninkrijk Pruisen uit.

In de 17e eeuw werd in Silezi gerekend bij reichsthalers, verdeeld

in 90 kreuzer 4 pfennige of ook in 120 grschel 3 pfennige. De


pfennig was dus steeds s n thaler, de kreuzer = # silbergroschen, en
de grschel = 3 silbergroschen.
Onder pruisisch bestuur bleef deze indeeling bestaan en eerst in

1809-10 zijn de laatste grschel en kreuzer aangemunt. Sedert ge


noemde jaren is 't pruisische muntstelsel geheel ingevoerd.

PROVINCIE SILEZI

59

Hertogdommen Liegnitz Brieg en Wohlau


Bij den dood van den laatsten hertog GEoRG WILHELM (1675)
kwamen deze drie hertogdommen in Neder-Silezi aan 't Duitsche Rijk,
in 1742 bij Pruisen.
Georg III Ludwig IW en Christian gemeenschappelijk 1639-63
276

i.

1656.

SAURMA blz. 6, N0. 310

Dukaat.

Silezi als provincie van Pruisen (B = Breslau)


Friedrich II 1741-86

i.

ij.
ij.
ij.
i.

1766.

Zesde thaler.

32.125

1777. Doppelgrschel.
.177
1779. Derde thaler.
.184
1782. Drie kreuzer. Kz. A (Berlijn).
Niet bij SAURMA. HENCKEL 4265.
1785.

Drie kreuzer.

SAURMA 32.221

Friedrich Wilhelm II 1786-97


e

i.

1789.

Halve kreuzer.

33.242

Friedrich Wilhelm III 1797-1840

284

ij.

1800.

Drie kreuzer. Kz. A.

33.286

i.

1802.

Drie kreuzer. K2. A.

-.291

PROVINCIE SAKSEN'

Gedeelte van 't oude hertogdom Saksen, dat tot heden dien naam
bewaard heeft.

De Saksers, eene vereeniging van germaansche volksstammen, waren


om de monden van de Elbe gevestigd en breidden van hier hun gebied

zuidwaarts uit tot de rivier de Lippe en 't Hartsgebergte, westwaarts

60

PROVINCIE SAKSEN

tot de rivier de Ems in 't oosten hadden zij de Wenden tot na


buren de Weser verdeelde hen in Oostfalen en Westfalen.
In tal van veldtochten tusschen 773-804 veroverde Karel de Groote

hun land, dat door 't verdrag van Verdun (842) bij Oostfranken werd
gevoegd. In hunne oorlogen tegen de Wenden plaatsten de Saksers
hertogen aan hun hoofd, die 't hertogdom over 't grootste gedeelte
van Noord-Duitschland uitbreidden en dra hun leenheer den duitschen

keizer te machtig werden.


Hertog HEINRICH de Leeuw werd 1180 in den rijksban gedaan en
't hertogdom Saksen door den keizer in drie deelen verdeeld: HEINRICH
behield Brunswijk en Luneburg 1), het hertogdom Westfalen *) werd
bij 't aartsbisdom Keulen gevoegd, verscheidene bisdommen en vorsten
dommen werden rijksvrij verklaard en BERNHARD van Askani met
het hertogdom Saksen, oostelijk van de Elbe, beleend. Bij den dood
van BERNHARD's opvolger (1260) werd dit hertogdom op nieuw ver
deeld in: Saksen aan de Midden-Elbe (Wittenberg) en Saksen aan
de Beneden-Elbe (Lauenburg). 't Eerste zal hieronder behandeld worden
bij 't koninkrijk Saksen en bij de Saksische hertogdommen uit 't
laatste ontstond het hertogdom Saksen-Lauenburg*), en de tegenwoordig
pruisische provincie Saksen, wier munten hier volgen.
Deze provincie is samengesteld uit verschillende landen, die de keur
vorsten van Brandenburg, later koningen van Pruisen, in 't oude
hertogdom Saksen verkregen; zoo in 1648 het bisdom en vorstendom

Halberstad, 1680 't gesekulariseerde aartsbisdom (hertogdom) Maag


denburg met graafschap Barby, 1780 het graafschap Mansfeld, 1803
de vorstendommen Eichsfeld en Erfurt en de abdij Quedlinburg, 1813

't graafschap Stolberg benevens de landen die de koning van Saksen


in 1815 aan Pruisen moest afstaan.

Stad Maagdenburg
Was op 't einde der 15e eeuw bijna onafhankelijk van de aarts
1) Zie provincie Hannover en Hertogdom Brunswijk.
*) Zie provincie Westfalen.
*) Zie provincie Sleeswijk-Holstein.

61

PROVINCIE SAKSEN

bisschoppen van Maagdenburg, die meestal in Halle verblijf hielden


en verkreeg in 1567 't muntrecht.
285 ll.

1622.

Dreier (= 3 pfennige).

GTZ I. 283.525

Graafschap Mansfeld
Als stamvader van 't gravenhuis wordt in 1060 HoYER van Mans
feld genoemd. Ook in dit graafschap hadden vele landverdeelingen
plaats, waarvan de voornaamste die van 1475 was toen vormden
zich de Vorder-Ortische en de Hinter-Ortische takken, welke laatste

in 1666 uitstierf.

De Vorder-Ortische tak splitste zich in 1540 in 6

deelen, waaronder ook de zijtak Mansfeld-Artern die in 1631 uitstierf.

Na den dood van den laatsten Vorder-Ortischen graaf JosEPH WENZEL


in 1780, kwam # van 't graafschap aan Pruisen, 't andere gedeelte
aan Keur-Saksen (later koninkrijk Saksen).
Wollrad VI Philipp Ernst en Johann Georg IV graven van Mansfeld-Artern
1585-1631 1)
286

Schroefthaler.

V2. VOLRAT.WOLFGANG E IOHAN-GEORG

Vergelijk MADAI 4279.


Kz. Thaler van FRIEDRICH, ALBRECHT en CHRISTIAN van
Brandenburg-Ansbach.
Beide stukken zijn tot een doosje uitgedraaid, dat door
schroefdraad gesloten kan worden. Het doosje bevat eenige
voorstellingen uit 't Nieuwe Testament, op mica-plaatjes
geschilderd.
Geschenk van den heer S. CoUwENBERG, 's Gravenh. 1867 (?).
PATRV

Stad Erfurt

Gedurende den dertigjarigen oorlog werd Erfurt in 1631 door de


Zweden bezet.

In 1803 kwam de stad aan Pruisen werd tijdelijk door de Fran


schen bezet, doch in 1814 met Pruisen hereenigd, dat haar bij de

nieuwe provincie Saksen inlijfde.


') VoLRAD stierf 1627, PHILIPP 1631 en JoHANN GEoRG in 1615.

62

PROVINCIE SAKSEN

Gustaf ll Adolf van Zweden 1631-32


287

i.

1634.

OLDENBURG 937.

Dukaat.

Graafschap Stolberg
Oud gravengeslacht uit Thuringen, dat zich in 1645 deelde in
Stolberg-Wernigerode, St.-Stolberg en St.-Rossla. De graven uit de
twee laatste huizen sloegen gemeenschappelijk munten.
Christoph Ludwig !) en Friedrich Botho *)

i.

1748.

Sechser of # groschen.

GTZ 8980.

Saksen als provincie van Pruisen (F = Maagdenburg)


Friedrich Wilhelm 1681-88

xx.

1683.

Doppelgroschen.

HENCKEL 4430.

Deze munt draagt op Vz. en Kz. tot omschriften: FRID.


WILH. V. G. G. M.Z. B. R. D. HR REC. V. C IP.Z. M. G. C. B. S.

P. H. hetgeen RENTzMANN verklaart door: FRIEDRICH WILHELM


von Gottes Gnaden Markgraf zu Brandenburg des Heiligen
Rmischen Reichs Erzcmmerer und Churfrst in Preussen

zu Mark Gulich Cleve Berg Stettin Pommern Herzog (?).


Friedrich Ill (keurvorst) 1689-1701

p.

1691.

Halbgroschen.

xx.

1693.

Doppelgroschen.

HENCKEL 4458.
4467.

Friedrich Il (als koning II) 1740-86

292 m.

1754.

Pfennig.

1) CHRISTOPH LUDwig II, graaf van Stolberg-Stolberg, 1738-61.

*) FRIEDRICH BoTHo, graaf van Stolberg-Rossla, 1739-68.

4612.

PROVINCIE SAKSEN

63

PROVINCIE WESTFALEN

Zooals wij hierboven (onder de provincie Saksen) zagen was Westfalen


't westelijk gedeelte van 't oude hertogdom Saksen. Bij de verdeeling
van 't hertogdom in 1180 werd PHILIPP I, aartsbisschop van Keulen,
hertog van Westfalen. Dit nieuwe hertogdom kwam in 1803 bij Hessen
Darmstadt, in 1815 (Weener Congres) aan Pruisen.
Het werd vereenigd met de bezittingen, die Pruisen reeds in deze
streken verworven had, als o.a.: 1609 't graafschap Mark, 1614 't
graafschap Ravensberg, 1648 't verwereldlijkte bisdom (vorstendom)
Minden, 1702 't graafschap Lingen, 1707 't graafschap Tecklenburg
met de heerlijkheid Rheda, 1803 de gesekulariseerde bisdommen (vor
stendommen) Paderborn en Munster. Het Weener Congres voegde daarbij
de vorstendommen Siegen en Bentheim, de heerlijkheden Anholt en
Rietberg, de gesekulariseerde abdij Corvei en andere kleine landsstreken.
Slechts voorbijgaand (1807-13) bracht de vrede van Tilsit de meeste
dezer landen aan Frankrijk; ze werden bij NAPoLoN's val voor goed
met Pruisen hereenigd.
In de meeste noordelijke streken van Westfalen gold de latere
munstersche rekenwijze; d. i. 1 reichsthaler = 28 schillingen 12

pfennige 2 heller; vroeger: 1 reichsthaler = 36 mariengroschen.


In zuidelijk Westfalen verdeelde men naar kleefsche manier denreichs

thaler in 60 stber 4 pfennige. Die rekenwijzen moesten in 't begin


dezer eeuw voor 't pruisische muntstelsel wijken.
Hertogdom Westfalen
Ferdinand aartsbisschop van Keulen 1612-50

293 i. Schilling of zwlfpfenniger.

WEINGARTNER 443.

Graafschap Ravensberg

Met hoofdstad Bielefeld, kwam in 1614 in gemeenschappelijk bezit


van Palts-Neuburg en Brandenburg in 1666 geheel aan dit laatste.

64

PROVINCIE WESTFALEN

George Wilhelm van Brandenburg 1619-40

294 p.

1621.

Sechser of zes pfennige.

WEINGARTNER 910.

Friedrich Wilhelm 1640-88

i.

1655.

p.

Twaalf pfennige.

911.

Twaalf pfennige. Vz. Wapen van Ravensberg ingestempeld.

Graafschap Mark
Met hoofdstad Hamm werd in 1368 met 't graafschap Kleef ver
eenigd - 1609 voorloopig, 1666 voor goed bij Brandenburg gevoegd.
Friedrich Wilhelm 1640-88

rr.

1660. Schilling.
HENCKEL
Het wapen der stad Hamm ingestempeld.

5085.

Graafschap Tecklenburg
In 1707 verkochten de graven Solms-Braunfels hun aandeel aan 't
graafschap Tecklenburg aan Pruisen, dat 't geheele graafschap bezette,
doch er de graven van Tecklenburg aan de regeering liet.
Moritz Kasimir l 1710-68

p.

1760.

Dreier (= 3 pfennige).

WEINGARTNER 599.

Bisdom Paderborn

Zooals wij hierboven zagen kwam dit bisdom, nadat het ten vorige
jare gesekulariseerd was, in 1803 aan Pruisen.
Theodor Adolf 1650-61

m.

1651.

Sechser (= 6 pfennige).

WEINGARTNER 621.

Franz Arnold 1704-18

300 ij.

1706.

Sechser.

652.

65

PROVINCIE WESTFALEN

301 p.
p.

p.

1706.

Sechser.
Sechser. Achter PYRM een kleine ster.

654.
-.

Sechser. Kz. met C)-( ingestempeld.

p.

Zweier.

655.

i.

1718.

Sechser.

657.

dd.

Wierer. Kz.

- 1718 -

658.

Clemens August 1719-61

p.
p.

1743.
1745.

i.

m.

1748.

Dreier.
Sechser.

668.

Sechser met CL: AUG-

664.

Sechser. Vz. C. A-

665.

663.

Wilhelm Anton 1763-82

p.

1767.

Pfennig.

671.
Friedrich Wilhelm 1782-89

m.

1786.

Pfennig.

674.

Paderborn's Domkapitel
Zie de aanteekeningen hieronder bij Munster's Domkapitel.
dd.

p.

1761.

Sechser.

WEINGRTNER 690.

Vierer.

691.

Bisdom Munster

Het is opmerkelijk dat in de stad Munster, niet alleen de bisschoppen

lieten munten, maar ook 't Domkapitel en de stedelijke regeering. De


munten der beide eersten zullen wij thans behandelen, de stedelijke
onder de steden van Westfalen. Het bisdom werd in 1803 gesekulari
seerd, en als vorstendom aan Pruisen gehecht.
Bisschop Friedrich Christian 1688-1706

p.
316 rr.

1703.

Vierer (= 4 pfennige).
Dreier.

WEINGARTNER 72.
73.

66

PROVINCIE WESTFALEN

Franz Arnold 1706-18


317 m.

1712.

Dreier.

76.

Clemens August 1719-61

p.

1736.

Dreier.

85.

i.

1741.

Dreier.

88.

p.

1743.

Dreier.

bb.

1745.

Vierer.

Schilling.

90.
80.

Verg. de dubbele bij APPEL I. 359.1

ij.

1748.

p.

Vierer.

WEINGRTNER 81.

p.

Dreier.

92.

i.

1754.

Vierer.

82.

Dreier.

93,

Inl.

Maximilian Friedrich 1761-84

ij.

1766.

ij.

Halve groschen.
APPEL
Halve groschen. Kroon en naamcijfer aaneen.

I. 362.4
-. -

Munster's Domkapitel
Deze vereeniging van geestelijken, die den bisschop bij 't bestuur
zijner diocees ter zijde stond, bij zijn dood 't bisdom tijdelijk bestuurde

en den nieuwen bisschop uit haar midden koos, had voor de vergade
ringen der domheeren presentiepenningen in gebruik. Deze stukken

kwamen langzamerhand als geld in 't verkeer tusschen den penning

meester (bursarius) van 't domkapitel, de beamten en de kleine leveranciers


der domheeren; ze worden Bursarin-Zeichen genoemd. (verg. hierachter
onder Engeland, Schotland en Ierland de tokens). De eerste dag
teekenen van 1543 en sedert 't begin der 17e eeuw zijn ze in de

geheele stad Munster als geld in omloop.


Eigenlijke munten verschijnen eerst in 1652, toen bisschop CHRISTOF
BERNHARD van Galen aan 't kapitel vergunde kopergeld te slaan
van deze vergunning heeft 't tot 1790 gebruik gemaakt.
dd.

1608.

Dreier.

dd.

1661.

Wierer.

36.

Dreier. Vz. MONAS

40.

331 rr.

WEINGRTNER 25.

67

PROVINCIE WESTFALEN

332 xx.

1661.

Dreier. Vz. MONA--S

40.

p.
p.
p.

1692. Vierer.
1696. Vierer.
1699. Vierer.

p.

1707.

Zweier.

ij.

1714.

Vierer.

bb.

Dreier.

52.

rr.

1739.

Wierer.

55.

Dreier.

57.

1740.

Dreier.

58.

Zweier.

64.

Pfennig.

65.

XX.

m.
I'I'.

p.

37.
38.
39.
47.

51.

bb.

1748.

Dreier.

60.

xx.

1753.

Dreier.

61.

bb.

1759.

Dreier.

62.

ss.

1760.

Dreier.

63.
54.

i.

1762.

Sechser.

n.
ij.

1787.

Sechser. Kz. 't Cijfer 6 zeer groot.


Sechser.

66.

Vierer.

67.

1790. Zweier.

70.

p.
i.
p

Zweier. Kz. Kleiner 2.

Pfennig.

7 1.

Abdij Corvei
Eene vertakking van 't fransche klooster Corbie bij Amiens, werd
deze westfaalsche abdij in 822 als Corbeja nova gesticht,
In 1039 verkreeg de abt de vorstelijke, in 1783 de bisschoppelijke
waardigheid. De abdij werd 1803 gesekulariseerd en 1815 bij Pruisen
gevoegd.
Bisschop Theodor 1783-94

p.

1787.

Vierer.

WEINGRTNER 734.

Steden in de provincie Westfalen alfabetisch


Beckum

356 p. 1622. Zwlfer.

WEINGRTNER 108.
5+

68

PROVINCIE WESTFALEN

Bocholt

In 1615 verkregen burgemeester en raad van Bocholt van den


munsterschen vorst-bisschop het recht kopergeld te laten slaan. Men
rekende hier naar stuivers 21 heller.

357 m.

1689.

Stber clevisch (kleefsche stuiver).

i.

1690.

Stber. Vz, I-S

127.

i.

1761.

Stber.

128.

rr.

1762.

Stber. Vz. CUM PRI

129.

In.

Stber. Vz, CUM. PRI.

WEINGRTNER 126.

Dortmund

Vrije rijksstad tot 1803, toen zij bij Nassau-Oranje werd ingelijfd
in 1815 viel de stad Pruisen ten deel.

p.
ll.

z. j.
1656.

Zes pfennig.
Schilling.

GTZ 1884.
APPEL IV. 220.840

i.

1753.

Kwart stber.

WEINGARTNER 581.

dd.

1755.

Kwart stber.

583.

Hamm

Hoofdstad van 't graafschap Mark, kwam 1666 aan Brandenburg.


p.

1635.

Sechser.

WEINGARTNER 469.

p.

1729.

m.

m.

1734.

ij.

1736. Dreier. Vz. Het jaartal tusschen zespuntige sterren. 519.


-Dreier. Vz. Het jaartal tusschen kruisjes.
1739. Dreier.
521.

Dreier. Andere stempel.


Merkwaardig is de ovale vorm dezer munten.

Dreier.

514.

Dreier. Andere stempel.


Dreier. Vz. STACIT

518.

p.
373 m.

Herford

Stad in 't graafschap Ravensberg, dat 1666 bij Brandenburg ge


voegd werd.

69

PROVINCIE WESTFALEN

374 xx.

1670.

Zwlfer. K2. In den rand 11 krullen. WEINGRTNER 940.

i.

Zwlfer. Kz. In den rand 10 krullen.

p.

Zwlfer. Kz. In den rand 9 krullen.

Koesfeld
Na Munster de voornaamste stad van 't bisdom Munster. Hier werden

in koper geslagen stukken van 12, 8, 6, 4, 3, 2, 1 pfennig en hellers.


Omstreeks 1650 werden deze munten in Bielefeld nagebootst.
x.

1691.

rr.
i.

1694. Achtpfenniger.
1713. Achtpfenniger. Vz. 1713.

Achtpfenniger. Vz. 17.13

dd.

Achtpfenniger.

WEINGARTNER 150.
151.
178.
-

Vierer. Vz. 1713

180.

Stad Munster

Hier, evenals in de meeste westfaalsche steden zijn geene oorkonden


te vinden, die aantoonen wanneer en of werkelijk de stad het muntrecht
verkregen heeft de stukken bewijzen dat zij dit recht sedert 1560
heeft uitgeoefend.
xx.
i.
p.
p.
i.

p.
p.
p.

390 n.

1534.

Thaler der Wederdoopers (1534-35).

z.. j.

Vierer der stedelijke regeering.

1602. Sechser.
1740. Zweier.

WEINGARTNER 220.
217.
224.

Pfennig.

229.

Pfennig. Vz. Wapen anders.


1750. Zweier.
1758. Zweier.

MADAI 2361.

Pfennig.

225.
226.
231.

Rheda

Daar de munten van

Rheda in 't omschrift het woord Stadt

missen, is 't mogelijk dat deze niet door de stedelijke regeering, maar
door den graaf van Bentheim-Tecklenburg-Rheda geslagen zijn. De
heerlijkheid Rheda kwam in 1707 grootendeels aan Pruisen.

70

PROVINCIE WESTFALEN

391 p.

1656.

Fnfer.

Verg. WEINGRTNER 608.

xx.

1659.

Fnfer.

Fnfer.

ij.

Soest

Eertijds hoofdstad van 't keulsche hertogdom Westfalen, scheidde


de stad zich in 1441 van den keulschen aartsbisschop af en stelde
zich onder de hoede van den hertog van Kleef - met dit hertogdom
ging zij in 1609 aan Brandenburg over. De oudst bekende stedelijke
munt draagt 't jaartal 1586, de jongste is van 1750.
p.
ij.
p.

1726. Dreier.
1735. Dreier.
1739. Dreier.

WEINGARTNER 554.
562.

566.

i.

1741.

Dreier.

568.

i.

1744.

Dreier.

571.

De vorm dezer munten is ovaal.

Warendorf
Voorname stad in 't bisdom Munster.

p.

1613.

Sechser,

m.

1690.

Wierer.

m.

Wierer. V2, WARENDORPIENS

XX.

--

Dreier. V3. MO'CIVITA- WARENDOR

WEINGARTNER 257.
258.

Verg.
261.

Wiedenbrck

Het graafschap Wiedenbrck werd 1225 aan den bisschop van


Osnabrug in leen gegeven. Het kwam in 1803 aan Hannover, 1815
aan Pruisen.

18 Jan. 1596 verkreeg de stad W. vergunning van den bisschop


koperen munten te slaan de laatste dagteekenen van 1716.
403 p.

1674.

Dreier.

WEINGARTNER 399.

71

PROVINCIE RIJN-PRUISEN

PROVINCIE RIJN-PRUISEN OF RIJNPROVINCIE

Nadat in 1666 het hertogdom Kleef voor goed bij Brandenburg


was gevoegd, werden deze bezittingen, vooral in de jaren 1814 en 15,
aanzienlijk uitgebreid door aanhechting van de hertogdommen Berg
en Gulik, de gesekulariseerde bisdommen Keulen en Trier, het vorsten
dom Wied, het graafschap Sayn-Altenkirchen en de rijksstad Aken
van de heerlijkheid Homburg in 1821 en van 't vorstendom Lichten
berg in 1834.
Deze landen benevens eenige andere pruisische bezittingen aan den
Rijn vormden de provincin Gulik-Kleef-Berg en Neder-Rijn, doch
werden in 1824 bijeen gevoegd onder den naam Rijnprovincie.
In de meeste nederrijnsche en bergsche steden gold, evenals in
zuidelijk Westfalen, het lichte kleefsche koerant (zie onder Kleef).
Hertogdom Kleef
Het graafschap Kleef werd in 1417 door den keizer tot hertogdom
verheven. Door 't huwelijk van hertog JoHANN III met de erfdochter
van Gulik en Berg (1511) 1) werden deze hertogdommen met Kleef
vereenigd.
In 1609 stierf de laatste hertog van Kleef-Gulik-Berg kinderloos,
waardoor de kleefsch-guliksche erfopvolgingsoorlog tusschen Branden
burg, Saksen en Palts-Neuburg ontstond.
Kleef werd door brandenburgsche troepen bezet en in 1666 voor goed

met Brandenburg vereenigd. Door 't Weener Congres (1815) zijn eenige
kleine brokstukken van Kleef bij onze provincie Gelderland gevoegd.
Tot 1824 was 't lichte kleefsche koerant hier in gebruik, waarbij

1 thaler kleefsch of bergsch werd verdeeld in 60 stber 4 deut.


13 thalers bergsch = 10 thaler pruisisch koerant.
Johann Il 1481-1521

404 aa.

Groschen.

Verg. APPEL III. 885

"---- --

") Hij volgde in Kleef eerst 10 jaar later, bij zijns vaders dood, op.

72

PROVINCIE RIJN-PRUISEN

Johann Wilhelm 1592-1609


405 m.

Vier heller. Vz. Het wapen tusschen 6-5.

NEUMANN 5817.
5823.

Deut.

Erfopvolgingsoorlog 1609-66
ll.

1646.

Dubbele mariengroschen.

GTZ 847.

Friedrich Wilhelm van Brandenburg 1666-88

z. j.
XX.
-

XX.

1670.

Stber van Emmerik. Vz. NVMMVS.


Stber. V2. NVMMVS :

Stber. Vz. NVMMVS +

GTz 8669.
-

HENCKEL 4941.

Deut.

1680. Deut. Zeer ruwe gravure; muntplaat 17 m.M. (valsch).


Friedrich III 1688-1713
1695.

Deut.

4973.

1696.

Deut.

4974.

1697.
-

Deut. Kz. De cijfers 96 aaneen.

4975.

Deut.

Deut. Kz. 't Cijfer 9 cursief.

Deut. Kz. Versiering onder 't jrt. grooter.

Friedrich II 1740-86
IIl.

Deut.

1752.

Deut.

5000.

Kwart stber.

5007.

Deut.

5009.

1753.

i
425 m.

4984.

1750.

Deut. Kz. Andere bloemslinger.

1754.

Kwart stber.

5016.

1756.

Deut.

5024.

Hertogdommen Gulik en Berg


Bij 't uitsterven der graven van Berg in 1348, bracht de erfdochter

MARGARETHA dit graafschap aan OTTo IV van Ravensberg. Hun achter


kleinzoon ADoLF erfde in 1.423 't hertogdom Gulik.

73

PROVINCIE RIJN-PRUISEN

Toen nu in 1511 de gulik-bergsche erfdochter MARIA met JoHANN


van Kleef huwde en deze in 1521 zijn vader in Kleef opvolgde, waren
de hertogdommen Kleef, Gulik (sedert 1356 hertogd.) en Berg (hertogd.
sedert 1380) vereenigd.
Deze vereeniging hield slechts stand tot 1609. In dit jaar brak de
erfopvolgingsoorlog tusschen Brandenburg, Saksen en Palts-Neuburg
uit en bij de regeling van 1666 werden Gulik en Berg met Palts
Neuburg vereenigd.
NAPoLoN hechtte in 1801 Gulik aan Frankrijk, schiep in 1806 't
Groothertogdom Berg uit 't oude hertogdom van dienzelfden naam
met omliggende landen, en met Dusseldorp tot hoofdstad.

Na NAPoLON's val werden beide bij Pruisen gevoegd (slechts kleine


gedeelten kwamen bij onze provincin Gelderland en Limburg) en
sedert 1824 maken ze deel uit van de pruisische Rijnprovincie.
Tot 't begin der 18e eeuw werd hier de oude keulsche rekenwijze
gebruikt, waarbij de gulden = 26 albus of witpenningen 12 heller
of 8 pfennig was ingedeeld. Later volgde men het kleefsch koerant.
Erfopvolgingsoorlog 1609-66

426xx.

1653.

Achtheller van Dusseldorp.

Verg. Gtz 1844,

Philipp Wilhelm 1666-90

i.

1676.

Doppel-albus clsch. Vz. PALAT. Kz. NOV.


Verg. APPEL III. 1522
Johann Wilhelm 1690-1716

i.
i.

1683.
1685.

Doppel-albus clsch.
Doppel-albus clsch.

III. 1525.

Verg. -.

Karel II Philipp 1716-42


n.

1737.

Stber.

.1526

ij.

1738.

Stber.

.1528
Karl Theodor 1742-99

p.

433 p.

1750.

Kwart stber.

NEUMANN 5857.

1751. Kwart stber.

5858.

PROVINCIE

RIJN-PRUISEN

Kwart stber.
Kwart stber.
Halve stber.
Kwart stber.

Halve stber.
Kwart stber.

Kwart stber. Vz. MUNZx


IIalve stber.
Kwart stber.

Halve stber.
Kwart stber.
Halve stber.
Halve stber.
Drie stber.

APPEL III. 1529

Drie stber; roodkoper.


Drie stber; roodkoper.
Drie stber.

-.

Twee stber.

.1530

Halve stber.

NEUMANN 5880.

Kwart stber.

5886,

Kwart stber.

5888.

Maximilian Joseph 1799-1806

Gulik werd in 1801 bij Frankrijk gevoegd, zoodat M. J. nu


alleen in Berg hertog bleef ook dit moest hij in 1806
aan Frankrijk afstaan.
bb.

Drie stber.

XX.

Drie stber; roodkoper.

APPEL III. 231

Halve stber.

NEUMANN 5808.

Drie stber.

APPEL III. 231

Halve stber.

NEUMANN 5809.

Halve stber.

Drie stber.

5811.
APPEL III. 231

Drie stber; roodkoper.

:
466 rr.

Halve stber.

NEUMANN 5810.

Drie stber.

APPEL III. 231

Drie stber; geelkoper.


Drie stber.

PROVINCIE

75

RIJN-PRUISEN

Joachim Murat groothertog van Berg 1806-8


467 xx.

xx.

1806.

Drie stber.

NEUMANN 5813.

Drie stber; roodkoper.

Heerlijkheid Schnau
Lag in 't hertogdom Gulik. Er bestaan munten van 1542 (thalers)
en van 1755 (koperen 4 hellers). 1)
Johann Gottfried won Blanche zu Radelo 1730-89

p.

1755.

Bauschen = 4 heller.

NEUMANN 6101.

Aartsbisdom Keulen

Als eerste bisschop verschijnt MATERNUs in de 4e eeuw; in 785


wordt Keulen tot aartsbisdom verheven en van den tijd (953) dat
aartsbisschop BRUNo hertog van Lotharingen werd, dagteekent het
wereldlijk gebied langs den Rijn. Dit gebied wordt achtereenvolgens
uitgebreid en sedert 1180 zijn de kerkvorsten, aartsbisschoppen van
Keulen en hertogen van Westfalen en Engern.
De fransche revolutie dwong MAXIMILIAN FRANZ (1794) 't aarts

bisdom te verlaten; dit werd 1801 gesekulariseerd en door 't Weener


Congres bij Pruisen gevoegd.
Ernst 1583-1612
p.

Acht heller (1 albus = 12 heller).

APPEL II. 182.3

Maximilian Heinrich 1650- 88

473

xx.

z. j.

Dubbele albus.

xx.

1654.

Kreutzer (= 1/3 albus).

i.

1681.

Kreutzer.

--

') Quix. Geschichte von Schoenau. Aachen 1837. 8".

185.4
GTZ 1653.

APPEL II. 185.5

76

PROVINCIE

RIJN-PRUISEN

Clemens August 1723-61


e

474 p.
p.

1740.
1744.

Kwart stber.
Stber.

m.

1745.

Kwart stber. K2. STVBER

p.
ij.

1746.
1759.

NEUMANN 5929.
APPEL II. 185

Verg. NEUMANN 5935.


Kwart stber.
5937.
Kwart stber. Kz. COLLN LANOIMVNTZ : Verg. 37616.
Maximilian Friedrich 1761-84

ij.

1764.

Kwart stber.

p.

1765.

Kwart stber.

5956.

qq.
ij.
ij.

1766.
1767.
1777.

Kwart stber.
Kwart stber.
Stber.

5959.

NEUMANN 5952.

5961.

GTz 1668.

Bisdom Trier

Volgens de overlevering werd 't bisdom reeds in de 1e eeuw geves


tigd het komt in de 4e eeuw als aartsbisdom vr, doch eerst in
de 10e eeuw, hebben de triersche aartsbisschoppen wereldlijke bezit
tingen. Deze bezittingen werden vooral in de 14e eeuw uitgebreid.
De laatste aartsbisschop moest in 1794 vluchten, zijn gebied werd
bij Frankrijk ingelijfd en een nieuw bisdom Trier gevormd. De goe
deren van 't oude aartsbisdom zijn in 1803 gesekulariseerd en in 1814
met Pruisen vereenigd.
Tot 't begin dezer eeuw werd in Trier gerekend bij reichsthalers =
54 albus (wegens 't beeld van St. Pieter, Petermengen genaamd) 2
kreuzer 2 heller 2 pfennige.
Karl Kaspar 1652-76

xx.

1663.

Petermengen van Koblenz.

BoHL 33.

Johann Hugo 1676-1711

i.

1694.

Drie Petermengen. Kz. PETERMENTGER

62.

Johann Philipp 1756-68


486 ll.

1758.

Petermnnchen.

78.

PROVINCIE RIJN- PRUISEN

77

Clemens Wenzel 1768-94

487 ij.

1790.

Petermnnchen.

30.

Vorstendom Wied-Neuwied

Het oude graafschap Wied werd in 1698 gesplitst in Wied-Neuwied


en Wied-Runkel.

Het eerste in 1784 tot vorstendom verheven, werd

in 1806 tusschen Nassau en 't groothertogdom Berg verdeeld en in

1814 bij Pruisen gevoegd.


Voor Wied-Runkel zie hierachter onder de provincie Hessen-Nassau.
Johann Friedrich Alexander 1737-91

dd.

1749.

Pfennig.

ll.

Pfennig.

5896.

i.

Koperen munt.

5897.

NEUMANN 5895.

xx.

1750.

Kwart stber.

5901.

i.

1752.

Kwart stber.

5902.

Graafschap Sayn-Altenkirchen

De graven van Sayn komen reeds in 1133 voor na de groote


verdeeling der bezittingen in 1607, werd de toen gestichte tak Sayn

Wittgenstein-Sayn in 1632 weer onderverdeeld in twee zijtakken. De


landen van een dezer: Sayn-Wittgenstein-Altenkirchen kwamen in
1680 aan Brandenburg-Ansbach en in 1815 aan Pruisen.
Karl Wilhelm Friedrich 1741-57

493

i.

1753.

Kwart stber.

NEUMANN 5015.

Steden in Rijn-Pruisen
Rijksstad Aken

Deze eertijds vrije rijksstad werd 1801 bij Frankrijk ingelijfd en


viel in 1815 Pruisen ten deel.

In 't dagelijksch verkeer rekende men hier tot 1821 bij reichs
thalers 54 mark 6 buschen of heller.

78

PROVINCIE RIJN-PRUISEN

494 p. z. j.
p. (16)38.
i.

1745.

Zilveren munt.

WELZL 8182.

Vier heller.

NEUMANN 6014.

Vier heller.

6042.

n.

1751.

Vier heller.

rr.

1753.

Dubbele mark.

6044.

p.

1754.

Vier heller.

NEUMANN 6046.

i.

1757.

Vier heller.

37663.

p.
p.

1758.
1759.

Twaalf heller.

6050.

Twaalf heller.

6051.

dd.

1760.

Twaalf heller.

6052.

p.

1764.

Twaalf heller.

6059.

i.

1765.

i.

Verg. APPEL IV. 16 en 17,

Twaalf heller.

6060.

Twaalf heller. Kz. ACHEN.

Verg.

p.

1767.

Twaalf heller.

ss.

1791.

Twaalf heller.

6063.

i.

1792.

Twaalf heller.

6066.

i.

Vier heller.

6076.

Twaalf heller.

6068.
6078.

m.

1793.

p.

Vier heller.

1].

Vier heller.

ij.

1794.

6061.

6079.

Verg. 6069.

Twaalf heller.

Stad Keulen

Evenals Aken, eene vrije rijksstad, dus zelfs van de keulsche aarts
bisschoppen onafhankelijk. In 1795 kwam zij aan Frankrijk, in 1815
onder Pruisen.

De uitgebreide handel van Keulen maakte 't aanschaffen van goede,


overal gangbare munten noodzakelijk - en aangezien de bisschoppen
van Keulen hunne inkomsten te veel vermeerderden, ten koste van 't

gehalte der muntstukken, verleende keizer FRIEDRICH III in 1474 aan


de stad het recht munten te slaan.

519

i.

Z. j.

Goldgulden.

CAPPE 1242.

i.

Acht heller.

APPEL IV. 696

i.

1675.

i.

Doppelalbus. Vz. COLONIE


Doppelalbus. Vz. COLONIEN en (2-ALB)
Doppelalbus. Vz. COLONIEN en (Z-ALB)

.700

-. -

PROVINCIE RIJN-PRUISEN

520

i.

1682.

Doppelalbus.

IV. 700

jj.

1763.

Vier heller.

qq.

1768.

Vier heller.

-.708
-

XX.

1789.

Vier heller.

1792.
1793.

Vier heller.
Acht heller.

-. -

WELZL 8038.

Rijn-Pruisen deel van Pruisen (D = Dusseldorp)


Friedrich Wilhelm IIl 1815-40

1821.

Pfennig.

HENCKEL 4817.

1822.

Pfennig.

4820.

1823.

Zweier.

4824.

1824. Silbergroschen.
1825. Silbergroschen.
1826. Silbergroschen.

Pfennig.

4825.

1827.

4831.
4838.
4843.

Zesde thaler.

4844.

Silbergroschen.

4845.

Dreier.

4846.

1828. Halve silbergroschen of sechser.


1830. Silbergroschen.

4849.

1834.

Wierer.

4877.

1837.

Vierer.

4889.

Zweier.

4891.

Zweier.

4895.

1839.

Pfennig.
Pfennig.

4900.

1840.

Dreier.

1838.
-

4857.

4896.

Niet bij HENCKEL. SchwALBACH 332.


Friedrich Wilhelm IW 1840 61

1842.

551

Dreier.

HENCKEL 4909.

1843.

Zesde thaler.

1844.

Zesde thaler.

SCHwALBACH

355.

1846.

Zweier.

HENCKEL 4922.

bb.

1848.

Dreier.

4930a.

bb.

Zweier.

4931.

n.

Pfennig.

4932.

80

PROVINCIE SLEESWIJK-HOLSTEIN

DE NIEUW AANGEWORVEN PRUISISCHE PROVINCIN


PROVINCIE SLEESWIJK - HOLSTEIN

Deze bestaat uit 't in 1865 verkregen hertogdom Lauenburg en de


in 1867 daarbij gevoegde hertogdommen Sleeswijk en Holstein.
In de 18e eeuw treffen wij hier als munten aan: den thaler species
= 3 mark species 16 schillingen sp. 12 pfennige sp., waarbij
9; speciesthalers 1 keulsch mark (= 233.8123 wichtjes) fijn zilver
bevatten.

Men rekende echter in 't dagelijksch leven bij thalers koerant, ook

verdeeld in 3 mark koerant 16 schillingen k. 12 pfennige k.. en


daar 1 thaler sp. gelijk was aan 1; thaler koerant was hij in
omloop voor 3# mark koerant.
Het K. B. van 24 aug. 1867 voerde hier den 30-thalervoet in (zie
onder Brandenburg blz. 50).
-

Hertogdom Lauenburg
Ook wel Saksen-Lauenburg genoemd; gedeelte van 't oude hertog
dom Saksen dat bij deszelfs verbrokkeling in 1180 aan BERNHARD van
Askani ten deel viel. (Sedert 1260 Saksen aan de Beneden-Elbe ge
heeten). Bij 't uitsterven der Askanirs in 1689 werd dit hertogdom
bij Brunswijk-Luneburg (Celle) gevoegd, waarbij het tot 1816 verbleef.
Van 1816-64 was het deensche bezitting. De duitsch-deensche oorlog
bracht Lauenburg in 1864 aan Pruisen en Oostenrijk. Het volgende
jaar werd het voor goed met Pruisen vereenigd en in 1876 in de
inmiddels gevormde provincie Sleeswijk-Holstein opgelost !).
George II van Brunswijk 1727-60

552 ll.

1738.

Vier schilling.

SCHMIDT 249.

1) Sedert zijn aftreden (maart 1890) bezit de ex-rijkskanselier prins BISMARCK den
titel van Hertog van Lauenburg.

81

PROVINCIE SLEESWIJK-HOLSTEIN

Hertogdom Holstein
Holstein, 't noordelijkst gedeelte van 't oude hertogdom Saksen
(Noord-Albingi) was in 804 door KAREL DEN GRooTE veroverd gewor
den, die 't land door graven liet besturen. De rivier de Eider vormde
de grens tusschen dit graafschap en 't noordelijker gelegen (sedert 1115
hertogdom) Sleeswijk, dat in 1386 bij Holstein werd gevoegd en nadat
ook Holstein in 1474 tot hertogdom was verheven, komen beide onder
den vereenigden naam Sleeswijk-Holstein voor.
In 1720 werd Sleeswijk, in 1773 ook Holstein aan Denemarken
gehecht de duitsch-deensche oorlog bracht beide aan Pruisen en

Oostenrijk. Sedert 1867 voor goed met Pruisen vereenigd, vormen zij
sedert dien tijd de provincie Sleeswijk-Holstein. In 1876 werd Lauen
burg hiermede vereenigd.
Hertogelijke tak van Gottorp
Friedrich III 1616-59

553 ll

1657.

Zes schilling.

GTZ 2486.

Koninklijk deensche tak van Holstein


Frederik IV 1699-1730

i.

1708. Schilling.
Christjern WIl 1766-1808

rr.

1787.

Twaalfde species = 5 schillingen koerant.

xx.

Sechsling (= 6 pfennige).

557 ll.

Dreiling.

APPEL III. 1450


GTZ 2460.
APPEL III. 14.51

PROVINCIE HANNOVER

Zooals wij hierboven (blz. 60) bij de provincie Saksen gezien hebben,

behield hertog HEINRICH in 1180 slechts Brunswijk en Luneburg.


Deze bezittingen werden onder zijne opvolgers herhaald verbrokkeld en
6

82

PROVINCIE HANNOVER

hereenigd zoo treffen wij in 1267 de oudere takken, in 1428 de


midden takken, eindelijk in 1569 de jongere takken aan. Bij deze
laatste verdeeling van 1569 verkreeg hertog HEINRICH (stichter van
den nieuwen zijtak Dannenberg) ongeveer het gebied dat thans het her
togdom Brunswijk uitmaakt (zie eenige blz. verder), zijn broeder
WILHELM (stichter van den nieuwen zijtak Luneburg) verkreeg Luneburg
en Celle, de kern van 't latere koninkrijk Hannover, dat wij hier
behandelen. WILHELM is de stamvader der latere (sedert 1692) keur
vorsten van Brunswijk-Luneburg, koningen van Groot-Britanni (1714
1837) en (sedert 1815) koningen van Hannover.
Intusschen was bij deze landen gevoegd in 1753 het graafschap
Bentheim, in 1802 't voormalige bisdom Osnabrug, in 1813 't gese
kulariseerde bisdom Hildesheim, in 1815-16 Oost-Friesland en de

eertijds vrije rijksstad Goslar.


De oorlog van 1866 bracht Hannover onder Pruisens heerschappij
en 't geheele koninkrijk werd als provincie aan 't koninkrijk Pruisen
gehecht.
In de 18e eeuw rekende men hier bij reichsthalers 36 marien
groschen 8 pfennige (12 thalervoet). De muntwet van 1 nov. 1817
voerde niet alleen den 13# thalervoet (13; thaler = 1 keulsch mark
fijn zilver) in, doch verdeelde den thaler, naar 't voorbeeld van Pruisen,
in 24 gute groschen 12 pfennige. Door aanneming van den 14
thalervoet sloot Hannover zich 8 apr. 1834 geheel bij 't pruisische
muntstelsel

aan

en

maakte

in

1859 deel uit van 't Weener Munt

verdrag, waarbij de 30 thalervoet ook in Hannover werd aangenomen


de groschen echter ingedeeld in 10 pfennige (zie hierboven blz. 50).
Luneburg-Celle van 1815-66 koninkrijk Hannover
In 1648 werd Luneburg met hoofdstad Celle van Kalenberg, met
hoofdstad Hannover, gescheiden doch in 1705 met dit land weder
vereenigd.
Georg Wilhelm van Celle 1665-1705

558 p.
559 dd.

1684.
1687.

Sechser.
Anderhalve pfennig.

KNYPHAUSEN 2357.
2367.

83

PROVINCIE HANNOVER

560

Verg. 2227.

i.

1693.

Dukaat.

m.

1703.

Pfennig met 't paard.

2400.

Brunswijk-Kalenberg
Johann Friedrich 1665-79

j.

1679.

Derde thaler.

2481.

Ernst August 1679-98

rr.

1682.

Twaalf mariengroschen of 1/3 thaler.

8697.

Georg ! Ludwig 1698-1727 sedert 1714 koning van Groot-Britanni


m.

1706.

Andreasthaler.

rr. 1717. Pfennig met 't naamcijfer.


j. 1720. Twee derde thaler.
j. 1722. Twee derde thaler.
p. 1726. Pfennig met den Wildeman. 1)

8759.
3152.
2925.

Verg. 2928.
3160.

Georg lll 1760-1820 sedert 1815 koning van Hannover

m.
bb.
m.
n.
p.

1768. Pfennig met 't naamcijfer.


1781. Pfennig met S. Andreas.
1793. Pfennig met S. Andreas.
1796. Pfennig met den Wildeman.

Pfennig. Deze en de vier volgende munten met 't

m.
m.

1798.
1800.

naamcijfer.

576 i.

3932.
4001.
4009.
3998.

3959.

Pfennig.
Pfennig.

3963.

1801. Pfennig.

3964.

3961.

') Deze pfennige met den Wildeman werden tot 1789 geslagen in 't munthuis te

Zellerfeld en wel, draagt de Wildeman zijn denneboom in de rechterhand op de


munten
munten
Na 't
neboom

voor Luneburg-Celle, die wij hier behandelen; in de linkerhand, op de


van Brunswijk-Wolfenbuttel (zie hieronder: Hertogdom Brunswijk).
sluiten van de munt te Zellerfeld in 1789 verdwijnt deze laatste soort (den
links) en wordt de eerste type tot 1805 voortgezet in 't munthuis te Claus

thal. Dit laatste munthuis bracht ook de pfennige met S. Andreas en met 't naam
cijfer voort, met S. Andreas als 't koper uit de mijnen van S. Andreasberg afkomstig
Was - met 't naamcijfer als 't koper door andere hartser mijnen was geleverd.
6*

84

PROVINCIE HANNOVER

577 m.

3971.

1818.

Pfennig.
Georg d'or of hannoversche pistool = 5thaler in goud.
Pfennig.

1820.

Pfennig.

3979.

1814.
1815.

XX.

8941.
3976.

Georg IV 1820-30
1821.
1826.
1827.

Pfennig.
Vierer (= 4 pfennige).
Vierentwintigste thaler.

4186.
41 67.
4162.

Wilhelm IV 1830-37
1835.

4243.

Wierer.

Ernst August 1837-51


1838.

Pfennig.

4384.

1841.

Pfennig.

4388.

1842.

Wierer.

4359.

Pfennig.

4390.

1844,

Zweier. Kz. S

4368.

1845.

Zweier. Kz. A

4369.

Zweier. In den ring gemunt.

4370.

Zweier.

4374.

1847.

Pfennig.

4400.

1849.

Zweier.

4378.
4402.

1850.

Pfennig.
Pfennig.

1851.

Twaalfde thaler.

4332.

Sechser.

4355.

Pfennig.

4406.

4405.

Georg W 1851-66
Twaalfde thaler.

4460.

Pfennig.

4497.

1854.

Zweier.

4486.

1855.

Sechser.

4477.

Zweier.

4487.

Groschen.

4466.

Halve groschen.

4478.

1853.

1858.

PROVINCIE

607 n.

1859.

Groschen.

85

HANNOVER

4467.

i.

1860.

Zweier.

4491.

p.
p.
ij.

1861.
1862.

Pfennig.
Pfennig.
Pfennig.

4503.

rr.

1863.

Groschen.

4470.

4504.
4505.

qq.

Halve groschen.

4481.

bb.

Zweier.

4494.

Graafschap Bentheim
OTTo I, jongste zoon van onzen hollandschen graaf DIRK VI, is in
1182 eerste graaf van Bentheim. Dit graafschap werd vergroot in
1370 door toevoeging van de heerlijkheid Steinfurt, in 1562 van 't
graafschap Tecklenburg met de heerlijkheid Rheda. De verdeeling dezer
landen had in 1606 plaats.
Het nu gevormde Bentheim-Steinfurt werd in 1643 gesplitst in
Bentheim en in Steinfurt. Het eerste viel in 1753 voor hypotheekschuld
Hannover ten deel.

Voor Bentheim-Tecklenburg-Rheda zie hierboven blz. 64 en 69.


Ernst Wilhelm van Bentheim 1643-93

NEUMANN 8077.

xx.

1662.

Duit.

n.

1663.

Dubbele albus.

Verg. APPEL III. 219

Bisdom (sedert 1802 Vorstendom) Osnabrug

Het bisdom werd door KAREL DEN GRoore in zijne oorlogen tegen
de Saksers gesticht, in 1802 gesekulariseerd en 1815 met Hannover
vereenigd.
Konrad Il von Rietberg 1270-97

xx.
xx.

Denar. Vz. . . . . SI +
Denar. Vz. Het borstbeeld zeer groot.

KNYPHAUSEN 4755.
-

4756.

Friedrich von York 1764-1802

819 ij. 1766. Zwlfpfenniger.

4867.

86

PROVINCIE HANNOVER

Vorstendom Oost-Friesland

Oorspronkelijk heette het land aan beide zijden der Eemsmonding


Oost-Friesland. Het bevatte het oostelijk gedeelte van onze provincie
Groningen, het tegenwoordige Oost-Friesland en een gedeelte van Ol
denburg. Dit land werd bestuurd door hoofdelingen, sedert 1454 graven
en nadat het gravenhuis in 1744 was uitgestorven, bezette Pruisen

dit gebied. Het land kwam tijdelijk aan Frankrijk, in 1815 bij Hannover.
De oude rekenwijze bij oostfriesche guldens 10 schaap 2 stber
10 wit, werd onder 't pruisische bestuur door de thalerrekening
verdrongen. Men verdeelde echter hier den pruisischen thaler in 54
stber 10 wit en niet, zooals in Pruisen, in gute groschen. Ook
onze nederlandsche gulden was in eenige westelijke streken onder den
naam van daler in omloop; deze deed 30 stber 10 wit. De
verhouding van bovenstaande stukken was dus: 200, 540 en 300 (wit).
Na 1839 volgde Oost-Friesland de hannoversche rekenwijze.
Friedrich II van Pruisen 1744-86

620 rr.

1746.

Doppelgroschen.

p.

1753.

Kwart stber.

i.

1754.

Kwart stber.

p.
i.
xx.

HENCKEL 5269 k.
5289.
5296.

1763. Dreier.
1772. Stber. De adelaar op de Kz. zweeft vrij.

Stber. De scepter van den adelaar raakt 't cijfer I.

5311.
5327.

Verg. ij.
XX,

1777.
-

Stber.

5333.

Stber. Letters op Vz. en Kz. kleiner.

Verg.

Niet bij HENCKEL.

u.

1781.

Stber.

i.

1784.

Kwart stber.

NEUMANN 4529.

Friedrich Wilhelm II 1786-97


n.

1794.

Kwart stber.

HENCKEL 5341.

Friedrich Wilhelm III 1797-1806

631 p.

1799.

Kwart stber.

5343.

PROVINCIE HANNOVER

87

632 m.

1802.

Kwart stber.

5344.

p.

1803.

Kwart stber.

5345.

m.

1804.

Dubbele stber.

5346.

Stber.

5347.

De Nos. 620-35 zijn alle te Berlijn voor Oost-Friesland


geslagen; muntletter A.
Stad Goslar

Tot 1802 vrije rijksstad, toen Goslar bij Pruisen werd gevoegd en
in 1816 onder Hannover kwam.

ij.

p.
Inl.

dd.

ij.
bb.

Kupferpfennig.
1748. Kupferpfennig.
Kupferpfennig. Andere stempel.
1749. Kupferpfennig.
1753. Kupferpfennig.
1756. Kupferpfennig.

KNYPHAUSEN 6172.

1741.

6177.

6178.
6182.
6184.

Stad Osnabrug
xx. (16)25. Fnfer (= 5 pfennige).
xx. (16)25. Fnfer.
p. 1704. Fnfer.
p. 1719. Pfennig.
p. 1726. Fnfer. K2, I W

NEUMANN 8317.
8318.
8321.
8383.

8325.

XX.

Fnfer. K2. . I. W.

i.

Fnfer. K2. Co B

8326.
8342.

p.
i.

Vierer.

Dreier.

8358.

p.

Wierer.

8344.

1752.

Dreier.

8362.

1759.
1795.

Dreier.

Niet bij NEUMANN.

Zweier.

8372.

Anderhalve pfennig.
Anderhalve pfennig.

8374.

dd.

p.
p.
D-

656 m.

1805.

S375.

88

PROVINCIE

HANNOVER

Hannover als pruisische provincie (B = Hannover)


Wilhelm I 1866- 88
657

ll.
bb.

1867.

HENCKEL 5224.

Sechser.

Dreier.

bb.

Pfennig.

5227.

bb.

1868.

Dreier.

5233.

kk.

Zweier,

5234.

i.

Pfennig.

5235.

i.

1869.

Sechser.

5239.

Dreier.

5240.

Zweier.

5241.

bb.

5225.

i.

1870.

Sechser.

5246.

ll.

Dreier.

5247.

bb.

Zweier.

5248.

1871. Dreier.
1872. Silbergroschen.

5250.

ij.
rr.

5253.

ll.

Dreier.

5254.

bb.

1873.

Dreier.

5256.

Koninklijk pruisisch-aziatische Compagnie van Emden


Koning FRIEDRICH II gaf 1 aug. 1750 verlof tot 't oprichten dezer
maatschappij voor den handel op Azi.
673

i. (1751). Piaster, voor deze maatschappij te Kleef geslagen.


MEYER blz. 13. N0. 23.

De letters op de Kz. K | APC | E beteekenen: Kniglich


Preussisch-Asiatische Compagnie Emden.

PROVINCIE HESSEN -NASSAU

Van de gouwen in 't oude hertogdom Saksen, was 't Hessengouw


een der voornaamste het werd in 1265 tot landgraafschap, in 1292
tot rijksvorstendom verheven.

89

PROVINCIE HESSEN-NASSAU

Na twee verdeelingen werd 't land telkens weer hereenigd, de ver


deeling van 1567 echter was blijvend. GEoRG I verkreeg toen het

graafschap Katzenelnbogen met Darmstad (zie hierachter 't groother


togdom Hessen); zijnen bror, landgraaf WILHELM IV den Wijze, viel
Neder-Hessen met hoofdstad Kassel ten deel.

In 1648 werd 't grootste gedeelte van 't graafschap Schaumburg,


in 1736 't graafschap Hanau bij Hessen-Kassel gevoegd. In 1803 tot
keurvorstendom verheven, komt 't land voortaan onder den naam van
Keur-Hessen voor.
Keizer NAPoLoN bezette in 1806 het keurvorstendom en vormde 't

volgend jaar van Keur-Hessen met omliggende landen het koninkrijk


Westfalen. Deze fransche heerschappij duurde tot 1813, toen keurvorst

WILHELM IX wer zijn in 1806 verlaten troon besteeg.


In den oorlog van 1866 bondgenoot van Oostenrijk tegen Pruisen,
werd Keur-Hessen door dit laatste bezet en met de aangrenzende
nieuw verworven landen als provincie Hessen-Nassau bij het koninkrijk
Pruisen gevoegd.
In de 18e eeuw gold de reichsthaler (13; thalervoet) in Hessen
Kassel 32 hessische albus 9 pfennige of 12 heller (oude hellers)
slechts in eenige streken werd de reichsthaler, evenals in Hessen
Darmstad ingedeeld in 1; reichsgulden 60 kreuzer 4 (nieuwe) heller.
1 Nieuwe heller = 1 's oude heller.
De wet van 3 mei 1834 voerde de, sedert 1819 reeds gebruikelijke,

indeeling in van den thaler = 24 gute groschen 12 pfennige of


16 heller (3 pfenn. = 4 heller).
In 1841 werd de 14 thalervoet en de verdeeling van 1 thaler =
30 silbergroschen 12 pfennige of heller aangenomen en 1857 trad

Hessen-Nassau tot 't Weener muntverdrag toe (zie bl. 49).


Keurvorstendom Hessen (Keur-Hessen ook Hessen-Kassel)
Karl landgraaf 1670-1730

674

i.

1680.

Albus.

675 rr.

1727.

Heller.

HoFFMEISTER 1498.
1814.

90

PROVINCIE HESSEN-NASSAU

Friedrich I 1730-51
676

t.

1740.

Drie heller.

2057.

m.

1744.

Heller.

2092.

Friedrich II 1760- 85

ij.

1769.

Vierentwintigste thaler.

2400.

i.

1776.

Dubbele albus.

2469.

p.

1783.

Kwart kreuzer.

2514.

Wilhelm IX 1785-1806 sedert 1803 keurvorst

x.

1790.

Heller.

2666.

xx.

1791.

Dubbele heller.

2673.

ij.

1800.

Vierentwintigste thaler.

2726.

m.

1803.

Halve kreuzer.

2753.

p.

1804.

Halve kreuzer.

2762.

Stad Schmalkalden

Deze stad, vooral bekend geworden door het verbond der protestant
sche vorsten en rijkssteden (1531), behoorde sedert 1335 gedeeltelijk
sedert 1583 geheel aan Hessen. Van 162746 tijdelijk door H.
Darmstad bezet, werd zij in 1646 door H.-Kassel heroverd en in 1866

bij Pruisen gevoegd.


Friedrich I van Hessen-Kassel 1730-51
686 m.

1736.

Heller.

HoFFMEISTER 2001.

Koninkrijk Westfalen
In 1807 voegde NAPoLoN I bij Keur-Hessen: 't hertogdom Bruns
wijk, het gebied dat de tegenwoordige pruisische provincie Saksen
uitmaakt, een gedeelte van Hannover en een gedeelte van Westfalen.

Hij verhief deze landen tot koninkrijk Westfalen, met hoofdstad Kassel.
Hetzelfde jaar hield zijn jongste broeder JROME (op de munten
HIERONYMUs) in Kassel zijn intocht en verbleef hier tot 1813. In
gemeld jaar werd 't koninkrijk opgelost en de in 1806 verjaagde
vorst van Keur-Hessen stelde zich weer in 't bezit zijner landen.

91

PROVINCIE HESSEN-NASSAU

In 't koninkrijk Westfalen ontmoeten wij twee muntstelsels : 't


officieele fransche en 't duitsche. Het eerste, ingevoerd door de west
faalsche constitutie (art. 17) was geheel gelijk aan 't muntsysteem
van 't Fransch Keizerrijk en bevatte in goud, stukken van 40, 20, 10
en 5 franken in zilver 5, 2, 3 frank in biljoen 20 en 10 cen
times (door 't volk Zanktime genaamd) en in koper 5, 3, 2, 1
centime. De stempels werden gesneden te Parijs, de munten geslagen
te Kassel. De officieele rekenwijze was bij franken.
Naast bovenstaande stukken verschenen gouden 10- en 5-thalers
uit 't munthuis te Brunswijk en #, #, ', en ', reichsthalers (13;
thalervoet) uit de munthuizen van Brunswijk en Clausthal dit
laatste leverde ook zg. Conventionsthalers, die gelijk 14 reichsthaler
waren. In 't dagelijksche leven bleef de reichsthaler ingedeeld in 32
hessische albus of (in 't hannoversche) in 36 mariengroschen
officieel golden deze stukken:
10 thaler in goud = frs. 41.60
# reichsthaler enz. = 2.59 enz.
Conventionsthaler

5.18

Jrome Napolon 1807-13

687

i.

1809.

Vijf centimes.

i.

Drie centimes.

3200.

bb.

Twee centimes.

320 1.

i.

Centime.

i.

1810.

Drie centimes.

Twee centimes.

m.

i.
i.
i.

HoFFMEISTER 3198.

3202.
-

1812. Dubbele Jrome d'or = 10 thalers in goud 1).

Zesde thaler van Brunswijk = 648/4 centimes.

Twintig centimes.

3218.
3219.
3231.
3235.

Drie centimes.

3236.
3239.

1.

Twee centimes.

3240.

698 bb.

Centime.

3241.

') Dit stuk werd ook dubbele Pistole genoemd.

92

PROVINCIE HESSEN-NASSAU

Vervolg van Keur-Hessen


Wilhelm II 1821- 47

699

i.

1825.

Kreuzer.

HoFFMEISTER 2902.

p.

1834.

Halve kreuzer.

2981.

ij.
p.
p.

1843.
1844.

Drie heller.
Twee heller.
Drie heller.

3028.
3029.
3035.

Friedrich Wilhelm I 1847--66

rr.

1849.

Drie heller.

m.

1851.

Silbergroschen = 31/3 kreuzer = 12 heller.

3075.

ll.

1852.

Drie heller.

3081.

3066.

rr.

1856.

Silbergroschen.

bb.

1858.

Heller.

ij.

1859.

Silbergroschen.

192.

p.

Drie heller.

193.

p.
p.

1860.
1862.

Drie heller.
Drie heller.

3103.

SchwALBACH 1) 194.

Graafschap Schaumburg
ADoLF van Santersleben, die in 't begin der 11e eeuw 't slot
Schauenburg aan den Weser bouwde, werd door den keizer met 't
omliggende land beleend. Zijn geslacht stierf 1640 uit en door den
vrede van Munster (1648) werden de Schaumburgsche landen verdeeld
tusschen den landgraaf van Hessen-Kassel en den graaf van Lippe.
Het toen door Hessen verworven gebied maakt de tegenwoordige,
noordelijk van Kassel gelegen, kreis Rinteln uit.
Friedrich II 1760-85

m.
p.
715 m.

1772.
1776.
1785.

Guter pfennig.
Guter pfennig.
Guter pfennig.

1) HoFFMEISTER beschrijft slechts tot einde 1857.

HoFFMEISTER 2436.
2471.
2532.

93

PROVINCIE HESSEN-NASSAU

Wilhelm IX landgraaf van Hessen-Kassel 1785-1806


716xx.

1789.

Guter
Guter
Guter
Guter

1799.
rr.

1803.
1807.

2659.

pfennig.
pfennig.
pfennig.
pfennig 1).

2722.
2757.
2782.

Wilhelm II keurvorst van Hessen-Kassel 1821-47

bb.

1828.

Guter pfennig.

2932.

Graafschap Hanau-Muntzenberg

't Oude Hagenowe. In 1424 werd graaf REINHARD II tot rijksgraaf


verheven - in 1736, bij 't uitsterven van 't hanausche gravenhuis,
viel Hanau WILHELM, stadhouder, sedert 1751 landgraaf, van Hessen
Kassel ten deel.
Wilhelm (WIll) van Hessen-Kassel 1736-60
Il.

1755.

Heller.

HoFFMEISTER 2245.

1757.

Heller.

2256.

Wilhelm IX 1760 85 graaf van Hanau

724

i.

1 768.

Heller.

2611.

1773.

Heller.

2622.

Hertogdom Nassau

De burg Nassau aan de rivier de Lahn komt in 915 voor als eigen
dom van graven, die 't land tusschen Main, Rijn en Lahn bezaten.
Dit gebied werd uitgebreid en bij de groote verdeeling van 1255 komen
de landen op den linker Lahnoever (Wiesbaden) aan den walramschen
tak der nassausche graven - die op den rechter Lahnoever (Siegen)
vielen den ottonischen tak ten deel (voor dezen laatste zie hieronder
bij Nassau-Dietz).
') Waarschijnlijk is deze munt reeds in 1806 geslagen.

94

PROVINCIE HESSEN-NASSAU

De bezittingen van den walramschen tak werden in 1629 verdeeld


tusschen de zijtakken: Saarbrcken, Idstein en Weilburg, van welke
de

beide

eerste in 1721 onder eenen vorst kwamen en in 1816 met

Weilburg hereenigd werden. Vor deze hereeniging was FRIEDRICH


AUGUST van Saarbrcken-Usingen in 1806 tot hertog verheven, waarbij
hij tevens 't graafschap Wied-Runkel verkreeg, en in 1815 het grootste
gedeelte der duitsche bezittingen van den ottonischen tak. In 1816
ging de titel van hertogdom op de hereenigde landen over. Dit her
togdom werd in 1866, aangezien hertog AdoLF zich aan de zijde van
Oostenrijk tegen Pruisen geschaard had, door dit laatste bezet en met
Keur-Hessen als provincie Hessen-Nassau bij 't koninkrijk Pruisen
gevoegd.
In Nassau volgde men tot einde 1867 't zuidduitsche muntstelsel
(zie hieronder bij 't groothertogdom Hessen) d. i. 1 gulden = 60
kreuzer 4 pfennige 2 heller sedert 1868 als in Pruisen.
Friedrich Wilhelm van Weilburg 1788-1816
725 m.

1808.

Kreuzer.

m.

1809.

Kreuzer.

10606.

i.

1810.

Kreuzer. Kz. KREU= | =ZER.

10622.

i.
p.

1811.

Kreuzer. Vz. KREU= | =ZER


Kwart kreuzer.

10624.

i.

1812.

Kwart kreuzer. Vz. HERZ. NASSAUISCHE

NEUMANN 10603.

SCHEIDE MUNZ.

p.

1813.

Kwart kreuzer.

10635.

Niet bij NEUMANN.


10640.

Wilhelm 1816-39

m.

1817.

i.

10649.

1819.

Kwart kreuzer.

10653.

bb.

Kwart kreuzer.

10654.

bb.

Kwart kreuzer.

10655.

bb.

Kwart kreuzer.

i.
739

Kwart kreuzer.

1822.

Drie kreuzer.

10656.

Verg. WELLENHEIM 3791.

XX.

Kwart kreuzer.

NEUMANN 10658.

a.

Kwart kreuzer.

10659.

95

PROVINCIE HESSEN -NASSAU

740 ij.

1830.

Kreuzer.

i.

1832.

Silberkreuzer.

qq.

1833.

Silberkreuzer.

i.

1834.

Zes kreuzer.

10661.

SCHWALBACH 274.

Adolf 1839-66

i.

1840.

Halve gulden.

277.

i.

1841.

Gulden.

276.

m.
p.
p.
m.
p.

1842. Kupferkreuzer.
1844. Kupferkreuzer.
1856. Kupferkreuzer.
1859. Kupferkreuzer.
1860. Kupferkreuzer.

280.

rr.

1861.

Silberkreuzer.

286.

ss.
ij.
754 bb.

1862.
1863.

Kupferkreuzer.
Kupferkreuzer.
Kupferkreuzer.

284.
-

284.
-

Vorstendom Nassau-Dietz

De in 1255 gevormde ottonische tak der nassausche graven verwierf


in de 15e eeuw door huwelijk en aankoop belangrijke bezittingen in
de Nederlanden. De verdeeling van al deze landen had in 1516 plaats.
De zijtak Nassau-Breda verkreeg de bezittingen in Nederland, welke in
1530 vergroot werden door erfenis van 't fransche vorstendom Oranje
en alle te zamen in 1702 aan Nassau-Dietz ten deel vielen.

De zijtak Nassau-Dillenburg verkreeg (1516) de bezittingen in


Duitschland. Bij de verdeeling dezer duitsche landen in 1606 ontstond
oa. de zijlijn Nassau-Dietz met ERNST KASIMIR als stichter. Diens
5e opvolger WILHELM IV (sedert 1748 onze stadhouder WILLEM IW)
hereenigde alle landen van den ottonischen tak (behalve Oranje, dat
in 1673 door Frankrijk geannexeerd was) en van deze werden de
duitsche in 1815 bij 't jonge hertogdom Nassau gevoegd. Zijn klein
zoon (onze koning WILLEM I) verkreeg hiervoor als schadevergoeding
het groothertogdom Luxemburg.

96

PROVINCIE HESSEN-NASSAU

Wilhelm W 1) 1751-1806

755 i.

1791.

Doppelheller.

NEUMANN 10671.

Vorstendom Wied-Runkel

Onder de provincie Rijn-Pruisen (blz. 77) zagen wij reeds dat 't
oude graafschap Wied in 1698 verdeeld werd. De tak Wied-Runkel
kreeg dat gedeelte van 't graafschap dat aan de Lahn lag en werd in
1791 in den vorstenstand verheven in 1806 vielen deze bezittingen

het nieuwe hertogdom Nassau ten deel.


Johann Ludwig Adolf 1706-62

p.

1751.

Kwart stber.

NEUMANN 5908.

ij.

1754.

Kwart stber.

5912.

bb.

1757.

Kwart stber.

5914.

i.

1758.

Kwart stber.

5915.

Frankfort a. Main

Wordt in 793 in oorkonden genoemd Na 't verdrag van Verdun


(843) werd Frankfort a. Main hoofdstad van 't Oostfrankische Rijk hier had de verkiezing plaats der latere duitsche keizers en sedert 1245

is Frankfort onmiddelbare vrije rijksstad.


Toen in 1810 NAPoLoN 't groothertogdom Frankfort schiep, werd
de stad hiervan de residentie; dit groothertogdom verdween weer in
1813.

Het Weener Congres herstelde Frankfort als vrije rijksstad doch


in 1866 werd zij door Pruisen bij de provincie Hessen-Nassau ingelijfd.

Gerekend werd evenals in Zuid-Duitschland bij guldens 60 kreuzer


4 heller of pfennige.
i.

1645.

Dukaat.

761 xx. 1703. Judenpfennig?). Kz. I | THELER

KHLER 2846.

NEUMANN 32025.

1) Onze stadhouder WILLEM V tot 1795.

*) Munten door speculanten geslagen, om tusschen de stedelijke munten in betaling


te geven.

97

PROVINCIE HESSEN-NASSAU

762

i.

1773.

Kreuzer.

APPEL IW. 1037

x.

1786.

Pfennig.

NEUMANN 11136.

ll.

Pfennig.

11137.

p.
p.
xx.
xx.

1787. Pfennig.
1788. Pfennig.
1789. Pfennig.
1793. Pfennig.

11139.
11 140.
11 142.
11151.

i.

1803.

Conventions-kreuzer.

p.
1.
xx.

1806.
1807.
1809.

Pfennig.
Judenpfennig. Kz. I | THELER
Judenpfennig. Kz. I | ATRIBUO

32027.

m.

I815.

Heller.

11171.

bb.

1818.

Heller.

11173.

11167.
32026.

jj.

1819.

Heller.

11175.

xx.

Judenpfennig 1). Kz. I | 1819

32029.

xx.

Judenpfennig. Kz. I | PFENNIG

XX.

Judenpfennig.

32030.
32033.

Heller. Met kleinen adelaar.

11 177.

n.

1820.

bb.

Heller. Met grooteren adelaar.

bb.

Heller. Een punt achter 't jaartal.

n.

1821.

Heller. Vz. Grootere adelaar.

11178.

bb.

bb.

Heller. Kz. 't Jaartal kort bijeen.


Heller. De cijfers van 't jaartal verder vaneen.

bb.
bb.

Heller. De cijfers van 't jaartal cursief.


Judenpfennig. Kz. I | HELLER

xx.

1822.

Heller.

i.

1841.

Doppelthaler.

i.

P.

i.

j.
1853.

32036.
1 1179.

SCHwALBACH 72.

Gulden.

601.

Kreuzer.

615.

Zes kreuzer.

613.

i.

Drie kreuzer.

611.

i.

Kreuzer.

605.

kk.
i.

796 p.

1855.
-

Drie kreuzer.

611 .

Heller.

612.

1856. Drie kreuzer.

611.

') Dit stukje heeft ook zijn weg naar ons land gevonden. De utrechtsche kruide
mier BLEYENSTEIN trachtte ze als duiten in omloop te brengen.
7

98

PROVINCIE HESSEN-NASSAU

797 m.

1856.

Kreuzer.

605.

m.

1857.

Kreuzer.

ij.
p.
jj.

1860.
1861.

Heller.
Kreuzer.
Heller.

m.

1862.

Heller.

612.
605.
622.
-

De vorige landen als pruis. provincie Hessen-Nassau (C = Frankfort)


Wilhelm I 1866-88

bb.

1867.

Dreier.

HENCKEL 4752.

bb.

1868.

Wierer.

4759.

p.

Dreier.

bb.

Zweier.

4760.
4761.

i.
bb.

i.

1870.

1871.

Silbergroschen.

4769.

Dreier.

4770.

Silbergroschen.

4773.

bb.

Dreier.

4775.

ll.

Zweier.

4776.

Silbergroschen.

4782.

812 i.

1873.

Vorstendom Hohenzollern-Sigmaringen
In de 11e eeuw komen de graven van Zolorin (Zollern) in 't her
togdom Zwaben voor. Steeds aanhangers van den keizer werden hunne
bezittingen herhaald uitgebreid en o.a. in 1191 't burggraafschap
Neurenberg er mede vereenigd.
In 1227 werden deze landen verdeeld tusschen den zwabischen tak

(Hohenzollern) en den frankischen tak (Neurenberg). Deze laatste be


klom met FRIEDRICH VI in 1411 den troon van het markgraafschap
Brandenburg (zie bl. 48).
De zwabische tak splitste zich in 1576 in Hohenzollern-Hechingen
en Hohenzollern-Sigmaringen.
Beide werden in 1623 tot vorstendommen verheven en in 1849 bij

Pruisen ingelijfd. Sedert dien tijd vormen zij het pruisische arrondis
sement (Regierungsbezirk) Sigmaringen.

99

KONINKRIJK SAKSEN

Muntverdeeling geheel als in Wurtemberg, d. i. gulden = 60 kreuzer


6 heller.

Karl Ill worst van Hohenzollern-Sigmaringen 1831-48

818

i.

1840.

Zes kreuzer.

SCHwALBACH 207.

KONINKRIJK SAKSEN (SACHSEN)


Bij de pruisische provincie Saksen (blz. 60) zagen wij dat 't nieuwe
hertogdom Saksen in 1260 verdeeld werd. Saksen aan de Beneden
Elbe werd daar behandeld Saksen aan de Midden-Elbe (Witten
berg), ook Ober-Sachsen genoemd, viel ALBRECHT II ten deel; het
werd in 1356 tot keurvorstendom verheven en in 1423, na 't uitsterven

der saksisch-wittenbergsche keurvorsten als leen gegeven aan FRIEDRICH,


markgraaf van Meissen en landgraaf van Thuringen de naam
Keur-Saksen ging toen op deze vereenigde landen over.
De geheele bezitting (Keur-Saksen, Meissen en Thuringen) onderging
in 1485 de volgende verdeeling: ERNST (stamvader van den ernestini
schen tak) 1) verkreeg Keur-Saksen en Thuringen ALBERT (stam
vader van den albertinischen tak) kreeg Meissen.
De ernestinische tak verloor in 1547 Keur-Saksen en behield slechts

Thuringen. De keizer voegde nl. Keur-Saksen bij de bezittingen van


't albertinische huis (Meissen), waardoor tevens de waardigheid van

keurvorst op dit laatste (Keur-Saksen met Meissen) overging.


In 1806 wist keurvorst FRIEDRICH August III den titel van koning
van Saksen te verwerven.
In de 18e eeuw en tot einde 1840 rekende men den thaler = 24

gute groschen 12 pfennige (13; thaler = 1 keulsch mark fijn zilver).

De wet van 20 juli 1840 (Dresdener Muntconventie) voerde den 14


thalervoet in en de verdeeling van 1 thaler = 30 neugroschen 10
pfennige (zie hierboven blz. 49 en 50), die van 19 mei 1857 (Weener
Muntverdrag) den 30-thalervoet.
') Zie hierachter bij de Saksische Hertogdommen in Thuringen.
7*

KONINKRIJK SAKSEN

100

Christian Il 1591-1611

814 j.

1604. Thaler. Op de Vz. Christian's beide broeders: Johann


Georg en August.

TENTZEL Pl. 25.7

Sophia van Brandenburg f 1622 (echtgenoote van keurvorst Christian I)


i.

1616.

Kinderdukat of Sophiendukat.

1620.

Kwart thaler van Zwickau (zwaan)

Pl. 22.8

Johann Georg l 1611-56


AMPACH 14348.

Friedrich August 1 1694-1733

1696. Twee derde thaler = gulden.


1697.

WEISEN 576.

Twee derde thaler.

Friedrich August Il 1733-63


1745.

BAUMGARTEN 858.

Dukaat.

Friedrich August III keurvorst 1763-1806 tot 1827 koning |

1772.

Pfennig.

1779.

Heller.

1799.

Heller.

9363.

1806.

Pfennig.

9376.

1807.
1808.

Pfennig.
Pfennig.

9394.

1811.

Pfennig.

9396.

1812.

Twaalfde thaler.

NEUMANN 9381.
9354.

9395.

Friedrich August II 1836-54

1841.

Halve neugroschen of fnfer.

1842.
1846.
1849.
1850.

Dubbele neugroschen.
Neugroschen.
Dubbele neugroschen.
Dubbele neugroschen.

425.

1851.

Zweier.

434.

1853.

Dubbele neugroschen.
Pfennig.
Dubbele neugroschen.

431.

836 rr.

1854.

ScH wALBACH 427.

432.
431.
-

435.
431.

VORSTENDOM REUSZ-SCHI,EITZ-GERA

101

Johann 1854-73

837

i.
p.

1855.
1856.

Inn.

ij.

1861.

Neugroschen.
Dubbele neugroschen.
Halve neugroschen.
Neugroschen.

bb,

1862.

Fnfer.

bb.

1863.

Pfennig.

459.

i.

1864.

Ausbeute thaler.

261.

444.
443.
445.
454.
457.

m.

Fnfer.

457.

bb.

Zweier.

458.

1869.

Fnfer.

457.

846 rr.

VORSTENDOM REU SZ - SC HL EITZ - G ER A

De jongere lijn der heeren van Plauen, wier bezittingen aan Boheme
grensden, werd gesticht door HEINRICH den Reusze (1266-92) (den
Rus zijne moeder was eene russische vorstin).
Deze lijn vormde in 1564 de drie zijtakken: Neder-Greitz, Opper
Greitz (beide sedert 1768 als Reusz-Greitz of Reusz oudere lijn her
eenigd) en Gera.
De zijtak Gera vormde in 1647: Gera, Schleitz en Lobenstein, van

welke Gera in 1802 uitstierf en in gemeenschappelijk bezit kwam van


Schleitz en Lobenstein. Toen nu HEINRICH LXXII 1) van Lobenstein

Ebersdorf in 1848 afstand van de regeering deed ten gunste van


Schleitz, was de geheele zijtak Gera weer hereenigd thans onder
den naam Reusz-Schleitz-Gera of Reusz jongere lijn.
Rekenwijze als in Pruisen (zie blz. 49), echter werd de verdeeling
van den thaler in 30 silbergroschen 12 pfennige hier eerst in 1841

ingevoerd.
') Van HEINRICH I (1139-72) tot heden dragen alle mannelijke nakomelingen
den naam HEINRICH. De rangschikking van al deze HEINRICHEN was in de meeste
lijnen en zijlijnen verschillend. Thans is deze zaak als volgt geregeld: Reusz-Greitz
telt tot C en begint daarna weer met I; Reusz-Schleitz-Gera begint iedere eeuw
van I af.

GROOTHERTOG DOM SAKSEN-WEIMAR-EISENACH

Heinrich XXX van Reusz-Gera 1748-1802


847 m.

1761.

Pfennig.

NEUMANN 11101.

Heinrich LXXII van Reusz-Lobenstein-Ebersdorf 1822-48

1841.

Silbergroschen.

SCHwALBACH 405.

Heinrich LXII van Reusz-Schleitz 1818-54

1844.

Silbergroschen.

SCHWALBACH 410.

GROOTHERTOGDOM SAKSEN - WEIMAR - EISEN ACH

Hiervr onder 't koninkrijk Saksen hebben wij gezien dat de


ernestinische tak in 1547 alleen de bezittingen in Thuringen behield.
De landen werden herhaald vergroot, doch na den dood van hertog
JoHANN in 1640 onder zijne zonen verdeeld: hertog WILHELM volgde
zijn vader in Weimar, hertog ERNST in Gotha op. De hertog van
Saksen-Weimar verkreeg in 1741 Eisenach en in 1815 werd 't land
tot groothertogdom verheven.
Rekenwijze als in Reusz-Schleitz-Gera.
Wilhelm Ernst 1683-1728

1694.

Heller van Ilmenau.

NEUMANN 8864.

Anna Amalia (voogdes over hertog Karl August) 1758-75

1760.

Drie gute pfennige.


Drie gute pfennige.
Twee gute pfennige.
1762. Drie gute pfennige.
-

8754.
8757.
8766.
8763.

Karl August 1775-1815 hertog tot 1828 groothertog


XX.

S56 m.

1791.

IIeller.

8832.

1792. Drie pfennige.

8784.

103

HERTOGDOM SAKSEN-ALTENBURG

857 xx.
x.
m.
i

1796. Pfennig.
1799. Twee pfennige.

Pfennig.
1807. Anderhalve pfennig.

8819.
8801.
8821.
881 1.

HERTOGDOM SAKSEN. ALTENBURG


Na den dood van hertog ERNST (1680), die Gotha als zijn aandeel
verkregen had, stichten zijne zeven zonen, zeven verschillende takken,
waarvan thans vier uitgestorven zijn - de overige drie regeeren in
de hertogdommen: Saksen-Altenburg, Saksen-Koburg-Gotha en Saksen
Meiningen.
Een dezer zonen hertog FRIEDRICH kreeg Gotha en Altenburg, als

hertogdom Gotha-Altenburg. Toen zijn huis in 1825 uitstierf


werd bij het verdeelingsverdrag van 12 nov. 1826 bepaald, dat Gotha
bij Koburg zou gevoegd worden en Altenburg als afzonderlijk hertog
dom zou blijven voortbestaan.
Rekenwijze als in 't koninkrijk Saksen.
Friedrich II van Gotha-Altenburg 1691-1732

p.

1705.

Heller.

NEUMANN 8878.

m.

1707.

Heller.

8883.

Friedrich III van Gotha-Altenburg 1732-72

xx.
m.

1747.
1753.

Pfennig.
Pfennig.

865 p. 1759. Anderhalve pfennig.

891 1.
8944.
8931.

HERTOGDOM SAKSEN-KOBURG - GOTHA

Bij de groote verdeeling van 1680 verkreeg hertog ALBERT Koburg.


Na zijn dood (1699) werd Koburg met Saalfeld vereenigd en hertog
dom Koburg-Saalfeld genaamd.

104

HERTOGDOM SAKSEN-KOBURG-GOTHA

Door 't verdeelingsverdrag van 12 nov. 1826 werd Saalfeld geruild


voor Gotha, en sedert dat jaar heet 't land: Saksen - Koburg-Gotha.
In Koburg gold 't zuidduitsche muntstelsel (gulden 60 kr. 4
pfen.); in Gotha 't noordduitsche zie onder koninkrijk Saksen.
Ernst Friedrich 1764-1800

866xx.

1772.

Pfennig.

NEUMANN 9250.
Ernst I 1806-44

i.

1825.

Sechser.

m.
a.

1833.
1841.

Drie kreuzer (= 12 pfennige).


Zweier (= 2 pfennige).

SchwALBACH 493.

Ernst Il 1844-93

bb.

1856.

Zweier.

499.

HERTOGDOM S AIK SEN - MEIN IN GEN

In 1680 verkreeg hertog BERNHARD Meiningen door de verdeeling


van 12 nov. 1826 werd dit gebied vergroot door toevoeging van 't
vorstendom Saalfeld en 't hertogdom Hildburghausen en deze vereenigde

bezittingen voortaan Saksen-Meiningen(-Hildburghausen) genoemd.


Bij de berekeningen werd 't zuidduitsche muntstelsel gebruikt.
Meiningen alleen 1680-1826
Bernhard 1680-1706

p.

1700.

Henneberger heller.

GROBE 66.

Saalfeld deel van Koburg-Saalfeld 1699-1826


Franz Josias 1745-64
872

i,

1755.

Heller.

NEUMANN 9228.

HERTOGDOM SAKSEN-MEININGEN

105

Ernst Friedrich 1764-1800


873 m.

1770.

Pfennig.

9243.

1798.

Pfennig.

9251.
Franz 1800-6

1805.

9256.

Pfennig.
Ernst I 1806-26

1815.

9269.

Pfennig.
*

Hildburghausen zelfstandig 1680-1826


Ernst Friedrich III 1745-80

XX,

1763.

9112.

Heller.

Friedrich 1780-1826
1787.

Heller, vierkant.

9131.

1788.

Heller.

9132.

IJ

1809.

Heller.

9139.

XX.

1811.

Heller.

9140.

Meiningen Saalfeld en Hildburghausen vereenigd sedert 1826


Bernhard Erich Freund mondig 1821-66
1829.

Drie kreuzer.

1831.

Kwart kreuzer.

267.

1842.

Kreuzer.

321.

GROBE 241.

Georg Il sedert 1866


885 m.

1854.

Kreuzer.

346.

106

VORSTENDOM SCHWARTZBURG-RUDOLSTAD

VORSTENDOM S CHWARTZBURG - R UD O L STAD

De door BoNIFACIUs gedoopte thuringer graaf GUNTHER is de stam

vader van 't Schwartzburger gravenhuis. Het gebied van graaf GUN
THER XLI werd in 1583 tusschen zijne broeders verdeeld, waardoor
het thans regeerende vorstenhuis Schwartzburg-Rudolstad ontstond,
met graaf ALBERT tot stichter. Graaf JoHANN GUNTHER verkreeg

Schwartzburg-Arnstad. Dit laatste gebied werd nog eens, en wel in


1642 in drie deelen gesplitst, van welke alleen de tak Schwartzburg
Sondershausen thans nog regeert. In 1697 zijn deze graven in den
vorstenstand verheven.

In beide vorstendommen gold 't noordduitsche muntstelsel (zie


Reusz-Schleitz-Gera), alleen volgde Rudolstad 't zuidduitsche muntstelsel
voor zijne Oberherrschaft.
Johann Friedrich 1744-67

886 p.

1751.

Pfennig.

NEUMANN 10865.

m.

1752.

Pfennig.

10869.

VORSTENDOM SCHWARTZBURG - SONDERSHAUSEN


Gunther III 1835-80

888 ee.

1846.

Dreier.

SCHwALBACH 553.

HERTOGDOM AN HALT

De landen, die de graven van Anhalt aan de Elbe en de Saale


verworven hadden, werden in 1603 gedeeld en er ontstonden de takken
Anhalt-Zerbst, Anhalt-Kthen, Anhalt-Bernburg en Anhalt-Dessau.
De eerste stierf in 1793 uit, de overige drie werden in 1807 tot
hertogdommen verheven.
Door 't uitsterven van de lijn Anhalt-Kthen in 1847 en Anhalt

107

HERTOGDOM ANHALT

Bernburg in 1863 zijn thans alle anhaltsche landen weder vereenigd


onder de hertogen van Anhalt-Dessau, als hertogdom Anhalt.
Rekenwijze als in Reusz-Schleitz-Gera.
Friedrich August van A.-Zerbst 1747-93

1766.

889

Pfennig. Kz. 17-66 (Geschenk van den heer P. H. WITKAMP 1867).


NEUMANN 10758.

p.

Pfennig. Kz. 17-66

Niet bij NEUMANN.

August 1 Ludwig van A.-Kthen 1728-55

m.

1750.

Gulden = 2/3 thaler.

SCHULTHEsz 5402.

Victor Friedrich van A.-Bernburg 1721-65

p.
m.
p.
m.
dd.
p.
p.

1747.

Anderhalve pfennig.

1748. Pfennig.
1749. Pfennig.
1751. Pfennig.
1752. Pfennig.
1753. Pfennig.
1754. Pfennig.

NEUMANN 10705.
10707.
10708.
10711.
107 12.
-

10710.
10715.

Friedrich Albrecht van A.-Bernburg 1765-96

i.

1794.

Pfennig.

10732.

Alexander Karl van A.-Bernburg 1834-63

900 rr.

1851.

Silbergroschen.

SCHwALBACH 5.

HERTOGDOM BR U IN SWIJK

Hertog HEINRICH, stichter van den zijtak Dannenberg sedert


1635 Brunswijk-Wolfenbuttel genaamd verkreeg in 1569 ongeveer
het gebied dat 't tegenwoordige hertogdom Brunswijk uitmaakt (zie
blz. 82).

Deze zijtak Br.-Wolfenbuttel stierf in 1884 uit, waardoor 't hertog

108

HERTOGDOM BRUNSWIJK

dom ten deel viel aan den hertog van Cumberland, zoon van den in
1866 door Pruisen onttroonden koning van Hannover. Pruisen wist
echter te bewerken dat deze niet op den troon kwam, doch dat de

brunswijksche landdag prins ALBRECHT van Pruisen tot regent benoemde.


In de 18e eeuw werd de thaler verdeeld in 36 mariengroschen
8 pfennige sedert 1817 in 24 gute groschen 12 pfennige en
sedert 1 jan. 1858 in 30 groschen 10 pfennige.
Rudolf August en Anton Ulrich gezamenlijk 1685-1704

901 ij.

1693.

Vierentwintigste thaler.

KNYPHAUSEN 819.

Anton Ulrich 1704-14

ij.

1710.

Kupferpfennig.

947.

August Wilhelm 1714-31

p.
m.
x.
xx.

1714. Kupferpfennig.
1718. Kupferpfennig.
1724. Kupferpfennig.
1726. Pfennig met den Wildeman. (zie blz. 83).

1082.
1084.
1088.
1079.

Karl l 1735-80

xx. 1739.
bb. 1742.
i. 1747.
rr. 1762.
x. 1763.
ij. 1770.
xx. 1771.
p. 1772.
xx.

n. 1776.

Pfennig met 't paard.


Pfennig met 't paard.
Anderhalve pfennig.
Pfennig met 't paard.
Pfennig met 't paard.
Pfennig met 't paard.
Pfennig met 't paard.
Sechser.
Zweier met 't paard.
Pfennig met 't paard. Vz. BR ET LVN.

1514.
1516.
1512.
1529.
1530.
1535.
1556.
1495.
1511.
1540.

Karl Wilhelm Ferdinand 1780-1806

m.
ij.

1781.
1783.

Pfennig met 't paard.


Pfennig met den Wildeman.

919 m.

1785.

Pfennig met 't paard.

1781.
1782.
NEUMANN 7936.

109

HERTOGDOM BRUNSWIJK

920 m.

1789.
1790.
1791.

XX.

1795.

1797.
XX.

1799.

XX.

1803.

1806.

Pfennig met 't paard.


Pfennig met 't paard.
Pfennig met 't paard.
Twaalfde thaler met 't paard.
Pfennig met 't paard.
Pfennig met 't paard.
Pfennig met 't paard.
Mariengroschen.
Pfennig met 't paard.
Pfennig met 't paard.

KNYPHAUSEN 1761.
1763.
1764.
1721.
1767.
1769.
1771.
8282.
1775.
1778.

Friedrich Wilhelm 1813-15

1814.
1815.

Pfennig.
Vierentwintigste thaler.

1807.

Pfennig.

1808.

1798.

Georg IV voogd van Karl Il 1815-23


1817.
1820.

Pfennig.
Pfennig. Vz. GEORG IV T.N.

1835.
NEUMANN 7995.

Karl Il 1823-30
1826.

Dubbele pfennig of zweier.

KNYPHAUSEN 1876.

Wilhelm 1830-84

941 p.

1853.

Zweier.

1936.

1854.

Zweier.

1937.

1855.

Zweier.

1938.

1858.

Groschen.

1926.

Halve groschen.
Halve groschen.

1929.

1860.

VORSTENDOM

1931.

WALDE C K. PYR MONT

In de 12e eeuw komen de graven van Schwalenberg door huwelijk


in 't bezit van 't graafschap Waldeck. Nadat in 1214 Waldeck onder

110

VORSTENDOM WALDECK-PYRMONT

graaf AdoLF zich van Schwalenberg had afgescheiden, werd in 1631


't graafschap Pyrmont er mede vereenigd.
De graven, sedert 1712 rijksvorsten, droegen in 1867 de regeering
van Waldeck-Pyrmont aan Pruisen op, waarbij vorst GEoRG VICToR
zich slechts eenige rechten voorbehield.
Tot 1831, gedeeltelijk nog tot 1843, rekende men bij thalers 36
mariengroschen 7 pfennige (in Waldeck) 8 pfennige (in Pyr
mont); na dien tijd als in Pruisen.
Christian Ludwig 1692-1706

942 p.

1693.

Sechser (= 6 pfennige).

NEUMANN 10907.

Karl August Friedrich 1728-63


xx.

1730.

Sechser.

p.
p.

1761.

Vierer.
Vierer; voor 't graafschap Pyrmont geslagen.

11000.

Zweier; voor Pyrmont.

11002.

dd.

- 10912.

10913.

Friedrich 1763-1812

p.
i.
n.
p.

1781.
1795.
1796.
1799.

Dreier.
Pfennig.
Pfennig.
Pfennig.

10952.

i.

1809.

Halve groschen.

10962.

p.

Pfennig.

10968.

10939.
10955.
10956.

George II Heinrich 1813-45

p.
p.
m.

1817. Pfennig.
1821. Pfennig.
1845. Silbergroschen.

10980.
10987.

SCHw ALBACH

557.

Georg Wictor 1845-93


956 m.

1867.

Dreier.

565.

111

VORSTENDOM LIPPE

VORSTENDOM LIPPE

Het geslacht der graven van Lippe laat zich tot in de 10e eeuw
vervolgen. Zij noemden zich in de 12e eeuw edele heeren aan de
Lippe (rivier) en voegden in 1362 't graafschap Schwalenberg gedeel
telijk bij hun gebied.
Sedert 1528 is 't geslacht in den gravenstand, sedert 1789 in den
rijksvorstenstand verheven.

Tot 1847 verdeelde men den thaler in 36 mariengroschen 6


pfennige (of schillingen) 2 gosler (of heller); de # mariengroschen
werd matthir genaamd.
Met 1 jan. 1847 trad de verdeeling van 30 silbergroschen 12
pfennige in de plaats.
Simon Philipp 1636-50

957 p.
p.
IIl,

z. j.

Sechser (= 6 pfennige).
Dreier.

Dreier.

GRoTE 138. g
139. a.
-. G

Simon August 1734-82

m.

1767.

Pfennig.

p.

Heller.

298.

m.

1768.

Heller.

299.

ij.

1769.

Mariengroschen

282. a.

296,

Ludwig Heinrich Adolf voogd 1782-89


n.

1783.

Heller.

305.

Friedrich Wilhelm (Leopold I) 1789-1802


m.

1791.

Matthir.

317.

Paulina voogdes 1802-20

xx.
xx.
968 ij.

1802.

Twee pfennige.
Pfennig.
Heller.

327.
328.
330.

112

VORSTENDOM SCHAUMBURG-LIPPE

VORSTENDOM S CHAUMBURG - LIPPE

De jongste zoon van graaf SIMON VI von der Lippe erfde in


1640 een gedeelte van het graafschap Schaumburg, met hoofdstad
Bckeburg. In 1807 nam graaf GEoRG WILHELM den vorstentitel aan.
Philipp II 1777-87

969 m.

1781.

Matthir = 1/2 mariengroschen.


Georg Wilhelm 1787-1860

p.

p.
p.

1826. Guter pfennig.


1858. Twee pfennige.

NEUMANN 10847.
SCHwALBACH

231.

Pfennig.

232.

GROOTHERTOGDOM MECKLENBURG - SCHWERIN

De hier wonende slavische volken, wier hoofdplaats Michilenburg


was, werden reeds door KAREL DEN GRooTE beoorloogd, doch eerst door
den saksischen hertog HEINRICH DEN LEEUw voor goed overwonnen en
hun landerijen bij zijn hertogdom gevoegd.
Mecklenburg in 1348 tot afzonderlijk hertogdom verheven, onderging
in 1701 de voor de duitsche staten zoo noodlottige verdeelingen
FRIEDRICH WILHELM bleef in Schwerin aan de regeering, ADOLF
FRIEDRICH II volgde in Strelitz op.
FRIEDRICH FRANZ I hertog van Mecklenburg-Schwerin nam in 1815
den titel van groothertog aan.
Men rekende naar thalers = 3 mark 16 schillingen 12 pfennige.
Gustaf Adolf 1636-95

p.

1692.

Dreier.

p.

1693.

Dreier.

NEUMANN 10242.
-

Christian Ludwig Il 1747-56

975 p.

1755.

Dreier.

10122.

113

GROOTHERTOGDOM MECKLENBURG-SCHWERIN

Friedrich II 1756-85
976 XX.

1759.

Dreier.

XX.

1763.

rr.

1767.

Vier schilling.
Schilling courant.

NEUMANN 10130.

Verg. Gtz

2567.
2571.

Friedrich Franz | 1785-1837


Il.

1792.

Twaalf schilling.

xx.

1803.

Schilling.

Verg. Gtz 2576.

Friedrich Franz II 1842-83


xx.

1848.

Kupferdreier.

m.

1853.

Achtenveertigste thaler.

SCHWALBACH 239.
244.

Steden in Mecklenburg-Schwerin
Rostock

Bij de verdeeling van Mecklenburg bleef de stad in gemeenschap


pelijk bezit der beide takken, doch kwam 1695 voor goed aan
Mecklenburg-Schwerin.
1628.

Zestiende thaler.

p.

1729.

Dreier (= 3 pfennige).

i.

1735.

Dreier.

ll.

i.

1749.

Dreier.

n.

1761.

Sechser.

ll.

NEUMANN 10394.
10395.
10399.
-

Sechser. Vz. De griffoen met kleiner kop.

10425.
-

Dreier.

10422.
10432.

10503.

p.
ij.

1782.
1796.

xx.

1802.

m.

1805.

Pfennig.
Pfennig.
Pfennig.
Pfennig.

994 p.

1824.

Dreier.

10467.

10490.
10496.

Wismar
Door

den

Wismar aan
verkocht,

vrede van Munster (1648) kwamen stad en heerlijkheid


Zweden, dat beide in 1803 aan Mecklenburg-Schwerin

114

GROOTHERTOG DOM MECKLENBURG-STRELITZ

995 m.

1746.

Dreier.

NEUMANN 10569.

i.

1759.

Dreier.

10582.

p.

1761.

Dreier.

10585.

m.

1799.

Dreier.

10591.

GROOTHERTOGDOM MEC KL EN BURG - STR ELITZ

ADoLF FRIEDRICH II was in 1701 in Strelitz opgevolgd. Dit gebied


werd in 1815 tot Groothertogdom verheven.
Rekenwijze als in Mecklenburg-Schwerin.
Adolf Friedrich III 1708-52

p.

1747.

Dreier.

NEUMANN 10251.
Adolf Friedrich IW 1752-94

i.

1753.

Dreier.

10256.

Georg 1816-60
rr.

1002 ij.

1845.

Dreier.

1859. Achtenveertigste thaler.

SCHwALBACH 263.
-

265.

VRIJE HANSESTAD LU BEK

De stad Luibice wordt reeds in de 11e eeuw genoemd. In 1226


rijksvrij verklaard, staat zij dra aan 't hoofd der Hansa, bereikt haar
toppunt van bloei in de 15e eeuw, doch ziet haar macht tegen 't
einde der 16e eeuw tanen.

De rekeningen werden gemaakt in marken (35 marken = 1 keulsch


mark fijn zilver) 16 schillingen 12 pfennige. Tot 1857 was de
thaler koerant = 3 mark of 48 sch., sedert dien tijd 2, mark of
40 sch. Bij de invoering van 't rijksgeld rekende men 5 mark lubeksch
= 6 rijksmarken. De laatste lubeksche munten (dukaten) dagteekenen
van 1801.

VRIJE HANSESTAD

1003 ll.

1588.

Kwart thaler of ortsthaler. Met 't teeken van

burgemeester H. von Dorne.


rr.

1732.

115

HAMBURG

SCHINoBEL blz. 83.2

Acht, schilling.

68.8

VRIJE HANSESTAD HAMBURG

Het schijnt dat KAREL DE GRooTE hier een burg tegen de Slaven
heeft laten bouwen, althans in 't begin der 9e eeuw komt deze onder
den naam Hammaburg voor.
In 1510 door den keizer tot vrije rijksstad verklaard, vormt Ham
burg sedert 1815, met Lubek, Bremen en Frankfort a. M. de Curia
der Vrije Duitsche steden.
Rekenwijze als in Lubek.
i.
ij.
i.
i.
p.
rr.
p.
jj.
i.
i.
ij.

1021

1725. Vier schilling of 1/4 mark 1).


GAEDECHENs
1727. Twee schilling.

Schilling.

Schilling. Kz. Punt achter SCHIL-LING


1738. Schilling.
1750. Schilling.
1757. Schilling.
1758. Schilling.
1761. Vier schilling.
1763. Schilling.
1794. Schilling.

i.

1807.

Dukaat.

p.
p.
p.

1846.
1855.
-

Schilling.
Schilling. Kz. A
Sechsling. Kz. A
Sechsling. Kz. Zonder A
Dreiling. Kz. Zonder A

i.

736.
890.
979.
-

980.
983.
987.
988.
741.
991.
996.
207.
1009.

SCHwALBACH

636.
637.
640.
64 1.

') De in Hamburg geslagen muntsoorten zijn: thaler (sedert 1622 = 3 mark),


mark (= 13 schillingen), schilling (= 12 pfennige), sechsling (= 6 pf), witten
(= 4 pf), vierling (3 pf later dreiling genoemd), pfennig en de halve pfennig of
Scherf.
8*

116

VRIJE HANSESTAD BREMEN

VRIJE HANSESTAD BREMEN -

Komt in oorkonden van de 8e eeuw als Bremon en Brema voor, en


werd in 1646 tot vrije rijksstad verheven.
Sedert de eerste helft der 18e eeuw rekende men bij thalers 72
groten 5 schwaren, waarbij de thaler 1.1824154 wichtjes fijn goud
voorstelde. De rijkswet van 4 dec. 1871 herleidde 28 dezer goudthalers
in 93 nieuwe rijksmarken.
1022 ll.

1660.

Reichsthaler.

JUNGK 495.

p. 1720. Schwaren.
i. 1740. Groot (in 't duitsch Grot, meervoud Groten).
p. 1744. Groot.
ij. 1749. Groot.

1172.
951.
967.
994.

i.

1752.

Groot.

1000.

i.

1753.

Groot.

1003.

p.

1754.

Groot.

1006.

i.

1763.

Twaalfde thaler = 6 groten.

m.

1764.

Groot.

m.

1797.

Derdehalf schwaren (= 1/3 groot).


Schwaren.

I'I'.

n.

1802.

1035 p.

708.
1 025.
1105.
-

Derdehalf sch waren.

1846. Twaalf groten.

1182.
1106.
1194.

GROOTHERTOGDOM O LD EN BURG

EGILMAR I wordt tegen 't einde der 11e eeuw als eerste graaf van
Oldenburg genoemd. Tijdelijk (1667-1773) onder deensche overheer
sching, werd 't land 1777 tot hertogdom verheven, in 1803 vergroot

door toevoeging van 't vorstendom (vroeger bisdom) Lubek en in


1817 van 't vorstendom Birkenfeld. Als groothertog volgde PAUL
FRIEDRICH AUGUST in 1829 op deze titel was hem door 't Weener
Congres verleend.
Tot 1846 rekende Oldenburg evenals Bremen bij goudthalers. De
wet van 10 juli 1846 voerde echter hier den 14-thalervoet in, doch

GROOTHERTOGDOM OLDENBURG

117

liet de oude indeeling van 72 groten 5 schwaren bestaan. Dit laatste


werd eerst veranderd in 1857 (zie blz. 49 en 50).
Peter Friedrich Wilhelm 1785-1823

1036 bb.

1792.

Groot,

xx.

1813.

Twee groten.

bb.

1816. Zes groten.

MERZDORF 263.
261.
255.

Paul Friedrich August 1829-53

1840. Vier groten.

263.

xx.

p.

1849.

Groot.

273.

rr.

1852.

Schwaren.

281.

Nikolaus Friedrich (Peter II) sedert 1853

p.
p.
ij.
bb.

1856. Drie groten.


1858. Silbergroschen.

Halve groschen.

ij.

1859.

TI',

289.
290.
292.

Schwaren.

302.

Drie schwaren.

297.

Schwaren.

303.

Vorstendom Birkenfeld

Voor het in 1817 aan Oldenburg ten deel gevallen vorstendom

Birkenfeld (bestaande uit 't graafschap Sponheim en de heerlijkheid


Oberstein) ten oosten der stad Trier gelegen, is de volgende munt
geslagen.
1048 bb.

1858.

Dreier 1)

MERZDORF 307.

Heerlijkheid Jever
Eertijds door hoofdelingen bestuurd kwam Jever in 1575 aan Olden
burg en in 1793 aan EKATERINA II van Rusland. Keizer ALEKSANDR I
stond het land in 1807 aan 't koninkrijk Holland af, doch 1814 werd
Jever voor goed met Oldenburg hereenigd.
1) Vroeger volgden deze landen het zuidduitsche muntstelsel.

118

GROOTHERTOGDOM

HESSEN

Keizer Pawel l 1796-1801

1049 p.

1799.

Kwart stber.

NEUMANN 10691.

GROOTHERTOGDOM HESSEN

Wij zagen onder de pruisische provincie Hessen-Nassau (blz. 89),


dat GEORG I in 1567 als zijn deel verkreeg het graafschap Katzeneln

bogen met Darmstad. Deze landen, ter onderscheiding van Hessen


Kassel, Hessen-Darmstad genoemd, werden in de volgende eeuwen
aanzienlijk vergroot, zoo in 1803 door een groot gedeelte van 't

gesekulariseerde aartsbisdom Maintz, in 1806 door vele bezittingen


der vorsten van Solms en in 1806 tot groothertogdom verheven.
Sedert 1866 is de naam Hessen-Darmstad veranderd in Hessen.

Evenals de noordduitsche staten 't pruisische muntstelsel aannamen,

sloten de zuidduitsche zich bij het oostenrijksche muntstelsel aan.


21 September 1753 onderteekenden de zuidduitsche staten met Oosten

rijk eene muntconventie, waarbij zij den in Oostenrijk (sedert 1750)


gevolgden 20-gulden voet overnamen, d. i. 20 guldens (van 0.833; fijn)
bevatten 1 weener-keulsch mark (233.89 wichtjes) fijn zilver de
gulden, ook # Conventionsthaler genaamd, verdeeld in 60 kreuzer.
De hooge koers, waarvoor de noordduitsche en oostenrijksche munten
in omloop waren en bleven, was echter oorzaak dat de nu geslagen
munten reeds 't volgend jaar nominaal # verhoogd werden, waardoor
de nieuwe gulden in plaats van voor 60 voor 72 kreuzer koerseerde.
Het muntstuk, de gulden in specie bevatte wel is waar z'n mark fijn
zilver, doch als rekenmunt had hij de uitwerking van ', mark f. z.
en bezaten de zuidduitsche staten dus feitelijk eenen 24-guldenvoet
die verlaagd werd tot een 24;-guldenvoet, toen de pruisische thaler
(van den 14-thalervoet) voor 1#, in plaats van voor 15 gulden in
omloop kwam, en de kronenthaler voor 2 guld. 42 kr. in plaats van

voer 2 guld. 12 kr. Toen overdreven evaluatie der vreemde munten


zelfs dreigde een 25-guldenvoet te doen ontstaan, sloten de zuidelijke
staten: Beieren, Wurtemberg, Baden, grooth. Hessen, Nassau en

GROOTHERTOGDOM

119

HESSEN

Frankfort a. M. 25 aug. 1837 te Munchen een verdrag, waarbij de


24;-guldenvoet officieel werd aangenomen later alte sddeutsche
Whrung genaamd.

24; Gulden ( 60 kreuzer) = 1 pruisische mark (233.8555 wichtjes)


fijn zilver. Men sloeg nu in zilver: 1 en 4 guldens (0.900 fijn)
en zilveren pasmunten van 6, 3 en 1 silberkreuzer (deze laatste niet
in alle staten) in koper: 1, 3 en 4 kreuzer alleen in Beieren
ook # kreuzers.
De Dresdener muntconventie van 30 juli 1838 met de noordelijke
staten schiep het 34-guldenstuk (# mark f. z. 0.900 fijn) dat gelijk
was aan 2 thalers noordduitsch en daarom Vereinsmnze genoemd
werd. 7 Gulden = 4 thaler.

De andere zuidelijke staten van 't Zollverein sloten zich langzamer


hand bij bovenstaande verdragen aan.
Op blz. 49 roerden wij reeds den drang aan, die de duitsche landen
er toe dreef meer einheid in hunne muntstelsels te bewerken. Bij 't
daar genoemde Weener Muntverdrag van 24 jan. 1857 namen de
hierboven genoemde zuidelijke staten, benevens Saksen-Meiningen,
S. Koburg-Gotha (voor Koburg), Hohenzollern, Schwartsburg-Rudolstad
en Hessen-Homburg, die vroeger den 24;-guldenvoet gebruikt hadden,
den 524-gulden voet aan, d. i. 524 gulden = 1 zollpfund (500 wichtjes)
fijn zilver. Dit was de neue sddeutsche Whrung.
Bij nader verdrag van 7 aug. '58 werd de indeeling bepaald op:
1 gulden = 60 kreuzer 4 pfennige ( 2 heller in Beieren).
Geslagen werden in goud: negotiepenningen (Vereinshandelsmnzen)
van 1 en 4 kroon (zie blz. 50, waar de 4 kroon door den zetter is
weggelaten).
in zilver: 2, 1 en 3 gulden Vereinsmnzen van 1# gulden
(= 1 thaler noordduitsch) en 3; gulden (= 2 th. n.d.) en pasmunten
van 6, 3 en 1 silberkreuzer.

in koper: 1 (kupferkreuzer), 3 en 1 kreuzer (in Beieren ook # kr.).


Deze stukken bleven in omloop tot 1871 en '73 toen de rijks
markenrekening 't guldenstelsel verdrong.
In Hessen was de kreuzer steeds verdeeld in 4 pfennige, ook hellers
genaamd.
e

120

GROOTHERTOGDOM

HESSEN

Ernst Ludwig 1678-1739


1050

ll.

1727.

Tien kreuzer.

IIl.

1735.

Dreier (= 3 pfennige).

HoFFMEISTER 3625.
3651.

Ludwig WIll 1739-68

1759.

Vier kreuzer.

3778.

Ludwig IX 1768-90
XX,

1773.

Pfennig.

3986.

P.

1776.

Zweier.

3992.

1777.

3994.

1790.

Zollpfennig.
Pfennig.
Pfennig.
Pfennig.
Pfennig.

4015.

1804.

Kreuzer.

4097.

Pfennig.

4099.

1785.
1788.
1789.

4002.
4010.
4012.

Ludwig X 1790-1806 landgraaf - groothertog 1 tot 1830


1805.

1806.

I'r'.

Halve stber.

4110.

Kwart stber.

4111.

Pfennig.

4114.

Kreuzer.

4115.

Pfennig.

4120.

1809.

Kreuzer.

4149.

1816.

Kwart kreuzer (= pfennig).


Pfennig. Vz. G.H.-S.M. 1)
Pfennig. Verzilverd.
Pfennig. Vz. G.H.-K.M.

1819.

XX,

ij.
1820.

Zes kreuzer.

4166.
4182.

4183.
4184.

Ludwig Il 1830-48

1074

i.

1833.

Drie kreuzer.

4214.

i.

1838.

Kreuzer.

4242.

') 't Een beteekent: Grossherzoglich Hessische Scheide-Mnze, 't ander:


herzoglich Hessische Kupfer-Mnze.

Gross

121

GROOTHERTOGDOM HESSEN

1075 i.

1839.

Halve gulden.

4248.

i.

1841.

Drie kreuzer.

4268.

Ludwig III 1848-77


rr.

1850.

Kreuzer.

bb.

1855.

Heller.

kk.

1867.

Kreuzer.

4341.
4367.
SCHwALBACH

168.

Keurvorstendom Maintz

De aartsbisschoppen van Maintz werden sedert 't begin der 13e eeuw
tot de 6 duitsche keurvorsten gerekend.
Bij de sekularisatie van dit aartsbisdom in 1803, kwam het land
aan Hessen-Darmstad, Hessen-Kassel, Nassau, Pruisen en Frankrijk.

Alleen 't vorstendom Aschaffenburg bleef tot 1813 onder den laatsten
keurvorst KARL THEoDoR VAN DALBERG.

Rekenwijze als in 't groothertogdom Hessen.


Johann Friedrich Karl 1743-63

m.

1756.

Heller.

m.

1759.

Pfennig.

NEUMANN 10001.
9989.

Emrich Joseph 1763-74

dd.

1766.

Pfennig.

10010.

Friedrich Karl Joseph 1774-1802


i.
Il.

1795.

Halve kreuzer.

10031.

Kwart kreuzer.

10034.

Karl Theodor van Dalberg 1802-13


1085

i.

1808.

Heller.

10035.

Vorstendom Solms-Hohensolms-Lich

MARQUARD graaf van Solms, in 1129 genoemd, is de stamvader van


dit geslacht. In 1409 werden de landen verdeeld tusschen de toen

122

GROOTHERTOGDOM HESSEN

gevormde takken Solms-Braunfels en Solms-Lich. Solms-Lich splitste


zich wer in Solms-Laubach en Solms-Hohensolms-Lich. De graven
van dezen laatsten tak werden 1792 in den rijksvorstenstand verheven

en hun land in 1806 bij 't nieuwe groothertogdom Hessen gevoegd.


Philipp Reinhard I van S.-H.-Lich 1601-36
1086 ll.

1612.

Drie kreuzer.

APPEL III. 3617

GROOTHERTOGDOM BA DEN

Graaf LANDoLD van Zhringen bezat omstreeks 't midden der 10e eeuw
eenige landen in het, in 't hertogdom Zwaben gelegen, Breisgouw.
Een zijner nakomelingen HERMANN I (+ 1074) kwam in 't bezit van
den burg Baden en nam den titel van markgraaf aan.
In de volgende eeuwen aanzienlijk vergroot, werden de landen in
1527

en

1533

verdeeld

in

Baden-Baden en

Baden-Durlach.

Na 't

uitsterven van den eersten tak in 1771 vielen alle bezittingen ten deel
aan 't huis Baden-Durlach, dat in 1806 den groothertogstitel verwierf.
Voor 't muntwezen zie hierboven bij 't groothertogdom Hessen. In
Baden werd de kreuzer in vieren gedeeld.
Karl Friedrich 1746-1811

p.
p.

1766.

Halve kreuzer.
Kwart kreuzer.

m.

1805.

Halve kreuzer.

t.

1807.

Kreuzer.

7178.

i.

1808.

Kreuzer.

7180.

m.

1810.

Halve kreuzer.

7185.

NEUMANN 7159.
7161.
7173.

Ludwig 1 1818-30

1095

m.

1819.

Kronenthaler.

p.

1828.

Kreuzer.

i.

1830.

Drie kreuzer.

SCHULTHESZ 5507.
NEUMANN 7212.
WELLENHEIM 3639.

123

GROOTHERTOGDOM BADEN

Leopold 1830-52

1096 p.

1832.

Drie kreuzer.

1833.

Ducat aus Rheingold.

1834.

Zes kreuzer.

1836.

Kronenthaler. Kz. ZU|IHRER | VOELKER |HEIL | 1836


SCHULTHEsz 5514.
gold 2 gulden 42 kreuzer.
Kreuzer.

rr.

1837.

hh.

SCHWALBACH 21.

1838.

Kreuzer.

1840.

Zes kreuzer.

19.

1842.

Drie kreuzer.

20.

Kreuzer.

21.

1843.

Kreuzer.

1844.

Gedachteniskreuzer, geslagen ter herinnering aan de


onthulling van 't standbeeld van Carl Friedrich,
Leopolds vader, te Karlsruhe.
Kreuzer.

27.
21.

Drie kreuzer.

20.

Kreuzer.

21.

1846.

Drie kreuzer.

20.

1847.

Drie kreuzer.

1849.

Kreuzer.

26.

1851.

Kreuzer.

1852

Kreuzer.

1845.
Tr.

rr.

Drie kreuzer.
Kreuzer.

XX.
rr.

NEUMANN 7224.

Friedrich Sedert 1856

1126 p.

1856.

Kreuzer.

38.

1859.

Kreuzer.

41.

1860.

Kreuzer.

1861.

Kreuzer.

1862.

Kreuzer.

1863.

Kreuzer.

1864.

Kreuzer.

1865.

Kreuzer.

1866.

Kreuzer.

1867.

Kreuzer.

124

KONINKRIJK WURTEMBERG

1127 ij.

1868. Kreuzer.

kk.

1870.

Kreuzer.

bb.

1871.

Kreuzer.

i.

41.
-

Gedachteniskreuzer. K2. ZU DES DEUTSCHEN

REICHES | FRIEDENS | FEIER | 1871

49.

KONINKRIJK WURTEMBERG (WRTTEMBERG)


Het achtereenvolgens door Sueven, Romeinen en Alemannen bewoonde
land, maakte sedert de 9e eeuw deel van 't hertogdom Zwaben uit.
In 1092 wordt een heer van Wirtineburg (later Wirtemberg, Wrt
temberg) genoemd. Het geslacht verkreeg in 't einde der 12e eeuw
den graven- in 1495 den hertogstitel. Wurtemberg werd in 1803
keurvorstendom en in 1806 koninkrijk.

Van de vele landen, die in den loop der eeuwen bij Wurtemberg
gevoegd zijn, worde hier slechts gemeld Mergentheim in 1809 en
Lwenstein in 1814.

Voor 't muntwezen, zie onder groothertogdom Hessen. Tot 1858


werd hier de kreuzer in 6 heller, na dien tijd in 4 pfennige verdeeld.
Carl Friedrich van Oels goeverneur 1738-43
i.

1743.

BINDER 24.

Kreuzer.

Karl Eugen 1744-93


i.

1784.

Kreuzer.

231.

i.

1787.

Kreuzer.

245.

Friedrich Il 1797-1816 van 1806 af koning (1)


kk.

1812.

Zes kreuzer.

113.

Wilhelm I 1816-64

m.
rr.

1817.
1824.

Kronenthaler. (zie blz. 118).


Drie kreuzer, zonder W onder 't Bb.

1137 p.

1832.

Drie kreuzer.

7.
75.
1 38.

125

KONINKRIJK WURTEMBERG

1138

i.

1833.

Kronenthaler.

i.

1840.

Doppelthaler of 31/3 gulden. (zie blz. 119).

178.

i.

1841.

Gulden.

188.

kk.

1842.

Drie kreuzer.

200.

rr.

1844.

(?) Kreuzer.

rr.

1850.

Drie kreuzer.

p.

1855.

Drie kreuzer.

bb.

1863.

Halve kreuzer.

140.

213.
SCHWALBACH 579.
-

584.

Karl 1864-91

jj.

1865.

Kreuzer.

587.

Mergentheim Ballije der Duitsche Orde

Bij 't behandelen der munten van de provincin Oost- en West


Pruisen zagen wij dat in 1511 ALBRECHT, markgraaf van Brandenburg
Ansbach tot grootmeester der Duitsche Orde was gekozen. Na zijn
overgang tot de luthersche leer (1525) en de sekularisatie van het
ordesgebied dat in Pruisen lag, werd in 1526 WALTHER VAN KRONBERG
tot grootmeester benoemd. Deze maakte Mergentheim in de Frankische
Ballije tot nieuwe hoofdzetel der Orde.
In 1809 hief NAPoLON de Duitsche Orde op en schonk Mergentheim
aan 't koninkrijk Wurtemberg het ligt ten Z. van Wurtzburg.
Johann Caspar van Ampringen grootmeester 1664-84

1147 ll.

1680.

Drie kreuzer.

DUDfK X. 119

Vorstendom Lwenstein-Wertheim

LUDWIG II, 1541-1611 graaf van Lwenstein, voegde in 1567 't


graafschap Wertheim bij zijne landen en noemt zich voortaan graaf
van Lwenstein-Wertheim. In 1814 werd Lwenstein bij Wurtemberg,
Wertheim bij Baden gevoegd.

126

KONINKRIJK BEIEREN

Karl Thomas 1735-89

1148 m.
m.

1776.
1780.

Pfennig.
Pfennig.

BINDER 100.

102. b

Dominicus Konstantin 1789-1814

1151

n.

1790.

Pfennig.

i.

1800.

Drie kreuzer.

113.
- 125.

KONINKRIJK BEIEREN (BAYERN)


't Land werd tijdens de volksverhuizing bevolkt door de uit Boheme
(Bojohaemum) komende Bajuvarii of Baiwaren. Zij stonden onder her
togen en waren van de Franken afhankelijk, die in 794 't hertogdom
Beieren bij hun rijk voegde (sedert 843 bij 't Oost-Frankisch Rijk).
De latere duitsche keizers gaven Beieren aan verschillende hertogen
in leen; zoo in 1180 aan paltsgraaf OTTo van Wittelsbach, die de
stamvader werd van 't thans nog regeerende koningshuis. In 1214
werd de Rijn-Palts (tegenwoordig Rijn-Beieren) bij 't hertogdom ge
voegd; zij verkreeg wel is waar in 1329 hare zelfstandigheid terug,
doch werd in 1777 voor goed met Beieren vereenigd.
Twisten

in

't wittelsbacher huis waren oorzaak dat tal van leen

mannen (adel, bisschoppen en steden) zich onafhankelijk maakten van


hun leenheer, den beierschen hertog, en eerst in 't begin dezer eeuw
hunne bezittingen wer met Beieren (sedert 1623 keurvorstendom)
hereenigd zagen.
Zoo verkreeg de keurvorst in 1802 het gesekulariseerde bisdom

Bamberg, in 1805 met den koningstitel 't markgraafschap Burgau en


de eertijds vrije rijksstad Augsburg, in 1806 de vrije rijksstad Neuren

berg, in 1810 de markgraafschappen Bayreuth en Ansbach en de


rijksstad Regensburg en in 1814 de grootste deelen der gesekulariseerde
bisdommen Wurtzburg en Spiers.

Voor 't muntstelsel zie onder Grooth. Hessen. Hier werd de kreuzer
in 4 pfennige 2 heller verdeeld.

127

KONINKRIJK BEIEREN

Maximilian I hertog 1598-1623 keurvorst tot 1651


1152 rr.

1627.

Halve thaler.

i.

1642.

Dukaat.

SCHULTHEsz 5589.

KHLER 967.

Maximilian Ill Joseph 1745-1777


XX,

1766.

Zweier (= 2 pfennige).

1767.

Pfennig.

NEUMANN 6186.
6177.

Karl Theodor 1777-99


1778.

Dukaat.

1796.

Pfennig.

6233.

Maximilian IW Joseph 1799-1806 koning 1 tot 1825


rr.

XX.

1804.

(?) Kreuzer.

1807.

Zes kreuzer.

1808.

Zes kreuzer.

1814.

Pfennig.
(?) Drie kreuzer.

1816.

Zweier.

GTZ

1972.
NEUMANN 6290.
WELLENHEIM 1977.
NEUMANN 6310.

Pfennig.
rr.

878.

Verg. WELLENHEIM 1971.

6292.

1819.

Drie kreuzer.

1820.

Zes kreuzer.

WELLENHEIM 1977.

Verg. 1974.

Ludwig l 1825-48
1827.

Zes kreuzer met borstbeeld.

1835.

Drie kreuzer.
Silberkreuzer.
Zweier.

jj.
UlUl.

UlUl.

Verg. WELLENHEIM 2024.


NEUMANN 6351.

1838.

Halve gulden.

1841.

Gulden.

1844.

Gulden.

SCHwALBACH

57.
56.
-

Maximilian Il 1848-64

1175

i.

1854.

Kreuzer.

68.

1855.

Gedenkdoppelthaler. Kz. ZUR ERINNERUNG AN


DIE WIEDERHERSTELLUNG | DER MARIEN
SAULE IN MNCHEN 1855

42.

128

KONINKRIJK BEIEREN

1176 rr.

1855.

rr.

1861.

bb.

Drie kreuzer.

67.

Kreuzer.

73.

Zweier.

74.

Ludwig Il 1864-86

p. 1866. Drie kreuzer.


p.
Kreuzer.
p.
Zweier.
p. 1869. Kreuzer.
bb.

ij.

1870.

81.
80.
81.

Kreuzer.

80.

Zweier.

81.

1871.

Kreuzer.

80.

Pfennig.

82.

bb.

m.

1187 bb.

Zweier.

79.
80.

Palts Rijn-Palts of Rijn-Beieren


De keizerlijke paleizen en burgen (Knigspfalzen) werden door be
amten, paltsgraven genaamd, bestuurd. Zoo komt in 1155 voor de
keizerlijke bezittingen in Rijn-Franken de paltsgraaf aan den Rijn
voor, waardigheid die LUDwIG van Beieren in 1214 verwierf met alle
goederen aan dien titel verbonden.
In 1410 werden de landen verdeeld en vormden zich vier takken:

Keur-Palts (aan den Rijn), Boven Palts (tegenwoordig Noord-Beieren,


omgeving van Amberg), Zweibrcken en Mosbach.
De tak Zweibrcken, de eenige die thans nog bestaat, splitste zich
in 1459 in Zweibrcken-Simmern en Zw.-Zweibrcken, dit laatste in

1569 in Zw-Zweibrcken, Zw.-Birkenfeld en Zw.-Neuburg. In 1614


eindelijk splitste Zw.-Neuburg zich in Neuburg en Sulzbach.
De hoofdtak Keur-Palts stierf in 1559 uit, waardoor de landen aan

Zweibrcken-Simmern vielen; toen ook deze tak in 1685 uitstierf,


werden de gezamenlijke landen door Zweibrcken-Neuburg gerfd.
Bij 't uitsterven van dezen tak in 1742 kwamen de bezittingen aan
Sulzbach, dat in 1777 ook Beieren verwierf.
Toen ook Sulzbach in 1799 uitstierf, vielen alle landen aan Zwei

brcken-Birkenfeld, dat thans nog regeert.

KONINKRIJK BEIEREN

129

Van 1802-14 was de Palts in bezit van Frankrijk. 't Congres van
Weenen gaf de landen op den linker Rijnoever grootendeels aan
Beieren terug, doch verdeelde die op den rechteroever tusschen de
groothertogdommen Baden en Hessen en 't hertogdom Nassau.
Keur-Palts
Karl Theodor 1742-99

1188 p.
p.
p.
ij.
p.

1766.
1773.

1775.
1777.

Zollpfennig.
Halve kreuzer.
Kwart kreuzer.
Kwart kreuzer.
Halve kreuzer.

NEUMANN 6411.

m.

1786.

Halve kreuzer.

6421.

6417.
6412.
6413.
6420.

Palts-Zweibrcken
Johann l de Oudere 1569-1604

ll.

1602.

Drie kreuzer.

GTZ 1791.

Karl II 1775-95

i.

1788.

Kreuzer.

NEUMANN 6445.

Bisdom Bamberg
EBERHARD I (1007-40) is de eerste bisschop. Door 't verwerven

van verschillende goederen tot vorst-bisschoppen verheven, sluit deze


bisschopsrei in 1802 met CHRISTOPH FRANz van Buseck. Het vorst
bisdom werd gesekulariseerd en bij 't keurvorstendom Beieren gevoegd.
Adam Friedrich van Seinsheim 1757-79

i.

1761.

Pfennig.

HELLER 385.

i.

1777.

Dukaat.

509.

Franz Ludwig van Erthal 1779-95


1198

i.

1780.

Heller.

517.

130

KONINKRIJK BEIEREN

Markgraafschap Burgau
Dit markgraafschap was in 1301 aan Oostenrijk ten deel gevallen
en moest in 1805 aan Beieren worden afgestaan.

Voor Burgau liet MARIA THERESIA in 1761 te Gnzburg een munt


huis oprichten, dat drie jaar later de eerste munten leverde met de
letter G en 't oostenrijksche wapen '); sedert 1766 met 't burgauer
wapen. Het K. B. van 9 juni 1766 plaatste de letter H op die gnz
burger gouden en zilveren munten, welke op naam van keizer JosEPH II
uitkwamen. Ingevolge 't K. B. van 9 dec. 1780 werd de letter H ook
op de koperen dus thans op alle munten gezet.
Maria Theresia 1740-80
1199

NEUMANN 6496.

i.

1772.

In.

Halve kreuzer.

Kreuzer.

6499.

In.

Kwart kreuzer.

6500.

Joseph Il 1780-90
xx.

1784.

Heller. Kz. Muntletter H. De kreuzer = 8 heller.

Verg. 6514.
Franz II 1792-1805

i.

1794.

Il.

p.

1804.

Kreuzer. Kz.

6524.

Kreuzer. Kz. U

6525.

Kreuzer.

6532.

Vrije rijksstad Augsburg


Deze eertijds vrije rijksstad werd in 1805 door de Beieren in bezit
genomen en bij 't jonge koninkrijk gevoegd.
p.
p.

1764. Zweier (= 2 pfennige).


1786. Pfennig.

m.

1797.

Pfennig.

6802.

1209xx.

1799.

Pfennig.

6804.

NEUMANN 6748.
6777.

1) Ter onderscheiding van de oostenrijksche munten welke Gratz leverde. Deze


droegen G zonder wapen. Zie C. voN ERNST. Mnzzeichen u. s. w.

131

KONINKRIJK BEIEREN

Vrije rijksstad Neurenberg


Wordt reeds in 1062 als stad genoemd en verkrijgt in 1219 de
rijksvrijheid. In 1807 kwam de stad aan Beieren.
Rekenwijze als in Beieren.
1210 m.

1628.

Thaler.

MADAI 2306.

i. (1700). Dukaat met het Lam.

m.

1773.

KHLER 3035.

Ter gedachtenis aan 't begin der eeuw werden in


deze stad dukaten geslagen, benevens halve,
kwart, zesde, achtste en zestiende dukaten.
Silberkreuzer, met stadsgezicht van Neurenberg.

Markgraafschap Bayreuth
Het markgraafschap Bayreuth kwam in 1248 aan 't burggraafschap
Neurenberg, dat in 1362 nog vergroot werd door aanhechting van 't
markgraafschap Ansbach. De nu machtige burggraaf van Neurenberg
werd in 1415 bovendien tot keurvorst van Brandenburg benoemd,
zooals wij op blz. 48 gezien hebben.
In den beginne bleven deze vier landen onder n hoofd, doch bij
de verdeeling van 1486 werd Brandenburg aan JoHANN II gelaten
Neurenberg, Ansbach en Bayreuth tusschen SIGISMUND en FRIEDRICH
verdeeld.

Deze laatste landen vielen 1791 aan Brandenburg (Pruisen) terug;


moesten echter in 1805 aan NAPoLoN afgestaan worden, die in 1806
Ansbach en in 1810 Bayreuth bij Beieren voegde.
Christian 1603-55

ll.

1623.

Drie kreuzer.

Verg. Gtz 990.

Friedrich 1735-63

1214 ij.

1751.

Heller.

NEUMANN 6469.

Markgraafschap Ansbach

In 1362 was FRIEDRICH V van Neurenberg met dit markgraafschap


beleend, dat in 1486 aan FRIEDRICH VI van Brandenburg kwam.
9*

132

KONINKRIJK BEIEREN

Van 1603-1769 van 't markgraafschap Bayreuth gescheiden, wordt


't in laatstgenoemd jaar weer met Bayreuth hereenigd, viel 1791
Pruisen en in 1806 Beieren ten deel.
Friedrich 1625-34

1215 j.

1628. Thaler. Kz. De markgraaf met zijne onmondige


broeders Albrecht en Christian.

SCHULTHESz 6147.

Vrije rijksstad Regensburg


Door de Kelten gesticht, komt zij later als hoofdstad van 't hertog
dom Beieren voor en is van 12.45 tot 1806 vrije rijksstad.

In laatstgenoemd jaar werd de stad bij 't vorstendom (vroeger bis


dom) Regensburg gevoegd en kwam hiermede in 1810 aan Beieren.
ll.

1515.

Groschen.

GTZ 8535.

Bisdom Wurtzburg
Het werd in 741 door BoNIFACIUs gesticht.
Door 't verwerven veler goederen in 't hertogdom Franken, noemden
de bisschoppen zich sedert de 15e eeuw Dux Franconiae. Het bisdom
werd in 1802 gesekulariseerd en in 1803 grootendeels bij Beieren
gevoegd.

Slechts tijdelijk (1806-13) moest Beieren dit gebied aan den ge


wezen groothertog van Toskane afstaan in 1815 werd 't voor goed
met Beieren vereenigd.
Rekenwijze als in Beieren.
Christof Franz van Hutten 1724-29

z. j.

Dukaat. Kz. De H. Christoffel, het Jesuskind dra


gende.

KHLER 1683.

Anselm Franz van Ingelheim 1746-49

1218xx.

1747.

Halve batz. 1)

GTZ 1186.

1) Het verkeer met Zwitserland bracht ook zwitsersche muntbenamingen in den


zuidduitschen volksmond: de 4-kreuzerstukken werden batz, de 3-kreuzerstukken
schilling genaamd.

133

KONINKRIJK BEIEREN

Karl Philipp van Wollraths 1749-54


1219

i.

1751.

Halve pfennig.

m.

1752.

Kwart kreuzer.

NEUMANN 6624.
6625.

xx.

1753.

Kreuzer.

6627.

Adam Friedrich van Seinsheim 1755-79

p.

Z. J

p.

1760.

xx.

1763.

6639.

Halve pfennig.
Halve pfennig.
Halve pfennig.

6629.
6637.

Ferdinand groothertog van Wurtzburg 1806-13


1808.

Drie kreuzer.

p.

1810.

Halve kreuzer.

6569.

m.

1811.

Kwart kreuzer.

6571.

m.

Bisdom Spiers (Spira Speier)


Komt voor in oorkonden der 7e eeuw. Het werd in 1802 gesekula
riseerd en tusschen Baden en Frankrijk verdeeld. Het fransche gedeelte
op den linker Rijnoever viel 1814 Beieren ten deel thans deel van
Rijn-Beieren.
Franz Christof Van Hutten 1743-70

1228

i.

1765.

Dubbele pfennig.

NEUMANN 6615.

DUITS CH KEIZER RIJK Sedert 1871

Nadat ook de zuidduitsche staten tot den bond der noordelijke

waren toegetreden, stelde de koning van Beieren vr den titel van


Duitsch Keizer aan 't voorzitterschap te verbinden dientengevolge
werd de pruisische koning WILHELM I den 18en januari 1871 in 't

slot te Versailles tot keizer van het Deutsche Reich uitgeroepen,

134

DUITSCH KEIZERRIJK

Door de wetten van 4 dec. 1871 en 9 juli 1873 is de gouden


standaard, met den Reichsmark ( 100 pfennige, in Beieren onder
verdeeld in 2 halbpfennige) tot eenheid in het geheele Duitsche Rijk
voorbereid en tegen 1 jan. 1875 ingevoerd geworden. Er worden thans
geslagen:
Standaardpenningen in goud: dubbele kroon (20 mark), kroon (10
mark) en halve kroon (5 mark). De mark = 0.358422939 w. fijn goud.
Pasmunt in zilver: 5, 2 en 1 mark en stukken van 50 en 20

pfennige. 1 Mark = 5 wichtjes fijn zilver.


Pasmunt in argentaan (berlijnsch of nieuw-zilver, zijnde # gewichts
deelen koper en # nikkel): 10 en 5 pfennige.
Pasmunt in brons: 2 en 1 pfennig.
Niemand is verplicht zilveren munten aan te nemen tot een bedrag
hooger dan 20 mark en nikkel of brons hooger dan 1 mark.
1 Gouden mark = # thaler van den 30-thalervoet.
De op de rijksmunten voorkomende letters duiden de muntplaatsen
BRIl :

of A-A

Berlijn

B-B

Hannover (In 1879 gesloten)

C-C

Frankfort a.M.

D-D

Munchen

E-E

Dresden

F-F

Stutgart

G-G

Karlsruhe

H-H

Darmstad

J-J Hamburg. De dubbele letters be


vinden zich op de stukken van 1 mark tot 1 pfennig.
De Mecklenburgs, Anhalt en Brunswijk lieten in Berlijn munten;
Reusz, Schaumburg-Lippe en Oldenburg in Hannover, S. Meiningen in
Munchen; S.-Koburg-Gotha in Dresden, enz.
Keizer Wilhelm de Groote 1871 88

1229 ss.
ss.

1873. Twintig pfennige van Stutgart.

Twee pfennige van Karlsruhe.

i. 1874. Twintig pfennige van Berlijn.


1232

i.

Tien pfennige van Dresden.

DUITSCH

1233

KEIZERRIJK

135

i.
ij.
xx.
ij.
i.
ll.
xx.
ll.
xx.

1874.

1875.

Vijf pfennige van Berlijn.


Twee pfennige van Frankfort a.M.
Twee pfennige van Darmstad.
Pfennig van Frankfort a.M.
Mark van Berlijn.
Twintig pfennige van Hannover.
Twintig pfennige van Munchen.
Tien pfennige van Munchen.
Tien pfennige van Hamburg. Hamburg liet in 1873-4

xx.

Vijf pfennige van Karlsruhe.

in Hannover (B) munten.

kk.
hh.
kk.
i.

Twee pfennige van Frankfort a.M.

Pfennig van Berlijn.

Pfennig van Hannover.


1876. Vijf mark van Berlijn.

i.

i.

Mark van Darmstad.

i.
ll.

SS,

Vijftig pfennige van Hannover.


Twintig pfennige van Munchen.
Tien pfennige van Munchen.

ll.
xx.
ll.

1255 ss.

Twee mark van Hannover.

Tien pfennige van Frankfort a.M.

Vijf pfennige van Dresden.


1877. Vijftig pfennige van Frankfort a.M.

1888. Twintig pfennige van Berlijn.

Nikkel.

RIJKSLAND EL SAS - LOT HAR IN GEN

Het tegenwoordige Lothringen is een deel van het in 954 ontstane


hertogdom Opper-Lotharingen 1), dat sedert 870 een duitsch leen was.
Dit steeds fransch-gezinde hertogdom stond van 1766 tot 1871
onder fransch beheer en werd door den vrede van Frankfort a.M., met

het sedert 1648 aan Frankrijk verbondene Elsas, bij 't nieuw gevormde
Duitsche Rijk gevoegd.
') Voor Neder-Lotharingen zie onder Belgi, hertogdom Brabant.

136

RIJKSLAND ELSAS-LOTHARINGEN

Elsas

De volgende munten zijn alle geslagen in 't fransche munthuis te


Straatsburg, met 't muntteeken BB. Zie onder Frankrijk.
Louis XIV 1643-1715

1256 p.

1698.

Vier deniers.

Verg. HoFFMANN 104.245

Louis XVI 1774-92

XX.

1784.

Sol = 4 liards.

BERRY 76.3

1785.

Liard = 3 deniers.

-.1

1791.

Sol.

-.3

1792.

Dubbele sol.

77.8

Drie deniers.

-.5

Napolon 1 1804-14
1808.

85.1

Vijf centimes.
Louis XVIII 1814-24

i.

1815.

Dcime = 10 centimes.

blz. 709.

Napolon III 1852-70


1855.
ll.
bb.

ll.

Tien centimes.
Twee centimes.

1856.

Vijf centimes.

1861.
1863.

Vijf centimes.
Vijf centimes.

1868.

Franc.

Lotharingen
Karl 1592-1608
rr'.

z. j.

Kwart thaler.

MADAI 3383.

Leopold I 1697-1729
i.

1272 p.

z. j.
1727.

Vijftien deniers.
Liard.

GTZ 1573.
NEUMANN 3605.

't Muntteeken van 't fransche munthuis te Metz was AA.

137

RIJKSLAND ELSAS-LOTHARINGEN

Louis XV 1715-74

1273 p.

1770.

Liard.

i.

1771.

Halve sol.

i.

1774.

Sol.

.7

p.

Liard.

.2

BERRY 71b.2
.6

Louis XVI 1774-92

p.

1791.

Sol.

76.3

Republiek 1792-1804
i.

1793.

Sol.

78.6

xx. Jaar 8. Vijf centimes.

82.1

Stad Metz

Mediomatrica, later Metis, eene voorname stad in Opper-Lotharingen,


verkreeg in 't begin der 13e eeuw de rijksvrijheid. Zij werd 1552 door
Frankrijk bezet en kwam in 1871 met Lotharingen aan 't Duitsche Rijk.
xx.

1641.

Zes gros.

i. 1661. Twaalf gros.

Verg. APPEL IV. 2150

DUITSCHE GELEGENHEIDSMUNTEN

i.

z. j.

Dukaat. Vz. WOL DEM DER FREVDE AN SENEN


KINDERN

ERLEBT.

Op

de afsnede:

DAS HILF HERR | ZEBAOTH


Kz. Twee tafelen der wet, waarop: DV SOLT DEINEN
VATER VND DEINE MVTTER EHREN AUE
DAS DIRS WOHL GEHE

1283 i.

z.. j.

Dukaat. Vz. CORONAM EN DECORAM SERVATOR


CONFERT ET SERVAT. Op de afsnede:
NON EST MORTALI QUOD OPTO

Deze spreuk komt ook voor op een dukaat van


Friedrich Wilhelm (1692-1713) hertog van Meck
lenburg-Schwerin.

133

NOODMUNTEN VAN

K2. IESU

HET DUITSCH KEIZERRIJK

DU

SOHN

DAVID

ERBARME DICH

MEIN # en LAS-DIR AN MEINER GNADE


GENWGEN

NOODMUNTEN VAN HET DUITSCH

KEIZERRIJK

Minden (in de pruisische provincie Westfalen)


In 't vierde gedeelte van den dertigjarigen oorlog, te weten den
zweedsch-duitschen oorlog (1630-37) werd Minden door den in zweed
schen dienst zijnde hertog GEoRG van Brunswijk-Luneburg belegerd en
10 november 1634 ingenomen.
1284

i.

1634.

Acht groschen.

MAILLIET 85.1

Mainz (groothertogdom Hessen)


De in 1792 door de Franschen bezetten stad, werd in 't begin van
't volgend jaar door de Verbondenen onder generaal KALCKREUTH be
legerd, aan wien zij zich 23 juli 1793 overgaf.
i.

1793. (l'an 2e) Twee sols.

ONBEKEN DE MUNTEN

1286 p. Pfennig (?) Vz. In trekletters v/Z% 2) 2) | 1822


Kz. I | cirkel, waarin twee gebogen takken | P

80.6

OOSTENRIJK-HONGAARSCHE MONARCHIE

139

Oostenrijk-Hongaarsche Monarchie

(0esterreich-Ungarn)
De aartshertogdommen Oostenrijk boven en beneden de Enns
vormen de kern, waaraan zich in den loop der eeuwen verschillende
landen sloten, die thans gezamenlijk de Oostenrijk-Hongaarsche Mo
narchie vormen.

Nadat de landen om de Enns in 796 door KAREL DE GRooTE's zoon

PIPPIN onder den naam van Oostmark 1) bij 't Frankisch Rijk waren
gevoegd, regeerde hier van 976 1246 het geslacht Babenberg, als
markgraven tegen de Hongaren.
Intusschen was het land in 1156 tot hertogdom verheven en viel in
1282 met Stiermarken (sedert 1192 bij Oostenrijk) aan 't huis Habs

burg, dat thans nog regeert. FRIEDRICH V (voogd) was de eerste, die
(1453) den aartshertogelijken titel aannam.
De uit 't huis Habsburg gekozen keizers, maakten van iedere gele
genheid gebruik hunne familiebezitting, het aartshertogdom, te ver
grooten en Oostenrijk aan 't hoofd der duitsche staten te brengen.
Zoo werd het aartshertogdom vergroot in 1335 door 't hertogdom
Karinthi, 1363 door 't graafschap Tirol, 1500 graafschap Gortz,
1526 de koninkrijken Boheme en Hongarije, 1688 't vorstendom

Zevenbergen, 1805 't voormalig aartsbisdom Salzburg, en 1814 ein


delijk de Illyrische Provincin.
Toen in 't begin dezer eeuw NAPoLoN's overwinningen het Roomsch
Duitsche Rijk met ondergang bedreigden, nam Keizer FRANZ II in
1804 den titel aan van erfelijk keizer van Oostenrijk en deed twee
jaar later afstand van zijn titel van Roomsch-Duitsch Keizer.
In 1867 werd 't keizerrijk verdeeld in eene oostenrijksche helft

(Cisleithani) 2) en in eene hongaarsche (Transleithani).


Sedert 7 nov. 1750 was de 20-guldenvoet in gebruik (20 gulden =
') Oorkonden uit 't einde der 10e eeuw noemen 't land Ostarichi.

*) Van Weenen uit aan deze zijde van de Leitha.

140

AARTSHERTOGDOM OOSTENRIJK

1 weener-keulsch mark fijn zilver, dus 1 gulden = 11.6945 w. fijn).


Deze gulden werd verdeeld in 60 kreuzer !) 4 pfennig.
't Weener muntverdrag van 24 jan. 1857 voerde de Oesterreichische
Whrung of 45-gulden voet in (1 gulden = 11.11.111 wichtjes fijn
zilver), met de onderverdeeling van 100 kreuzer (in den beginne neu
kreuzer genaamd). Zie blz. 50.
De muntwet van 2 aug. 1892 wilde den gouden muntstandaard in
voeren eenheid is de kroon (= 0.30488 wichtjes fijn goud = 4
gulden van den 45-guldenvoet) verdeeld in 100 heller.
In de munthuizen te Weenen (duitsche omschriften) en Kremnitz
(hongaarsche omschriften) zouden geslagen worden in
goud:

20 en 10 kronen

zilver:

1 kroon

nikkel:

20 en 10 heller

brons:

2 en 1 heller.

Alhoewel dit nieuwe muntstelsel (door den hoogen prijs van 't goud)
nog niet officieel is ingevoerd, heeft de regeering toch reeds zilveren,
nikkelen en bronzen munten in omloop gegeven, die in de verhouding
van 100 heller = 50 kreuzer koerseeren.

Voor de muntletters zie onder de afzonderlijke staten.

') De denarius (denier, danaro) zie blz. 41 door de Germanen pennek


(pfennig, penning, penny) genaamd, bleef de eenige europeesche munt der 8e-13e
eeuwen. Brakteaten (holmunten), wier omloopsgebied van de 12e-14e eeuwen tusschen
Holstein en Noord-Itali lag, komen in deze verzameling niet voor. De solidus (blz.
41) bleef al dien tijd rekenmunt, tot LoUIs IX (1226-70) koning van Frankrijk, in
Tours een zilverstuk liet aan munten, dat 12 deniers moest gelden. In tegenstelling
met de kleine deniers (denarii parvuli), werd deze groote munt denarius grossus ge
naamd, en in de 14e eeuw in bijna geheel Europa nagebootst - gros, grosso,

groschen, groot, groat, enz. In de 2e helft der 13e eeuw verscheen in Tirol een
stuk van 4 denarii, dat om zijne twee kruizen op de voorzijde, kreuzer werd ge
heeten en vooral in Zuid-Duitschland en Oostenrijk uitbreiding vond, met een klein
zilvermuntje van Zwabisch-Hall (N.O. van Stutgart), dat mcestal als # denarius
koerseerde, onder den naam van haller of heller,

141

AARTSHERTOGDOM OOSTENRIJK

AARTSHERTOGDOM OOSTENRIJK
Munthuis: Weenen.

In 't algemeen verdringen sedert 't begin der 18e eeuw de naam

cijfers der muntmeesters de vroeger gebruikelijke zinnebeeldige her


kenningsteekens (Beizeichen) dier beambten. 't K. B. van 5 okt. 1712
deed deze naamcijfers verdwijnen en bepaalde dat voortaan ter her
kenning van 't munthuis alleen het wapen van 't land, waarin dit
munthuis gelegen was als hartschild op de Kz. moest geplaatst worden.
Voor Weenen dus 't wapen van 't aartshertogdom Oostenrijk, door
de gevoerde koningskroon gedekt.
Later wordt dit munthuis aangeduid door:
W-I (1746-65) op alle gouden en zilveren en op koperen proef
munten (1759) van FRANz I; door
W in 1748-49 op koperen proefpfennige en 1760-80 op de
koperen kreuzers en 4 kreuzers en door
A (1765-80) op gouden en zilveren munten van JosEPH II.
Tijdelijk (1765-80) verschijnen wer de naamcijfers der muntmeesters
naast bovengenoemde muntletters tot 't K. B. van 9 dec. 1780

deze opnieuw verbood en gelastte dat in 't vervolg in navolging


van Frankrijk - ieder munthuis door slechts eene letter op alle munten
zou aangeduid worden.
Voor Weenen bleef dit A. Deze A komt 't laatst voor op koperen
kreuzers van 1873 voortaan wijzen de duitsche omschriften de
munt van Weenen aan, als eenig munthuis in Cisleithani.
Maria Theresia 1740-80

1287 n.

1759.

Pfennig. Kz. Wapen van 't aartshertogdom.


NEUMANN 1055.

i.
xx.
i.

1765.

1769.

Pfennig. Vz. D G RO I G.
Pfennig. Vz. D: G-R I GE.
Halve gulden of dertig kreuzer. Kz. S. Andreaskruis
achter 't jaartal (Teeken van den 20-guldenvoet).
Joseph II 1780-90

1291 m.

1788.

Tien kreuzer. Muntletter A

1075.
1077.

142

AARTSHERTOGDOM OOSTENRIJK

Franz Il 1792-1835 van 1804 af keizer Franz I

1292

i.

1800.

Kreuzer. Muntletter A.

1807.

1105.

pp.

1809.

rr.

1818.

Dertig 1) kreuzer van koper, gold later 6 kreuzer. 1120.


Vijftien 1) kreuzer van koper, gold later 3 kreuzer. 1109.
APPEL II 328.7
Twintig kreuzer.
Twintig kreuzer.

1833.

Drie kreuzer.

Franz Joseph sedert 1848


1849.

Zes kreuzer. Muntletter A

1851.

Twee kreuzer.

1851.

Kreuzer.

NEUMANN 1122.
1121.

Halve kreuzer.
1858.
1859.

1120.

Kreuzer. Nieuwe pasmunt: neukreuzer.


Kwart gulden.

36353.

Kreuzer.

36354.

1860.

Kreuzer.

36355.

Halve kreuzer.

36359.

1861.

Vier kreuzer.

36352.

Kreuzer.

36356.

1868.

Twintig kreuzer.
Tien kreuzer.

1869.

zonder

Twintig kreuzer.
Tien kreuzer.

muntletter

\
Y

1871.

Gulden. Muntletter A.

1872.

Tien kreuzer. Zonder muntletter.

1878.

Kreuzer.

1879.

Dubbele gulden.
Gesl
dacht
l
b
eslagen tter gedachtenis
aan 's k
keizers zilveren
brui

loft (24 april 1879).


Kreuzer.

bb.
1318bb.

1881.

Kreuzer.

1) De, door de oorlogen tegen NAPoLON, uitgeputte staat trachtte op deze wijze
inkomsten te verkrijgen.

143

VORSTELIJK GRAAFSCHAP TIROL

VORSTELIJK GRAAFSCHAP TIR OL

Reeds in 't begin der 11e eeuw worden de graven van Tirol ge
noemd met hun stamburg bij Meran.
De laatste erfdochter MARGARETHA MAULTAsCHE stond in 1863 't

land aan de hertogen van Oostenrijk af.


In 1504 werd Tirol tot vorstelijk graafschap verheven, kwam 1805
tijdelijk bij Beieren, doch is sedert 1814 met Oostenrijk hereenigd.
Munthuis: Hall. 't K. B. van 11 febr. 1746 bepaalde dat de gouden
en zilveren munten van FRANz I de muntletters H-A moesten vertoonen.

't K. B. van 27 okt. 1760 zette de letter H op alle koperen stukken


van 't hallsche munthuis dit bleef zoo, zelfs toen 't K. B. van 9 juni
1766 de letter F voor de gouden en zilveren munten van JosEPH II
invoerde. Na den dood van MARIA THERESIA (1780) kwam de F ook
op de koperen, dus thans op alle hallsche stukken; zij verschijnt voor
't laatst in 1800 want de in 1809 op last van ANDREAs HoFER in
Hall geslagen zwanziger en kreuzer dragen geene muntletter.
Franz l 1740-65

1319xx.

1759.

Pfennig. Muntletters H-A

NEUMANN 1060.

Franz II 1792-1835
1320

i.

1809.

Kreuzer van Andreas Hofer. Zonder muntletter.

1352.

VORSTELIJK GRAAFSCHAP GORTZ (GRZ)


EN G RADIS KA

Voor 1849 waren Gortz en Gradiska gescheiden.


Gortz in de 11e eeuw tot graafschap verheven, kwam in 1500 aan
Oostenrijk, waarmede 't tot nu vereenigd bleef Gradiska voor goed
in 1717.

Voor 1748 kende Oostenrijk geene koperen pasmunt. Alleen voor 't
graafschap Gortz werden er sedert 1736 koperen 3, 2, 1 en # soldo

144

VORSTELIJK GRAAFSCHAP GORTZ EN GRADISKA

stukken zonder muntletter, geslagen in 't munthuis te Gratz, tot


wering van de venetiaansche soldi, die dit graafschap overstroomden.
Van 1748-62 leverde de munt te Weenen deze stukken, met munt

letter W; na dien tijd weer Gratz, thans met muntletter G en ook


Hall (in Tirol) met muntletter H, na 1780 met F.
Het graafschap Gortz had geen eigen munthuis.
Maria Theresia 1740-80

1321 bb.

1753.

Soldo. Muntletter .W.

NEUMANN 1268.

m.

1763.

Soldo. Muntletter G.

1278.

p.

1767.

Soldo. Muntletter G.

1280.

Leopold II 1790-92

1324 xx.

1791.

Soldo. Muntletter F (Munthuis Hall).

36449.

KONINKRIJK BOHEMEN (CEC HY)


In de 6e eeuw bevolkten de slavische Tsjechen het land der Bojers 1).
Zij werden bestuurd door hertogen, die sedert 't einde der 9e eeuw
dikwijls den duitschen keizer als leenheer erkenden.
In 1086 verkreeg hertog WRATISLAw II de koningskroon, doch eerst
in 1158 werd Bohemen tot erfelijk koninkrijk verheven.
Nadat in 1306 het oude koningshuis der Przemysliden was uitge
storven, bestegen verschillende gekozen vorsten den boheemschen troon.
In 1527 eindelijk werd FERDINAND van Habsburg te Praag als koning
van Bohemen gekroond en sedert dien tijd dagteekent de verbinding
met Oostenrijk.

Munthuizen: Praag en Kuttenberg.


Het K. B. van 5 okt. 1712, dat de muntmeesterteekens verving
door 't landswapen als hartschild, gaf aan de munt te Praag 't bo
heemsche wapen. Kuttenberg (in 1726 gesloten) behield de drie bergen
met de gekruiste hamers.
1) Onder Beieren hebben wij gezien dat de Bojers of Bajuvarii uit Bohemen naar
Beieren getrokken waren.

145

KONINKRIJK BOHEMEN

In 1746 verschenen de letters P-R (Praag) op de gouden en zilveren


munten van FRANz I en de letter P op de in 1760 ingevoerde koperen
1 en # kreuzers. De letter C wijst 't prager munthuis sedert 1765

aan op de gouden en zilveren stukken van JosEPH II en gaat in 1780


op alle munten over. De prager muntinrichting werd 1857 voor goed
gesloten.
Maria Theresia 1740-80

1325 m.

1761.

Kreuzer. Muntletter P

NEUMANN 446.

Franz | 1792-1835

p.

1800. Zes kreuzer. Muntletter C

459.

Ferdinand 1835-48

i.

1835.

Derde gulden of twintig kreuzer. Muntletter C


Joachimsthal

Noordelijk van Karlsbad bezaten de heeren van Schlick de rijke


zilvermijnen van Joachimsthal.
In navolging van de door aartshertog SIGISMUND in Tirol geslagen
(1484) guldengroschen of guldiner, lieten zij van 't hier gewonnen
metaal groote zilveren munten slaan (1519) met den H. Joachim op
de Vz., die dra onder den naam van Joachimsthaler algemeen bekend
waren. Van de afkorting thaler ontleenen wij ons woord daalder.
Stephan van Schlick 1516-26
1328 vv.

Thaler.

Kz.

o AR 3 DOMI 8 SLI 8 STE8 ET3 FRA 3 CO 3D 8 Do

(in de O van CO een schuine M).


Verg. MILTNER en NEUMANN 380.

KONINKRIJK HoNGARIJE (MAGYA R oRSZAG)


Op 't einde der 9e eeuw vestigden de van 't Oeralgebergte komende
Magyaren, onder hunne hertogen ALMUs en ARPD, zich in de landen
10

146

KONINKRIJK HONGARIJE

om Donau en Theiss waar hertog SzENT IstvN I (STEPHANUs) in


't jaar 1000 den koningstitel aannam.
In 1527 werd FERDINAND van Habsburg te Stuhlweissenburg tot
koning van Hongarije gekroond en bleef sedert dien tijd Hongarije
met Oostenrijk verbonden. Wel waren toen nog groote deelen van het

land in handen der Turken, doch deze werden heroverd (1699) en


Hongarije oost- en zuidwaarts uitgebreid.
De oostenrijksche keizer heeft in 1867 gevolg moeten geven aan
den wensch der Magyaren, zich te Budapest als koning van Hongarije
te laten kronen. Sedert dat jaar dragen de munten hongaarsche
opschriften.

Munthuizen: Kremnitz, Neustad, Preszburg, Karlsburg, Orawitz en


Schmlnitz.

Het K. B. van 5 okt. 1712, dat in Oostenrijk de hartschilden als

kenteeken der munthuizen invoerde, bracht geene verandering in


de hongaarsche beeldenaars.
K-B bleef Kremnitz (Krmcbnya)
N-B
Neustad (Nagybnya) en
C-H
Preszburg (Camera Hungarica, munthuis omstreeks 1719
gesloten) aanduiden.
De koperen kreuzers, sedert 1760, vertoonden
K = Kremnitz en S = Schmlnitz (Szomolnok), eerst op de gouden
-

en zilveren munten van JosEPH II verschijnen sedert 1765 de letters:


B voor Kremnitz
E
G

Karlsburg (Karly-Fejrvar of Gyula-Fejrvar), en


Neustad en dragen de kremnitzer munten van MARIA
THERESIA sedert 1766 eene enkele K of B.

Deze letters: B, E en G bleven tot in onze eeuw bestaan. De G

moest van 1848-52 plaats maken voor 't oude N-B, doch 't munt
huis van Neustad werd spoedig daarna gesloten. De E werd in 1867
tijdelijk vervangen door Gy-F doch reeds in 1869 moest de munt te
Karlsburg opgeheven worden. De B voor Kremnitz werd in 1848 door
de nationaal-hongaarsche regeering tijdelijk en sedert 1867 voor goed
vervangen door K-B op de munten van Transleithani. Dit zijn de

munten voor de hongaarsche helft van de Oostenrijk-Hongaarsche

147

KONINKRIJK HONGARIJE

Monarchie. Weenen levert dus thans de munten met duitsche opschriften


doch zonder muntletter, Kremnitz die met hongaarsche en met munt
letters K-B.

De munthuizen te Orawitz (O = Oravicza) en te Schmlnitz werkten


slechts van tijd tot tijd om koperen pasmunt te leveren.
Matthias Corvinus 1458-90

1329 i.
ll.

z.. j.
-

Dukaat. Muntt. m-rad.

KHLER 677.

WELLENHEIM 410.

Denarius.
Ferdinand III 1637-57

i.

1650.

Dukaat. Vz. HV. Kz. K-B

KHLER 742.

Leopold I 1657-1705
i.

1686.

Dukaat. Kz. K-B

rr.

1691.

Thaler.

SCHULTHEsz 2524.

j.

1695. Thaler.

2527.

s.

1699.

2530.

745.

Thaler.

De Hongaren trachtten in 't begin der 18e eeuw zich van 't Habs
burgsche huis vrij te maken, zij plaatsten FRANz Rkczy aan hun
hoofd deze werd 1708 verslagen en moest 't land ontvluchten. In
dien tijd zijn o.a. de twee volgende munten door de Hongaren geslagen.
i.

1705. Tien polturaken.

i.

1707.

NEUMANN 26.

Poltura.

49.

De polturaken waren alleen in Hongarije gangbaar. Hun naam


(pol, pul = half) duidt aan, dat ze voor # groschen of 1, kreuzer
gangbaar waren. 't Driekreuzerstuk toch, werd in Oostenrijk groschen
genaamd niet te verwarren met den grschel of grschl, die slechts
3 pfennige of # poltura gold. (Zie ook onder Silezi blz. 58). De
polturaken dragen andere muntletters als de overige munten, die in al
de oostenrijksche erflanden in omloop waren.
Karl Wl 1711-40

i.

1712.

Dukaat. K-B

1339 j.

1716.

Halve thaler.

W. KHLER

754.

W. SCHULTHEsz 2544.
10*

148

KONINKRIJK

HONGARIJE

Maria Theresia 1740-80


1340

i.

1743.

Dukaat. Vz. K-B

1752.

Thaler. K2. K-B

1763.

Poltura. Kz. K. M (Kremnitz).

KHLER

757.

SCHULTHEsz 2558.
NEUMANN

70.

Joseph II 1765 1)-90


1774.

Halve kreuzer. Kz. S.

1782.

Twintig kreuzer. Vz. B

78.

Franz II (sedert 1804 1) 1792-1835


1794.

Dukaat. Vz. B

1800.

Zes kreuzer. Vz. B

NEUMANN

Drie kreuzer. Vz. S

11 1.
110.

1807.

Dertig kreuzer van koper. Gold later 6 kreuzer.

1812.

Kreuzer. Vz. S

1816.

Kreuzer. Kz. B

138.

Kreuzer. Kz. S

141.

APPEL II. 926. 12

1820.

Drie kreuzer. Vz. B

NEUMANN

126.

APPEL II. 928.15

Franz Joseph sedert 1848


185 1.

Kreuzer. Kz. B
Halve kreuzer.

148.

1858.

Kreuzer.

35864.

1859.

Kreuzer.

35865.

1860.

Kwart gulden.
Vier kreuzer.

35861.

Kreuzer.

35866.

Vier kreuzer.

35862.

Kreuzer.

35867.

1864.

Vier kreuzer.

35863.

1868.

Krajczr of kreuzer. Kz. K. B.


Krajczr.
Forint of gulden.
Tien krajczr.

35875.

1861.

1869.
1871.
1366 rr.

NEUMANN 149.

35876.

1) De latere keizer JosEPH II werd 18 aug. 1765 door zijne moeder MARIA THE
RESIA tot mede-regent benoemd.

149

GROOTWORSTENDOM ZEVENBERGEN

GROOTVORSTENDOM ZEVENBERGEN (ERDLY)


Op 't einde der 11e eeuw werd 't land door de Hongaren veroverd.
De Zevenbergers wisten zich in 1526 onder aanvoering van den hon

gaarschen stadhouder SzAPoLYA1 JNos vrij te vechten en bleven tot


1688 onder eigen vorsten. In 1688 werd 't land met Hongarije her
eenigd en kwam dus aan de Habsburgers, die sedert 1527 in Hongarije
regeerden.

Zevenbergen werd in 1765 door MARIA THERESIA tot grootvorsten


dom verheven en in 1867, bij de groote rijksverdeeling van Oostenrijk
Hongarije als provincie aan 't koninkrijk Hongarije gehecht.
De muntletters, die op de stukken der 16e en 17e eeuwen voor
komen verwijzen naar de talrijke binnenlandsche, doch ook naar hon
gaarsche munthuizen, waar het tusschen Hongaren en Turken beknelde
vorstendom werken liet. Wij vinden: A-I Alba Julia (Karlsburg)

A-F Arx Fogaras C-M Cibiniensis moneta (Hermanstad) C-V


Colosvr (Klausenburg) M-C Megyes civitas (Millenbach) M-M
Munkcs en de hierboven reeds genoemde K-B en N-B.
Onder de Habsburgers bleef alleen de munt van Karlsburg bestaan
en verkreeg deze tot muntteeken het wapen van Zevenbergen als hart
schild op den keizerlijken adelaar. De munten van FRANz I vertoonen
voor 't eerst weer muntletters, nl. C-A of C voor Karlsburg deze
werden in 1765 vervangen door E op de stukken van JosEPH II. In
1867 maakte de E tijdelijk plaats voor Gy-F (Gyula Fejrvar) doch twee
jaar later werd 't munthuis voor goed gesloten.
Bethlen Gbor 1613-29

1367 j.

1621. Thaler. Kz. K-B

HEss

619.

Karl VI 1711 40

j.

1720.

Dukaat. Kz. Hartschild en TRANSSYL.

Verg. 1274.

i.

17.24.

Dukaat.

Verg. 1275.

1370 ll.

1733.

Drie kreuzer.

1303.

150

AARTSBISDOM SALZBURG

AARTSBISDOM (sedert 1824 Vorstendom) SALZBURG


't Bisdom Salzburg, in de eerste helft der 6e eeuw door den H.
RUPERTUs gesticht, werd 798 tot aartsbisdom verheven. De verdrijving
van 30.000 Protestanten (Salzburger emigranten) uit dit aartsbisdom
in 1731 zal later onder de penningen behandeld worden.
In 1803 werd 't aartsbisdom gesekulariseerd, als keurvorstendom
aan aartshertog FERDINAND van Oostenrijk, gewezen groothertog van
Toskane, gegeven, doch in 1805 bij Oostenrijk gevoegd. Sedert 1824
dagteekent de titel vorstendom.
Van 1805-10 voerde 't keizerlijke munthuis te Salzburg de munt
letter D.
Paris van Lodron 1619-53

1371 j.

1620.

Thaler.

ZELLER 79.29

Guidobald van Thun 1654-68

i.

1657.

Dukaat.

81.5

Franz Anton van Harrach 1709-27

i.

1725.

Dukaat.

90.13
Sede vacante 1772

Gedurende den tijd, die verliep tusschen den dood van een
aartsbisschop, bisschop of abt, en de keuze van zijn opvolger,
werd de regeering waargenomen door het kapitel. De door het
kapitel geslagen munten vertoonen meestal op de Vz. den patroon
en op de Kz. het wapen van 't aartsbisdom, bisdom of abdij.
i.

1772.

Dukaat met S. Rupertus.

100.3

Hieronymus van Colloredo 1772-1803


i.

1787.

Dukaat, Vz. M onder 't Bb.

102.14

Ferdinand keurvorst 1803-5

1376 m.

1805.

Pfennig. Vz. M (Matzenkopf muntgraveur),

104.13

REPUBLIEK RAGUSA

151

REPUBLIEK RA G USA

't Tegenwoordige Ragusa in de 7e eeuw gesticht, vergrootte lang


zamerhand zijn gebied en ontwikkelde zich tot eene van de grieksche
keizers onafhankelijke republiek.

In 1806 werd Ragusa door de Franschen bezet, in 1808 de repu


bliek opgeheven en 't volgend jaar met Dalmati tot een van Frankrijk
afhankelijke staat Illyrische Provincin herschapen.
Deze staat kwam in 1814 aan Oostenrijk, dat in 1816 hiervan 't
koninkrijk Dalmati vormde met Zara tot hoofdstad.
In Ragusa werd gerekend naar ducati 40 grosseti 6 soldi. De
tallero = # ducato.
1377 ll.

1797.

Halve tallero, ook 1/3 vislino of 1/2 ragusina genoemd.

NOOD MUNT VAN OOSTENRIJK

Braunau (in Oostenrijk boven de Enns)


De stad, verdedigd door den beierschen kommandant LUDWIG FRIED
RICH hertog van Saksen-Hildburghausen, werd door de Oostenrijkers
9 mei 1743 belegerd en den 30en juni van 't zelfde jaar ingenomen.
1378xx.

1743. Vijftien kreuzer van lood.


MAILLIET 16.9 en voN KOLB 296.

152

BONDSSTAAT ZWITSERLAND

Bondsstaat Zwitserland (Schweiz) )


In het door de keltische Helvetirs bewoonde en door de Romeinen

veroverde land, vestigden zich in de 5e eeuw de Alemannen in 't


noordoosten en de Boergondirs in het zuidwesten. Dit legde den grond
tot de tegenwoordige verdeeling van duitsch, fransch en italiaansch
Zwitserland.

In 843 kwam Oost-Zwitserland en in 1032 ook het andere gedeelte


bij 't Duitsche Rijk. De in Zwitserland zoo machtige graven van
Habsburg (Habichtsburg in 't kanton Aargau) werden door de naar
vrijheid strevende landschappen in hunne macht beperkt en ten slotte
geheel uit Zwitserland verdrongen : 1 aug. 1291 verbonden zich de
landschappen Uri, Schwytz en Unterwalden voor de zaak der vrijheid
tegen ALBRECHT van Habsburg (Eeuwig Verbond), in de volgende eeuwen
sloten zich de andere landschappen 2) (sedert de helft der 16e eeuw
kantons genaamd) bij dit eedgenootschap aan en in 1648 werd te
Munster Zwitserland's soevereiniteit erkend.

Het jaar 1848 bracht door eene bondskonstitutie meer eenheid in


deze kantonale vereeniging en de wet van 7 mei 1850 gaf eene munt
eenheid aan geheel Zwitserland.
Wat de munten betreft in Zwitserland gold de rijkste verschei
denheid, want tot 't einde der 18e eeuw had bijna ieder kanton zijn

eigen muntstelsel.
Van 1799 1850 was 't meest verspreid de schweizer frank (livre
de Suisse = 6.615 w. f. z.) 10 batzen 10 rappen de wet van
1850 voerde voor alle kantons als eenheid in : den frank 100 rap

pen (centimes of centesimi) = 4.5 w. f. z. 10000 oude franken =


1) Ruim 71 "/, van de zwitsersche bevolking spreekt duitsch. De namen der kantons
zijn aangegeven in die taal, welke het meerendeel hunner bevolking spreekt.
*) 7 nov. 1332 Luzern, 1 mei 1351 Zurich, 4 juni 1352 Glarus, 27 juni 1352 Zug,
6 maart 1353 Bern 22 dec. 1481 Freiburg en Solothurn, 13 juli 1501 Bazel, 19

aug. 1501 Schaffhausen, 15 dec. 1513 Appenzell 19 febr. 1803 Grauwbunderland,


Aargau, Thurgau, St. Gallen, Waadtland en Tessino 8 sept. 1814 Genve, Neuf
chatel en Wallis.

153

DUITSCHE KANTONS

14597 nieuwe, en 23 dec. 1865 trad Zwitserland tot de latijnsche


muntconventie toe (zie onder Frankrijk).

Bij de beschrijving der kantonale munten zijn de kantons in duit


sche, italiaansche en fransche groepen vereenigd.

DUITSCHE KANTONS (van 't O. naar 't W.)


Kanton St. Gallen

Rekenwijze vr 1799 in guldens zuidduitsch (Reichsgulden) 60


kreuzer 4 pfennige (angster) 2 heller. Ook werd de gulden ver
deeld in 10 schillingen 6 kreuzer of in 15 batzen 4 kreuzer.
Na 1799 in schweizerfranken 10 batzen 10 rappen.
1379

ll.

1812.

Halve batz.

CoRAGGIoNI XXX.6

Kanton Appenzell
Rekenwijze als in St. Gallen.
De twee volgende munten zijn van Ausser-Rhoden.
rr.

1812.

Dubbele frank = 20 batzen.

rr.

1813.

Kreuzer = 1/4 batz.

XXIX. 16
.21

Kanton Thurgau
Rekenwijze als in St. Gallen.
ll.

1808.

ll.

ll.

1809.

Halve batz.

XXXIX.19

Kreuzer.

.20

Batz.

-, 18

Kanton Schaffhausen

Rekenwijze als in St. Gallen.


1385 ll.

1808.

Halve batz.

Verg. XXVIII. 17

154

DUITSCHE KANTONS

Kanton Zurich

Behalve de verdeeling van den zuricher gulden in 60 kreuzer 4


pfennige 2 heller, vinden wij ook die in 40 schillingen 12 heller.
1 batz = 2, zuricher schillingen. 10 zuricher guldens = 11 guldens
zuidduitsch = 16 schweizerfranken.
1386 rr.

1621.

Batz.

VII.3

xx.

1743.

Schilling.

m.

1761.

Halve thaler.

xx.

z.. j.

Rappen of 3 heller.

-. 12
WI.4
VII.21

Kanton Zug

Rekenwijze: gulden = 40 schillingen 6 angster 2 heller - of


ook = 15 batzen 4 kreuzer.

ll.

1693.

Schilling.

ll.
ll.

1782. Rappen = 1/4 schilling.


1794. Angster.

XX.21
.24
-.26

Kanton Schwytz
In dit kanton, dat aan 't geheele land den naam gaf, rekende men
bij guldens 15 batzen, of 60 kreuzer 8 heller, ook werd de
gulden verdeeld in 40 schillingen 4 rappen 3 heller.
i.

1777.

Rappen.

NEUMANN 11918.

i.
i.
i.
i.

1815.
1816.
1843.
1846.

Rappen.
Rappen.
Rappen.
Rappen.

11947.
11948.

CoRAGGIONI XVIII.22
NEUMANN 11954.

Kanton Glarus

Rekenwijze bij guldens, verdeeld in 12 goede batzen, of in 40


schillingen 12 heller, of ook in 15 slechte batzen 4 kreuzer.
1398 ll.

1813.

Schilling.

CoRAGGIONI XX.4

155

DUITSCHE KANTONS

Kanton Uri

Rekenwijze: gulden = 40 schillingen 6 angster 2 heller of =


15 batzen of = 60 kreuzer.
1399 ll.

1811.

Halve batz.

XVII.20

Kanton Unterwalden

Dit kanton is door het Kernwald in twee halfkantons gesplitst:


Obwalden (ob dem Kernwald) en Nidwalden (nid dem Kernwald), die
beide hunne eigen munten sloegen.
Rekenwijze als in Uri.
Obwalden
ll.

1812.

Halve batz.

XIX.15

Nidwalden
ll.

Halve batz.

XIX.23

Kanton Luzern
w

Voor 1798 rekende men bij guldens = 40 schillingen 6 angster


2 heller, of = 60 kreuzer. Na 1798 bij franken 100 rappen
de kreuzer = 2# rappen.
m.

1793.

Vijf batzen = 20 kreuzer.

bb.

1796.

Halve batz.

i.

1831.

Rappen.

XIV.6

Verg. XV.14
NEUMANN 11897.

Kanton Aargau
De gulden verdeeld in 15 batzen 4 kreuzer.
1405

i.

1826.

Batz.

CoRAGGIONI XXXVIII.7

Kanton Bazel

Rekenwijzen: naar guldens verdeeld in 15 batzen 4 kreuzer 8


heller en naar livres verdeeld in 20 sols 12 deniers.

156
1406

DUITSCHE KANTONS

ll.

1809.

Halve batz.

ll.

1810.

Rappen.

XXVII. 16
.24

Stad Bazel

In de 14e eeuw verpandden de bisschoppen van Bazel herhaaldelijk


het muntrecht aan de stad, welke in 't begin der 15e eeuw dit recht
voor goed verkreeg. In 1512 verkreeg zij ook de bevoegdheid gouden
munt te slaan.

ll.

Brakteaat of holmunt. Begin 15e eeuw.

XXVII.28

Kanton Bern

De rekeningen geschiedden bij guldens 60 kreuzer 8 heller of


ook de gulden verdeeld in 15 batzen 4 kreuzer 8 heller.
xx.

1620.

Batz.

p.

1719.

Halve batz.

n.

1753.

Halve batz.

1232.
1248.

ij.

1765.

Kreuzer.

1252.

xx.

1777.

Halve batz.

1298.

LoHNER 661.

xx.

1794.

Halve batz.

1309.

m.

1796.

Halve batz.

1312.

p.

1798.

Halve batz.

1316.

m.

1826.

Batz.

1208.

Kanton Solothurn

Rekenwijze als in Bern.


m.

1826.

Batz.

CoRAGGIoNI XXIV.6

ITALIAAN SCHIE KANT ONS

Kanton Tessino (Ticino)


Rekenwijze bij lire = 20 soldi 12 denari.
1420

ll.

1841.

Halve soldo.

XL.7

ll.

Kwart soldo.

Verg. -.8

157

FRANSCHE KANTONS

Kanton Grauwbunderland (le Grigioni)


Stad Chur (Coira)

Gerekend werd bij lire 24 blutzger of bij guldens 70 blutzger.


1421 p.

1725.

Blutzger.

XXXIII.22

FR, A NS CHE KANTO NS

Kanton Neufchatel (Neuchtel)


Neufchatel werd in 1648 als vorstendom erkend, onder bescherming
van 't Eedgenootschap. Het kwam 1707 aan Pruisen, in 1805 na
den slag van Austerlitz aan Frankrijk. Het volgende jaar stelde
NAPoLoN maarschalk BERTHIER als soeverein vorst aan. Na NAPoLoNs

val, kwam het vorstendom aan Pruisen terug, met wiens toestemming
het in 1815 als kanton met Zwitserland verbonden werd in 1857

deed de pruisische koning afstand van al zijne rechten.


Voor 1850 werd de livre verdeeld in 20 sols 12 deniers of

ook in 10 batzen 4 kreuzer. Bij de invoering van den franc in 1850


herleidde men de oude livres volgens de verhouding van 29 livres =
40 francs.
Friedrich Wilhelm II van Pruisen 1786-97

i.

1790.

Halve kreuzer.

ij.
p.

1791.
1792.

Halve batz.
Halve batz.

i.

Kreuzer.

HENCKEL 5424.
5426.
5430.

Verg. CoRAGGIoNI XLV.11

Alexandre (Berthier) 1806-14

1426 p.

1807.

Batz.

-.15

Kanton Waadtland (Vaud)


Rekenwijze bij livres 20 sols 12 deniers. Sedert 't laatst van
de vorige eeuw tot 1851: schweizerfrank of livre = 10 batzen 10
rappen.

158

FRANSCHE KANTONS

1427 ij.

1807.

Vijf batzen.
Rappen.

Verg. XLI.4

1810.

Halve batz.

.9

1814.

Batz.

.7

ll.
ll.

-.13

ll.

1816.

Derdehalf rappen = 1 kreuzer = 1/4 batz.

hh.

1828.

Batz.

.8

1829.

Batz.

---

ll.

1845.

Franc.

.11

-.3

Kanton Genve
Genve werd 1798 door de Franschen bezet doch na NAPoLoN's

val in 1814 als kanton met Zwitserland vereenigd.


Genve is 't eerste kanton, dat de fransche of nieuwe francs = 100

centimes ingevoerd heeft (jan. 1839); 't overige Zwitserland volgde


eerst in

1850. In de 18e eeuw rekende men meestal naar florins

(2.0665 w. f. z.) 12 sols 12 deniers. 20 dezer sols waren 1 livre


courante. 100 florins de Genve = 46.16 nieuwe francs.

ll.

1710.

Eenentwintig sols.

ll.

1714.

Tien en een halve sol.

XLVII.5
.7

ll. 1794. Vijftien sols.


ll. Jaar 4. (1795). Zes quarts = 1 sol 6 deniers.
ll.

Zes deniers.

i. Jaar 12. (1803-4). Sol.


ll.

1817.

Zes quarts.

ll.
ll.

Sol.
Zes deniers.

ll.

1819.

ll.

ll.

Verg. -.19
XLVII.20

Verg. -.19
Verg. -.20

1825. Zes quarts.


Sol.

ll.

Zes deniers.

i.

1833.

ll.

Verg. -.16
.19

Sol.
Zes deniers.

ij. 1839. Vijfentwintig centimes.


-

83.3

Sol.

ll.

BERRY

CoRAGGIONI XLVII.16

Zes deniers.

ll.

1453 ll.

-.6

Verg. -.16
Verg. -.20

Verg. -.20
.19

Verg. -.20
XLVIII.5

Tien centimes.

-.6

Vier centimes.

-.8

FRANSCHE KANTONS

1454 ll.

1839.

ll.

i.

1840.

Twee centimes.
Centime.

159

XLVIII.9
.10

Vijf centimes.

.7

ll. '

Centime.

ll.

1844.

Vijfentwintig centimes.

-.5

ll.

Tien centimes.

.6

.10

ll.

Centime.

.10

ll.

1846.

Centime.

-. -

ll.

1847.

Vijfentwintig centimes.

-.11

ll.

Tien centimes.

.12

ll.

Vijf centimes.

.13

ll.

Centime.

-.14

Kanton Freiburg (Fribourg)


Behalve de rekenwijze naar livres de Suisse = 10 batzen of = 20
sols 12 deniers, ontmoeten wij in dit kanton den gulden = 15 batzen
4 kreuzer 8 heller.
ll.

1770.

Halve kreuzer of vierer.

XXII.25

ll.

1811.

Halve batz = 5 rappen.

ll.

1827.

Kwart batz of kreuzer.

Verg. -.10
Verg. -.17

IIl,

1828.

Batz.

. 11

ll.

1846.

Kreuzer.

.22

Kanton Wallis (le Valais)


Rekenwijze als in Freiburg.
Bisdom Sion
Franz 1 Joseph 1701-34
ll.

1708.

Batz.

XLIII.11

(17)08. Halve batz.


Kreuzer.

ll.

.16
.19

Franz Friedrich 1760-80

1474 ll.

1776.

Halve batz.

.17

160

HELVEETSCHE REPUBLIEK

1475 ll.

1776.

Kreuzer.

ll.

1777.

ll.

Zes kreuzer.

ll.

Batz = 4 kreuzer.

Verg. XLIII. 17

Twaalf kreuzer.

.7
.8

Verg. -.

HELVEETS CHE REP UBLIEK 1798 1803

Door de Franschen in 1798 herschapen in Helveetsche Republiek,


vormde zich Zwitserland in 1803 wer, op last van NAPoLoN, tot
bondsstaat van

19 kantons welk aantal in 1815 met 3 vermeer

derd werd. Munthuizen: Bern (B), Bazel (BA) en Solothurn (S).


i.
p.
ll.

1799. Batz = 10 rappen. Kz. Geen muntletter.

Halve batz.
1802. Rappen.

Vg. II.12
.14
.18

EENHEID VAN MUNTEN IN ALLE KANTONS

uu.

1850.

Halve frank met A 1) en de Helvetia zittend.


CoRAGGIoNI Plaat III.

i.
rr.
xx.
i.
i.
bb.
bb.
i.

rr.
1492 m

Twintig rappen met B3 (twee B's aaneen).

Tien rappen met B3

Vijf rappen met B3

Twee rappen met A

Rappen met A
1851. Tien rappen met B3

Vijf rappen met B3

Twee rappen met A


1856.

Rappen met A
Rappen met B
Alle hieronder volgende zwitsersche munten vertoonen
op de Kz. de letter B

') De munten zijn geslagen te Bern (B), of voor rekening van de zwitsersche
regeering in de munthuizen te Parijs (A), te Straatsburg (B3) en te Brussel (B.).

1 61

KONINKRIJK NEDERLAND

1493 j. 1857. Rappen.


rr. 1858. Twintig rappen.
ij. 1859. Twintig rappen.
rr. 1870. Twee rappen.
kk. 1872. Vijf rappen.
bb. 1873. Tien rappen.
rr.

1875.

Halve frank.

ij. 1876. Tien rappen.


bb.
bb.

1877.
1879.

Vijf rappen.
Vijf rappen.

bb. 1880. Vijf rappen.


p.
1505 p.

1882.
1883.

Tien rappen.
Twintig rappen.

Koninkrijk Nederland
In de vroegste tijden, waarvan de geschiedenis over onze streken
spreekt, werd Nederland bewoond: noordelijk van den Rijn door de
Friezen, zuidelijk van den Rijn door Batavieren en andere germaansche
volksstammen. Deze laatsten werden (55-50 v. Chr.) door JULIUs CESAR
aan 't romeinsche rijk schatplichtig gemaakt en in de 7e eeuw door
de Franken onderworpen. Onder hunne koningen PIPPIN en KAREL DEN
GRooTE voegden de Franken ook Friesland bij hun rijk.
De verdeeling van 't frankische rijk bracht ons land in 843 bij 't
Middenrijk, doch reeds in 870 bij het Oostfrankisch Rijk (Duitsch
land). Nu ontstonden hier de graafschappen, hertogdommen, het wereld
lijk bisdom en de vrije steden, die in de 15e eeuw aan 't boergondische
en een eeuw later aan 't habsburgsche huis onderworpen werden.
De verdeeling der habsburgsche bezittingen in 1555 bracht de boer
gondische kreis (ons land en Belgie) aan Spanje. Na een oorlog van

80 jaren wisten de zeven noordelijke provincin (Holland, Zeeland,


Utrecht, Overijsel, Friesland, Groningen en Gelderland) zich vrij te
vechten en zagen zich door den vrede van Munster (1648) als onaf

hankelijken staat erkend.


11

162

KONINKRIJK NEDERLAND

Iedere provincie behield hare eigen regeering en zond slechts afge


vaardigden naar de Staten-Generaal, die met de stadhouders de zaken
van algemeen belang bestuurden.
De fransche omwenteling hief de waardigheid van erfstadhouder op
en herschiep 't land 26 jan. 1795 in eene Bataafsche Republiek, die
in 1806 als Koninkrijk Holland door NAPoLoN aan zijn broeder

LODEWIJK gegeven werd. Zie verder onder koning LoDEwIJK.


De munten in ons land, onder 't frankisch bestuur geslagen, zijn
op blz. 41-44 behandeld.
Wij zullen nu laten volgen de munten van de verschillende deelen

van ons land, die onder de duitsche keizers hunne zelfstandigheid ver
kregen en zich 1795 in de Bataafsche Republiek oplosten.

GRAAFSCHAP HOLLAND )
De eerste bewindvoerders in Holland, waarvan de geschiedenis mel
ding maakt, zijn noordsche grooten (HARALD, RoRUK en HEMMINK).
In 889 komt zekere GEROLFUs, graaf der Friezen, in deze landen voor:
zijn zoon GEROLF II was de vader van DIRK I (916-39), met wien

wij 't hollandsche gravenhuis gewoonlijk beginnen.


De graven oefenden 't muntrecht ex officio, uit kracht van hun
ambt, uit - alleen de geestelijke vorsten, bisschoppen en abten, hadden
eene afzonderlijke vergunning van den duitschen keizer hiervoor noodig.
De oudste hollandsche muntjes met Theoderic worden aan DIRK WI
(1122-57) toegeschreven.
Onder de graven en later onder de republiek was 't munthuis te
Dordrecht gevestigd, slechts bij uitzondering werd onder FLoRIs V
(1256-96) ook gemunt te Medemblik, onder WILLEM IV (1333-45),
onder ALBRECHT (1389-1404) en onder FILIPs den Goede ook te
Geertruidenberg onder FILIPs en JAKoBA ook te Zevenbergen en
eindelijk ook in Amsterdam ten jare 1672-73.
') Voor de indeeling zie: Catalogus Rijksmuseum.

GRAAFSCHAP

163

HOLLAND

Floris III 1157-90

Gerekend werd bij ponden hollandsche penningen, waarbij 1 tl =

240 penningen of deniers twaalf penningen werden schelling genaamd.


1506 aa.

Denier of penning hollants.

v. D. CHIJs I.3

88.

Denier.

.4

88.

Denier.

--.6

88.

Denier.

.7

88.

Denier.

.8

88.

Denier.

.10

88,

Denier.

-. 11

Floris IV 1222-34

88.

Denier.

II.1

Denier.

.3

88.

Denier.

-.4

Floris de Voogd 1256-58


88.

II.1

Denier. Kz. Groote K2

88.

Denier. Kz. Kleine h

88,

Denier.

-.4

88.

Denier.

III.7

Floris V 1266-96

III.8

Denier van Dordrecht.

Denier. Niets achter O LILIAI2OIGE


Denier. Vz. Fl: COMGES : O LILIAM2OIGE:
Jan I 1296-99

18.

Denier van Dordrecht.

IV.2

88.

Denier van Dordrecht.

.3

Willem III 1304-37

1525 aa.

Denier van Dordrecht. Vz. W:

IW.6
11*

164

GRAAFSCHAP

HOLLAND

Willem W 1345 89

1526 aa.
aa.

Leeuwengroot 1). Vz. K . MOI2GETA

VI.9

Groot met den helm.

-.25

p.

Groot met den helm. 't Kruis op de Kz. van afwijkende


teekening.
aa. Kwart botdrager of kwart groot.
-

-.

.15

Aalbert van Beieren 1389-1404

p.
aa.

Groot.
Voetdrager of groot.

VII.5

VIII. 12

Jan van Beieren 1417-24

aa.

Dubbele groot.

aa.

Groot.

XII.11
-.13

Filips I de Goede 1433-67

xx.

Stuiver of vierlander 2).

xx.
xx.

Kwart stuiver of halve groot.


Kwart groot.

XIV. 11
.13
.16

Maria van Boergondi 1477-82

aa.

Halve groot.

XVI.21

Filips II de Schoone 1494-1506

xx.

1499 8).

Stuiver.

XXIII.37

88l,

Stuiver.

1540 aa.

Stuiver. Kz. Jaartal iets kleiner.

XXIV.47
-.

1) De groot (zie blz. 140, noot), gelijk aan acht penningen hollants, werd in
Holland 't eerst door FLORIs V, in navolging van den franschen gros tournois, gemunt
en bleef tot in 't einde der 16e eeuw in omloop.
*) In 1454 komt het woord stuiver 't eerst voor om een stuk van 2 groot aan te
duiden. Deze stuiver werd ook genaamd vierlander, omdat hij ten behoeve van 4
landen, Holland, Brabant, Vlaanderen en Henegouwen, geslagen werd. Vroeger heette
een stuk van 2 grooten plak.
*) Een jaartal komt op eene hollandsche munt 't eerst voor onder MARIA's vader,
KAREL den Stoute, namelijk een dubbel vuurijzer (= 2 stuivers) van 1474. De oudste
nederlandsche munt met een jaartal is een groot van Schoonvorst (Limburg) van 1372.

GRAAFSCHAP

1541 aa.

aa.

1499.

Stuiver.

z. j.

Halve groot.

HOLLAND

165

XXIV.48
XXI.13

Karel II (keizer Karl W) 1515-55

aa.

z.. j.

Stuiver.

Vz. Van XXVII. 31


-

Kz. van

.32

Filips III (koning Felipe II) 1555-81

aa.
aa.
aa.
xx.

z. j.
z.. j.

Tiende filipsdaalder of 7 groot.


XXXII.38
Groot. Vz. DOMINVS MIHI ADIVTOR: en
op de Kz. naam en titels van Filips.
Verg. -.45
1568. Kruisrijksdaalder.
XXXIII.58
1573. Oort of kwart stuiver 1).
XXXV.79

88.

Duit.

XXXIV.70

aa.

1575.

Duit.

.72
,76
XXXV.84

p.

z. j.

Duit.

ll.

1576.

Oort.

ll.
p.

1578.

Oort. Kz. COM HOL niet gescheiden.


Oort.

1554 p.

1579.

Oort.

. -

VERKADE 57.1
-,

Holland provincie der republiek


Gaarne zouden wij hier een lijst laten volgen van de waarde der
verschillende munten in stuivers uitgedrukt. Edoch een eigenaardig
bezwaar maakt eene beknopte opgave onmogelijk.
Tegenwoordig wordt een gulden steeds gelijk gesteld met 20 stuivers
en ondanks de daling van 't zilver een goud tientje met 10 zilveren
guldens. Niet zoo was 't vroeger. Doordien de gouden en de grove
zilveren munten ook in 't buitenland gangbaar waren, deed de mindere
of meerdere aanvraag ze in waarde dalen of rijzen, en zoo vinden wij
dat dezelfde munt soms in 't zelfde jaar tot verschillenden koers
gangbaar was. Een paar voorbeelden:
1) Voortaan was de verdeeling: stuiver 2 groot 2 oort 2 duit 2 penning
of stuiver = 16 penningen. Sedert FLORIS V was de penning steeds = 1/s groot.

166

HOLLAND PROVINCIE DER

Gouden dukaat.

Rijksdaalder m/d

1586 f 3.40

halven man.

1596

REPUBLIEK

Stuiver van Karel V.


1520 = 1 st. of 8 duiten.

X)

3.45

1583 f 2.10

X)

4.

\ 2.30

X)

3.90

>)

3.80

V 2.40

1619

X)

4.10

1608) , 2,5

" " i , , 10 ,

1621

4.20

1619

2.50

1611 = 1; 12

1621

2.60

1608

1594)

2.25

1573 = 1#
1576 = 1!
1577 = 1#
( 14
-

9
10
11
12

terwijl de gouden dukaat bij 't zelfde gewicht en gehalte tegenwoordig


f 5.80 waard is de rijksdaalder f 1.30 en de stuiver f 0.02.
In de 17e en 18e eeuwen kreeg 't geld regelmatiger koers en slechts
de gouden munten blijven nog aan grooter koersverschil onderhevig.
Zooals wij thans nog zeggen: 4 duiten (# stuiver) voor 24 cent,
stooter (2; stuiver) voor 12 cent, schelling (6 stuivers) voor 30 cent,
werd vroeger gebezigd:
blank

voor 6

braspenning
reaal

kroon

10
X)
33 stuiver;
2 gulden.

z. j.

Duit.

VERKADE 57.3

8.8l.

1604.

Duit.

.4

ll.

1626.

Duit.

-.5

IIl,

1627.

Duit.

-. -

1555 xx.

88.

1560

duiten;

1670.

Scheepjesschelling = 6 stuivers.

55.4

1673.

Dukaton van Amsterdam 1).

43.3

Kantschrift: #3 TER GEDACHTENISSE VAN DE


MUNTE VAN AMSTERDAM 33 (Aangekocht)
1) De eerste maal dat te Amsterdam geld geslagen is, was in 1578 tijdens 't beleg
door de Staatschen; in 1586 liet LEYCESTER hier munten, doch deze geldstukken
zijn tot dusver nog niet terug gevonden.
In 1672 eindelijk, tijdens onzen oorlog met LoUIs XIV gaven de Staten aan Am
sterdam verlof om de zilveren baren der Wisselbank tot dukatons te vermunten. De

oude Regulierspoort die boven tot vergaderplaats der gilden en beneden tot wacht
huis voor de schutters diende, werd tot Munt ingericht [Vergaderlokaal van ons Ge

nootschap Muntgebouw, einde Kalverstraat] en tot in 1673 werd hier voortgemunt.

HOLLAND PROVINCIE DER REPUBLIEK

1561

167

i.
uu.

1687. Twee gulden met 't provinciale wapen 1).


1692. Dukaton = 3 gulden en 3 stuivers 2).

51.2

uu.

1700.

Dubbele stuiver.

56.4

1564 xx.

1702.

Duit. Afslag in zilver 8).

57.6

42.1

1) De in de 14e eeuw in onze provincin geslagen gouden munten van verschillende


waarde worden steeds gulden genoemd; zoo had men arnhemsche guldens, arnoldus

guldens, johannesguldens enz., d. i. gouden munt van Arnhem, van hertog ARNoLD,
van graaf JAN, die alle tot een verschillend aantal grooten in omloop waren.
Even als de groot als standpenning voor 't zilver gold, trachtten onze vorsten ook
voor 't goud een standpenning te maken, waartoe herhaald de som van 40 grooten
(20 stuivers) werd aangenomen.
Zoo ook KAREL V. Den 4den febr. 1520 gelastte hij de aanmunting van den gouden
Carolusgulden, die loop zou hebben voor 20 stuivers. Doch reeds in 1522 gold deze
munt f 1 : 1 : in 1590 f 1:15: en in 1618 f 2.-, na welk jaar hij niet meer

genoemd wordt. Ook gelastte KAREL V dat men voortaan bij Carolusguldens 20
stuivers rekenen moest.

Intusschen gaven de rijke zilverzendingen uit Mexico en Peru aanleiding, dat men
aan grooter zilveren munten begon te denken, en daar de Carolusgulden 20 stuivers
alom was ingevoerd, deed de wet van 22 febr. 1542 een zilveren Carolus geboren
worden, ook voor 20 stuivers gangbaar. Dit nu is de eerste zilveren gulden.
Sedert dien tijd rekende men in onze gewesten steeds met guldens 20 stuivers
en herleidde hiertoe alle andere gangbare munten, zonder den ouden Carolusgulden
zelfs meer te kennen, die b.v. in 1581 f 1:13: en in 1621 f 1 : 14:8 gold.
't Is niet voor 1680 dat de Staten van Holland weder een zilveren gulden als
proef lieten slaan, deze werd aangenomen en sedert 1681 tot 't aanmaken van drie
guldens, tweeguldens, guldens en 1/2 guldens overgegaan. De andere provincin volg
den dra dit voorbeeld, doch plaatsten op hunne munten hun eigen wapen, vandaar
provinciale guldens. Holland muntte in 1692 ook kwarten aan.
De wet van 17 maart 1694 eindelijk stelde deze munten voor alle leden der Unie
verplichtend. De gulden zou 9.6153 wichtjes fijn zilver bevatten en 't Generaliteits
wapen voeren, vandaar nederlandsche gulden.
Sedert 22 maart 1839 slechts 9.450 fijn houdende, wordt deze gulden tot op heden
voortgemunt.

't Kon. besluit van 24 maart 1846 bepaalde de inwisseling der oude 3- en 2
guldens dat van 10 dec. daaraanvolgende deed de oude guldens en halve guldens
intrekken.

*) In 1659 werd tot 't aanmaken van dezen dukaton besloten, hij zou 32.587 wichtjes
zwaar zijn, op een gehalte van 0.941 en 3: 3 gelden.

Zij werden tot 't einde der 18e eeuw aangemunt en door de wet van 28 sept. 1816
tot negotie-penningen verklaard.
*) Aan de bevoegdheid der muntmeesters van vroeger dagen om gouden en zilveren

afslagen der munten te maken, hebben wij de groote menigte dier afdrukken te
danken; tegenwoordig moet hiervoor de toestemming van den Minister van Financin
verzocht worden. Ter meerdere duidelijkheid laten wij hier de resolutie der Staten

Generaal van 10 dec. 1760 volgen:

168

HOLLAND PROVINCIE DER REPUBLIEK

1565 n.
uu.
ij.

z. j.

1702.

Duit. Alleen de Vz. afgeslagen.


Duit. Vz. Uitgevijld.
Duit.

xx.

1707.

Duit.

aa.

1709.

Duit.

ll.

1710.

Duit.

-. -

ll.

1712.

Duit.

-. -

xx.

17 13.

Duit.

-. -

xx.

1715.

Duit.

- - -

uu.

1716.

Duit.

-- --

- .-

57.6
-. -

-. -

-. -

ll.

1717.

Duit.

ll.

1720.

Duit.

-.

aa.

1721.

Duit.

--

1578 m. 1722. Scheepjesschelling

55.

Is ter vergaderinge geleesen de Requeste van de Muntmeesteren deeser Landen,


houdende, dat haar Hoogh Mogende bij derselver Resolutie van den 2en Junij laatst
leeden, hebbende gelieven te verstaan, dat geen Penningen hoegenaamd, verbeeldende
de Munte van den Staat, als op hooge ordre en conform haare Instructien door haar
zouden moogen worden gemaakt op poene van als Meyneedigers te zullen worden

gestraft, de Supplianten zigh vonden in eene bekommeringe van onseekerheyd ge


braght, onbewust of onder de gemelde Interdictie ook waaren begreepen zoodanige
Penningen, als zij Supplianten jaarlijks bij geleegentheyd van het Nieuwejaar gewoon
waaren geweest, ten versoecke van haare Correspondenten en andere bekenden te
maacken, als namentlijck heele en halve goude Ducatons, heele en halve goude

Rijksdaalders, dito Guldens, Scheepjesschellingen, Dubbeltjes, Stuyvers, Duyten en


Penningen, zoo als die voor de Oostindische Compagnie wierden gemaakt, gelijk
meede dito zilvere Duyten en Penningen, versoeckende de Supplianten derhalven
het goedvinden en welbehaagen van haar Hoogh Mogende, uit aanmerkinge dat alle
de gemelde Penningen zijn geordonneerde Specien en dat alleen eene Metaals ver
anderinge aan deselve word toegebraght, gunstiglijk gelieven te verstaan, dat de
gemelde Interdictie bij haar Hoogh Mogende Resolutie van den 2" Junij gedaan tot
de gemelde Nieuwejaars-Penningen geene relatie heeft, en dat het de Supplianten
gepermitteerd mooge zijn, om deselve teegens het aannaderende Nieuwejaar, en ver
volgens te moogen blijven maaken.
,,Waarop gedelibereerd zijnde, is goedgevonden en verstaan, mits deesen te ver
klaaren dat de gemelde Interdictie bij haar Hoogh Mogende Resolutien van den
2" Junij gedaan, tot de genoemde Nieuwejaars-Penningen geene relatie heeft; met
permissie aan de Supplianten, om deselve teegens het aannaderende Nieuwejaar en
vervolgens te moogen blijven maaken.
De oudst bekende gouden afslag van een zilveren nederlandsche munt is die van
een denarius van KoENRAAD, bisschop van Utrecht (1076-99). In Catalogus n". 5
-

van den heer J. SCHULMAN te Amersfoort komt deze voor f 1 00.-.

HOLLAND PROVINCIE DER

1579 rr.

1723.

Dubbele stuiver.

pp.

1724.

Stuiver.

1726.

Dubbele stuiver.

Ulll.

1727.

Dubbele stuiver.

1729.

Dubbele stuiver.

1730.

Stuiver.

1732.

Dubbele stuiver.

1734.
1736.

Gulden.

XX.

1738.

Stuiver.

pp.

1739.

Stuiver.
Duit.

88t.

Duit. Kz. Punt achter DIA hooger.

XX.

1741.

Duit.

1742.

Duit.

lal

1744.

8.8l.

1745.

Duit. Afslag in zilver.


Duit. Afslag in zilver.

1748.

Nederlandsche halve gulden.

1749.

rr.

1751.

ll.

1754.

Duit.

{ll.

1755.

Duit. Afslag in zilver.

XX.

1759.

Nieuwjaarspenning of kwart gulden 1).

1) D.

1760.

Stuiver.

56.6

Ul Ul.

1761.

Dukaat.

39.

Ill.

1763.

Duit. Afslag in zilver.

57

ij.

1764.

Stuiver.

56.

X.

1765.

Duit.

57.

1750.

1609

54.2

Nederlandsche halve gulden.


Duit. Afslag in zilver.
Gouden rijder, gold 14 gulden.
Nederlandsche halve gulden.

Ul Ul.
Ul Ul.

56.4

Stuiver.

XX.

ll.

169

Stuiver.

XX.

G1G1.

REPUBLIEK

57.6

40.4
54.2
57.6

54.3

') In de jaren 1756-59 deden de muntmeesters van Holland, van Gelderland, van
West-Friesland en van Utrecht zilveren penninkjes slaan met Vz. vrijheidsmaagd en
Kz. generaliteitswapen (geheel type van den gulden), die ze met Nieuwjaar (vandaar
Nieuwjaarspenningen genoemd) verkochten, ten gerieve van particulieren, die er bij
deze of gene gelegenheid een geschenk of ander gebruik van wenschten te maken.
Daar ze bij groote hoeveelheden geslagen werden en 4 stuks in waarde overeen

kwamen met 1 gulden, werden ze spoedig algemeen aangenomen voor 5 stuivers.

170

PROVINCIE ZEELAND

1610 ll.

1766.

Duit.

57.6

uu.

1767.

Dukaton.

42.1

ij.

1769.

Duit.

57.6

i.

1772.

Dubbele dukaat.

39.4

uu.
uu.

1773.
-

Valsche dukaat. Zilver verguld.


Stuiver. Afslag in goud.

uu.

1774.

Halve dukaton.

.6
56.
42.2

ij.

1780.

Duit.

uu.

1781.

Dukaat.

uu.

1789.

Dubbele stuiver.

56.4

uu.

1794.

Stuiver.

-.5

57.6
39.

PROVINCIE ZEELAND

Onder onze hollandsche graven, die tevens graven van Zeeland waren,
werd er niet dan zeer zelden in Zeeland gemunt, o. a. onder WILLEM III
(1304-37) te Zierikzee,
Eerst ten jare 1580 richtten de Zeeuwen voor hun vrij gewest,

ondanks alle tegenkantingen van Holland, eene munt te Middelburg


op, die in 1586 door LEYCESTER bekrachtigd en door koning LoDE
wIJK's besluit van 17 sept. 1806 opgeheven werd.
1621 i.

z.. j.

Dubbele dukaat 1). Spaansche type, met de twee


hoofden. Vz. COMS ZEL-S (burgje). Verg. VERKADE 78.2

1) Sedert 't optreden der Karolingen of Pippiniden (zie blz. 40 en 42) werden er
in Midden- en West-Europa geene gouden munten meer geslagen de trientes der
Merovingen met de gouden bezanten der byzantijnsche keizers en de dinars der
Sarazenen, die tot 't westen doordrongen, voldeden aan de handelsbehoeften der
9e-12e eeuwen.

RoBERT GUISCARD (1075-85) van Apuli was de eerste die in West-Europa weer
goud vermuntte: gouden tari (A. ENGEL, Recherches etc.), hem volgde keizer FRIED
RICH II (1198-1250), die voor zijn koninkrijk Sicili de gouden Augustalen liet slaan
(CAPPE, Die Mnzen der deutschen Kaiser u. s. w.).
Florence begon 1252 hare gouden florentia uit te geven, die in 1284 onder GIo
vANNI DANDoLo in Veneti (PAPADoPoLI blz 123) nagebootst werd met 't omschrift:
SIT.T.XPE. DAT. Q.TV. REGIS. ISTE. DVCAT, daardoor den naam DVCATVS =
dukaat verkreeg en spoedig in bijna geheel Europa ingang en namakers vond.
Na de afzwering van FILIPs (1581) werden de dukaten ook te onzent aangemunt.

171

PROVINCIE ZEELAND

1622 aa.

z.. j.

Statenoort. Vz. C-ZE

xx.

Statenoort. Vz. COM-ZE.

95.2
-. -

p.

Statenoort. Vz. CO-ZEL

Verg. -.

dd.

Statenoort. Vz. CO-ZEL en breed Bb.

Verg. -.

xx.

Snaphaanschelling 1).

aa. (15)83. Snaphaanschelling.


aa. 1584. Kwart snaphaanschelling.
aa. 1595. Stooter of twintigste reaal.

tekst

504.
92.1
.3
82.5

aa.

1596.

Stooter.

aa.
aa.

1602.

Daalder of 60 groot.
Derde daalder of 20 groot.

.2

Stuiver.

93.6

88,

aa.

1603.

Roosschelling.

aa.

1604.

Oort.

aa.

Duit.

aa. 1613. Tienstuiver of 20 groot.


uu. 1621. Halve rijksdaalder met den halven man.

-,

89.1

92.4
95.
.5
91.4
85.2

xx.

1636.

Oort.

95.4

ll.

1642.

Oort.

-.

aa.

1648.

Duit.

.5

ll.

1653.

Oort.

.4

ll.

1657.

Oort.

-,

xx.

1659.

Oort.

-,

ll.

1663.

Oort.

-,

xx.

1669.

Oort.

-,

xx.

1681.

Duit.

.7

xx.

1684.

Duit.

-. -

xx.

1685.

Duit.

-,

xx.

1689.

Duit.

-.

aa.

1714.

Duit.

.8

xx.

1720.

Duit.

tekst 534a.

aa.

1725.

Duit.

x.

1727.

Duit.

1655 uu.

1731.

Stuiver.

96.1
-,

94.5

') Op de Vz. komt een ridder voor, die 't wapenschild van Zeeland vasthoudt.
Spottenderwijs werd deze ridder: snaphaan genoemd. De schat der neder-duytschen
spraken zegt: een snaphaan = un voleur en destrousseur de gents.

172
1656
-

PROVINCIE ZEELAND

ll.

1732.

Dubbele stuiver.

rr.

1733.

Dubbele stuiver.

-,

94.7

uu.

1734.

Dubbele stuiver.

-. -

uu.

1735.

Dubbele stuiver.

-,

aa.
uu.

1736.

Duit. Afslag in koper.


Duit. Afgietsel in zilver.

kk.

1738.

Stuiver.

n.

1740.

Duit.

96.2

ll.

1741.

Duit.

-,

uu.

1747.

Duit.

96.2
-. -

94.8

- --

ll.

1748.

Duit.

-. -

uu.

1749.

Duit.

-. -

Scheepjesschelling.

rr.

1754.

aa.

Duit. Kz. Groote letters.

96.3

aa.

Duit. Kz. Kleine letters.

-. -

93.4

a.

1755.

Duit.

.2

ll.

1758.

Duit.

-,

uu.

1760.

I'I'.

Gouden rijder of 14 gulden 1).

79.3
96.2

Duit.

uu. 1761. Gouden rijder.


pp. Stuiver.
qq. 1762. Halve nederlandsche rijksdaalder.
1678 uu.

Achtste nederlandsche rijksdaalder of pietje 2).


-

79.3
94.8
87.2
-.4

') De oudste gouden rijders (munt, waarop een ruiter afgebeeld), dagteekenen bij
ons uit de midden eeuwen en zijn later voor pl.m. 1 gulden 12 stuivers gangbaar.
In 1581 werden in Gelderland, daarna in Friesland, rijders en halve rijders gesla
gen, die / 3.- zouden gelden, tot eindelijk in 1606 bevolen werd te munten een
nederlandschen rijder van bijna 10 wichtjes en 0.920'/7 fijn met den halve van dien.
Ze werden tot 't midden der 17e eeuw aangemunt en golden:
in 1606
10 gulden 2 stuivers.
16.15

10 : 16

1 622

11 : 6

1653

12: 12.

1 aug. 1749 besloot men opnieuw den rijder te munten van dezelfde figure, ins
criptie, gehalte en gewicht als die van 1606, met aanduiding van deszelfs waarde,
nu f 14.-.

Dit is de eerste nederlandsche munt, welke ter voorkoming van besnoeiing met
een kabelrand werd voorzien; na 1764 zijn ze niet meer aangemunt.

2) De kleine ridder der Vz. werd in de wandeling spottenderwijze pietje genoemd,


ook wel pietje bedroefd.

173

PROVINCIE ZEELAND

1679 rr.

1762.

Stuiver.

94.8

ll.

1763.

Duit.

96.2

uu.
xx.

1764.
1765.

Achtste nederlandsche rijksdaalder.


Achtste nederlandsche rijksdaalder.

uu.

xx.
uu.

1766.

uu.

Duit.

ll.

Duit.

aa.

1767.

Duit.

ll.

1768.

Duit.

ij.

1769.

Duit.

uu.

1770.

Duit.

xx.

1776.

Kwart nederlandsche rijksdaalder.

uu.

Duit.

96.5

ll.

1777.

Duit.

-.

ll.

1778.

Duit.

ll.

1779.

Duit.

87.4
-.

Duit.

96.2

Achtste nederlandsche rijksdaalder.


Achtste nederlandsche rijksdaalder. Vz. MON: NOV:

87.4

Verg. -.

ARG:

uu.
rr.
xx.

96.2
.5
*

--

-.

-'

-, -

--.

87.3

-.

-. -

1780. Kwart nederlandsche rijksdaalder.

Achtste nederlandsche rijksdaalder.

Scheepjesschelling.

87.3

.4
93.

ll.

Duit.

96.5

ss.

1781.

Duit.

-. -

ij.

1782.

Duit.

xx.

1783.

Duit.

uu.

1784.

Duit.

-.

&

-. -

---. -

uu.

1787.

Duit.

-.

xx.

1788.

Duit.

-. -

ll.

1789.

Duit.

-. -

uu.

1790.

Duit.

xx.

1791.

Stuiver.

uu.

1711 xx.

1792.

-94.8

Duit.

96.5

Nederlandsche rijksdaalder 1).

87.1

'). De in Zeeland gemunte nederlandsche rijksdaalders golden in Zeeland van 1672


-1749 51 stuivers, van 1749-62 52 stuivers, en van 1762-1806 53 stuivers. De

wet van 28 sept. 1816 maakte bekend dat zij provisioneel in 's rijks schatkist konden
worden gestort voor f 2.50.
k
-

174

PROVINCIE WEST-FRIESLAND

1712 uu.

1792.

aa.

uu.

1793.

XX,

uu.

Scheepjesschelling.

93.4
96.6

Duit.

Achtste nederlandsche rijksdaalder.

87,4
96.6

Duit.

1794.

Duit.

-.

PROVINCIE WEST-FRIESLAND

In 985 schenkt keizer Otto III aan den hollandschen graaf DIRK II
(939-88) in vollen eigendom de landen tusschen Medemblik en de
Reekere; doch eerst in 1064 komen deze streken voor onder den naam

van 't graafschap Westerlinga. Dit bevatte 't noordelijk deel van 't
tegenwoordige Noord-Holland, ten Z. begrensd door Kennemerland en

Waterland, zoodat de grens ongeveer liep van Bergen tot Schardam


(ten Z. van Hoorn). De smalle westkust, waaraan Petten, Kallantsoog
en Huisduinen, benevens de thans verdronken noordkust behoorden tot

de gouw Texel.

Steeds in opstand tegen de hollandsche graven, werden de West


friezen door FLORIs V (1266-96) in 1285 voor goed ten onder gebracht
en hun land bij Holland ingelijfd.
In 1586 richtten de Westfriezen eene munt op te Hoorn, die om de
3 jaar hier of te Enkhuizen zou werken; in 1609 werd ook Medemblik
opgenomen, terwijl 't aantal muntjaren van 3 tot 7 en later zelfs tot
10 klom.

In 1796 werd de munt te Enkhuizen verklaard te zijn een hollandsch


munthuis 1), dat den 17en sept. 1806 door koning LoDEWIJK werd op
geheven.
aa.

1597.

Stuiver.

VERKADE 73.2

aa.

1598.

Stuiver.

- .-

aa.
uu.

1619.
1624.

Rijksdaalder met den halven man.


Rijksdaalder met den halven man.

-.

64.3

aa.

1626.

Duit.

75.7

1722 aa.

1627.

Duit.

-,

') Zie: Mr. L. W. A. BESIER. De muntmeesters en hun muntslag.

PROVINCIE WEST-FRIESLAND

1723 aa.

1658.

ll.
88.

175

Duit.

75.7

Duit.

.8

Duit. Kz. Grootere versieringen tusschen de wapens. .

88.

1660.

Duit.

88.

1663.

Halve duit.

212.4

Halve duit. Kz. 't Wapen grooter.

-- -

88.

1673.

Dubbele stuiver.

73.5

88.

1676.

Bankschelling.

72.2

.7

qq

Dubbele stuiver.

74.5

qq

Stuiver.

.6

kk.

1677.

Stuiver.

.8

XX.

1678.

Scheepjesschelling.
Scheepjesschelling. Kz. De S van 't jaartal aan de
kroon vastgehecht.
Scheepjesschelling. Afslag in goud.

72.4

C.

1686.
1702.

-,

Dubbele stuiver.

74.7

Westfriesche daalder.

67.4

Duit.

76.1

Duit. Tweemaal de Vz.

-.

1707.

Duit.

-,

1713.

Duit.

.2

Scheepjesschelling. Vierkanten afslag in zilver.

72.5

z. j.

1716.

1717.

Duit.

76.4

Duit.

-.

1720.

Duit.

-,

1723.

Duit.

-.

1730.

Scheepjesschelling.

72.5

1739.

Duit.

76.4

1741.

Duit. Kz. Een haan, muntmeestersteeken van Teunis

1742.

Duit.

-. -

1751.

Halve gouden rijder.

1 754.

Duit.

60.
76.

Duit. Tweemaal de Kz.

-,

Kist 1741-61.

1756.
1759.

1757 ee.

-, -

1765.

Duit. Afslag in zilver.


Kwart gulden.
Duit. Kz. Een schuit of buis, muntmeestersteeken
van Pieter Buysken 1761-81.

-,

-,

70.6

76.4

176

BISDOM

1758 uu.
-

UTRECHT

1768.

Halve dukaton.

1769.

Duit. Geschenk van den heer P. CUYPERs 1877.

62.2

76.6

uu.

1779.

Dubbele stuiver.

75.1

a.

1780.

Duit.

76.7

xx.

1786.

Drie gulden.

69.4

Ulu.

Dubbele stuiver.

75.1

ll.

1787.

Dubbele stuiver.

xx.

1789.

Dubbele stuiver.

- ,

xx.

1791.

Dubbele stuiver.

-. -

uu.

1794.

Dubbele stuiver.

-,

-.

BISDOM UTRECHT

Friezen en Saksers waren nog heidenen, toen reeds de frankische

grooten tot 't Christendom waren overgegaan en eerst nadat de fran


kische koning DAGoBERT Utrecht in 631 veroverd had, werd in onze
streken de eerste Christenkerk gesticht binnen den burg Traiectum.
Den Engelschman WILLEBRORD ontmoeten wij als eersten nederlandschen
kerkvoogd hij werd in 695 tot Aartsbisschop der Friezen gewijd

en ontving van PIPPIN VAN HERSTAL binnen Utrecht eene plaats voor
zijn bisschopszetel.
Bisschop BALDERIK (917-77) wordt ten jare 937 door keizer OTTo I
met 't muntrecht begiftigd en keizer HENDRIK III schenkt in 1040 aan
't Sticht de stad Groningen, in 1046 de stad Deventer met 't recht der
munt aldaar. (Zie hierachter Oppersticht).
HENDRIK VAN BEIEREN (1524-28) is de laatste utrechtsche prelaat
-

met wereldlijk gezag, door 't verdrag van Kampen in 1528 deed hij
hiervan afstand, ten gunste van keizer KAREL.

Onder de bisschoppen werd gemunt te Utrecht, Amersfoort en Rhenen.


Herman van Hoorne 1150-56 (27e bisschop van Utrecht)
aa.

Denier.

1769 aa.

Denier.

- -

v. D.

Cinds

V.3
.6

177

BISDOM UTRECHT

Boudewijn van Holland 1178-96


1770 aa.

Denier.

VI.3
Dirk van Ahr 1198-1212

aa.

Denier.
Willebrand van Wildeshausen 1227-34

aa.

VIII. 1

Denier.
Hendrik van Vianden 1250-67

aa.

Denier.

IX. 12

aa.

Denier.

XXVIII. 1
Jan van Arkel 1341-64

aa.

IX. 1

Dubbele groot. Kz. MOI2-ETA


Rudolf van Diepholt 1433-55

aa. Mijt 1), van Rhenen.


aa. Mijt, van Utrecht.

XVI. 11
.12

David van Boergondi 1457-96

aa.

z.. j.

Dubbele stuiver.

XIX.44

l8.

Stuiver.

XX.57

8.8l.

Stuiver.

.59

3.8l.

Stuiver.

.60

89.

Groot of halve stuiver.

.58

i.

1478.

Dubbele stuiver.

XVIII.27

aa.

1479.

Dubbele stuiver.

.28

Frederik van Baden 1496-1516

aa.

1498.

Dubbele stuiver.

aa.

1510.

Dubbele stuiver.

aa.
1788 aa.

z. j.

Kwart groot.

Mijt.

XXI.7
. 17
XXII. 18
XXIX.

1) Stuiver = 2 groot 24 mijt.


12

UTRECHT PROVINCIE DER

REPUBLIEK

Filips van Boergondi 1516-24

Driemijt.

XXII.8

Hendrik van Beieren 1524-28

Driemijt.

.3

Koning Filips II heer van Utrecht 1555-81


88l.

1568.

Kruisrijksdaalder.

88.

1571.

Vijfde filipsdaalder.
Veertigste filipsdaalder. Kz. Z-REX, gescheiden

818.

door 't lam.

XXIV. 17
XXIII.5

XXIV. 11

Utrecht provincie der republiek


Tijdens de republiek was de munt der provincie Utrecht uitsluitend
in de stad Utrecht gevestigd.
1582.

Snaphaanschelling. Kz. DONY

818.

1601.

Roosschelling.

38l.

1614.

Dubbele stuiver.

88l.

WERKADE 112.2
-.4
114.5

ll.

1685.

Provinciale daalder.

109.4

G1G1

1686.

Provinciale daalder.

-.

XX.

1738.

Stuiver.

115.3

1739.

Stuiver.

-,

11 1.2

ll.
C.

1748.

Gulden.

IIl.

1749.

Dukaton met bloemrand.

100.3

1750.

11 1.5

Ul Ul.

1762.

Halve gulden.
Muntmeesterspenning of kwart gulden 1).
Muntmeesterspenning. Kz. TRAI '
Muntmeesterspenning.
Gouden rijder.
Halve gulden.
Nederlandsche gulden met 1-G

i.

1764.

Dukaton.

PP.
GB,

1758.

pp.
rr.

1759.

i.

1760.

XX.

j.
1812 uu.

1768.

.6
-, -

-.-

99.1
1 11.5
-.2
100.3

Halve gulden. Afslag in goud.

111.5

Halve nederlandsche rijksdaalder.

1 06.2

1) Zie de aanteekening bij N". 1604.

STAD

UTRECHT

179

1813 uu.

1785.

Dubbele stuiver.

1 15.2

XX,

1787.

Halve dukaton.

1 00.4

Ulul,

Scheepjesschelling.

uu.

Dubbele stuiver.

Tr.

1790.

Dukaat.

llll.

1793.

113.
115.2
98.4

Drie gulden. Afslag in lood.

11 1.1

UlUl.

Halve dukaton.

100.4

kk.

Dubbele stuiver.

115.2

Stad Utrecht

't Is tot dusver niet te bewijzen of de stad Utrecht in de midden

eeuwen 't muntrecht bezeten heeft. Wel blijkt dat de stedelijke regee
ring een eigen toezicht op de koerseerende munten uitoefende en dat
zij sedert 't einde der 14e eeuw van tijd tot tijd kleine of zoogenaamde
pasmunt liet slaan, doch van een bepaald recht wordt niet gewaagd.
Eerst in 1578 kreeg de stad vrijheid tot 't maken van dubbele, enkele
en halve stuivers, alsook van duiten.
38.

z. j.

818.
83.
38.

1509.

88l.

Obool.

Hollantsche penning. (?)


Halve hollantsche penning. (?)
Deutgen.
Deutgen. Vz. Teekening iets anders.
Deutgen.

88.

15 14.

88.

1523.

Duit.

88.

1527.

Oort of oortstuiver.

P.

1578.

GG,
88.

1579.

ll.

v. D. CHIJs XXV.1
.5
. 11
.20
-. -

XXVI.23
.24

Vz. Geen sterren binnen de

boogjes.
Kz. Achtpuntige ster in 't hart van 't kruis.
Oort, op naam van Filips.
VERKADE
Oort, op naam van Filips. Kz. REX Oort, op naam van Filips.
Oort, op naam van Filips. Vz. NOVSK

.25
115.5
-.

6
-. -

813,

1627.

Stuiver.

i.

1634.

Duit.

116.

1637.

Duit.

-.

1836 aa.

1657.

Duit,

1 14.2

4
12*

180

STAD

Duit. Jrt. onleesbaar, het wapen van Deventer op

1837 aa.

de
ll.

1661.

ll.

1663.

Duit.

ll.

1664.

Duit.

D.

1665.

Duit.

P.

1666.

Duit.

88.

1667.

Duit.

GG.

1668.

Duit.

1670.

Duit.

Vz, ingeklopt.

116.4

Duit.

ll.

1 671.

Duit.

ll.

1677.

Duit.

UlUl.

1681.

Duit.

ll.

1683.

Duit.

ll.

1684.

Duit.

XX.

1687.

Duit.

XX.

1689.

Duit. Op de Vz. het wapen van Utrecht ingeklopt. -.

ll.

17 10.

Duit.

ll.

1711.

Duit.

33.

1722.

Duit.

ll.

1723.

Duit.

Ulll.

1724.

Duit.

XX.

1739.

Duit.

UlUl.

1740.

Duit.

XX.

1742.

Duit.

ll.

1744.

Duit.

ll.

1745.

Duit.

ll.

1749.

Duit.

XX.

1752.

Duit.

Duit .

ll Ul,

ll.

1753.

Duit.

rr.

1754.

Duit.

UlUl.

1755.

Duit.

GG.

1756.

Duit

ll.

1757.

Duit.
Duit .

ll.

1873

UTRECHT

Il,

1759.

Duit.

ll.

1760.

Duit.

Afslag in zilver.

Afslag in zilver.

STAD UTRECHT

1874 xx.

1761.

Duit.

XX.

1762.

Duit.

UlUl.

1763.

Duit.

ll.

1764.

Duit.

1765.

Duit.

ll.

1766.

Duit.

8.

1767.

Duit.

XX.

1768.

Duit.

88.

1783.

Duit.

Duit. Afslag in zilver.

rr.
Ulll.

1784.

Duit.

ll.

1785.

Duit.

Duit. Afslag in zilver.

Ulll.
GG.

UlUl.

1786.

Duit.

1787.

Duit.

1788.

Duit.

1789.

Duit.

1790.

Duit.

1791.

Duit.

1792.

Duit.

1793.

Duit.

Duit. Afgietsel in geel koper,

UlUl.

1895

ll.

OVERIJSEL

De eerste bewoners (Brukteren) werden tegen 't einde der 1e eeuw


door de Chamaven verdreven. Deze sloten zich in 't einde der 3e eeuw

bij andere germaansche volken aan en trokken onder den gemeenschap


pelijken naam van Franken naar Galli. Saksers vestigden zich nu in
Overijsel, ze werden in verschillende veldtochten door KAREL den Groote
(768 -814) overwonnen en Overijsel verdeeld in gouwen, met graven
(als ambtenaars) aan 't hoofd, zooals graven van Kuinre, van Twente,
van Goor, van Salland, van Zutfen enz.
Door schenking en aankoop kwamen deze gouwen langzamerhand
aan den bisschop van Utrecht, die te Deventer, Kampen, Zwolle,

182

OVERIJSEL

Vollenhove, Harderwijk en Hasselt voor dit gewest (Opper-Sticht)


munt sloeg. Zie blz. 176, Bisdom Utrecht. 12 febr. 1528 ontsloeg
bisschop HENDRIK VAN BEIEREN zijne onderdanen van den hem gedanen
eed, ten gunste van keizer KAREL. Diens zoon, koning FILIPs liet te
Hasselt munten en toen Overijsel deel der zeven Vereenigde Provincin
uitmaakte, werd de provinciale munt beurtelings te Deventer, Kampen
of Zwolle gevestigd, totdat deze door 't besluit van 17 sept. 1806
opgeheven werden.
Opper-Sticht onder de utrechtsche bisschoppen
Hendrik van Vianden 1250-67

1896 aa.

Denier van Deventer.

v. D. CHIJS WIII.2

Jan van Wirneburg 1364-71


813.

Halve groot van Vollenhove.


Floris van Wevelinkhoven 1379-93

88.

Groot van Deventer.

XII.7

Frederik van Blankenheim 1393-1423

XIV. 12

38.

Kwart groot van Deventer. Kz. O7NV

38.

-.13

d{l.

Halve groot van Deventer.


Dubbele groot van Hasselt.
Dubbele groot van Hasselt.

38.

Groot van Hasselt.

. 17

33.

. 14
. 15

Rudolf van Diepholt 1433-55


38.

Dubbele groot van Deventer.

88l.

Groot van Deventer.

XVI.8
.10

David van Boergondi 1457-96


98l.

Dubbele groot van Deventer.

XVII.21

Filips heer van Overijsel 1555-81


1907 aa.

1562.

Halve filipsdaalder van Hasselt.

XIX.7

183

OVERIJSEL

1567.

(?) Vijfde filipsdaalder.

Ulll.

Z. J.
1591.

Statenoort.

88.

1 628.

Stuiver.

1908 aa.
88.

Stooter of 1/20 reaal.

136.
143.5

Stuiver. Andere stempels.


Duit. Kz. Afkortingsteeken tusschen A-S
Duit. Kz. Afkortingsteeken tusschen R-A

SS.

XX.

-.

144.6
- .-

ll.

1633.

Duit.

-. -

Stuiver.

143.5

G1.

1665.

rr.

1685.

Achtentwintig.

ll.

1702.

Duit.

145.
- .-

142.1

ll.

1703.

Duit.

XX,

1704.

Gulden.

1 41.6

XX.

1739.

Stuiver.

143.7

XX.

1 74 1.

Duit.

145.2

kk.

1 753.

Duit.

ll.

1754.

Duit.

XX.

176 4.

Duit.

Duit. Kz. Jrt. grooter.

1765.

Duit.

1766.

Duit. Kz. Bb. van prins Willem V 1).

1767.

Stuiver.

XX.
Ulll.

ll.

.3
-

.4

.5
143.7

Duit. Afslag in zilver. Kz. De oranjetakken om 't

88.

Bb. grooter.
XX.

Verg. 145.5

Duit.

-.4

GG,

1768.

Duit.

-. -

ll.

1769.

Stuiver.

143.7

Duit.

145.4

XX.

1935

XIX. 11
VERKADE 144.2

ll.

1770.

Duit. Afslag in zilver. Geslagen op de a.s. bevalling


der prinses.

-.7

Rijksstad Deventer
De rijkssteden stonden onmiddelbaar onder den duitschen keizer, zij

hadden landsheerlijkheid in hun gebied, behoefden dus geen vreemden


landsheer te gehoorzamen en hadden stem in den rijksdag. In 1046
') Deze was in maart 1766 meerderjarig geworden.

184

OVERIJSEL

verkreeg Deventer van keizer HEINRICH III 't recht om stedelijke zil
veren en in 1486 van keizer FRIEDRICH III om gouden munt te slaan.
Deze muntslag duurde voort tot in 't begin der 18e eeuw, toen de
stad hare rijksmunt sloot, tegen eene jaarlijksche schadevergoeding
van de Staten der Vereenigde Nederlanden.
1936 xx.

1476.

Achtste stuiver.

aa.

1509.

Plak.

aa.

1517.

Kwart stuiver.

xx.

1523.

R3l.

v. D. CHIJs XII.18
.30
XIII.32

Achtste stuiver.

XII.24

Plak.

XIII.39

aa.

Plak. Vz. Afbrekingsteeken achter O7WVGEIQT Vg. -.

aa.

z.. j.

Snaphaanschelling.

3lal.

Halve stuiver.

VERKADE 155.1

Vz. CONSTAN

ald.

Halve stuiver. Vz. CON - (lelie).

lal.

Duit.

XX.

Duit.

XX.

Duit.

xx.

Duit. Andere stempel.

m.

1663.

Duit.

aa.

1683.

Dubbele stuiver. Kz. Het muntmeestersteeken van

218.5
-,

157.1

Vz. Binnenrand.

-,--

-.5
-.

.4

Pieter Sluysken: een zittend hondje naar links


(heraldisch).

1951 aa.

156.3

Dubbele stuiver. Kz. 't Zittend hondje naar rechts.

Piedfort ) 4.45 w.

--

1) Een piedfort is een gestempelde metaalplaat, die door zwaarte of vorm van de
gewone munten afwijkt. Te onzent geldt deze benaming voor:
1". Stempelafslagen op eene ronde schijf van willekeurige dikte (men vindt in 't
zwitsersche kanton Bern zelfs zeer dikke dukaten, die 't twaalfvoudige van den gewonen
dukaat wegen) duitsch Dickmnze.
De muntmeester liet ze tot geschenken maken; zoo vereerde hij piedforts aan per
sonen, die uit naam van den vorst hem rekening en verantwoording kwamen afnemen
elken ene dicken penninck van goude, wegende ene once, gelyc men gewoenlic
is te ghevene denghenen die de rekeninge hoiren van eener nuwe mte - aan per
sonen die de Munt bezochten: eene dikkere metaalplaat werd genomen, deze in hun
bijzijn gestempeld en als aandenken vereerd.

2". Vierkanten stukken metaal, die aan beide zijden met den gewonen muntstempel
bedrukt waren (duitsch : Klippe, van 't zweedsche klippa, afsnijden = afgesneden
stukken metaal). 't Zijn de eerste afslagen van nieuwe stempels, proeven van nieuw
aangestelde muntgraveurs, richtingstukken naar welke nieuwe muntstempels gesneden
werden, enz.

1S5

OVERIJSEL

1952 ss. 1684. Achtentwintig met klop UTR 1) valsch -

154.1
N0. 851.

i.

1685.

Statenschelling. Afslag in goud.

rr.

1686.

Statenschelling.

ll.

1707.

Dubbele stuiver.

156.3

ll.

1708.

Dubbele stuiver.

-,

Rijksstad Kampen
Wanneer de stad Kampen 't muntrecht verkregen heeft is niet met
juistheid bekend, alleen weten wij dat zij reeds vr 1397 kleine mun
ten sloeg. In 't einde der 17e eeuw onderging zij een gelijk lot als
Deventer.

aa.

Dubbele groot.

v. D. CHIJs XV.8

3l3.

z.. j.
-

Dubbele groot.

Vz. XV.8 en Kz. -.10

aa.

Dubbele groot.

.9

i.

Rozenobel.

V2. MON NO. AV. CIWI CAMPEN.

VALO.TRAN.-. ISWLAN. K2. CONCORDIA ::


VERKADE 158.3

aa.

aa.

xx.

Arendsschelling. Vz. RVDOL en AVGVS.


Arendsschelling. Vz. MATTHIAS en AVG
Arendsschelling. Vz. FERD III en AVG

xx.

Stuiver.

1965 xx.

Stuiver. Kz. Klaverblaadjes tusschen de beenen


van 't kruis.

165.2
-.

166.5

-.

.6

1) In Friesland werd in 1601 't eerste stuk van 28 stuivers gemunt, dat friesche
floreen, clapmuts en ook wel ter onderscheiding van den gulden van 20 stuivers,
goudgulden genaamd werd. Sedert in verschillende provincin en rijkssteden nage
munt, sloeg Deventer ook halven, Friesland zelfs kwarten. De achtentwintig moest
wegen 19.225 wichtjes op 0.743 fijn, doch spoedig kwamen vele lichteren in omloop.
Dit was oorzaak dat de provincin Holland en West-Friesland, Utrecht, Friesland en
Overijsel de goeden lieten stempelen en den omloop der ongestempelden verboden en
de Staten-Generaal bij plakaat van 11 nov. 1693 gelastten dat alle achtentwintigen
moesten aangeboden worden aan de belastingkantoren ter ruiling tegen goede gestem
pelde achtentwintigen of tegen andere munten. Deze inwisseling kostte een stuiver
per 100 stuks; de stempel vertoonde de ,,Bos met seven Pijlen. Die achtentwintigen,
welke reeds in eenige provincin met een bijzonder teeken [zoo stempelde Holland
met HOL, Utrecht met UTR enz.] gestempeld waren, beschouwde men als goede
munt. Na 24 dec. 1693 was de omloop der ongestempelde verboden.

186

OVERIJSEL

1966 aa.

z. j.

Stuiver. Kz. Drie bolletjes tusschen de beenen van


't kruis.

166.6

dd.

1639.

Duit,

xx.

1644.

Duit.

167 2
.4

xx.

1659.

Duit.

.5

xx.

1660.

Duit.

-. -

XX.

Duit.

.6

xx.

1661.

Duit.

.5

ij.

1666.

Duit.

-,

xx.

1680.

Dubbele stuiver.

166.4

e. (16)85. Achtentwintig. Met klop HOL (zie noot vorige blz.) 164.3

Rijksstad Zwolle
Toen Deventer en Kampen reeds lang munt sloegen, begon eerst de
stad Zwolle te munten; zij toch verkreeg in 1488 van keizer FRIED
RICH III 't muntrecht. Hare muntjes uit de 15e en eerste helft der

16e eeuw zijn thans zeer zeldzaam. Evenals Kampen muntte zij tot 't
einde der 17e eeuw.

aa.
aa.
aa.

1598. Snaphaanschelling.

Snaphaanschelling. Kz. Punt achter AV


z.. j. Arendsschelling. Vz. AVGVS

XX.

m.

1618.

VERKADE 175.4
,

176.3

Stuiver.

178.1

Duit.

-.4

-5

xx. (16)39. Duit.


xx.

1686.

Zwolsche daalder.

173.2

p. (16)96. Duit.

178.6

1984 m. (16)97. Duit.

.5

,,De Drie Steden

Herhaald vinden wij vermeld, dat de utrechtsche bisschop in overleg


trad met de ridderschap en met de drie hoofdsteden van Overijsel, d.i.
Deventer, Kampen en Zwolle. Allengs werden deze steden door haar
handel rijker en machtiger en sedert 't einde van de 13e eeuw maken
zij deel uit van 't Hanseverbond (Keulsche Kreits). Het bisschoppelijk
geld werd niet meer voldoende geacht en zij verbonden zich gezamen

187

OVERIJSEL

lijk te munten. Dit muntverbond dagteekent van 1488. Reeds in 1479


hadden Deventer en Kampen een dergelijk verbond met de stad Gro
ningen gesloten.
1985 aa.
aa.
aa.

1534.

z.. j.

Dubbele gosseler of dubbele stuiver D 1) v. D. CHIJs X.10


Halve plak.
D
XI.22
Gosseler of stuiver.
D
X. 11

aa.

Gosseler. Vz. Sterretje achter O? D


xx.
Driemijt.
Z
xx. (15)56. Driemijt.
Z
aa.

Driemijt. Kz. Klop van Zwolle.


Z
xx.

Verg. -.
IX.62
.63
.66

Plak.

XI. 19

aa. (15)59. Plak.

.20

xx. (15)60. Drie butjes of 12 plak. K voor Kampen.


IX.56
xx.

Drie butjes. K voor Zwolle.


-.58
88.
Drie butjes. Z voor Zwolle.
.59
xx. 1561. Halve plak.
D
XI.24
aa.
?
Halve plak. 't Omschrift der Vz. begint bij 't
wapen van Deventer.
D
aa. 1573. Halve plak.
D
.25
XX.
?
Halve plak.
D
Verg. -.
-. -

xx. (15)75. Plak.

.21

xx.

.25

1575.

Halve plak.

Graafschap Kuinre
Wordt 't eerst vermeld in 1118, als staande onder een graaf. De
landen van Kuinre en Blankenham, benevens eenige, sedert verdron
ken, oorden behoorden tot hun gebied, doch reeds sedert 1250 schijnt
't graafschap door 't N.O. gedeelte der Zuiderzee grootendeels ver
zwolgen. In 1407 verkoopt HERMAN VAN CUYNRE zijn graafschap aan
den bisschop van Utrecht.
Jan

2003 aa.

ongeveer 1300

Denier. Nabootsing van brabantsche deniers van hertog


Jan I (1261-94).

') D = geslagen te Deventer, K = Kampen, Z = Zwolle.

v. D. CHIJs XX.2

188

HEERLIJKHEID FRIESLAND

HEERLIJKHEID FRIESLAND

Tijdens de Romeinen dreven de vrije Friezen, die toen nog de kusten


van ons geheele land bewoonden, ruilhandel met waren. KAREL de Groote
overwon hen en door schenkingen der latere keizers werden zuid- en
oostwaarts groote deelen van 't oude Friesland vervreemd. 't Eerste
der zeven Friesche Zeelanden liep van 't Reekerwad tot 't Vlie (zie
West-Friesland); 't tweede, van 't Vlie tot de Lauwers, bevatte 't
tegenwoordige Friesland.
De hollandsche graven wisten zich in eenige gedeelten van Friesland
staande te houden en zoo kwamen door aanhuwelijking de graafschap
pen Stavoren, Ooster- en Westergoo, benevens Islegoo aan LUDoLF VAN
BRUNSWIJK zijn zoon BRUNo III volgde hem op. Vanaf den dood
van EGBERT II (1090) tot de eerste stedelijke munten in de 15e eeuw
(aaneenschakeling van burgeroorlogen en bloedige twisten) vinden wij
als friesch geld alleen de munten der hollandsche graven met den titel
Heer van Friesland. Op aandringen der duitsche keizers werd in
1498 aan ALBERT VAN SAKSEN 't erfstadhouderschap aangeboden, doch
reeds in 1515 droeg GEORGE VAN SAKSEN zijn bewind voor 100.000
goudguldens aan keizer KAREL V over. Sedert werd voor goed te
Leeuwarden gemunt in 1580 o. a. de eerste friesche munten der
republiek.
Stad Franeker
2004 aa.

1488.

Groot.

v. D. CHIJs VI.5

Friesland deel der Republiek


aa. (15)81. Stuiver van Leeuwarden. Vz. LEOWAR CVSA+
WERKADE 132.8

aa.
aa.
aa.
aa.

1585.
1598.
1599.
z. j.

Snaphaanschelling.
Snaphaanschelling.
Halve gehelmde schelling.
Halve stuiver. Vz. MONx

aa.

rr.

1601.

Halve stuiver. Vz. MONEX

Halve achtentwintig.

2012 kk.

1605.

Duit.

128.2
-. -

.4
129.6
-.

127.2
131.4

HEERLIJKHEID

2013 ij.

FRIESLAND

Oort.

ll.

Oort. K2. FR

ll.

Oort. K2. FR en breeder Bb.

88.

ll.

Oort. K2. FRI


Oort.

ll.

Duit.

88.

Duit.

kk.

Duit.

88.

Duit.

88.

Snaphaanschelling.

XX.

Duit.

88.

Duit.

88.

Duit.

88.

Stuiver.

Duit.

ll.
XX.

Dubbele stuiver.

Achtentwintig. Met klop HOL

ll.

Duit.

XX,

Duit.

XX.

Duit.

Ulll.

Halve achtentwintig.

XX.

Kwart achtentwintig.

XX.

Duit.

Halve driegulden.
Duit.
SS.

ll.

Duit,

Duit. Kz. Jaartal kleiner cijfers.

ll.

Duit.

ll.

Duit.

2042 xx.

Stuiver.

GRONINGEN

In 't romeinsche tijdperk werden deze gewesten door de Friezen


bewoond; na de verovering door KAREL den Groote (785) komen zij
voor als 't 3e friesche Zeeland (tusschen Lauwers en Eems). In eenige

190

GRONINGEN

plaatsen: Westeremden, Garrelsweer, Winsum, Middelstum e. a. werd

reeds door de graven BRUNo III en de EGBERTs, evenals in Friesland,


gemunt in de Stad Groningen, in 1040 door den duitschen keizer
aan den bisschop van Utrecht geschonken, liet BERNULF dadelijk munt
slaan. Spoedig echter ontstond hier eene stedelijke munt, die tot 't
laatst der 17e eeuw bleef bestaan.

Om behoed te zijn tegen de aanvallen der saksische hertogen van


Friesland, stelde de stad Groningen zich in 1505 onder bescherming
van EDZARD VAN OosT-FRIESLAND, en riep in 1515 de hulp in van
KAREL VAN EGMOND, tot keizer KAREL V in 1536 meester van Gro

ningen werd.
Tijdens de republiek werden de provinciale munten te Groningen
geslagen, terwijl hier ook de stedelijke munt werken bleef.
Stedelijke munten
2043 xx.
aa.
aa.

z.. j.
1476.

Dubbele vleemsche 1). Kz. O[2


v. D. CHIJs IX.29
Knapkoek.
XV. 110
Stuiver. Het volk noemde deze munt halve jager
in handschriften uit dien tijd wordt zij ook
vlieger genaamd beide benamingen slaan op
den op de Kz. voorkomenden adelaar.
XII.67

xx.

Jager = 2 stuivers.

xx.

z. j.

Butken = 31/2 plak.

xx.

Butken.

XX,

Butken.

xx.

aa.

1560.

Halve stuiver.

XVI. 129

Cat. Rijksm. 1838.


1841.
1847.

v. D. CHIJS XVI.138

(?) Kwart stuiver.

.139

xx.
xx.
aa.

1568.
1569.
1579.

Dubbele jager.
Dubbele jager.
Dubbele jager.

aa.

1584.

Halve groninger stuiver.


De groninger stuiver deed 6 plak, de te Gro
ningen geslagen brabantsche stuiver = 8 plak.

2056 aa. 1587. (?) Magermanneke = 11/2 plak.


') In navolging van dubbele vlaamsche grooten geslagen.

XVII.147
-.

VERKADE 188.4
187.5

188.2

191

GRONINGEN

2057 aa.

1588.
1591.

88.

Flabbe.

Magermanneke.

188.2
186.3

XX.

1599.

Flabbe.

XX.

1600.

Jager.

XX,

.4
188.5

Dubbele plak.

88.
88.

186.3

Flabbe = 2 jagers.

1602.

Brabantsche stuiver.

187.1

1604.

186.4

1605.

Jager.
Jager.

1 609.

(?) Dubbele plak.

188.5

Halve brabantsche stuiver. Vz. GRONINGE

187.4

88.
88.

1620.

Halve brabantsche stuiver.

88,

1626.

Langrok = 8 stuivers. Vz. Z6

185.3

Langrok. Vz. 26

XX.

1627.

De op de Vz. afgebeelde H. Martinus, gaf door


zijn bisschoppelijk gewaad aanleiding tot deze
muntbenaming.
Langrok.

88.

1690.

Brabantsche stuiver.

187.2

Duit.

189.

185.3

Munten der provincie Groningen


U1U1.

1674.

Achtentwintig.

SS,

1676.

Duit.

183.2

XX.

1681.

Achtentwintig.

181.1

1682.

Stuiver.

182.4

ll.

1691.

Statenschelling.

XX.

1765.

Stuiver.

1770.
ll.
2082 xx.

Duit. Kz. Groote letters.

VERKADE 180.4

-.2
183.1
-.4

Duit. Kz. Kleine letters.


1771.

Duit.

.5

102

GRAAFSCHAP GELDERLAND

GRAAFSCHAP (sedert 1339 hertogdom) GELDERLAND


Na 't ingevoerde romeinsche geld zullen de munten der Merovingen
en Karolingen van Utrecht en Duurstede (zie nos. 132-146) in Gel
derland de meest gangbare vaderlandsche munt zijn geweest; later
waren dit de keizerlijke munten van Tiel, Nijmegen, Maastricht enz.,
terwijl ook vreemde muntspecin koers kregen (keulsche, engelsche,
enz.). Bij de rijksverdeeling van 870 kwam Gelderland aan Duitsch
land, en ontmoeten wij spoedig graven aan het hoofd der verschillende
gouwen, waaruit Gelderland toen bestond. Omstreeks 1020 ontving een
vlaamsch edelman GERHARD van den keizer Gelre, met eenige goederen
in den omtrek. Zijne nakomelingen noemden zich graven van Gelre,
verkregen langzamerhand verspreide goederen in de latere vier kwar
tieren, die zij door aanhuwelijking (graafschap Zutfen met Veluwe),
door aankoop van tusschengelegen heerlijkheden, door verpanding (1248
Nijmegen) tot een aaneengesloten geheel vormden, dat 't graafschap
(sedert 1339 't hertogdom) Gelre genoemd werd.
In 1282 bekrachtigde de keizer het recht van REINoUD I om te
Arnhem te munten zijne voorgangers schijnen dit dus zonder kei
zerlijke bekrachtiging te Arnhem en Nijmegen gedaan te hebben.
Later vinden wij munten van Harderwijk, Roermond, Elburg, zelfs van
Vollenhove, Zalt- en Maasbommel en Emmerik. In 1543 deed hertog
WILLEM II afstand van 't hertogdom Gelder en 't graafschap Zutfen
aan keizer KAREL V, die den prins van Oranje ook hier, evenals in
Holland, Zeeland en Utrecht tot stadhouder aanstelde. Voor grooter
veiligheid (80-jarige oorlog) werd in 1584 de munt naar Harderwijk
overgebracht en bij meergenoemd K. B. van 17 sept. 1806 de gel
dersche munt opgeheven.
Eduard als hertog 1361-71

2083 i.

Botdrager. Vz. De leeuw in 15 halve maantjes.

ROEST 98.

Willem I voor de opvolging in Gulik - 1377-93


2084 e.

Groot van Arnhem. Vz. In ieder hoek der cirkelbogen

bevindt zich een bolletje.

v. D. CHIJs

VII.12

193

HERTOGDOM GELDERLAND

2085 xx.

Groot van Arnhem. Vz. en Kz. Dubbele ruitjes tusschen


de woorden.

ROEST 157.

Karel van Egmond 1492-1538

e. (14)96. Dubbele stuiver.

383.

Filips II 1555-81

XX.

e.

z. j.
-

Vijfde filipsdaalder. Versprongen. v. D. CHIJs XXVI.19


Zwarte corte = 1/24 stuiver.
XXVIII.45

i.

Zwarte corte. Kz. 't Juweel der Gulden Vlies

orde anders geteekend.

-,

Gelderland provincie der republiek


ll.
xx.
i.

1589.
1590.
z.. j.

Oort van Nijmegen op naam van Filips II. VERKADE 18.1


Oort van Nijmegen op naam van Filips II.
Rozenobel.
DE VooGT 20B.

i.

1598.

Dukaat.

xx.

1626.

Duit.

215B.

p.

1633.

Duit.

xx.

1640.

Stuiver.

222.
237.

ss.

1663.

Duit.

294.

xx.
xx.

1684.
1690.

Duit. Vz. Geen punten naast 't jaartal.


Duit. Vz. Geen punten achter de woorden.
Kz. Geen punten naast 't jaartal.

332.

ss.

1720.

Duit.

414.

uu.

1738.

Stuiver.

438.

ee.

1739.

Duit.

442.

-. -

100.

334.

xx.

1751.

Duit. Kz. Geen punt achter 't jaartal.

457.

uu.

1752.

Duit.

458.

xx.

1754.

Duit.

462.

kk.

1756. Muntmeesterspenninkje, gangbaar voor een kwart


gulden. Kz. FOE : en geen punt achter Z

uu.

465.

Duit.

467.

uu.

1758.

Duit.

475.

pp.

1759.

Stuiver.

XX.

Duit.

481.
482.

21.11 uu.

Duit. Afslag in zilver.

13

194

GELDERLAND

2112

i.

1760.

kk.
XX.

1761.

SS.
Ulll.

1762.
1763.

SS.
Tr'.

1764.

XX.

PROVINCIE

DER

REPUBLIEK

Halve gouden rijder.

486.

Duit. Afslag in zilver.

491.

Stuiver.

500.

Duit.

501.

Duit.

510.

Gulden. Geschenk van den heer W. BoRsKI, 1875 (?).

514.

Duit.

515.

Gulden.

521.

Stuiver.

523.

Il.

1765.

Duit.

531.
537.

ll.

1766.

Duit.

GG.

1767.

Duit.

542.

GG.

1768.

Duit.

544.

XX.

1783.

Duit.

556.

1785.

Stuiver.

562.

Duit.

563.

1786.

Nederlandsche driegulden.

566.

ll.

uu.
pp.

Dubbele stuiver.

568.

XX.

Duit.

569.

Duit. Kz. De 6 lager dan de andere cijfers.

ll Ul.

1788.

Duit.

572.

XX.

1789.

Dubbele stuiver.

574.

IIl.

1792.

Dukaton.

582.

Dubbele stuiver.

583.

Ulll.
Ulll.

1793.

Duit.

584.

2137 xx.

1794.

Duit.

585.

Stad Nijmegen
Hoe en wanneer de stad Nijmegen 't muntrecht verkregen heeft is
nog onbekend. In de 13e eeuw lieten de duitsche keizers hier geld
slaan; later stemmen gewicht en gehalte der nijmeegsche munten over
een met die der geldersche dit laatste deed hen gereeder ingang
vinden in de naburige staten. Na 1543 sloeg zij hare munten volgens
de muntverordeningen van 't Duitsche Rijk, waarom de Kz. steeds den
naam van den regeerenden keizer vermeldt.
In

1567 erkende keizer MAXIMILIAN II haar muntrecht en wordt

195

GELDERLAND

Nijmegen muntlid der westfaalsche en nederrijnsche kreitsen. Na ruim


50-jarigen stilstand werd 't munten in 1685 hervat, doch reeds in 1693
werd met de Staten overeengekomen, dat de stad tegen jaarlijksche
vergoeding van f 4000 't munten zou staken, welke som zij in 1807
't laatst genoten heeft.
2138 xx.
uu.

z. j.

Peerdeke of derde snaphaan. Kz, OOOIRII2I DE VooGT 25.

1704.

Daalder.

118.

Stad Zutfen

't Gaat Zutfen evenals Nijmegen, ook van haar weten wij nog niet
onder welke omstandigheden zij 't muntrecht verkregen heeft. Wel
wordt vermeld dat reeds de geldersche graaf OTTo I (1182-1206)
hier een munthuis bezat. De eerste stedelijke munt echter dagteekent
van 1480 toen groot gebrek aan muntspecin de stad schijnt ge
noopt te hebben munt te doen slaan. Daarna treffen wij niet eer een
nieuw spoor van zutfenschen muntslag aan, dan na de verlossing der
stad uit de handen der Spanjaarden. De munt werd in 1604 voor goed
hersteld en werkte tot 1693, toen zij tegen jaarlijksche schadeloos
stelling van f 4000 haren arbeid staakte deze som is in 1807 't
laatst uitbetaald.

xx.

z.. j.

xx.

1605.

xx.

z. j.

dd.

Halve plak.

v. D. CHIJs VI.3

Stuiver.

WERKADE

Duit.

tekst

Duit. Vz. MONE.

1688.

158.
27.4

i. (16)87. Duit.

2145 xx.

27.2

.6

Statenschelling.

26.5

Stad Arnhem

Op de munten der eerste geldersche graven (12e eeuw) komt de


stad voor als Arenheim of Arneijm. In 1461 bepaalt hertog ARNoud
dat er hier zeker cleijn gelt zal geslagen worden, waarvan 't voor
deel ten goede kwam aan de S. Eusebiuskerk. Deze munten gelden
als de oudste stedelijke. Nog eens en wel op 't einde der 16e eeuw
zien wij dat de stad stuivers, halve stuivers en duiten vervaardigt.
13*

196

GELDERLAND

2146 xx.

z.. j.

Duit.

VERKADE 38.2

Stad Huisen

Huisen met 't omliggende land, eene der oudste bezittingen van 't
graafschap Kleef, kwam in 1666 na den kleef-gulikschen erf

opvolgingsoorlog aan Brandenburg. Het bleef met Brandenburg


(Pruisen) vereenigd tot 1816, toen ingevolge eene bepaling van 't
Weener Congres, Huisen met omgeving aan ons koninkrijk moest
worden afgestaan.
De volgende munt is waarschijnlijk in 't begin der 17e eeuw ge
slagen, gelijk met die, welke door plakkaat der Staten-Generaal van
25 aug. 1626 verboden werden. Laatstbedoelden zijn alle nabootsels
tot Huissen in den Lande van Cleeff geslagen ghecontrefeijt nae
anderer Landen Penningen, ende nochtans verre beneden den voet
derselver in alloye, als sommige tot op de helft, sommige tot op een
derdepart minder.
i.

z. j.

Duit.

NEUMANN 12625.

Heerlijkheid (sedert 1555 graafschap) Kuilenburg


Nadat de laatste heer van Beusichem RUDoLF (+ 1174) zijne heer
lijkheid als bruidschat aan zijne dochter had gegeven, werd hem nog
een zoon geboren. Voor dezen breidde hij Kuilenburg uit en HUBERT
werd eerste heer van Kuilenburg. In 1527 schenkt de laatste vrouw

van Kuilenburg ELISABETH (kinderloos) de heerlijkheid aan haren neef


ERARD VAN PALLANT onder diens zoon FLORIs I wordt Kuilenburg
door keizer KAREL V tot graafschap verheven (1555). In 1640 schenkt
FLORIs II vAN PALLANT 't graafschap aan PHILIPP THEODOR VAN WALDECK
EISENBERG. In 1795 werd 't bij Gelderland ingelijfd.
Floris I van Pallant 1555-98
xx.
2149 xx.

1590.

Oort.

Duit.

Revue belge 1870 1) n0. 2.

') Lettre de M. W. J. DE VooGT M. R. CHALoN. blz. 328.

3b.

197

PROVINCIE NOORD-BRABANT

PROVINCIE NO OR D. BR A BANT Vr 1795

Gedeelte van 't hertogdom Brabant. (Zie hierachter onder Belgi).


Gedurende den tachtigjarigen oorlog veroverden de staatsche troepen
het noordelijke deel van 't hertogdom Brabant en hechtten het kwar
tier van 's-Hertogenbosch, een groot gedeelte van 't kwartier van
Antwerpen en eenige kleinere deelen, onder den naam van Staatsch
Brabant, aan de Republiek der Vereenigde Nederlanden.
In 1795 een departement van het Bataafsch Gemeenebest, vormt 't

sedert 1815 de nederlandsche provincie Noord-Brabant.


's Hertogenbosch
Filips IV (II) 1555-98
21 50 aa.

1583.

Oort.

SNoECK 20.

i.

1593.

Oort.

35.
Albert en Isabella 1599-1621

2153

p.

1602.

Oort.

ll.

1603.

Duit.

48.
65.

PROVINCIE LIMBURG vr 1795

't Land dat onze tegenwoordige provincie Limburg uitmaakt, kwam


in 870 aan 't Oostfrankisch Rijk en werd door graven bestuurd. Een
dezer graven, HENDRIK II (1139-67) verwierf ook 't graafschap Arlon
en andere bezittingen in de Ardennen en nam den hertogelijken titel aan.
Na 't uitsterven van 't hertogelijk huis werd Limburg in 1288 bij
't hertogdom Brabant gevoegd, tot in 1632 de staatsche troepen eenige
deelen er van op de Spanjaarden veroverden en als Staatsch-Limburg
met de Republiek der Vereenigde Nederlanden vereenigden.
In 1794 werd 't land door de Franschen bezet en de in 1815 nieuw

gevormde provincie bevatte: 't grootste deel van 't geldersche Over

kwartier (Roermond), gedeelten van de voormalige hertogdommen Brabant

198

PROVINCIE LIMBURG

(Maastricht) Gulik en Kleef en van 't prinsbisdom Luik, alsmede 't


graafschap Gronsveld, de abdij Thorn en andere kleine gebiedsdeelen.
Na 1830 kwam slechts 't oostelijke deel als provincie Limburg aan
ons koninkrijk uit 't westelijk gedeelte werd de belgische provincie
Limburg gevormd.
Maastricht
Karel II (W) minderjarig 1506-15
2154 aa.

1509.

aa.

xx.

1512.

xx.

Halve stuiver.

v. D. CHIJS XXIII.13

Halve stuiver. Vz. 7TRCEIOVCC x

-, -

Stuiver.

. 11

Halve stuiver.

. 14

Filips IV (II) 1555-98

NEUMANN Verg. 13007.

m.

1586.

Oort. Vz, DWX. BR.

ll.

1588.

Oort.

i.

1596.

Duit of negenmanneke.

13030.

Il.

1597.

Duit. Vz. DWX - BR

13033.

38717.

Albert en Isabella 1598-1621

xx.

1604.

Oort.

13066.

m.

1612.

Oort.

13075.

m.

1613.

Oort.

13076.

p.

1614.

Oort.

13079.

2166 m.

1619.

Duit.

1 31 | 4.

Roermond

Reeds in 1218 wordt Roermond eene stad genoemd, later komt 't
als hoofdplaats van dat gedeelte van 't hertogdom Gelderland voor,
dat Overkwartier heette. 't Zij tot onderhoud der O. L. Vrouwkerk,

't zij tot onderhoud der maasdijken, herhaald kreeg zij vergunning om

gedurende eenigen tijd kleine stedelijke munt te slaan, de winst hier


van vloeide dan in hare kas.

Tijdens den 80jarigen oorlog afwisselend in handen der Staatschen

PROVINCIE

199

LIMBURG

of in die der Spanjaarden, bleef de stad met 't Overkwartier bij den
munsterschen vrede (1648) aan de Spaansche Nederlanden gehecht;
zij kwam in 1815 aan 't Koninkrijk der Vereenigde Nederlanden en
werd in 1839 met onze gewesten vereenigd.
Albert en Isabella 1598-1621

2167 m.

1606.

Duit.

NEUMANN 12689.

Felipe IV 1621-65

m.

z.. j.

Duit.

m.

Duit

12692.

Verg.

K2. PHS IIIII.

Carlos II 1665-1700
xx,

z. j.

Duit.

12698.

xx.

Duit.

12700.

Heerlijkheid (later graafschap) Gronsveld


Ten Z.O. van Maastricht gelegen, wordt in 1145 't eerst genoemd.
In 1440 komt HENDRIK van Gronsveld als drossaard van Rolduc voor,

zijne dochter KATHARINA bracht de heerlijkheid in de familie BRONK


HoRST. Gronsveld werd tot graafschap verheven door keizer RUDoLF II,
toen JossE (1575-88) heer was.
In 1721 huwde MARIA ANNA, weduwe van den laatsten graaf van
Bronkhorst-Gronsveld, met CLAUDE NIcoLAs, graaf van Arberg en
Valengin hunne dochter MARIE JosPHINE huwde 1746 met MAx
EMANUEL VAN TRRING-ITTENBACH, wiens broeder AUGUST hem in 1773

opvolgde. Onder de regeering van dezen laatsten graaf brak de fran


sche omwenteling uit en 't graafschap Gronsveld ging op in 't een
voudige dorp Gronsveld, kanton van Terblijt, departement van de
Beneden-Maas.
Joost Maximiliaan 1617-62

2172 aa.

z. j.

Duit.

Revue belge 1874 1) XIII.13

') Notes sur l'histoire et la numismatique du pays de Gronsveld, par M. le


Bon J. DE CHESTRET DE HANEFFE. blz. 267.

200

BATAAFSCH GEMEENTEBEST

2173 m.

z. j.

Duit. Vz. De kroon boven 't wapen kleiner.

XIII.13

i.

Duit.

Revue belge 1882 1) XXI.9

aa...

Duit.

. 10

Abdij Thorn
Nadat ANsFRIED, graaf van Teisterband en Hoei, met zijne gade
den geestelijken stand omhelsd had, werd hij in 994 tot bisschop van
Utrecht verkoren; zijne gade HILswINDE VAN STRIJEN stichtte dicht
bij Kessenich, ten Z.W. van Roermond, 't vrouwenklooster Thorn en
beschonk 't met goederen in den omtrek. 't Getal der leden werd tot
14 beperkt, en slechts zij die hunne 16 kwartieren bewijzen konden,
werden hier aangenomen. De abdis was rijksprinses en liet zich als
zoodanig op de vergaderingen van den nederlandsch-westfaalschen kreits
vertegenwoordigen. In 1797 werd 't klooster opgeheven.
Anna van de Marck 1604-31

2176 aa.

Duit.

WOLTERS VII. 11

BATA AF SC H GEMEE NEBEST 1795-1806

Den 1sten februari 1793 verklaarden de Franschen den oorlog aan


onzen stadhouder WILLEM V. In 't eerst, dank zij 't krachtdadig op
treden der Oostenrijkers en Pruisen, teruggeworpen, drongen zij, begun
stigd door den strengen winter, in januari '95 tot Utrecht door. WIL
LEM V, verlaten door dat gedeelte van ons volk, dat met de nieuwe
denkbeelden dweepte (Patriotten), ontweek naar Engeland en binnen
weinige weken herschiep de omwenteling onze provincin in een
Bataafsch Gemeenebest.

Aanvankelijk bleef men op den ouden voet doormunten, doch in


mei 1799 diende

't Uitvoerend Bewind aan de Eerste Kamer de vol

gende memorie in: met 1 Januari 1800 zullen alle bestaande munt
') Monnaies seigneuriales du Brabant et Limbourg par M. TH. M. RoEST. blz. 601.

201

BATAAFSCH GEMEENEBEST

huizen gesloten en slechts ne nationale munt in Amsterdam geopend


worden de zilveren driegulden blijft standpenning der Bataafsche
Republiek.
Nauwelijks had de Eerste Kamer dit voorstel aangenomen of 't Uit
voerend Bewind liet nieuwe stempels snijden en twee stel proefstukken
in zilver en eenige stellen in papier slaan. Verder is men echter nooit
gekomen, daar de Tweede Kamer 't besluit niet wilde bekrachtigen.
I

Munten

2177 uu.

1795.

Duit van Zeeland.

VERKADE 96.6

ll.

1796.

Duit van Zeeland.

-.

xx.

1799.

Dubbele stuiver van Utrecht.

115.2

i. 1805. Zilveren dukaat of nederlandsche rijksdaalder van


Utrecht.
i.

Zilveren dukaat van Utrecht.

106.1

Vz. De touwstrik

aan 't wapen van anderen vorm.


Il
vv.

1800.

-.

Proefstukken 1) van 't Uitvoerend Bewind


Driegulden.

191.1

VV.

Gulden.

VV.

Tienstuiver.

.2

vv.

Vijfstuiver.

.4

2186 vv.

Tweestuiver.

-.5

.3

KONINKRIJK HOLLAND
Lodewijk Napoleon 1806-10

SCHIMMELPENNINCK, raadpensionnaris van 't Bataafsch Gemeenebest,


legde 4 juni 1806 zijne waardigheid neder om plaats te maken voor
') Dit is 't eenige stel zilveren proefstukken in ons land aanwezig; het andere
stel bevindt zich sedert 1888 in eene parijser verzameling, en waarschijnlijk is het
voor goed voor ons land verloren.

202

KONINKRIJK

HOLLAND

den ons door NAPoLON opgedrongen koning LoDEwIJK, die den 18"
in den Haag kwam. LoDEwIJK dankte den 1sten juli 1810, ten gunste
van zijn zesjarig zoontje af, doch bij keizerlijk dekreet van 9 juli 1810
werd ons land bij 't fransche keizerrijk ingelijfd.
LoDEwIJKs dekreet van 17 sept. 1806 luidt: totdat de koninklijke
munt te Amsterdam zal zijn getablisseerd en in activiteit gesteld, is
de munt te Utrecht bij provisie gecontinueerd en de ambtenaren der
zelve gelast om de functin door hen tot nu toe bekleed, tot aan de
definitieve benoeming der ambtenaren bij de koninklijke munt uit te
oefenen. De overige voormalige provinciale munten te Dordrecht, Hoorn,
Harderwijk, Kampen en Middelburg zijn gesupprimeerd en de ambten
in dezelve vernietigd.
I Munten van de oude stempels
2187

i.

1807.

Dukaat.

i.

1808.

Zilveren dukaat.

NAHUYS WII.45
NAH. SUP.

III.24

NAHUYS

VII.43

Vijftigstuiverstuk. Afgekeurde proef. NAH. SUP.

III.22

II Munten van de nieuwe stempels


i.

Vijftigstuiverstuk.

i.

i.

1808.

i.

Vijftigstuiverstuk.

Vijftigstuiverstuk. Kz. Letter J smaller.

xx.

Dukaat.

i.

1809.

i.

Rijksdaalder.

Tien stuiverstuk.

1.

2200

1807.

Dukaat.

Twintigguldenstuk.
Tienguldenstuk.

NAHUYs

55.

BESIER

28.9
-. -

NAHUYS VIII.55
XII.82
VIII.59

i.
i.

1810.

i.

Dukaat.

XII.81

i.

Gulden.

.89

.53
.54

FRANSCII

203

KEIZERRIJK

FR, AN SC H KEIZER RIJK


Napolon 1810-13

2201

i.

1812.

Tweefrankstuk. Te Utrecht gemunt 1), met het


baarsje als muntteeken.
NAHUYS

i.

Frank.

j.

Halve frank.

.100

Tweefrank.

tekst .97

Frank.

y,

1813.
rr.

Te Utrecht gemunt.

XV.98

KONINKRIJK DER

.99

-.

NEDERLAND EN

Willem I 1813-40

NAPOLoN's nederlaag bij Leipzig, 18 okt. 1813, gaf in ons land


't sein tot 't verdrijven der fransche overheerschers en tot 't uitroepen
van WILLEM FREDERIK, zoon van stadhouder WILLEM V, tot soeverein

vorst (3 dec. 1813). De mogendheden kenden aan onzen vorst WILLEM


ook Belgi toe, en in ruil voor zijne nassausche erflanden, 't pas ge
vormde groothertogdom Luxemburg. Engeland gaf ons de besnoeide
kolonin terug, en 16 maart 1815 nam vorst WILLEM den titel aan
van WILLEM I, koning der Nederlanden.
De munthuizen der Nederlanden werden te Utrecht en Brussel 2)
gevestigd. Utrecht verkreeg als muntteeken den merkuriusstaf.
In 1830 verklaarden de mogendheden Belgi voor een afzonderlijke
staat; wij geraakten hierdoor in oorlog met onze belgische naburen,
en eerst in 1839 werd te Londen de vrede gesloten.

2208

i.

1814.

Dukaat.

WERKADE

98.4

i.

1816.

Zilveren dukaat. Geslagen in 1817 op aanvrage,


ter verzending naar de Oostzee.
Dukaat. Met 't gebakerde kindje als muntmeesters

196.4

i.

1817.

teeken.

') De stempels voor deze munten werden ons uit Parijs toegezonden.

*) Voor de te Brussel geslagen stukken, zie hierachter onder Belgi.

tekst 1058.

204

KONINKRIJK

2209 f.

1818. Cent. Proefstuk op den lossen stempel gemunt,


middenlijn 20 mM.

198.3

i.

1819.

197.1

i.

Gulden.

uu.
ij.

Halve gulden.
Bleyenstein'sche duit 1).

NEUMANN 32029.

uu.

1820.

Gulden.

WERKADE

uu.

1821.

Gulden.

Driegulden.

i.

Cent.

i.

Halve cent.

i.

1822.

i.

i.

i.

1823.

i.

.2
-.3

197.2
-. -

198.3
.4

Halve gulden.

197.3

Cent.

198.

Halve cent.

.4

Cent.

.3

Cent. Alleen de Vz.

-.

uu.

1824.

XX.

Gulden.

196.2
197.

Cent.

198.3

i.

2234

DER NEDERLANDEN

Tien gulden 2).

i.
uu.

1825. Kwartje.

Dubbeltje.

rr.
i.

1826.

i.

rr.

1827.

i.

Dubbeltje.

i.

Stuiver.

.2

i.

Cent.

-.3

197.4
198.1

Kwartje.
Dubbeltje.

197.4
198.1

Cent.

.3

Vijfje of vijfguldenstuk.

196.
-

198.1

1) Deze muntjes werden in de omstreken van Frankfort a/M. door valsche munters
in navolging der frankforter hellers vervaardigd en waren in Frankfort bekend als
,,Judenpfennige. In 1819 werden zij met tonnen vol hier ingevoerd en door den
utrechtschen kruidenier BLEYENSTEIN als duiten in omloop gebracht. Toen hij later
weigerde ze terug te nemen, werd in 1821 hiervoor door 't volk zijn huis geplunderd.
Men noemt deze stukjes ook wel , van Harpentjes (?).
*) De wet van 28 sept. 1816 verklaarde tot standpenning in goud: 't tiengulden
stuk van 6.729 wichtjes en 0.900 fijn 22 dec 1825 werd 't vijfje hieraan toege
voegd. De te Utrecht geslagenen hebben als muntteeken den merkuriusstaf, die van
Brussel, de letter B. Zij werden 1847 afgeschaft, doch sedert 1875 wordt 't tientje
wer aangemunt op 6.72 wichtjes en 0.900 fijn. Slechts op die van 1875 bevindt
zich 't jaartal boven 't wapen.

205

KONINKRIJK DER NEDERLANDEN

2235 uu.

198.1

Dubbeltje.

i.

Cent.

i.

Halve cent.

-.3
.4

i.

Kwartje.

197.

i.

Cent.

198.3

Driegulden.

197.1

Cent.

198.3

' Halve cent.

.4

Driegulden.

197.1
-.2

Gulden.

-e---e

Halve cent.

198.4

Tiengulden.

196.2

Cent.

198.3

Halve cent.

.4
196.2

Tiengulden.
Rijksdaalder 1).

221.4
BESIER 67.13

Gulden 1).
Willem II 1840-49

WILLEM I had 7 okt. 1840 afstand gedaan ten behoeve van zijn
oudsten zoon, en 28 nov. werd koning WILLEM II te Amsterdam in
gehuldigd.
i.

1841.

1842.
1843.

Dukaat.

69.19

Tiengulden.
Vijfje.

65.5

68.14

Halve cent.

69.19

Gulden.

68.14

1846.

Rijksdaalder. Met de lelie zonder parel (munt


meestersteeken van P. C. G. Poelman).

i.

66.6

Gulden.

1845.

nee

2260

BESIER 64.1

Halve cent.

Gulden. Met de lelie zonder parel.

66.9
68.14

') Deze rijksdaalder en gulden van WILLEM I, geslagen naar de wet van 22 maart
1839 (Staatsblad n". 6), van gelijk gehalte en gewicht, maar vooral van gelijke mid
denlijn als de gulden en rijksdaalder naar de wet van 1847, zijn thans nog gangbaar.
Stempelsnijder JoHANNEs PETRUs SchoUBERG.

206

KONINKRIJK

2261

i.

1846.

DER NEDERLANDEN

Gulden. Met 't zwaard (muntmeestersteeken van


H. A. Bake).

68.16

Halve cent. Met 't zwaard.

69.20

Gulden.

68.16

i.

i.

1847.

i.

Halve gulden.

74.19

i.

Halve cent.

69.20

i.

1848.

i.

Gouden Willem I).

70.3

Gulden.

73.15

i.
i...

Halve gulden.
Kwartje.

74.19

i.

Dubbeltje.

.21
75.24

i.

Stuiver 2).

76.27

i.

1849.

i.

Rijksdaalder.
Kwartje.

74.21

rr.
i.

Kwartje. Valsch: afgietsel in lood.


Dubbeltje.

-. -

Willem IIl 1849-90 (+ 23 nov.)

Bij den dood van WILLEM II werd de kroonprins WILLEM ALEXANDER


PAUL FREDERIK LoDEWIJK als koning WILLEM III begroet en legde
12 mei 1849 te Amsterdam den eed op de nederlandsche grondwet af.
Gulden = 0.6048 wichtje fijn goud, of 9.45 wichtjes fijn zilver.

2278

i.

1849.

i.

i.

Rijksdaalder.
Kwartje.
Dubbeltje.

72.11
75.22
-.25

') Bij de wet van 26 nov. 1847 zijn ten behoeve van den buitenlandschen handel
gouden negotiepenningen ingesteld, welke geen wettig betaalmiddel zouden zijn, daar
de koers dezer stukken met den goudprijs stijgt of daalt.
't Waren de dubbele, de enkele (6.0561 w. fijn goud) en de halve gouden Willem,
benevens de dubbele en enkele dukaten (3.4346 w. fijn goud).
Van de Willemmen werden slechts weinige proefstukken gemaakt, daar de handel ze
nooit heeft laten munten. Zij zijn dan ook bij de wet van 6 juni 1875 weer afgeschaft.
*) Deze stuivers zijn zeer zeldzaam. WILLEM II was 17 maart 1849 overleden, en
eerst in juni van dat jaar kwam de stempel van dezen stuiver in gereedheid. Toch
werden er nog een honderdtal proefstukken mede geslagen, met wapenzijde jaartal
184S.

De stuivers van koning WILLEM III zijn eerst in 1850 gemunt en in wandeling
gebracht.

KONINKRIJK DER NEDERLANDEN

2279

Halve gulden.

74.20

Stuiver.

76.28

Halve cent.

77.31

Gouden Willem.

70.4

Gulden.

73.16

Halve cent.

77.31

Halve cent. Uitgezaagd.


Halve cent.
Halve cent.
Halve cent.
Stuiver.

76.28

Dubbeltje.

75.25

Halve cent.

77.31

Stuiver.

76.28

Halve cent.

77.31

Cent.

.30

Cent.
Halve cent.

.31

Dubbeltje.

75.25

Stuiver.

76.28

Cent.

77.30

Halve cent.

-.31

Stuiver.

76.28

Cent.

77.30

Halve cent.

.31

Cent.

.30

Halve cent.

.31

Halve cent.

2316

i.

Gulden.

73.16

Halve gulden.

74.20

Halve cent.

77.31

Dubbeltje.
Dubbeltje.

75.25

Stuiver.

76.28

Halve cent.

77.31

Cent.

.30

Halve cent.

.31

Dubbeltje.

75.25

208
2317

NEDERLANDSCHE NOODMUNTEN

i.

1872.

Halve cent.

77.31

i.

1873.

Cent.

.30

i.

Halve cent.

.31

i.

1874.

Rijksdaalder. Muntmeestersteeken eindigt in een

i.
uu.

1875.

Dubbeltje. Mm.teeken eindigt in een klaverblad.


Cent. Mm.teeken een bijl 2).

klaverblad 1).

i.

i.

1876.

kk.

Halve cent.

72.12

84.32
85.33

Cent.

84.32

Halve cent.

85.33

Cent.

84.32

i.

1877.

i.

Groot of 21/3 cent *).

i.

Cent.

88.46

i.

1878.

Cent.

-,

Halve cent.

.48

i.

87.44

NEDERLAND SCHE NOOD MUNTEN

80-jarige Bevrijdingsoorlog 1568-1648


Wegens de uitputting zijner krijgskas maakte prins WILLEM de
Zwijger bij resolutie van 7 febr. 1573 bekend, dat de door hem uit
te geven munten zouden ingestempeld worden met 't wapen van Hol
land of Zeeland. Deze munten zouden gedurende een jaar 1/7 in koers
verhoogd zijn, d. i. een gestempeld stuk van 7 grooten zou dien tijd
voor 8 grooten in omloop zijn.
2331 aa.

1566.

Vijfde filipsdaalder van Overijsel. Ingestempeld


met 't wapen van Holland.
MAILLIET

Pl. 51.

1) Teeken van den tijdelijken muntmeester P. H. TADDEL.


*) Teeken van den aangestelden muntmeester P. H. TADDEL.
*) In de plaats der koperen centen en halve centen stelde de wet van 28 maart
1877 (Staatsblad n". 43):

21/3-centstuk = 4 wichtjes, cent = 2.5 wichtjes en 1/3 cent = 1.25 wichtjes. Deze
munten zijn van brons, samengesteld uit: 0.950 koper, 0.040 tin en 0.010 zink.
Niemand is verplicht bronzen pasmunt aan te nemen tot een hooger bedrag dan
vijfentwintig cent.

209

NEDERLANDSCHE NOODMUNTEN

Alkmaar

Belegerd door de Spanjaarden onder don FEDERIco.


2332 xx.

1573.

Drie stuiver.

1.3

Leiden

Belegerd door de Spanjaarden onder bevel van don WALDEz.


ij.
xx.
xx.

1573. Oort.
71.1
1574. Twintig stuiver. Zonder instempeling 1). Zilver. -.2

Twintig stuiver. Zonder instempeling.


Papier 2).

Vijf stuiver. Ingestempeld met 't wapen


van Holland.
Papier. -.3
Geschenk van den heer C. W. BRUINvIs te Alkmaar. 1882 (?)

xx.

Dezelfde munt als de voorgaande, ook van papier,


doch geheel losgeweekt, zoodat ieder blaadje
zichtbaar is. Ingestempeld met 't wapen van
Holland.

-. -

Breda

Belegerd door de staatsche troepen, onder den graaf vAN HoHENLoHE.


xx.

1577. Twintig stuiver in lood. Walsch,

17.4

Deventer

Door den staatschen stadhouder van Groningen en Friesland, graaf


vAN RENNENBERG belegerd.

j. (15)78. Vier stuiver. Vz. VRGENx en 30%


j. Twee stuiver. Kz. x IIxsx
j.
2342 j.

Stuiver. Kz. XIX SX


Halve stuiver. Vz. DAVEN 30'

Suppl. 31.2
37.9
.10

Suppl. 31.5

1) De op de noodmunten voorkomende kleine instempelingen bewijzen dat die


stukken, door inwisseling tegen gewoon geld, uit den omloop zijn teruggetrokken.
*) Deze munten zijn gemaakt van opeengeplakte bladen der roomsche misboeken.
14

210

NEDERLANDSCHE NOODMUNTEN

Maastricht

Door den spaanschen landvoogd ALEssANDRO FARNESE belegerd.


2343

i.

aa.

1579.

Suppl. 53.9

Twee stuiver. Kz. HIP

Stuiver. Kz. DEFE | NSI | ONE

Verg. -.10

Oorlog met Frankrijk 1672-78


Door gebrek aan fransche pasmunt, werden de fransche troepen be
taald met onze munten, waarop een lelie ingestempeld werd.
rr.

Dubbele stuiver van Overijsel. Muntteeken lelie.

52.9

Groningen

Belegerd door Frankrijks bondgenooten: de bisschoppen van Munster


en van Keulen.

xx.
xx.

1672.

Kwart rijksdaalder of 121/3 stuiver.


Achtste rijksdaalder of 61/1 stuiver.

45.13
.16

Oorlog met Frankrijk 1793-95


Maastricht

De stad werd door de Franschen belegerd en 4 nov. 1794 ingenomen.


i.

1794.

i.

Honderd stuivers. Afgietsel in koper.

76.15

Honderd stuivers.

.16

Zilver.

NEDERLANDS CHE HUIS MUNTEN

Maatschappij van Weldadigheid


Kolonie Frederiksoord (gesticht 1818)
m.

Cent van KS3

Cat. Rijksmuseum 3984.

2351 qq.

Cent van K",4

3985.

211

NEDERLANDSCHE HUISMUNTEN

Kolonie Veenhuizen (gesticht 1822)


2352 m.
m.

Geelkoper.
Koper.

Cent. Vz. KMW


Cent. Vz. K. V

3995.
4003.

Strafgevangenissen
De volgende huismunten zijn in alle nederlandsche gevangenissen in
gebruik geweest. Ter onderscheiding werd op de Vz. eene letter in
geslagen; zoo beteekenen G = Gouda, H = Hoorn, L = Leeuwarden,

M.5 g = Leiden, R = Rotterdam.


ll. Vijftig cent. Zonder plaatsaanduiding.
qq. Cent. Zonder plaatsaanduiding.
ll. Vijftig cent.
o. Vijfentwintig cent. . Ingestempeld met &
m.

Tien cent.

l
\

ll. Tien cent. Tweemaal ingestempeld met 't stadswapen van


Leeuwarden.
IJzer.
Cat. Rijksmuseum 4012.
Koffiehuizen

De koffiehuismunten worden aan de schenktafels gebruikt om de

afrekening te bespoedigen en om diefstal zooveel mogelijk tegen te gaan.


's Morgens koopt ieder bediende van den koffiehuishouder voor een vaste
som (stel voor f 40) dier huismunten, betaalt daarmede in den loop

van den dag elke vertering, die hij van 't buffet krijgt en wisselt 't
overschot des avonds bij den koffiehuishouder tegen nederlandsch geld

weer in. Komt hij te kort, dan levert de eigenaar (telkens voor f 10) bij.
Geld is dus nooit in de buffetlade.

Hotel et caf du Commerce Kalverstraat 45 Amsterdam


dd.

Gulden. Rond, middenlijn 33 mM.; in 't midden een rond gat


van 16 mM.
Koper.

2361 dd. Vijfentwintig cent. Rond, 30 mM., ingestempeld met #; R is


de beginletter van den naam des vorigen eigenaars: Reins
berg.

Koper.
14*

212

KONINKRIJK BELGI

2362 dd. Twaalf cent. Regelmatige achthoek, met vlakken van 12 mM.,
ingestempeld met K (Kleijntjes).
De prijs van een glas bier is 12 cent.
Vertind ijzer.

dd. Tien cent. Regelmatige zeshoek, met vlakken van 13 mM., in


gestempeld met R

2364 dd. Cent. Rond, 17 mM., ingestempeld met R

Koper.
Koper.

Koninkrijk Belgi (Belgique)


Ten tijde van JULIUs CESAR werd 't tegenwoordige Belgi bewoond
door de in vele stammen verdeelde Belgae.
Dit land sedert de 5e eeuw deel van 't rijk der Franken, kwam

door 't verdrag van Meersen (870) bijna geheel bij 't Oostfrankisch
Rijk (Duitschland), slechts 't gedeelte westelijk van de Schelde werd

bij 't Westfrankisch Rijk (Frankrijk) gevoegd.


In dit laatste ontstond 't graafschap Vlaanderen (863); in 't eerste

het duitsche hertogdom Neder-Lotharingen, dat zich op 't einde der


10e en in 't begin der 11e eeuw geheel oploste in de inmiddels hier
ontstane staten: de graafschappen Henegouwen (875) en Namen (908?),
de heerlijkheid Doornik, 't bisdom Luik en de hertogdommen Brabant,
Limburg en Luxemburg, welke alle sedert 't midden der 15e eeuw

met onze noordelijke provincin onder 't boergondische huis vereenigd


werden.

De tachtigjarige oorlog, die nze provincin zelfstandig maakte,

bracht geene politieke verandering in Belgi te weeg 't land bleef


spaansch (Spaansche Nederlanden).
Bij 't kinderloos overlijden van den spaanschen koning CARLos II
in 1700 erkende de landvoogd der Spaansche Nederlanden den hertog
van Anjou als PHILIPPE V de verbondenen (Republiek der Vereen.

Nederlanden, Engeland en Duitschland) bezetten daarom de verschil


lende provincin, behalve Namen en Luxemburg, waar MAXIMILIAN

EMANUEL landvoogd bleef.


In juni 1711 schonk PHILIPPE W de zuidnederlandsche provincin

213

GRAAFSCHAP VLAANDEREN

aan zijn getrouwen landvoogd, doch deze moest ze bij den vrede van
Utrecht (1713) aan den duitschen keizer afstaan. 1 december 1714
kwam Belgi aan de Habsburgers en heette voortaan Oostenrijksche
Nederlanden. Gedurende den, in 1792 tusschen Oostenrijk en Frank
rijk uitgebroken, oorlog werd Belgi in 1794 bij dit laatste land

ingelijfd. Het Weener Congres (1814) vereenigde Belgi met onze


provincin tot Koninkrijk der Vereenigde Nederlanden. Dit duurde tot
1830, toen de belgische provincin zich van dit koninkrijk afscheidden
en eene zelfstandige konstitutioneele monarchie vormden met prins
LEoPoLD van Saksen-Koburg tot koning (1831). Eerst in 1839 werd
dit nieuwe koninkrijk door de nederlandsche regeering erkend.

GRAAFSCHAP VLAANDEREN

't Verdrag van Meersen had de kuststreek tusschen Somme en


Schelde, Flemingia of pagus flandrensis geheeten aan 't Westfrankisch
Rijk (Frankrijk) gebracht. In 863 als markgraafschap in leen gegeven
aan BoUDEWIJN I, wordt dit land allengs door deelen van 't duitsche
hertogdom Neder-Lotharingen, 't land van Aalst, 't land van Waas,
Zeeland bewester Schelde enz. uitgebreid en verkreeg hierdoor de rivier
de Dender tot oostelijke grens.
Vlaanderen moest dus twee leenheeren huldigen: voor 't land ten
westen der Schelde den franschen koning, voor 't andere gedeelte den
-

keizer van Duitschland.

't Huwelijk der vlaamsche gravin MARIA VAN BoERGoNDI met


MAXIMILIAN VAN OosTENRIJK bracht Vlaanderen aan de Habsburgers,
aan wie Frankrijk in 1529 zijne leenheerlijke rechten afstond.

Bij de verdeeling van 't rijk der Habsburgers (1555) kwam Vlaan
deren onder Spanje en alhoewel 't graafschap in den tachtigjarigen
oorlog een werkzaam deel aan den opstand nam, bleef het bij den
vrede van Munster (1648) spaansch; alleen 't noordelijk gedeelte
(Staatsch-Vlaanderen) werd bij onze staten gevoegd.

Van 1714-94, met de overige zuid-nederlandsche gewesten, weder

214

GRAAFSCHAP VLAANDEREN

onder de heerschappij der Habsburgers, werd 't graafschap in 1794


door de Franschen bezet. De toen gevormde departementen Lys en
Escaut waren de grondslag der in 1814 nederlandsche, in 1830 bel
gische provincin West- en Oost-Vlaanderen.
De oudste vlaamsche munten zijn misschien de gallische stukken
met paard en boomtak, die dikwijls in Vlaanderen gevonden worden
als zeker vlaamsch volgen de deniers van CHARLES DEN KALE
(840-77) en van de vlaamsche graven, te beginnen met BoUDEwIJN V
(1036-67).

De eerste grootere zilveren munten zijn van MARGARETHA van Kon


stantinopel (1244-80); de eerste gouden van LoDEWIJK I (1322-46).
XIIe Eeuw

2365 aa.

Denier van den Mm. Simon 1).

GAILLARD 37.

XIIIe Eeuw

aa.

Denier van de stad Gent.

Vz. 74. en Kz. 75.

Margaretha van Konstantinopel 1244-80

aa.

Groot met den dubbelen arend door 't volk ,,Claisken


genaamd.
De muntmeester te Aalst heette Clais Deken.

147.

Lodewijk I van Crcy 1322-46

aa. Mijt van Aalst. Achter MOI2ETA twee stippen.

197.

Lodewijk ll van Male 1346-84

aa.
aa.
e.
2372 aa.

Boddrager = 2 groot.
Boddrager.
Boddrager.
Leeuwengroot.

223.

224.
225.
221.

') Waarom deze muntjes den naam van den muntmeester en niet dien van den
graaf dragen, is nog niet opgehelderd.

GRAAFSCHAP VLAANDEREN

215

Filips de Stoute 1384-1404


2373 aa.

Dubbele groot.

DESCHAMPs DE PAs VII. 13

Dubbele groot.

VIII. 18

88l.

Groot = 24 mijten.

88.

Dubbele mijt.

. 19
-.3

Jan zonder Vrees 1404-19

88,

Dubbele groot.
Dubbele mijt.

X.26
VIII.8

Filips de Goede 1419-67

88.

Dubbele kromstaart = 2 groot. Op de Vz. is een leeuw


afgebeeld met een langen binnenwaarts gebogen staart. XI.35
Dubbele kromstaart. Vz. De staart anders geteekend.

88.

Groot of kromstaart.

.36

88,

Mijt.

IX.20

818.

-. -

Karel II de Stoute 1467-77

XX.

Dubbele stuiver = 4 groot.


Dubbele stuiver. Vz. CO' en 't wapen kleiner.

IV.60
-, -

Filips de Schoone minderjarig 1482-94


XX.

Halve stuiver.

XW.11

XX.

Groot.

XIV.7

XX.

Groot.

,8

Filips IV de Schoone meerderjarig 1494-1506


XX.

Dubbele stuiver.

XX.

Stuiver.

VI.74
.76

XX,

Stuiver. Vz. FL

-,

Karel III (W) 1506-55


XX,

Groot of halve stuiver.

XX.

Groot. Kz. NO | One + DOODI | NI

XX.

Groot. Kz. NOOI2 | + DOOQI

XX.

Groot.

2395 aa.

Groot. Vz. OO F

I.5
-. -

-. -

III.22
-,

216

GRAAFSCHAP VLAANDEREN

Stad Gent 1581-84

De stad had zich onafhankelijk verklaard en liet in navolging der


Staten van Vlaanderen munt op eigen naam slaan.
2396 aa.
38.

(15)82. Twaalf gentsche mijten.


1583.

SERRURE 179.

Zes gentsche mijten.

185.

Albert en Isabella 1598-1621


Drie stuivers.

XX.

Verg. HEiss 187.23

Felipe IV koning van Spanje 1621-65


1626.

Halve liard = 6 mijten.

1653.

Liard of oort.

192.26
-

.25

Carlos II 1665-1700

XX.

XX.

1693.

Liard.

195.25

1698.

Liard.

-. -

1699.

Liard.

-.

1700.

Gigot = 1/2 liard.

. 18

Maximilian Emanuel 1712-14

XX.

1 712.

Liard.

NEUMANN 13352.

Liard.

13353.

Liard.

13354.

Liard. Vz. ELEC


Karl Wl keizer van Duitschland 1711-14-40
1712.

Liard.

13356.
Maria Theresia 1740-80

rr.
XX.

p.
24 13 uu.

Schelling of escalin van Brugge. Muntteeken: leeuw.


Dubbele liard van Brugge.
Liard van Brugge.
Schelling of escalin van Brugge.

GRAAFSCHAP

217

HENEGOUWEN

GRAAFSCHAP HENEGOUW EN (HAIN AUT)


Als eerste graaf van Henegouwen (genoemd naar 't riviertje de
Haine) komt RAINIER (RGINHAR) I van 875-916 voor.
Herhaald met Vlaanderen vereenigd, wordt 't graafschap, door af
stand van gravin JACOBA ten gunste van FILIPs DEN GoEDE, in 1433
bij de bezittingen van 't boergondische huis gevoegd.
Het huwelijk van MARIA VAN BoERGoNDI met MAXIMILIAN VAN
OosTENRIJK bracht ook Henegouwen aan de Habsburgers. Sedert dien
tijd volgt het dezelfde geschiedenis als Vlaanderen.
De oudste henegouwsche munten dagteekenen van 't begin der
13e eeuw en reeds na de regeering van FILIPs DEN GoEDE (1433
67) stond de henegouwsche munt stil. Alleen in de jaren 1577-79
lieten de Staten van Henegouwen en in de jaren 1581-87 ALEssANDRo
FARNESE op naam van koning FILIPs II, te Mons munten.
Jeanne 1206-44

2414 aa.

Denier.

CHALoN 4.
Guillaume II 1337-45

aa.

Tiers de gros.

74.

Deze derde grooten te Valenciennes geslagen, waren in


omloop voor 2 deniers tournois (zie onder Frankrijk).
Philippe II 1555-98

xx. (15)83. Liard = 12 mijten.


2417 aa. (15)84. Liard.

187.
-

HEERLIJKHEID DOORNIK (ToURNAI)


Doornik, waarschijnlijk Belgi's oudste stad en eens de zetel van
merovingische koningen, maakte later deel uit van Vlaanderen en

werd door PHILIPPE II AUGUSTE (1180-1223) bij Frankrijk gevoegd


- moest echter in 1526 aan de Spaansche Nederlanden worden terug
gegeven.

218

HEERLIJKHEID

DOORNIK

Het was van 1668-1713 wer fransch doch werd in laatstgenoemd


jaar met de Oostenrijksche Nederlanden hereenigd. Sedert 1814 maken
stad en omgeving deel uit van de toen gevormde provincie Henegouwen.
Achtereenvolgens oefenden de bisschoppen van Doornik, de fransche
en de spaansche koningen hier 't muntrecht uit de jongste munten
dagteekenen van 1672.
Philippe II 1555-98

Revue belge 1853. blz. 259. XIII?

2418 aa. (15)83. Liard.

aa. (15)93. Dubbele patard.


aa.

XI8

Dubbele patard. Kz. In 't 1e en in 't 3e kanton


eene kroon.

Albert en Isabella 1598-1621

m.
m.

1608.
1617.

Dubbele denier = 1/6 patard. Revue belge 1877. blz. 59.


Dubbele soeverein = 12 gulden.
60.
-

Felipe IV 1621-65
2423 m.

1639.

Liard.

GRAAFSCHAP NAMEN (NAMUR)


Op 't einde der 10e eeuw, toen 't hertogdom Neder-Lotharingen zich
in verschillende staatjes oploste, zetelden aan de Sambre en de Maas
de graven van Lomme, van welke BRENGER (908-32) als eerste
genoemd wordt. In de 11e eeuw noemen zij zich veelal naar hun
stamslot (Lomme), doch na dien tijd komen zij als graven van Namen
VOOr.

Namen, sedert 1421 in 't bezit van FILIPs DEN GoEDE van Boer

gondi, volgt na dien tijd de geschiedenis der overige zuidnederland


sche provincin.

De eerste munten der naamsche graven zijn deniers van 't zelfde

gewicht als de duitsch-keizerlijke, en halve deniers of obolen - zij


komen van graaf ALBERT III (1037-1105) 't eerst voor. Van 1592
1709 gesloten, werd de naamsche munt in laatstgenoemd jaar weder

GRAAFSCHAP NAMEN

219

geopend, op last van den spaanschen landvoogd MAXIMILIAN EMANUEL.


Toen deze in 1711 zelf de regeering van Namen en Luxemburg in
handen kreeg, liet hij de munten op eigen naam slaan, tot 1714,
toen 't naamsche munthuis voor goed gesloten werd.
Gui van Dampierre markies van Namen 1263-97
2424 aa.

Esterlin = 1/3 groot.

CHALoN 53.

Gui II 1335-36
o

Demi gros. Vz. Klimmende leeuw van links. Omschr. MOI2ETA3


IQAMVROEI 2SIS K

Kz. Een groot gevoet kruis, gekantonneerd door twee leeuwen


en twee arenden, deelt de munt in vieren. Omschr.
GVUD | O COM | S I27N | MVRC
Deze beeldenaar werd op vlaamsche halve grooten van
Lodewijk I van Crcy (1322-46) gebruikt.
Philippe le Bel 1494-1506

z. j.

1499.

XX,

XX,

1503.

Patard of sol (stuiver).


Patard. Vz. C + [27WT

Patard. Vz. C + [27\' +Patard.

215.
-

216.

Patard. Vz. COSI2


Patard. Vz. 7VVS/T3 en CO'8IQ'8

Dubbele patard.

214.

Charles-Quint 1506-55
XX.

1513.

Gros of groot = 1/2 patard.

224.

Philippe (Felipe) W 1700-11


ll.

1709.

ll.
-

ll.
i.
i.

2439 ll.

Dubbele liard.

Dubbele liard. Vz. INDIAR


Dubbele liard.

246.
-

247.

Liard.

248.

1710.

Liard.

249.

Liard.

250.

220
2440

GRAAFSCHAP NAMEN

i.
XX.

1710.

Liard. K2. BRABANT.ZC

250.

Liard. V2. PHIL. en HISPAN.

Kz. BURGUN.

Liard. V2. PHIL - en HISPAN K2. BURGUN -

Maximilian Emmanuel 1711-14

ll.

1712.

ll.

Liard.

Liard. Vz. AR -

269.

ll.

Liard. Vz. ARCH -

ll.

Liard. Op de Vz. om 't vuurstaal de wapens van


Beieren, Namen en Luxemburg.

ll.

Liard. Kz. 't Jaartal boven de kroon.

ll.

Liard. Kz. 't Jaartal onder 't wapen en 't omschrift

K2. H. N.C'

begint beneden rechts.


1713.

Liard. V2. EMAN -

K2. & N9

ll.

Liard. Vz. EMAN -

Kz. NA9

ll.

Liard. Vz. EMAN -

Kz. NA -

ll.

Liard. Vz. EMANU :

38.

2452

271.

PRINSBISDOM LUIK (LIGE)


De luiksche bisschoppen, tevens hertogen van Bouillon (sedert 1096),

graven van Loon (1365) en van Hoorne (1570), waren duitsche rijks
vorsten.

Het bisdom werd in 't begin der 4e eeuw in Tongeren gesticht,


doch reeds in 383 verlegde bisschop SERVATIUs zijn zetel naar Maas
tricht. Hier bleef 't bisdom gevestigd tot 709, toen S. HUBERTUs Luik
tot residentie koos.

Na door de Franschen in 1794 veroverd te zijn, kwam 't voorma

lige bisdom in 1815 als provincie bij 't koninkrijk der Vereenigde
Nederlanden, en in 1831 bij Belgi.
De eerste luiksche munten (met keizerlijk Bb.) dagteekenen van 't
begin der 11e eeuw, de laatste van 1792.

221

PRINSBISDOM LUIK

Jean WI van Beieren 1389-1418


2453 aa.
88,

Griffon = groot.
Halve griffon.

DE CHESTRET 290.
291.
296.

Denier noir.

Jean WIll van Heinsberg 1419-55


88.

Denier noir.

329.
Louis van Bourbon 1456-82

38.

351.

Briquet d'argent = vuurijzer. Geslagen te Hasselt.


Jean IX van Hoorne 1484-1505

88.

Liard.

421.
Erard van der Marck 1506-38

1517.

437.

Halve patard.
Georges van Oostenrijk 1544-57

88.

1546.

Dubbele denier noir.

495.

1556.

Patard.

494.

Ernest van Beieren 1581 1612

88l.

1610.

Liard.

566.

Z. J.

Liard.

571.

Ferdinand van Beieren 1612-50

XX.

z. j.

38.
XX.

1643.

Halve liard.

611.

Liard.

618.

Liard.

622.

Max Henri van Beieren 1650-88

88l.

Liard.

PERREAU 117.

88.

Liard.

123.

8R8.

Liard.

126.

IIl.

Liard.

129.

2471 dd.

Halve liard. K2. EP

222

PRINSBISDOM LUIK

Sede vacante 1688


2472 xx.

1688.

88.

Liard.

PERREAU 7.

650.

Liard.

8.

Jean Louis van Elderen 1688-94

XX.

1691.

Liard.

656.

1692.

Liard.

Joseph Clment van Beieren 1694-1723


XX.

1722.

Liard.

666.

Liard. Vz. Alleen punten achter IOSEPH G en

XX.

ARC
dd.

1723.

Liard.

rr.

z. j.

Liard.

664.

Georges Louis van Berghe 1724-43


1726.

Liard.

1744.

Liard.

674.

Sede vacante 1744

680.

Jean Thodore van Beieren 1744-63

38.

Liard.

686.

88.

Dubbele liard = 1/3 sol.


Liard.

690.
692..

XX.

Vier liards = sol.

689.

88.

Vier liards. V2. THEOD

Liard.
38.

692.

Vier liards.

689.

Twee liards.

691.

Liard. Vz. De punten van zwaard en scepter zijn


niet zichtbaar.
Verg. 692.
Liard. Geen punt achter I Kz. 't Jaartal anders.

Kathedraal van Luik


2492 dd.

1653.

Koperen munt.

DE RENEssE 71.3

223

PROVINCIE LIMBURG

PROVINCIE LIMBURG

Rekheim, Rummen en Schoonvorst behoorden tot 1794 aan 't

prinsbisdom Luik sedert, als Departement van de Beneden-Maas


bij Frankrijk ingelijfd, vormen deze landen met de op blz. 197 be
schrevene de provincie Limburg, die in 1839 tusschen Belgi en
Nederland verdeeld werd.

Heerlijkheid (sedert 1620 graafschap) Rekheim


Ten einde de geldstukken gereeder ingang in andere staten te doen
vinden, bootsten de kleine vorsten der middeneeuwen de munten hunner

machtiger naburen na. Doch deze nabootsing beperkte zich uitsluitend


tot de teekening en grootte gewicht en gehalte werden meestal beide
verminderd. Dit laatste lokte herhaald plakaten uit, die den omloop
dier nabootsels, als valsche munt, verboden.
Het waren vooral de heeren van Rekheim, die door zulke naboot

singen hunne inkomsten vermeerderden.


Rekheim wordt reeds onder koning LoTHARIUs (840-55) genoemd,
die 't aan de O. L. Vrouwkerk te Aken schenkt.

In 't begin der 12e eeuw komt ARNoLD als heer van Rekheim voor
zijne dochter brengt de heerlijkheid in 't geslacht der Bronkhorsten
en vervolgens ontmoeten wij de huizen: Valkenburg, Diepenbeek,
Sombref, Piermont, la Marck, Hnin-Litard, Vlodorp, Quaedt van
Wickraedt en Lijnden - deze laatste familie heeft zich tijdens de
fransche omwenteling naar Duitschland begeven.
Willem W van Sombref 1397-1400

2493 aa.

Kwart groot.

WoLTERs 3.

aa.

Kwart groot.

7.

Ferdinand van Lijnden 1636-65

xx.
2496 aa.

z. j.

Oort. Nabootsing der liards van Ferdinand (1612-50)


bisschop van Luik.
Duit. Nabootsing van duiten der stad Utrecht.

52.
56.

224

PROVINCIE LIMBURG

2497 aa.
m.

z. j.

Duit.

59.

Duit.

60.

dd.

Duit.

aa.

Duit.

62.

aa.

Duit.

aa.

Duit.

aa.

Duit. Nabootsing van overijselsche duiten.

aa.

Duit.

aa.

Duit. Nabootsing van duiten der stad Deventer.

aa.

Duit. Vz. Nabootsing van duiten van Holland.

aa.

Duit. Nabootsing van friesche duiten.

88.

Duit.

DE CHEsTRET

7.

aa.

1620.

Duit.

WoLTERs

73.

aa.

1621.

Duit.

xx.

Vz. van 74. Kz. van

77.

ROEST 107A.

DE CHESTRET

8.

RoEST 112E.
112F.

VERKADE 157.6

K2. Van die van Friesland.

132.1
.3

Duit. Andere stempel.

aa.

1633.

Duit.

aa.

1648.

Duit.

aa.

1652.

Duit.

Heerlijkheid Rummen
WILLEM VAN MoNTFERRANT komt in 1240 als eerste zelfstandige
heer voor tot op dien tijd schijnt Rummen aan de graven van
Loon te hebben behoord. Achtereenvolgens regeerden hier de huizen
Oreye, Wesemael, van Diest, Mrode, de Hoen van Cartils en de Horion.
Tijdens de omwenteling van 1793 is de heerlijkheid aan een fransch
speculant verkocht en zoo in handen van particulieren overgegaan.
Jan van Wesemael 1415-64

2515 aa.

z. j.

Dubbele mijt (?).

v. D. CHIJs 1) XXIV.3

Heerlijkheid Schoonvorst

't Oude geslacht der heeren van Schoonvorst stamt van den burg
1) De munten der leenen van de voormalige hertogdommen Brabant en Limburg.

HERTOGDOM

225

BRABANT

Vorst bij Aken zij moesten den limburgschen, later den brabant
schen hertog leenhulde bewijzen. In Schoonvorst treffen wij de oudste
nederlandsche munt met een jaartal aan, namelijk een groot van 1372.
Gerard van Gulik 1437-75

2516 aa.

1442.

Groot. Kz. QQILGISIOQ3 en MOQGT3 IQOW3


SCOGEIQVO'

v. D. CHIJs XXIX.13

HERTOGDOM BRABANT

Door 't kinderloos overlijden van LoTHARIUs (LoTHAIRE) II in 869,


kwam 't koninkrijk Lotharingen grootendeels aan zijn oom LUDwIG
den Duitscher, die 't door een hertog liet besturen. In 959 werd 't
verdeeld in Opper-Lotharingen (tegenwoordige duitsch Lothringen) en
Neder-Lotharingen (Belgi ten O. der Schelde en ons land) ieder onder
't bestuur van een hertog. Keizer HEINRICH V benoemt in 1106 tot
zijn hertog in Neder-Lotharingen GoDFRIED, graaf van Leuven, die hier
in 't pagus Brachbantensis uitgebreide bezittingen had. Onder zijne op
volgers wisten de bizondere graven, als die van Holland, Gelderland enz.
feitelijk hunne onafhankelijkheid van den keizerlijken hertog te ver

krijgen en wordt deze laatste langzamerhand, naar zijne hoofdbezitting


hertog van Brabant genoemd. Na 1288, toen Limburg aan Brabant
gehecht werd, verschijnt ook de limburgsche leeuw op de brabantsche
munten. Door den vrede van Munster (1648) werd slechts 't N.-deel
van 't oude hertogdom Brabant aan de Republiek der Vereenigde
Nederlandsche Provincin gehecht 't Z. gedeelte bleef den spaanschen
koning als hertog erkennen. Het werd in 1714 oostenrijksch en in
1794 bij Frankrijk ingelijfd. De Franschen verdeelden Brabant in twee
departementen het eene: Departement van de twee Nethen vormde
in 1815 de provincie Antwerpen; het andere: Departement van de Dijle
de provincie Zuid-Brabant.
-

Hendrik I 1190-1235

2517 aa.

Denier met DVX

DE WITTE 33.
15

226

HERTOGDOM BRABANT

Hendrik II of III 1235-48-61


2518 aa.

Denier met 't leeuwen schild.

59.

Denier als voren.

65.

Aleyda van Boergondie voogdes 1261-67


33.

Denier.

72.

Stedelijke munt uit de XIlle eeuw

Denier met den nhoofdigen arend.


Door vergelijking van de beeldenaars dezer soort munten
met de oude zegels der brabantsche steden, gelukte het
den heer Piot 1) de muntplaatsen op te sporen. De n
hoofdige arend is echter nog niet teruggevonden. Het
zegel van Haelen vertoonde een dubbelen arend.

190.

Jan l 1268-94
88.

Denier.

201.

88.

Sterling van Brussel.


Sterling van Brussel.
Sterling met M.m.naam Walter.
Sterling met den titel van DVXXLIMBVRGIE
Groot met den engel van Brussel.
Sterling.

Denier.

88.
XX.
88.
88.
88.

208.
217.
218.

242.bis
257.
262.
263.

Jan II 1294-1312

88.

Sterling van Antwerpen.

282.

Jan III 1312-55

83.

Sterling van Leuven.

349.

88l.

Groot met den leeuw.

359.

Johanna en Wenceslaus 1355-83

2533 aa.

Torentje of schuerken van Leuven.

403.

1) De l'imitation des sceauac des communes sur les monnaies des provinces mri
dionales des Pays-Bas et du pays de Lige. Bruxelles 1848. 8.

227

HERTOGDOM BRABANT

Johanna en Filips de Stoute 1384-89


Roozebeker van Leuven.

414.

38.

Halve roozebeker.

424.

B8.

Roozebeker.

425.

2534 aa.

Jan IV 1415-27

88.

Halve groot van Brussel.

448.

Karel l de Stoute 1467-77

88.

z. j.

88.

1475.

Stuiver.

v. D. CHIJS XVII.5

Vuurijzer.

.8
Maria 1477-82

818,

1478.

Dubbel vuurijzer van Antwerpen.


Vuurijzer van
A 1)

1479.

Vuurijzer.
A
Vuurijzer.
A
Dubbel vuurijzer. A

88.
88.
88.
88.

1480.

XVII.2
XVIII.3

Kz. 9

-,

Kz. q

-,

XVII.2

Maximiliaan en Filips 1482-94


88.

Mechelaar = 11/2 groot.

XX.19

Filips III de Schoone 1494-1506

88.

Stuiver, sol of patard.

XXII.11

Karel II (W) minderjarig 1506-15

88.

Stuiver.

88,

Halve stuver oft groote Vlems.

88.

Zilveren reaal.

.12
XXV. 13

Zilveren reaal.

.14

88.

2551 aa.

XXIII.9

Halve stuiver = groot.

.19

') Gemunt te A = Antwerpen, B = Brussel.


15*

228

HERTOGDOM

BRABANT

Karel II 1515-55

2552

i.

1543.

Zwarte corte 1).

XXVI.25

i.

1546.

Zwarte corte.

-.

i.

1549.

Zwarte corte.

.26

xx.

z.. j.

Penning met den leeuw.

A = 2 mijten vlaamsch.

-.23

Filips IV (II) eerste tijdvak 1555-76

aa.
aa.
aa.
aa.
aa.
aa.

1565.
1566.
1571.

1573.

Vijfde filipsdaalder.
A
Vijfde filipsdaalder.
A
Tiende filipsdaalder.
A
Tiende filipsdaalder.
A
Twintigste filipsdaalder. A
Twintigste filipsdaalder. A

ll.

z. j.

Zwarte corte.

XXIX.21
-.

.25

Kz. Kleiner kroon.

-.

XXX.42
-.

XXXI.47

Staten van Brabant 1576-79

Ingevolge de Gentsche Bevrediging (8 nov. 1576) artikel 23, lieten


de Staten van Brabant te Antwerpen, Brussel en Maastricht nieuwe
munten slaan.

i.

z.. j.

Halve oort = 6 mijten. A


Filips IV (II) tweede tijdvak 1576-98

Nadat ALEssANDRo FARNESE het gezag van FILIPs hersteld had, werd
er in Antwerpen, Brussel, Maastricht en 's Hertogenbosch weer munt
op diens naam geslagen.
aa.

1596.

Halve oort of gigot.

HEISS 170.48

m.

1597.

Halve oort.

-.

Albert en Isabella 1598-1621

i.
i.

z. j.
1606.

Kruisdaalder of patagon. B
Oort = 12 mijten.
A

2568 ll.

1607.

Oort.

187.18
188.34
-, -

') De stuiver was gelijk aan 2 groot, 6 penning 2 corten 2 mijten vlaamsch.

HERTOGDOM

2569

ll.

1608.

88,

229

BRABANT

Oort.

Halve oort.

A
A

188.32
v

-.33

ll.

1610.

Oort.

88.

1615.

Drie stuivers.

187.23

Halve oort.

188.33

ll.
i.

1616.

Halve oort.

88.

1621.

Pauwschelling.

.32

-. -

187.21

Felipe V (IW) 1621-65


88.

1622.

Kruisdaalder of patagon. B

p.

1624.

Zesstuiver.

. 16

1628.

Kruisdaalder.

.15

1643.

Oort.

.17

Oort.

- --

ll.

191.15

ll.

1644.

Oort.

- --

ll.

1647.

Oort.

1648.

Dukaton.

1649.

Dukaton.

-.

1650.

Oort.

.17

Piedfort. Weegt 64 wichtjes. -.10


ll.

IIl,

Halve oort.

. 19

Halve oort.

-.

.17

ll.

1652.

Oort.

ll.

1653.

Oort.

-.

ll.

1654.

Oort.

-, -

ll.
ll.

1656.

Halve oort.

-.19

Oort.

.17

Carlos III (II) 1665-1700


1685.

Oort.

Oort, K2. DWX: BARG - A


Oort.

2600 ll.

195.16
-

- -

-. -

Halve oort.

.17

1690.

Oort.

-. 15

1691.

Gouden soeverein.

193.5

Oort.

195.15

Oort. Kz. ARCH. AVS -

-.

230
2601

HERTOGDOM

BRABANT

K2. ARCH AVS

ll.

169 1.

Oort. Vz. REX

195.15

ll.

1692.

Oort.

-.

Oort.

Oort. V2. INDIAR -

- -

Oort.

Oort.

-- --

i.
ll.
ll.

1693.

XX.

- -

ll.

1695.

Oort.

-.

ll.

1696.

Oort.

Halve oort.

. 18

Halve oort. Andere stempel.

- - -

Halve oort.

ll.
ll.
ll.

1700.

Felipe WI (W) 1700-11


1703.

Dukaton.

196.3

Karl IV (VI) 1711-40


XX.

17 12.

ll.

Oort.

A NEUMANN 13172.

Oort.

13177.
38735.

ll.

1713.

Oort.

ll.

1714.

Oort.

13173.

ll.

1715.

Oort.

13178.

ll.

17 16.

Oort.

13176.
Maria Theresia 1740-80

1744.

Oort.

13.199.

1745.

Oort.

13200.

Oort.

13190.

1749.

Halve dukaton.

Dubbel oort.

13 179.

1750.

Dubbel oort.

13180.

Oort.

13192.

1751.

Tien oort.

Dubbel oort.
1757.

Dubbel oort.

1764.

Oort.

IIl.

1766.

Halve dukaton.

2631 uu.

1767.

Schelling.

13181.

REPUBLIEK

231

DER VEREENIGDE BELGISCHE GEWESTEN

2632 xx.

1777.

Dubbel oort.

13186.

xx.

1778.

Dubbel oort.

13187.

818.

Oort.

rr.

1779.

Plaquette = 1/3 schelling. B


Joseph II 1780-90

xx.

1782.

Oort.

i.

1788.

Tien oort.

i.

Dubbel oort.

13207.

i.

Oort.

1 32 11.

i.

1789.
-

13210.

Dubbel oort.

13208.

Oort.

13212.

REPUBLIEK DER VEREENIGDE BELGISCHE GEWESTEN


179O

De door keizer JosEPH II ingevoerde hervormingen maakten 't bel


gische volk ontevreden. De Oostenrijkers werden verdreven en 't gezag
toevertrouwd aan een congres, dat door den graveur THEoDooR VAN

BERCKEL de stempels voor de volgende munten liet snijden - ze zijn


alle in 't munthuis te Brussel geslagen.
In 1791 heroverden de Oostenrijkers de belgische gewesten.

2648

i.
i.

1790.

Gouden leeuw = 14 brabantsche guldens 1). CUMoNT II.2


Zilveren leeuw = 3 gulden en 10 stuivers.
-. 1

j.

Zilveren leeuw. Vz. De grond, waarop de leeuw

i.

staat, is zonder gras.


Florin of gulden = 10 stuivers brabantsch.

Tien sols of stuivers.

-.4

i.

Tien sols.

.6

i.

Dubbel oort.

-.1

-. -

I,5

') Zeven brabantsche guldens ( 20 stuivers 16 brab. penningen) = 6 neder


landsche guldens.

232
2649

REPUBLIEK

DER VEREENIGDE BELGISCHE GEWESTEN

i.

1790.

j.

Oort.

Dubbel oort. Kz. Touwstrik anders van vorm.

-.2

i.

Oort. Kz. De punt achter BELGII lager.

-. -

I.1

Leopold II 1791-92

p.
Inl.

xx.

1791.
-

1792.

Plaquette.

Dubbel oort.

NEUMANN 13213.

Oort.

13216.

Franz II 1792-97

i.

1793.

Plaquette.

p.

Dubbel oort.

13220.

i.

Oort.

13223.

t.

1794.

Dubbel oort.

13221.

rr.

1797.

Halve kroon. Voor de Oostenrijksche Nederlanden


te Kremnitz (Hongarije) geslagen.

BELGI DEEL VAN 'T KONINKRIJK DER NEDERLANDEN


1815-30

Nadat de fransche troepen 5 mei 1814 Belgi verlaten hadden, stond


keizer FRANZ II, in ruil voor de Venetiaansche Provincin, deze Oosten

rijksche Nederlanden af, ten behoeve van onzen soevereinen vorst


WILLEM FREDERIK.

Deze afstand werd op 't Weener Congres (1814) door de mogend


heden goedgekeurd en 16 maart 1815 nam WILLEM FREDERIK den
titel aan van WILLEM I, koning der Nederlanden.
Dit koninkrijk bleef in zijn geheel bestaan tot 1830.
Voor de zuidelijke provincin bleef het munthuis van Brussel in
werking. Dit verkreeg als muntteeken de letter B (zie blz. 203).
Willem I koning 1815-30
2660

i.

1821.

Cent.

VERKADE 198.3

BELGI DEEL VAN 'T KoNINKRIJK DER NEDERLANDEN


2661

i.

1821.

Halve cent.

i.

1822.

Halve cent.

i.

1823.

i.
ll.

1825.

198.4

Cent.

.3

Halve cent.

.4

Stuiver.

.2
196.3

1826. Vijf gulden.

Vijfentwintig cent.

uu.

uu.
uu

1827.

i.

i.

i.
i.

233

197.4

Tien cent.

198.1
.2

Vijf cent.
Vijf gulden.

196.3

Cent.

198.

1829.

Gulden.

197.2

1830.

Halve gulden.
Vijfentwintig cent.

.3
.4

KONINKRIJK BELGI
Leopold I 1831-65

Sedert de muntwet van 5 juni 1832 rekent men in Belgi naar


francs 100 centimes. 23 Dec. 1865 trad Belgi tot de latijnsche
muntconventie toe.
xx.

1832.

Tien centimes.

jj.

1833.

Tien centimes.

i.

Twee centimes.

ll.

ll.

Revue belge 1850. blz. 104.


106.

Deze twee-centimesstukken zijn geslagen op centen


van koning Willem I.
Twee centimes. De beeldenaar van den cent is nog
gedeeltelijk zichtbaar.

Twee centimes. Ook bij dezen is de cent nog


zichtbaar.

xx.

Twee centimes. Alleen de Vz.

i.

1834.

Halve franc.

103.

i.

Kwart franc.

104.

Twee centimes.

106.

2683 ll.

1835.

234
2684

KONINKRIJK BELGI

i.

1836.

ll.

Twee centimes.

106.

Twee centimes. De oude cent is nog gedeeltelijk


zichtbaar.

XX.

1837.

Vijf centimes.

1841.

Twee centimes.

106.

105.

XX.

1842.

Vijf centimes.

105.

Ulll.

1843.

Kwart franc.

104.

XX.

1844.

Centime.

107.

pp.

1845.

Twee centimes.

106.

Centime.

107.

Twee centimes.

106.

1846.
UIUl.

UlUl.

UlUl.

Vijf francs.

117.

Twee centimes.

106.
117.

1853.

Vijf francs.
Vijf centimes.
Vijf francs.
Twintig centimes.
Twintig centimes.

1858.

Twee centimes.

1860.

Vijf centimes.

1849.

1850.

1852.

ll.

ll.

1861.

Tien centimes.

105.
117.

Revue belge 1852.

blz. 438.

Revue belge 1850.

blz. 106.
105.

Revue belge 1861.

blz. 19 1.

Revue belge 1850.

blz. 107.

Vijf centimes.
kk.

1862.

Tien centimes.

Vijf centimes.
Centime.

bb.
1863.
XX.

Tien centimes.

R. b. 1861. blz. 191.

Twee centimes.

R. b. 1850. blz. 106.

Leopold Il sedert 1865


1866.

Vijftig centimes.

1867,

Twee francs.

1870.

Vijftig centimes.
Vijf francs.

1871.

Twee centimes.

1874.

Centime.

107.

1876.

Twee centimes.

106.

Twee centimes.

2717 hh.

R. b. 1866. pl. 19.

R. b. 1850. blz. 106.

BELGISCHE NOOD-

EN

235

HUISMUNTEN

BELGISCHE NOOD MUNTEN

Antwerpen 1814

In 't begin van 1814 waren de Franschen door 't leger der ver
bonden mogendheden uit nagenoeg geheel Belgi verdreven, zoodat in
april van dat jaar nog slechts de vestingen Ostende en Antwerpen in
hun bezit waren.

NAPOLoN's opvolger LoUIs XVIII riep zijne troepen uit deze ves
tingen terug en 5 mei 1814 ging Antwerpen aan de Verbondenen over.
Intusschen had de fransche bevelhebber in Antwerpen de volgende
noodmunten laten slaan; eerst op naam van NAPoLoN met N, later
op naam van LoUIS XVIII met de dubbele X.
2718xx.

1814.

Tien centimes met N

i.

Tien centimes met N

i.

Tien centimes met N

k.

Tien centimes met dubbele &

xx.

Vijf centimes met dubbele &

MAILLIET

6.3

Suppl. 9.7
Suppl. -.8
7.11
. 17

BELGISCHE HU ISMUNTEN

In de gevangenissen te Gent, Vilvoorden, S. Bernard en Aalst en


in de bedelaarsgestichten van Rekheim en Hoogstraeten zijn huismunten
in gebruik.
Gevangenis te Gent
p.

1833.

i.

Vijf centimes.
Centime.

Namen Caf royal van Walter Davin


2725 p.

z. j.

Vijfentwintig centimes.

GUIoTH 21.174
.175

236

GROOTHERTOGDOM

LUXEMBURG

Groothertogdom Luxemburg
Toen 't oude gravenhuis van Lutzelburg in 1136 uitstierf, werd 't
land tijdelijk bij 't graafschap Namen gevoegd, viel achtereenvolgens
verschillenden vorsten ten deel, tot het in 1444 door FILIPs DEN GoEDE
met Boergondi vereenigd werd en verder de geschiedenis der andere
zuidnederlandsche provincin deelt.
Luxemburg was in 1354 tot hertogdom, door 't Weener Congres
(1814) tot groothertogdom verheven en aan onzen soevereinen vorst
(later koning WILLEM I) gegeven, als schadevergoeding voor zijne
nassausche erflanden, die hij in 1806 aan 't hertogdom Nassau had
moeten afstaan (zie blz. 94 en 95).
In 1830 sloot Luxemburg zich bij de Zuidelijken aan dit had
ten gevolge dat 't traktaat van Londen (19 april 1839) 't westelijk
gedeelte van 't groothertogdom bij Belgi voegde en 't oostelijk of
duitsch gedeelte aan koning WILLEM I liet. Bij 't uitsterven van den
mannelijken tak der Oranje-Nassaus (23 nov. 1890) kwam Luxemburg
aan 't hertogelijk nassausche huis.
Johann van Bohemen 1309-46

2726 aa.

Leeuwengroot van Poilvache.

SERRURE 66.

Wenzel I 1353-83

aa.

Dubbele groot met de twee schilden.

aa.

Groot met de twee schilden.

133.

Maria Theresia 1740-80

xx.

1757.

Dubbele liard.

234.

i.

1759.

Liard.

238.

p.

1775.

Achtste sol of halve liard.

247.

Joseph Il 1780-90

2734

i.

1783.

Halve liard.

x.

1784.

Halve liard.

i.

1789.

Halve liard.

253.
-

254.

255.

GROOTHERTOGDOM

237

LUXEMBURG

Leopold II 1790-92 1)

2735 i.
ij.
i.

1790. Zes sols. Geslagen te Gnzburg in Burgau 2).


Drie sols van Gnzburg.

Sol van Gnzburg.

257.
258.
259.

Willem III 1849-90

xx.

1854.

rr.

1855.

Tien centimes.

263.

bb.

1860.

Tien centimes.

264.

xx.

1870.

Tien centimes.

266.

Vijf centimes.

270.

ll.

Twee en een half centimes 8). Geslagen te Brussel. 271.

NOOD MUNT VAN LUXEMBURG


2743

i.

1795.

Sol.

MAILLIET 73.2

De stad werd belegerd door de Franschen.

Vereenigd Koninkrijk Groot-Britanni


en Ierland
ENGELAND (ENGLAND)
In 55 v. Chr. bezocht JULIUs CAESAR van Galli uit, tweemaal

Britannia, doch eerst 90 jaar later werd dit eiland door de Romeinen
veroverd. Toen echter in 't begin der 5e eeuw Rome door ALARIK en
WANDALEN bedreigd werd, riep zij hare legioenen uit de verafgelegen
streken terug en verlieten (ongeveer 407 n. Chr.) de romeinsche sol
daten den britschen bodem.
') Tijdens den belgischen opstand van 1790 hadden de Oostenrijkers onder generaal
BENDER alleen Luxemburg in bedwang kunnen houden.
*) Vergelijk C. voN ERNST.
*) Tot 1849 werd door de regeering gerekend bij nederlandsche guldens.

238

ENGELAND

De onbeschermde bewoners vermochten daardoor geen weerstand te


bieden aan de, van 't vasteland komende, Angelsaksen, deze drongen
de brito-romeinsche bevolking naar 't westen terug en stichtten in 't
Z. en O. van Britannia verscheidene koninkrijken (in 't jaar 600
bestaan er 7).
Koning EGBERT (ECGBEoRTH) van Wessex vereenigde in 't begin der
9e eeuw deze rijkjes tot n koninkrijk: Anglia (Angelland, Engeland),
doch liet in de meeste de inlandsche vorsten als onderkoningen aan
de regeering.
In 1707 werd Schotland geheel bij dit rijk gevoegd en beide landen
voeren sedert dien tijd den naam Groot-Britanni. Zuid-Ierland was
reeds in 1169 veroverd, in 1536 volgde Wales en in 1603 Noord
Ierland de geheele vereeniging van Ierland met Engeland had in
1801 plaats.
CAESAR vond bij zijn aankomst dat de inboorlingen gouden, zilveren
en koperen munten gebruikten 't waren ruwe nabootsingen van
grieksche stukken (ALEXANDER DE GROOTE) waarschijnlijk door phoeni
cische handelaars ingevoerd. Door de aanraking met de Romeinen
verschijnen koningsnamen in romeinsche letters op deze munten. De
romeinsche overheerschers lieten waarschijnlijk in Londinium en Clau

sentum (Bittern bij Southampton) munt slaan. Na hun vertrek komt


als nationaal geld het angelsaksische te voorschijn 't zijn de zil
veren sceattae (waarschijnlijk in Nederland 't eerst gemunt) en de
koperen stycae. De eerste soort draagt runnen, waaruit koningsnamen
te ontcijferen zijn, en romeinsche letters, voor ons tot dusver zonder
zin. Beide soorten blijven in omloop, met de in de 8e eeuw opkomende

grootere zilveren munt (penny), doch verdwijnen bij de verovering van


Northumberland door de Denen (875). Pennies werden van toen tot
heden altijd gemunt - voor onderdeelen sneed men den penny in
twee of vier stukken, tot onder EDWARD I (12721307) ronde 1/3

pennies en farthings ('/ pennies) aangemaakt werden.


Edward l 1272-1307

2744 i. Penny van Londen. Vz. DW R AHGL DHS KEVB K


(Deze 3 laatste letters staan voor Hiberniae = van
Ierland.

RUDING III.1

239

ENGELAND

Edward II 1307-27

2745 rr.

Penny van Londen.

RUD. Sup.

I.35

Henry VI 1422-61

i. Noble van Londen. Trefoil coinage. Vz. FRAY2-DI2Sw K2U'


Een cirkeltje bij 's konings rechterpols.
K2. Muntteeken lelie.
Verg. RUD.
De eerste nobles waren aangemunt onder Edward III in
1344; zij waren tot 1464 gangbaar voor 6 shillings en
8 pence. Deze weegt 6.65 wichtjes of 103 grains 1).

II.9

Edward IW 1461-83

i. Ryal of Rose noble van Londen. Vz. FRA-DQS IB'


Goud 7.55 w. of 1161/3 grains. III.4

K2. ILLORW

In 1465 werd bepaald dat 45 in plaats van 50 nobles uit

een pond goud zouden geslagen worden; deze munten


zouden gangbaar zijn voor 10 shillings en als kenteeken
op beide zijden eene roos dragen, vandaar rose nobles.
Elizabeth 1558-1603

c.

Shilling. Vz. ELIZABETH Muntteeken op beide zijden:


zwaluw.

XII.1

In 1503 werden de eerste shillings geslagen, op een


gewicht van 12 pennies of 144 grains.
i.

2750xx.

Twopence of halfgroat. Muntteeken op beide zijden :


cirkel, waarin een punt.
Groat en half groat werden sedert 1351 aangemunt.

XIV.9

1575.

XII. 16

Threepence.
Threepences werden in 1551 't eerst gemunt. De
shilling van 1547 is de eerste munt met jaartal.
Bovenstaande munten zijn alle met den hamer
geslagen, in den Tower te Londen, de eenige
muntinrichting van Elizabeth.

1) Voor 't wegen der edele metalen bedient men zich in Engeland van het troy
pound (= 373.242 wichtjes) 12 ounces 20 pennyweights 24 grains.

240

ENGELAND

James I 1603-25

2751

i.

1624. Sixpence van Londen. Muntteeken: lelie.


In 1551 werd ook de eerste sixpence geslagen.

XVII.7

Oliver Cromwell protector 1653-58

1658. Shilling.

XXXII.7
Charles II 1660-85

Penny van Londen. Kz. Muntteeken: kroon. Maundy


money 1).

XXXIII.21

Laatste engelsche penny met den hamer geslagen;


dit zijn tevens de laatste munten met muntteekens.
1670.
dd.

1672.

Penny. M. M. (= Maundy Money).


Farthing.

XXXIV. 18
MoNTAGU blz. 24.

De eerste farthings waren kleine zilveren muntjes


onder Edward I (1272-1307) geslagen, ter waarde
van 1/4 penny. Onder Edward VI (1547-53) zijn
zij in zilver voor 't laatst gemunt.
James I (1603-25) liet de eerste koperen farthings
slaan (Harrington farthings), doch deze bevielen
niet, daar ze te klein en te dun waren. Na tal
van proefnemingen werden eindelijk in 1672 kope
ren farthings voor den omloop aangemunt.
IIl,
XX.

i.
rr.
XX.

2761 xx.

1673. Farthing.
1674. Farthing.
1675. Farthing.
1678. Halfgroat. M. M.
1679. Farthing.
1680. Threepence. M. M.

RUD. XXXIV. 17
MONT.

blz. 24.

RUD. XXXIV. 16

1) Sedert 1662 werden in zilver stukken van minder waarde dan sixpence niet

meer geslagen voor den omloop, maar alleen om op Witten Donderdag (Maundy
Thursday) in de Westminster Abdij aan de armen te worden uitgedeeld vandaar
maundy money.

241

ENGELAND

William en Mary 1688-94


(Onze stadhouder Prins Willem III)
2762

i.

1689.

Halfcrown.

XXXV. 14

In 1551 werden de eerste crowns en halfcrowns

geslagen; zij waren gangbaar voor 5 en


21/2 shillings.
Groat (= 4 pence). M. M.

Halfgroat. M. M.
1691. Halfpenny.
De aanteekening bij n". 2755 geldt ook voor
den zilveren en voor den koperen halfpenny.
1694. Farthing.
MoNT.
-

XX.

. 15
. 17

III. 17

blz. 39.

William III alln 1694-1702

XX.

XX,

rr.

1696.

1697.
1700.

Halfcrown (= 21/2 shillings) van Londen. RUD. XXXVI.2


Halfpenny. Kz. De Britannia houdt den olijf
tak ter hoogte van haar hoofd.
MoNT.
blz. 45.
Halfpenny als voren.
Halfpenny.

1701.

Halfcrown.

RUD. XXXVI.27
Anne 1702-14

Sedert 6 mei 1707 koningin van Groot-Britanni


1704.

Groat. M. M.

XXXVII.5

George I 1714-27

1717.
1718.

1719.

Halfgroat. M. M.
Kwart guinea.
Penny. M. M.
Farthing.

1723.

Shilling. Vz. Haarstrik twee rechte einden.


Kz. SS-C voor South Sea Company, die
dit zilver geleverd had.
RUD. XXXIX.15

XXXIX.7
XVII. 17
XXXIX.8
MONT.

blz. 53.

Shilling. Vz. Haarstrik als boven. Kz. C-SS


Shilling. Vz. Haarstrik bestaat uit lus en n
recht eind. Kz. SS-C

HAwKINs

blz. 405.
16

242

ENGELAND

1723.

Halfpenny.
Farthing.

IIl.

1724.

Farthing.

i.

1725.

Shilling. Vz. Onder 't Bb. W. C. C. voor


Welsh Copper Company, van welke dit
zilver afkomstig was.
RUD. XXXIX.17

2780 XX.
i.

RUD.

IV.3

MoNT.

blz. 53.
-

George Il 1727-60
1731.
1734.
1736.
1737.

1739.
1741.
1743.
1745.
1751.

1752.
1758.

Halfpenny.
Halfpenny.
Halfpenny.
Halfgroat. M. M.
Penny. M. M.
Halfpenny.
Shilling. Kz. Vier rozen tusschen de wapens.
Halfpenny.
Halfpenny.
Halfpenny.
Halfpenny. Walsch 1).
Halfpenny.
Sixpence. Kz. De iersche harp met zes snaren.

IV.4

-,

-. -

XL.6
.5

IW.4
XL.19

IV.4
-,

-,

-. -

-,

XL.

George Ill 1760-1820


1772.
1773.
1774.

Penny. M. M.
Farthing.
Halfpenny.
Halfpenny. Valsch.
Farthing.

1775.

HAwK. blz. 416.

MoNT. blz.

56.
-

Halfpenny.
Farthing. Walsch.
Shilling. Zonder harten op 't veld van Lunen
burg; zes snaren op de iersche harp.
RUD. III.3
Sixpence.
Penny. Door den breeden opstaanden rand , cart
wheel penny genaamd eerste penny in
koper door de regeering uitgegeven.
MoNT. blz. 58.
-

1787.

Tr,

2806

i.

1797.

1) MoNTAGU zegt o.a. op blz. 55: The forgeries of copper coins during this reign
were conducted on a most alarming basis, and formed the subject of much complaint.

ENGELAND

2807 XX.

1799.

1.

243

Halfpenny.
blz. 58.
Halfpenny. Proef.
Farthing.
59.
Five shillings dollar.
RUD. VIII.8
Om in 't gebrek aan zilveren munten te voorzien, waren
sedert 1797 gemerkte spaansche pesos (dollars) in om
loop gebracht. Daar dit waarmerk herhaaldelijk werd
nagebootst, liet de Engelsche Bank, onder koninklijke
goedkeuring, deze pesos in de fabriek van Boulton te
Soho (bij Birmingham) opnieuw overstempelen. Op
sommige is de oude spaansche beeldenaar nog flauw
-

i.
i.

1804.

zichtbaar.

Penny.
Halfpenny.
Farthing.
Penny.
Halfpenny.
Farthing.
Banktoken voor 3 shillings.
Banktoken voor 18 pence.

RUD.

IV.7

MoNT. blz. 59.


-

RUD.

IV.7

MoNT. blz. 59.


-

RUD.

XIV.8

RUD. deel II blz. 108.

In 1811 gaf de Engelsche Bank tokens voor 3 sh. en


voor 18 pence uit, deze bestaan van 1811 en 1812;
in sept. 1812 werd 't geharnaste Bb. vervangen door
een Bb. met naakten hals.
1812.

Banktoken voor 18 pence. Bb. met naakten hals.


HENFREY blz. 129.

1813.

Banktoken voor 3 shillings.

1814.

Banktoken voor 18 pence.

rr.

1815.

Banktoken voor 3 shillings.

rr.

1816.

Shilling.
Sixpence.

rr.

2828

RUD.

XIV.9

HENF. blz. 129.


RUD.

XIV.9
-.4

HAwK. blz. 416.

1817.

Shilling.

1818.

Halfcrown (= 21/2 shillings).

.3

rr.

1819.

Halfcrown.

-. -

i.

1820.

Sovereign van Pistrucci.


.6
HENRY WII gelastte in 1489 den aanmaak van een gou

RUD.

XIV.4

den munt, grooter dan er tot dusver in Engeland


geslagen was. Dit stuk woog 151/2 wichtje, was voor
16*

244

ENGELAND

20 shillings gangbaar en verkreeg den naam sovereign,


daar de Vz. den soeverein, op een gothischen troon
gezeten, vertoonde.
Deze beeldenaar werd gaandeweg gewijzigd, 't gewicht
verminderde, zelfs de benaming veranderde (unite) en
toen in 1663 't afrikaansche goud tot 20-shillingstukken
vermunt werd, kreeg dit stuk een zwaarte van 81/3
wichtje en den naam guinea (guinje).
De laatste guinje, die van 1813, woog nog slechts 8.3875.
Bij de groote aanmunting van 1816-17 kwam een nieuw
20-shillingstuk te voorschijn, dat 7.9881 w. woog en
weer sovereign gedoopt werd. De oude zwaardere
guineas werden toen op 21 shillings gebracht en hier
mede was 't verschil geboren, dat nog heden tusschen
de uitdrukking guinea (= 21 sh.) en sovereign (= 20
sh.) bestaat.

Pond of pound sterling (rekenmunt) was steeds de be


naming van eene som van 20 shillings.
George IV 1820-30
1821.
1824.
1825.

1826.

1827.
1830.

Farthing van Pistrucci.


Sixpence.
Farthing van Pistrucci.
Farthing. Verguld.

MONT. blz.

72.

HAwK. blz. 421.


MoNT. blz.

72.

HAwK. blz. 420.

Halfcrown.

Shilling.
Penny van Wyon.
Halfpenny.
Halfpenny.
Farthing.

RUD.

2 R. 8.
. 16

MONT. blz.

74.

William IW 1830-37

1831.
XX,

i.

2843

i.

1834.

1835.

Sixpence.
Farthing.
Sixpence.
Farthing.
Farthing.

HAwK. blz. 423.


MoNT. blz.

75.

HAwK. blz. 423.

MoNT. blz.

75.

ENGELAND

2844

i.

1836.

245

Halfcrown. Vz. Op de afsnede van 't Bb. de


letters W. W. in trek letters.

HAwK. blz. 423.

Groat. Dit muntje kreeg van de cabmen den


spotnaam Joey.
Farthing.
MoNT.

blz.

424.
75.

MoNT. blz.

77.

Victoria sedert 1837


XX.

S8.

rr.

1839.

Farthing.

1840.
1842.

Farthing.
Sixpence.

1843.

Threepence. M. M.

429.

1844.

Halfcrown.

426.

1845.

Threepence. M. M.
429.
Sedert 1845 worden de threepences, oorspronkelijk slechts
,maundy money, ook herhaald in grooten getale in
omloop gebracht.
Shilling.
HAwK. blz. 428.

1846.
1848.

HAwK. blz. 428.

Model crown. Uitgegeven door H. Hyams. In 't midden


rood koper, buitenrand tin.
Vz. 't Gekroonde Bb. der koningin van links, omgeven
door een roze- en een disteltak, onder 't Bb. klaver
blaadjes. Omschr. in gothische letters: Victoria Queen
of Great Britain mdcccxlviii -

Kz. De gekroonde wapenschilden van Engeland, Schot


land, Engeland en Ierland kruiselings geplaatst en
omgeven door de draagketen van S. George. Omschr.:
Model Crown Pub. by H. Hyams.
Model crown. Als n0. 2854, doch geheel koper; ook heeft

XX.

't omschr. der Kz. alleen : Model Crown.


1852.

Florin (= 2 shillings).

HAwK. blz. 427.

De eersten werden in 1849 geslagen. Deze misten achter


den naam der koningin ,,dei gratia, werden daarom
, godless florin genoemd.
1853.

Penny.

nl.

1856.

Threepence. M. M.

i.

1860.

Florin.

i.

In.

2861

ll.

Shilling.
Farthing. Kz. FARTHING

MoNT. blz.

76.

HAWK. blz. 429.


427.
428.

MONT. blz. 79.

246

ENGELAND

2862 m.
n.

1861. Penny.

Halfpenny.
1862. Threepence. M. M.

78.
79.

HAwK. blz. 429.

Geschenk van den heer L. J. H. SCHADEE te Amsterdam.

hh.
.
rr.
p.
ll.
n.
XX.

1863.
1864.
1866.

Penny.
Halfpenny.
Halfpenny.
Sixpence.
Farthing.
Sixpence.
Penny.
Farthing.

n. 1867. Penny.
jj. 1869. Sixpence.
ll.
Farthing.
kk. 1872. Threepence. M. M.
m. 1874. Threepence. M. M.
rr. 1875. Farthing.
2879 i. 1877. Penny.

MoNT. blz.

78.
79.
-

HAwK. blz. 428.


MoNT. blz.

79.

HAwK. blz. 428.


MONT. blz.

78.
79.
78.

HAwK. blz. 428.

MoNT. blz. 79,


HAwK. blz. 429.
-

MoNT. blz.

79.
78.

Engelsche Huismunten (Tokens)

Gebrek aan de noodige geldsoorten is altijd in Engeland de oorzaak


geweest van 't uitgeven van tokens door particulieren. 't Zijn ronde,
metalen schuldbewijzen door kleinhandelaars, als kruideniers, kaarsen

verkoopers, herbergiers enz. aan hunne klanten in betaling gegeven,


met belofte deze stukken voor de daarop uitgedrukte som (meestal
1/4, 1/2, soms 1 penny) weer in betaling terug te nemen.
Reeds in 1402 wordt in 't Lagerhuis geklaagd over de slechte
buitenlandsche muntjes en de nietswaardige looden tokens die bij de
kleine winkeliers de plaats van engelsch geld innemen. Op 't einde
der 15e eeuw is 't gebruik dezer tokens van lood in 't heele koninkrijk
verspreid en onder ELIZABETH begint men ze van tin, koper, zelfs van
leder te maken.

Zij bleven in omloop tot 1672, toen de regeering door eene over
vloedige koperaanmunting in de behoefte aan klein geld voorzag en

de traders-tokens uit den omloop verdreef. Nog eens, en wel op 't

247

ENGELSCHE HUISMUNTEN

einde der vorige eeuw, deed de slechte toestand van 't muntwezen, de
tokens (thans ook zilveren) opnieuw verschijnen ze verdwenen door
de groote aanmunting van 1816-17 en na 1 januari 1818 mocht geen
token meer als betaalmiddel dienst doen.

Birmingham (de steden alfabetisch gerangschikt)

2880 m.

1812.

Penny van de Union Copper Company.

NEUMANN 24160.

Bristol

p.

1811.

Shilling. Vz. Payable by Messrs Fras Garratt, Wm Terrell,


Edwd Bird, Lant Beck & Frans H. Grigg.
Dit shillingtoken werd dus door vijf verschillende win
keliers in betaling gegeven en genomen.

Bury St. Edmunds

xx.

Halfpenny van P. Decks.

23961.

Gosport

t.

1794.

Halfpenny van J. Jordans, lakenkooper.

xx.

1796.

Halfpenny van Benn & Ionn Jones; te Gosport


of Sheerness betaalbaar.

22850.

2285 1.

Hull

m.

1812.

m.

Penny van I. K. Picard.

24358.

Penny als voren.

396 18.

Londen

m.
i.

1792.
z.. j.

Halfpenny met Bb. van den dichter W. Shakespeare. 23313.


Shilling van Morgan, 12 Rathbone Place.

Macclesfield

m.

1791.

Halfpenny van Roe & C0. (?)

22713.

Norwich

xx.

1792.

Halfpenny van N. Bolingbrokes, winkelier in


kramerijen.

23600.

Walthamstow

m.
m.

1812.

Penny van de British Copper Company.


Halfpenny van dezelfde maatij, met den loopenden
leeuw.

2893 m.

z. j.

Halfpenny als voren, met den merkuriuskop.

22800.

22803.
22807,

248

ENGELSCHE HUISMUNTEN

Weymouth

2894 p.

Farthing for the poor.

4469.

Willey

m.

1790.

Penny met Bb. van den ijzergieter John Wilkinson. 23905.

Woodbridge

i.

1811. Shilling van W. Sizers.


Yarmouth

m.
i.

1792. Penny van W. Absolon.


1811. Shilling van J. Hunton.

23639.

Wales
Anglesey

xx. 1788. Halfpenny van de Paris Mines Company.

24471.

Flint

m.

1813.

Penny der Lead works.

24556.

Wight
2901 xx.

1792.

Halfpenny van Robert Bird Wilkins.

SCHOTLAND (SCOTLAND)
Dat gedeelte van 't eiland Britannia, dat noordelijk van de Clyde

en de golf van Forth lag, was bij de Romeinen bekend onder den
naam van Caledonia. In de 10e eeuw heet dit gedeelte 't koninkrijk
Alban met hoofdstad Scone (noordelijk van Perth) en een eeuw later
komt de naam Scotia 1) voor. Bij koning MAELcoLAIM III's dood heeft
dit rijk de tegenwoordige zuidergrens, d. i. de golf van Solway, Cheviot
Hills en de Tweed.

Koning WILLIAM DE LEEUw (11651214) moest zijn rijk als leen


van Engeland erkennen in 1603 beklom koning JAMES VI ook den
engelschen troon en bleven beide rijken voortaan onder n hoofd.
1) De pennies van ALEXANDER III (1249-86) zijn de eerste munten, op welke
wij REX SCOTORVM aantreffen.

249

SCHOTLAND

In 1707, onder koningin ANNE, werden beide landen tot n rijk


Groot-Britanni saamgesmolten.
De oudste schotsche pennies worden aan vorsten der Hebriden-eilanden
en aan koning MAELcoLAIM III toegeschreven. Hier zoowel als in
Engeland werd bij pence en shillings gerekend en waren de oude
schotsche pennies aan de engelsche gelijk. Dit was echter van korten
duur, want terwijl in Engeland de munten slechts langzamerhand 1)
verslecht werden, gebruikten de Schotten hiervoor minder tijd. Zoo
was onder koning RoBERT II (1371 -90) 1 penny scotch gelijk aan
*/ penny english, onder RoBERT III (1390-1406) gelijk aan 1/2 p. e.
en in 1468 gelijk aan 1/4 engelschen penny.
Toen in 1603 JAMES VI den engelschen troon besteeg werd bij
proclamatie van 8 april bekend gemaakt dat schotsche zoowel als
engelsche munten in beide rijken moesten worden aangenomen, de
engelsche penny gerekend tegen 12 pence scotch in 1707 werd 't
engelsche muntstelsel in Schotland ingevoerd.
James Wl 1567-1625 (van 1603 af kon. v. Engeland)

2902 ij.

16022).

Kwart thistle mark (= 21/3 shilling scotch).


LINDSAY 583.
Charles I 1625-48

i.

Halve noble van 40 pence scotch of 31/3 pence english.


V2, FR. & HIB. R.

qq.

K2. REIP. SWPR.

Kwart noble van 20 pence scotch.

629.
639.

Charles Il 1660-85

2905 p.

1677.

Bothwell of bodle 3) van 2 pence scotch. Koper. 110.


Door 't verslechten der munten werd 't niet meer doenlijk
zilveren stukjes van 2 en 1 penny te slaan. De wet
van 13 mei 1597 gelastte dan ook de vervaardiging
van koperen twopences en pennies; dit zijn de eerste
schotsche koperstukken.

1) In 't tijdvak 1066-1816 werd de penny in Engeland van 1.45 wichtje verlaagd
tot 0.47 w. zilver.

*) Op schotsche munten komt het jaartal 1553 't eerst voor.


*) Schotsche kopermunten waren de bawbee = 6 pence scotch, en de turner,
hardhead of bodle = 2 p. sc.

250

SCHOTSCHE HUISMUNTEN

William en Mary 1688-94


2906 xx.

1691.

Bodle.

116.

ij.
p.

1692.
1694.

Bodle.
Bodle.

119.

xx.

1695.

Bodle.

117.

William III 1694-1702


122.

Schotsche Huismunten (Tokens)


xx.

Aberdeen
Farthing van Jas Gordon.

NEUMANN 24584.

Edinburg

2911 m.

1790.

Halfpenny van Thos. and Alexr Hutchison.

24613.

IERLAND (IRELAND)
Bij de Grieken en Romeinen onder den naam van Ierne, Ivernia,
Eirin, Hibernia bekend en door de Angelsaksen Ierland genoemd.
't Eiland werd van 't einde der 8e eeuw tot 't begin der 12e eeuw
door de Noormannen beheerscht, blijft daarna eenigen tijd zelfstandig,
tot in 1169 de engelsche koning HENRY II pogingen aanwendt om
het onder zijn macht te brengen. Zuid-Ierland werd toen veroverd,
doch 't noorden bleef vooralsnog onafhankelijk.
In 1542 nam HENRY VIII den titel aan van koning van Ierland,
doch eerst onder ELIZABETH's regeering (1601) werd 't geheele eiland
aan Engeland onderworpen. In 1801 had de volledige vereeniging
dezer twee landen plaats.
De geschiedenis van 't iersche muntwezen vervalt in vijf afdeelingen:

a. Ingevoerd vreemd geld. Het zijn grieksche en romeinsche munten,


die door 't verkeer met handelaars uit Phoenici, Carthago, Spanje,
Galli en Britanni hier verspreid werden.

b. Ringengeld. Gouden, zilveren en geelkoperen ringen, alle veelvouden


eener eenheid van + 0.775 wichtje, werden door de iersche inboor
lingen tot 't begin der 12e eeuw als munten gebruikt.

IERLAND

251

c. Hiberno-deensche munten. 't Zijn pennies door de koningen van


Dublin, Waterford en Limerick geslagen.
d. Brakteaten. Blijkbaar nabootsingen van engelsche munten uit 't
tijdvak 1050- 1200.

e. Iersch-engelsch geld. De oudste stukken zijn pennies van den engel


schen koning JoHN (1199-1216), de jongste zijn pennies en half
pennies van GEORGE IV (1823). Na dien tijd is alleen engelsch geld
in Ierland gangbaar.
James | 1603-25

2912 ij. Sixpence. 1e aanmunting (1603) met ANG-SCO.

LINDSAY 4.

James Il 1685-88
i.

1686.
1689.

Halfpenny.
Shilling van november. Kz. Nov
Sixpence van juli.

1690.

Crown.

dd.
XX.

2.
33.
49.
5.

Half crown van juni. Kz. In ue


23.
De vier laatste munten zijn door JAMEs II geslagen, nadat
hij door 't parlement van den troon was gestooten en
in Ierland nog den strijd met zijn schoonzoon, onzen
prins WILLEM III, volhield. Zij zijn van kanonnen
brons, in plaats van zilver, vandaar ,,gun-money.
George l 1714-27
1722.

1723.

Wood's halfpenny. Kz. HIBERNIA 1722. De iersche


maagd laat beide handen op de harp rusten.
Halfpenny.

1.
3.

George Il 1727-60
dd.

1744.

Farthing.
Farthing. Vz. Geen punt achter GEORGIUS

16.
-

George III 1760-1820


1769.
2923 m.

1775.

Halfpenny.
Halfpenny.

2.
3.

252

2924

IERSCHE HUISMUNTEN

i.

1781.

i.
i.
m.
m.

Halfpenny.

1805. Tenpence.

Tenpence. Vz. De haarstrik anders.

Penny

Halfpenny.

11.
-

6.
7.

Iersche Huismunten (Tokens)


Cronebane

xx.

Halfpenny van de Associated Irish Mine Company.


NEUMANN 25226.

Dit token, in 1789 aangemaakt, was tot 1805 in Ierland


de meest verspreide koperen munt.
Dublin

m.
m.
m.
m.
i.

1792.
-

Halfpenny van Camac Kyan and Camac.


25029.
Halfpenny. Kz. De iersche maagd met de harp.
Verg. 25499.
1794. Halfpenny van Camac Kyan and Camac.
25059.
1813. Halfpenny van J. Hilles.
25137.
1771.

Halfpenny van ? Vz. GEORGE - RULES Verg. 25295.

BRITS CHE BEZITTINGEN IN EUROPA

Eiland Jersey
Victoria Sedert 1837

2935 rr.

1877. Twaalfde shilling.

ATKINs 6.40

Eiland Man

Het vroegere koninkrijk Man werd in 1765 van den eigenaar

JAMES III, hertog van Arthol, door 't engelsche parlement gekocht en
sedert dien tijd wordt 't eiland door een engelschen goeverneur bestuurd.

BRITSCHE BEZITTINGEN

2936 m.

1811.

IN

253

EUROPA

Bank halfpenny. (Token).

ATKINs 12.32

Stad Gibraltar

Het op eene rots gelegen oude Calpe wordt, sedert de landing der
Arabieren onder TARIK in 711 (zie hierachter bij Spanje), Dsjibel-al
Tarik = rots van Tarik, genoemd.
In 1462 deel van 't koninkrijk Kastili (later koninkrijk Spanje),
werd Gibraltar in den spaanschen erfopvolgingsoorlog (1704) door de
Engelschen genomen en bleef 't tot heden eene engelsche bezitting.
In 't jaar 1842 zijn hier door de engelsche regeering dubbele, enkele
en halve cuartos geslagen, in navolging van de reeds door particulieren
uitgegeven cuarto-tokens.
Gerekend wordt naar oude spaansche pesos (= 50 eng. pence), hier
dollar of cob genaamd 12 reales 16 cuartos; engelsche farthings
zijn voor 1 cuarto in omloop.
Huismunten van Gibraltar (Tokens)
xx.

1802. Twee quarts ('t spaansche cuarto) van R. Keeling.


ATKINs

i.

m.
i.

m.
i.

2943xx.

1810.
-

1813.

14.4

Quart van R. Keeling.


Twee quartos van R. Keeling & Son.

.6

Quarto als voren.

.7

15.5

Twee quartos van R. Catton.

.10

Quarto als voren.

.11

1818. Twee quartos van J. Spittle.

. 12

Eiland Malta

't Oude Melite, werd in 1530 door keizer KARL V op den dag
zijner keizerskrooning aan de, uit Rhodos verdreven, Johaniter Orde
gegeven, die sedert dien tijd Malteescher Orde genoemd wordt.
Malta werd in 1798 door NAPoLON en in 1800 door Engeland
veroverd. Het traktaat van Parijs (30 mei 1814) bekrachtigde 't en
gelsch bestuur over Malta en de eilandjes Gozzo en Comino.

254

BRITSCHE BEZITTINGEN IN

EUROPA

Vroeger rekende men in Malta bij scudi (9.352 wichtjes fijn zilver)
12 tari' 20 grani of ook werd de taro verdeeld in 2 carlini
10 grani 6 piccioli. Het stuk van 30 tari' werd oncia genaamd.
Thans is 't engelsche pond in gebruik, gelijk aan 12 scudi.
Antonio Manoel van Wilhena grootmeester 1722-36
2944 ll.

1734.

Grano.

ROSSI 1926.
Emanuele Pinto 1741 -73

dd.

1752.

Carlino.

1963.

Emanuele van Rohan 1775-97

2946 p.

1780.

Cinquina = 5 grani.

1993.

Koninkrijk Zweden (Sverige)


't Land, in 't zuiden bewoond door de Goten, in 't midden door de

Zweden (Svea), bestond uit vele, elkander steeds beoorlogende kleine


staten, die in de 8e eeuw door koning SIGURDR HRINGR en zijne op
volgers tot n rijk vereenigd werden.
In 1163 nam KARL VII den titel aan van koning der Zweden en
Goten. Een zijner opvolgers ALBREKT (ALBERTUs) werd door 't volk
verjaagd en de kroon van Zweden opgedragen (1389) aan MARGARETA,
koningin van Denemarken en Noorwegen, waardoor de drie skandi
navische rijken onder n hoofd vereenigd werden (Unie van Kalmar
1397). Deze vereeniging hield stand tot 1523, toen 't volk den deen
schen koning verjoeg en GUSTAF WASA op den troon plaatste.
In 1814 moest Denemarken ten gunste van Zweden afstand doen
van Noorwegen. Beide rijken bleven tot heden onder n koning ver
eenigd.
De vroegere rekenwijzen bij daler silfvermynt of bij daler koppar
mynt, beide ingedeeld in 4 mark 8 re 4 rtug, maakten in 1664

plaats voor den riksdaler-species 48 skillingar 12 rundstycker, die

255

KONINKRIJK ZWEDEN

25.6973 w. f. z. bevatte en gelijk gesteld werd met 6 daler silfver


mynt of 18 daler kopparmynt. In 1830 werd deze riksdaler-species
gebracht op ruim 25.5045 w. f. z. en in 1845 de skilling verdeeld in
4 styfver.

Daar de munt te groot werd geoordeeld om als eenheid dienst te


doen, voerde men in febr. 1845 't kwart gedeelte als zoodanig in,
onder den naam van riksdaler-riksmynt met dezelfde verdeeling in 48
skillingar 4 styfver. Hij bevatte dus 6.376137 w. f. z. De muntwet
van 3 febr. 1855 voerde de decimale indeeling in en wij verkregen
riksdaler-riksmynt = 100 re.
18 Dec. 1872 kwam tusschen Zweden en Denemarken de skandina

vische muntconventie tot stand, tot welke Noorwegen in 1875 bijtrad.


Aangenomen is de gouden standaard, met de krona (= 0.4032258 w.
f. g.) 100 re als munteenheid. De zilveren krona, pasmunt, bevat
6 w. f. Z.
Gustaf Il Adolf 1611-32

2947 i. 1622. re voor 't landschap Dalarne.


i.

j.

OLDENBURG 839.

1624.? re voor Dalarne.


?
re voor Dalarne.

i. 1627. re van Nykping.


j. 1628. re van Arboga.
i.

1632.

Kreutzer van Gteborg.

857.
874.
855.

Kristina 1632-54

j.

1642.

Halve riksdaler. 't Muntmeestersteeken boven de


voeten van den Zaligmaker.

xx. 1646. re van Gteborg.


ij. 1649. re van Gteborg.

1030.
1129.
1136.

Karl XI 1660-97

2960

i.

1666.

Zesde silfverre.

1730.

x.

1667.

Zesde silfverre.

1731.

dd.

1670.

Zesde silfverre.

xx.

1671.

Zesde silfverre.

1735.

i.

1676.

Vier ren.

1629.

1734.

256

KONINKRIJK ZWEDEN

2961

i.

pp.

1676.

re silfvermynt.
re silfvermynt.

1721.

1677.
1683.

Zesde silfverre.

1746.

1686.

Zesde silfverre.

1747.

1723.

Karl XII 1697-1718

:
t

1698.

Silfverre.

2238.

1701.

Vier mark. Afslag in koper.

2145.

1707.

Zesde silfverre.

2261.

1708.

Zesde silfverre.

2262.

1715.

Zesde silfverre.

2265.

17 16.

Zesde silfverre.

2266.

1718.

Zesde silfverre.

2267.

Zesde silfverre. V2. Kleiner letters.

I1.

Zesde

pP.

silfverre. Vz. Tusschen S en 't wapen geen punt. Ulrika Eleonora 1719-20

Kopparre.
Kopparre. 't Schild kleiner.
Kopparre. 't Schild anders.
Kopparre. Geslagen op een nooddaler 1).
Kopparre.

pp.
pp.

2362.
2363.
2364.

2365.

Fredrik I 1720-51
1720.

p
i

1729.

Inn

1735.

Silfverre.

2578.

p.

1737.

Silfverre.

2580.

i.

1738.

Silfverre.

2582.

P.

1740.

Silfverre.

2584.

Il.

1746.

Silfverre.

2590.

p.

1748.

Silfverre.

2593.

2989

2599.

Kopparre.
Kopparre.
Kopparre. Vz. F*R*S*
Kopparre. Vz. F*R*S
Vijf ren.

1724.
1725.

1) Zie STIERNSTEDT blz. 100 en 101.

2601.
2603.

2495.

257

KONINKRIJK ZWEDEN

2990 rr.

1749.

Vijf re.

25 16.

P.

1750.

Silfverre.

2596.

Adolf Fredrik 1751-71

1763.

Twee silfverre.

2978.

1768.

re kopparmynt.

2991.

Gustaf III 1771-92

1772.
bb.

1778.

3168.

Kopparre.
Kopparre.

3170.

Gustaf IW Adolf 1792-1809

1802.

1805.

1806.

1807.
1808.

1809

3224.

Halve skilling.
Twaalfde skilling.
Kwart skilling.
Twaalfde skilling.

3236.
3232.
3238.

Zesde riksdaler.

3217.

Kwart skilling.

3233.

Kwart skilling.
Kwart skilling

3235.

3234.

Twaalfde skilling.

3239.

Halve skilling.

3229.

Karl XIII 1809-18

1812.

3291.

Twaalfde skilling.
Karl XIW Johan (Bernadotte) 1818-44

1819.

341 1.

1828.

Kwart skilling.
Kwart skilling.
Skilling.
Halve skilling.
Kwart skilling.
Skilling.

1833.

Achtste riksdaler.

3382.

1835.

Twee skilling banco.


Twee derde skilling banco.

3423.

1825.
1827.

1839.

3415.
3397.
3407.
3416.
3398.

3444.
17

KONINKRIJK ZWEDEN

Oskar l 1844-59

Zestiende riksdaler = 25 re.

3556.

rr.

Derde skilling banco.

3622.

rr.

Zestiende riksdaler.

3560.

Tien re. Kz. G.

3568.

3016 kk.

i.
Tr.

bb.
rr.

i.
XX.
rr.

Twee re.

3641.

re.

3644.

Vijf re.

3639.

Twee re.

3642..

re.

3645.

Tien re.

3574.
Karl XV 1859-72

bb.

Twee re.

3744.

Twee re.

3746.

Twee re.

3747.

re.

3757.

TI'.

Tien re.

3727.

rr.

Twee re.

3748.

re.

3758.

Twee re.

3751.

re.
re.

3762.

ll.

XX.

D.
bb.
bb.

3763.
0skar Il sedert 1872

Il.

bb.

ll.

bb.
bb.

3045 p.

re.

3770.

Tien re.

3815.

Vijf re.

3821.

Twee re.

3831.

Tien re.

3816.

Twee re.

3822.

re.
re.
re.
re.

3842.
3844.
3846.
3848.

250

ZWEEDSCHE NOODMUNTEN

ZWEEDSCHE NO ODM U NTEN

In den, voor Zweden zoo ongelukkigen, noordscheh oorlog liet koning


KARL XII, om zich tijdelijk geld te verschaffen, op aanraden van zijn'
minister van financin GEoRG HEINRICH BARON VAN GRTz, koperen
munten slaan, ter grootte van een zesden re, doch die voor een daler
silfver gedwongen koers hadden. Van deze zijn ongeveer 18.000.000
geslagen.
Karl XII 1697-1718

3046xx.
xx.
xx.
bb.

2268.

i.

1715. Daler silfvermynt.

Daler silfvermynt. Vz. De 5 kleiner.


1716. Daler silfvermynt.

Daler silfvermynt. Kz. Punt achter I hooger.


Daler silfvermynt. Dubbele zwaarte.

n.
i.
i.

1717.

1718.

2270.

XX.

Daler silfvermynt.
Daler silfvermynt. Punt achter 1717 hooger.
Daler silfvermynt.

Daler silfvermynt. Vz. FRDIG lager geplaatst.

2269.
-

2271.
-

XX.

i.
i.

Daler silfvermynt. Kz. Kleiner kanonnen.


Daler silfvermynt.
2272.
Daler silfvermynt. Vz. Jupiters bliksem juist boven

l.

Daler silfvermynt.

i.

Daler silfvermynt. Vz. Saturnus kleiner.

Daler silfvermynt.

2274.

Daler silfvermynt. Vz. Jaartal zeer klein.


Daler silfvermynt.

2275.

den arend.

i.

i.

2273.
-

Ulrika Eleonora 1719-20

i.
xx.

1718.
1719.

Daler silfvermynt.
Daler silfvermynt.

2366.
2367.

Riksglds Contor (Kantoor van de Rijksschuld)


n.

3066 ij.

1799.

Halve skilling.

SCHARP 1425.

Kwart skilling.

1426.

260

KONINKRIJK

NOORWEGEN

ZWEEDSCHE HUISMUNTEN (PoLLETTER)


Stora Kopparbergs-Bergslag

De volgende munt was in gebruik bij de bergwerkers in de koper


mijn van Falun of Stora Kopparberg.
3067

n.

1762.

Drie re.

SCHARP 1338.

Koninkrijk Noorwegen (Norge)


Evenals Zweden was ook Noorwegen in vele staatjes verbrokkeld,
wier bevolking als Noormannen (Wikingar) onder hunne zeekoningen
de geheele kust van West-Europa plunderend bezochten. Door de ver
eeniging dezer staten in de 9e eeuw, vormde HARALDR HARFAGRI 't
koninkrijk Noorwegen, dat eerst tijdelijk, later door 't huwelijk van
den noorschen koning HAKON VIII met MARGARETA, erfdochter van
Denemarken in 1380, voor goed met dit laatste rijk vereenigd werd.
Deze vereeniging duurde tot 1814. Bij den vrede van Kiel 14 jan. 1814
werd Noorwegen aan Zweden afgestaan, wist zich gedurende drie maan
den als onafhankelijk koninkrijk te handhaven, doch erkende 4 nov.

1814 den zweedschen koning als landvorst.


Tot heden bleven Zweden en Noorwegen onder 't bestuur van n
vorst, doch beide als zelfstandige koninkrijken van elkaar onafhankelijk.
Voor 1875 werd in Noorwegen gerekend naar speciesdaler (25.3558
wichtjes fijn zilver) 5 mark of rigsort 24 skillinger.
Toen 't land in maart 1875 tot de skandinavische muntconventie

toetrad, regelde men de verhouding der oude munten met de zweedsche


krona en de verdeeling werd: speciesdaler 4 kroner 30 skillinger
of 100 re. De gouden standaard werd ingevoerd en 't stuk van 10

kroner of 2; speciesdaler bevat nu 4.0323 w. fijn goud.


De volgende exemplaren zijn alle geslagen te Kongsberg.

KONINKRIJK NOORWEGEN

Frederik IW
3068

i.

17 17.

van Denemarken 1699-1730

Zestien skilling.

THOMs EN 1796.

Christjern WIl 1766-1808


1805.

Twee skilling.

2240.

Frederik VI 1808-14

jj.

1810.

Twee skilling.

2271.

1812.

Skilling.

2285.

Karl XIV Johan van Zweden 1818-44


1820.
XX.

1839.

XX.

1840.
184 1.
1843.

Skilling species.
Halve skilling.
Halve skilling.
Halve skilling.
Twee skilling.

3482.
3484.
3485.
3486.
3473.

0skar | 1844-59

ll Ul.

1850.

Twaalf skilling.

3533.

Karl XV 1859-72

rr.

1867.

bb.

1870.

Halve skilling.
Skilling.

STIERNSTEDT 190.
188.

Oskar Il sedert 1872


bb.

1876.

Twee re.

1877.

Twee re.

bb.

1878.

re.
re.

3085 uu.

1880.

Tien re.

re.

bb.
D.
bb.

199.

197.

2 62

KONINKRIJK

DENEMARKEN

Koninkrijk Denemarken (Danmark)


Reeds op 't einde der 8e eeuw komen koningen van Seeland en van
Jutland voor, wier rijken in 't begin der 10e eeuw onder koning
GoRM II vereenigd werden.
Een zijner opvolgers KNUTR DE GRooTE (1018-35) veroverde Noor
wegen en Engeland. Dit laatste land ging echter spoedig wer verloren.
Van 1389-1523 werd ook Zweden door den deenschen koning be
stuurd, zoodat Denemarken aan 't hoofd der drie skandinavische rijken
stond. In de volgende eeuwen echter zag het zijne macht dalen:
Zweden vocht zich 1523 vrij Noorwegen moest afgestaan worden
in 1814 en door den vrede van Weenen werden de hertogdommen
Sleeswijk, Holstein en Lauenburg van 't deensche koninkrijk ten gunste
van Oostenrijk en Pruisen afgescheurd.
In plaats van de vroegere rekenwijze: rigsdaler (= 12.641 wichtjes
fijn zilver) 6 mark 16 skillinger waarbij 't stuk van 2 rigs
dalere: species genoemd werd is in 1873 de gouden standaard
ingevoerd met de krone (0.4032258 w. f. g.) 100 0re als eenheid.
Christjern IW 1588-1648

3086 ij.
i.

1630. Vier skilling.


1645.

Dukaat.

THOMSEN 651.
-

Beskrivelse XXIII. 17

Deze munt, wegens den beeldenaar der Kz. ook ,judex


genaamd, werd gedurende den oorlog tegen Zweden
(1644-48) geslagen.
Frederik III 1648-70

i.

1662.

ij.

Twee skilling.
Twee skilling. Andere stempels.

THOMs EN 1141.
-

Christjern W 1670-99

ij.
3091 p.

1693.
1694.

Twee skilling.
Halve skilling.

1616.

KONINKRIJK DENEMARKEN

263

Frederik IW 1699-1730

17 15.
1716.
17 19.
1723.

Twee skilling.
Twee skilling.
Halve skilling.
Skilling.

1784.
1793.
181 9.
1838 b.

Frederik V 1746-66
1761.
1764.

Twee skilling.
Vier skilling.

1950.
1994.

Christjern WII 1766-1808


1771.
XX.

Tr'.

1784.

jj.

1785.
1801.

Skilling.
Skilling. Kz. 't Jaartal anders.
Halve skilling.
Skilling.
Twee skilling.
Twee skilling.

2068.
2069.
2078.

2157.
2229.

Frederik Wl 1808-39
1809.
1811.
1813.

1814.
1815.
1818.
XX.

1838.

Twee skilling.
Twee skilling.
Zes skilling.
Rigsbank skilling = 5/16 skilling courant.
Zestien rigsbank skilling.
Twee skilling.
Rigsbank skilling.
Halve rigsbank skilling.

2266.
2278.

2291.
2292.

2331.

Christjern VIII 1839-48


1842.

Tweeendertig rigsbank skilling.


Zestien rigsbank skilling.
Vier rigsbank skilling.
Rigsbank skilling.

2345.
2346.
2347.

Frederik WII 1848-63

3116 ij.

1854.

Vier skilling.

238 1.

264

KONINKRIJK DENEMARKEN

3117 a.
xx.
p.
xx.

1856. Skilling.
1857. Halve skilling.
1860. Skilling.
1863. Skilling.

2386.
2388.

2397.

Christjern IX sedert 1863

rr.
p.
i.
i.

1867.
1871.
1874.

Skilling.
Skilling.
Vijfentwintig 0re.

STIERNSTEDT 392.
-

390.

Tien 0re.

391.

i.

Vijf 0re.

394.

i.

Twee 0re.

395.

p.

i.

1875.

0re.
Krone.

388.

ij.

Tien 0re.

391.

XX.

395.

i.

Twee 0re.
()re.

1876.

Twee 0re.

3132 p.

396.

-#3 R 0 MAN EN -e3

Koninkrijk Itali (Italia)


Op blz. 21 en 39 zagen wij dat ObovAKAR, hoofd der germaansche
Herulen in 476 een einde maakte aan 't Westromeinsche Rijk en
koning van Itali werd.
Wel heroverden de oostromeinsche keizers in 553 het italiaansche

schiereiland (Exarchaat), doch ook zij moesten spoedig zuidwaarts uit


wijken, voor de uit 't noorden opdringende (568) Longebarden. Toen
de longebardische koning AHISTULF eindelijk in 752 Rome bedreigde,
riep de paus de hulp der Franken in. Deze laatsten verkregen door
's pausen steun, vooral na den ondergang van 't Longebarden Rijk (774)

KONINKRIJK SARDINI

265

in geheel Itali vasten voet, welke macht in de 10e eeuw (zie blz. 45)
op de oostfrankische of duitsche keizers overging.
-

In de

14e en

15e eeuwen verleenden de duitsche keizers aan vele

der adelijke familin, die zich in de noorditaliaansche steden en land


schappen aan 't hoofd der regeering hadden geplaatst, de erfelijk-her
togelijke waardigheid (Milaan, Mantua, Modena, Florence, Savoi). En,
terwijl in Veneti en Genua republieken gevormd waren en de pausen
in Midden-Itali hunne wereldlijke macht uitbreidden, ontstond uit de

bezittingen der grieksche keizers in Zuid-Itali: 't graafschap Apuli,


het latere (1130) koninkrijk Napels en Sicili.
Het in 't noorden gelegen hertogdom Savoi werd in 1713 vergroot,
door toevoeging van 't koninkrijk Sicili, welken naam en titel hertog
VITToRIo AMEDEo voor al zijne staten aannam. Toen hij 5 jaar later
't eiland Sardini in ruil ontving voor Sicili, nam hij den titel aan
van koning van Sardini. Zijne opvolgers werden de stichters van
Itali's eenheid: Lombardije werd 1859 bij Sardini gevoegd, in 1860
volgden 't koninkrijk der Beide Sicilin, 't groothertogdom Toskane,
de hertogdommen Parma en Modena en de stad Bologna, waarna de
sardinische koning zijn titel voor dien van koning van Itali verwis
selde (1861).
Met 't bezetten van Veneti in 1866 en van den Pauselijken Staat
-

in 1870 was de eenheid hersteld.

KONINKRIJK SAR DIN I (SARDEGNA)


Savoi, dat sedert 1860 aan Frankrijk behoort, is het stamland der

sardinische koningen. UMBERTo I, graaf van Savoi, die van 977-1022


regeerde, is de stamvader van 't savooische gravenhuis. Diens tweede

opvolger ODDoNE (OTTo), die in 1058 den gravelijken troon besteeg,


kwam door zijn huwelijk in 't bezit van 't graafschap Turijn. En,

terwijl de latere graven (sedert 1416 hertogen) hunne bezittingen oost


waarts ten koste van Milaan uitbreiden, scheurde Frankrijk, vooral in

de 15e en 16e eeuwen, verscheiden westelijke deelen van 't hertogdom


Savoi af.

266

KONINKRIJK SARDINI

Door den vrede van Utrecht (1713) verkreeg de hertog 't eiland
Sicili en den koningstitel. Het eerste ruilde hij vijf jaar later met

Oostenrijk voor 't eiland Sardini en veranderde zijn titel in koning


van Sardini. Zijn nieuwe koninkrijk bestond uit: 't hertogdom Savoi,
't vorstendom Piemont, de hertogdommen Aosta en Montferrato, 't
graafschap Nizza, 't hertogdom Genua en 't eiland Sardini.
Savoi en Nizza werden in 1860 aan Frankrijk afgestaan zie
verder hierboven onder Itali (blz. 265).
Tot de 15e eeuw rekende men in Savoi en Piemont bij lire 20
soldi 1) 12 danari, in navolging van KAREL DEN GRooTE, die 't pond
(libra) fijn zilver, verdeeld had in 20 solidi 12 denarii.
Van 't begin der 15e tot de helft der 16e eeuw vinden wij de ver
deeling bij fiorini 12 grossi 16 viennesi. Na een overgangstijdperk,
gedurende 't welk beide rekenwijzen in gebruik waren, werd in 1633
de lira voor goed weer ingevoerd en sedert 1800 verdeeld in 100
centesimi. 23 Dec. 1865 trad Itali tot de Latijnsche Muntunie toe.
Amede0 WIll 1391-1439

3133 ll.

Grosso of obolo bianco.

Dezelfde munt als Promis toeschrijft aan Amedeo VI, doch

ons stuk heeft op de Vz. DVX8 SABAWDIG , dus na


ll.

1416 geslagen.
Quarto 2).

PROMIs III.3
VI. 17

xx.

Bianchetto.

V.7

xx.

Bianchetto. Vz. Een halve maan in 't eerste kwartier;


muntmeestersteeken van Giacomo Picoz di Avigliana,
muntmeester te Nion.

ll.

Wiennese.

ll.

Quarto.

-.

VII.21
L0dowic0 1439-65
VII.4
Amedeo IX 1465-72

xx.
3140 xx.

Quarto.
Quarto.

VIII.5
IX.6

1) Ook werd de soldo verdeeld in 4 quattrini 3 danari.

*) Geslagen werden de grosso 2 mezzi grossi 2 quarti, 2 forti 2 viennesi


2 pitte of maglie. De bianchetto was de twaalfde grosso 't stuk van 3 quarti
heette parpagliuola.

KONINKRIJK SARDINI

Vittorio Amedeo III koning van Sardini 1773-96


3141

i.

1781.

Twee danari = 1/6 soldo.

72.8

Carlo Felice 1821-31

1826.
ll.

Vijf lire.

79.5

Drie centesimi.

80.10

Carlo Alberto 1831-49

UlUl,

1834.

Twintig lire.

80.3

Vittorio Emanuele (van 1861 af koning van Itali) 1849-78


i.

1860.

Lira van Florence.

bb.

1861.

Soldo van Milaan.

bb.
XX.

i.
ll.

1863.

Halve lira van Milaan.

Verg. -.
.8

Twintig centesimi van Milaan.

.9
.6

Lira van Milaan.

Halve lira van Napels.


Tien centesimi van Turijn.
Vijf centesimi van Napels.
Vijf centesimi of soldo van Milaan.

. 11

Centesimo van Milaan.

.13

ll.

.6

Halve lira van Milaan.

1867.

bb.

Lira van Milaan.

i.

XX.

.13

1.

rr.

GNECCHI 56.11

1862. Twee centesimi van Napels.

ll.

3158

Centesimo van Milaan.

HERTOGDOM MILAAN (MILANO)

KAREL DE GRooTE, die in 774 't Longebardisch Rijk veroverde,


voegde Milaan en geheel Noord-Itali bij zijne staten. Zijne opvolgers,
de duitsche keizers, moesten, vooral sedert de nederlaag bij Legnano

(1176), gedoogen dat Milaan zich tot republiek ontwikkelde, aan wier
hoofd zij een vicaris benoemden. Het gezag van dezen vicaris werd

268

HERTOG DOM MILAAN

allengs over geheel Lombardije uitgebreid, de waardigheid kwam in


de familie WIscoNTI en in 1395 kocht GIANGALEAzzo WIscoNTI van den

duitschen keizer WENcESLAUs den hertogstitel voor 100.000 goudguldens


(fiorini d'oro).
Keizer KARL V schonk in 1540 't hertogdom aan zijn zoon FELIPE II
en tot 1714 bleef Milaan met Spanje vereenigd. Toen werd het met 't
hertogdom Mantua als Oostenrijksch-Lombardije bij Oostenrijk gevoegd.
Milaan, in 1796 door de Franschen bezet, werd een jaar later hoofd
stad der Cisalpijnsche, 1802 der Italiaansche Republiek met NAPoLoN
BoNAPARTE tot president in 1805 hoofdstad van 't toen door NA
PoLoN gevormde koninkrijk Itali.
In 1814 werd 't oude hertogdom Milaan met de oude republiek
Veneti als Lombardisch-Venetiaansch Koninkrijk nog eens bij Oosten
rijk gevoegd tot 1859, toen Lombardije aan 't koninkrijk Sardini
werd afgestaan, doch Veneti voorloopig nog oostenrijksch bleef.
Als deel van Sardini volgt Milaan de geschiedenis van 't nieuwe
(sedert 1861) koninkrijk Itali.
Ook in Milaan werd in navolging van KAREL DEN GRooTE's munt
indeeling gerekend bij lire 20 soldi 12 denari, doch komt in 't
karolingisch tijdperk alleen de denaro als munt voor de soldo en
-

halve soldo verschijnen in de 13e eeuw en eerst in de 2e helft der

15e eeuw ontmoeten wij de eerste munt van 20 soldi d. i. de gouden


ambrosino in 1474 de eerste zilveren munt van 20 soldi, lira of

testone genaamd. De eerste koperen munt is een stuk van 3 denari,


terlina, ook quattrino geheeten en in 1601 geslagen. De parpagliola
was een stuk van 21/2 soldi, sedert NAPoLoN I van 2 soldi of 10
centesimi.

Galeazzo ll Wisconti heer van Milaan 1354-78

3159 ll.

Pegione = 11/3 soldi.

GNECCHI 7.3

Carlos III van Spanje (van 1711 af keizer van Duitschland) 1702-40

3162

i.

1707.

Quattrino = 1/4 soldo.

35.6

i.

1736.

Quattrino.

37.8

i.

Quattrino. Jaartal onduidelijk.

-,

HERTOGDOM MILAAN

269

Maria Theresia 1740-80


3163 rr.

1777.

Halve soldo.

42.3

Napolon I als koning van Itali 1805-14


1809.

jj.

Lira van Milaan 1).

49.2

Soldo.

.9

1810.

Vijf soldi.

.6

1811.

Tien soldi.

.5

jj.
jj.

1812.

1814.

Vijf soldi.

.6

Centesimo.

. 13

Vijf soldi.
Parpagliola = 10 centesimi.
Vijf soldi.

.6
.8
.6

Franz I keizer van Oostenrijk 1815-35


1822.

50.4
Kwart oostenrijksche lira.
.6
Drie oostenrijksche centesimi.
Deze oostenr. lira, gelijk aan 't 20-kreuzerstuk en daarom
in Itali ook wel , Svanzica genoemd, bevatte slechts
3.9 wichtjes fijn en gold daarom in italiaansche lire
(die 4.5 wichtjes fijn bevatten) 0.87
De centesimi naar verhouding dus dit 3-centesimistuk

1 850.

Vijf oostenrijksche centesimi.

ll.

oostenr. = 2.61 centesimi italiani.


31 75 m.

54.3

HERTOGDOMMEN PAR, MA EN PIACENZA

Deze, in de 12e eeuw ontstane, republieken werden in 1511 met

den Pauselijken Staat vereenigd. Paus PAULUS III (ALEssANDRo FARNESE)


verhief beide in 1545 tot hertogdommen en beleende hiermede zijn'
zoon PIER LUIGI FARNESE.

') De eerste zilveren lira was in 1474 door GALEAzzo MARIA SFORZA geslagen
en bevatte 9.12 wichtjes fijn zilver onder MARIA THERESIA nog slechts 3.453 w.

fijn. NAPoLoN bracht haar wer op 4.5 wichtjes.

270

REPUBLIEK BOLOGNA

Na 't uitsterven der FARNESE's in 1731 werd ook 't, in 1621 tot

hertogdom verheven, Guastalla met deze beide vereenigd en alle drie


kwamen door den vrede van Aken (1748) aan Spanje.
In 1805 bij Frankrijk ingelijfd, schonk 't Weener Congres (1815)
de drie hertogdommen aan de tweede echtgenoote van NAPoLoN I,
MARIA LoUISA, die ze tot haar dood (1847) bestuurde.
Guastalla werd, na eene honderdjarige vereeniging in 1848 door
Parma aan Modena afgestaan Parma en Piacenza sloten zich in
1860 bij 't koninkrijk Sardini aan.
Vr 1809 werd ook in Parma gerekend bij lire 20 soldi 12
denari doch 1 januari 1809 verscheen de nieuwe italiaansche lira

(4.5 wichtjes fijn) waarbij 1 nieuwe lira gelijk was aan 4 lire di Parma
en 7 soldi.
Maria Louisa 1815-47

3176

i.

1815.

Tien soldi,

i.

1832.

Vijf lire.

Rossi 3344.
3343.

REPUBLIEK BOLOG NA

't Oude Bononia, werd door KAREL DEN GRooTE tot vrije rijksstad
verheven. Nu eens door patricische families bestuurd, dan weer door
de pausen onderworpen, werd Bologna in 1506 voor goed als provincie

(legatie) bij den Pauselijken Staat ingelijfd.


In 1796 door de Franschen bezet, maakte 't eerst deel uit van de

Cisalpijnsche Republiek, daarna van 't koninkrijk Itali, doch kwam


in 1815 wer aan den Pauselijken Staat terug.
In 1860 sloot ook Bologna zich bij 't koninkrijk Sardini aan.
Republiek 1376-1401

ll.

Halve grosso.
Napolon I koning van Itali 1805-14

3179

i.

1809.

Centesimo. Te Bologna geslagen.

Rossi 386.

27 1

GROOTHERTOGDOM TOSKANE

GROOTHERTOGDOM TOSKANE (TOSCANA)

Tuscia of Etruria, oudtijds een landschap in Italia propria, werd in


774 door KAREL DEN GRooTE veroverd en als markgraafschap bij 't

frankische rijk gevoegd. Gedurende den strijd tusschen de oostfrankische


(duitsche) keizers en den paus (12e eeuw) loste dit markgraafschap zich
op in tal van republieken, van welke alleen Florence en Lucca in
deze verzameling vertegenwoordigd zijn.
Florence, bestuurd door de MEDICI werd de machtigste en in de
15e eeuw had zij nagenoeg 't geheele landschap Tuscia aan haar
macht onderworpen.

KARL V verhief in 1532 dit land tot hertogdom Toskane en paus


PIUs V in 1569 tot groothertogdom.
Na 't uitsterven der MEDICI in 1737 werd 't groothertogdom voortaan
door familieleden der duitsche keizers bestuurd. In 1799 bezetten de

Franschen 't land, dat NAPoLON I tot koninkrijk Etruri (1801-7)


vervormde, in 1808 bij Frankrijk voegde, doch 't volgend jaar weer
als groothertogdom aan zijne zuster ELISE schonk. Na NAPoLON's val
(1814) kwam de, in 1801 verjaagde, groothertog aan de regeering
terug en in 1847 werd 't gebied vergroot door toevoeging van 't
hertogdom Lucca.
Nadat de bevolking in 1859 den groothertog verjaagd had, sloten
Toskane en Lucca zich in 1860 bij 't koninkrijk Sardini aan.
Cosim0 III dei Medici 1670-1723

3180

i.

1714.

Halve paola van Pisa.

RosSI 3563.

Giovan Gastone dei Medici 1723-37

i.

1724.

Fiorino of goudgulden.

1402.

Carlo Lodovico koning van Etruri 1803-7

3182 m.

z. j.

Halve soldo.

NEUMANN 18459.

272

KONINKRIJK DER BEIDE SICILIN

Hertogdom Lucca
In de 12e eeuw werd ook Lucca eene zelfstandige republiek. In 1799
door de Franschen bezet en tijdelijk bij 't koninkrijk Etruri gevoegd,
schonk NAPoLON haar in 1805 aan zijne zuster ELISE, die met FELICE
PAsQUALE BACIoCCHI gehuwd was.
In 1847 werd Lucca met 't groothertogdom Toskane vereenigd.
Elise en Felice 1805-14

3183

i.

1807.

Vijf franchi.

RosSI 1767.

KONINKRIJK DER BEIDE SICILIN 1)


(REGNO DELLE DUE SICILIE)
Twisten tusschen de byzantijnsche hertogen van Napels, Capua en
Beneventum veroorzaakten (1027) eene inmenging van uit Frankrijk
komende normandische pelgrims. Deze, onder aanvoering van TANCRED
DE HAUTEVILLE kregen vasten voet in Apuli en stichtten hier een
onafhankelijk graafschap. Nadat geheel Zuid-Itali (1073) en 't eiland
Sicili (1091) door hen onderworpen waren, kroonde de paus in 1 130
RoGER II tot koning van (Napels en) Sicili. 't Eiland Sicili sloot
zich in 1282 (Siciliaansche Vesper) als koninkrijk Trinacria bij de
koningen van Aragon aan, die in 1442 ook Napels (koninkrijk Sicili)
veroverden

en

tot

1707 bleven beide landen

onder 't bestuur van

spaansche onderkoningen.
In laatstgenoemd jaar werd Napels door Oostenrijk veroverd; Sicili

dat nog tijdelijk aan 't hertogdom Savoi ten deel viel, volgde in
1718 doch reeds in 1735 stond Oostenrijk beide koninkrijken aan

de spaansche BoURBoNs af.


1) Nadat de Arabieren in de tweede helft der 9e eeuw 't eiland Sicili veroverd
hadden, gaven de Byzantijnen aan Zuid-Itali den naam van: Sicili aan deze zijde
van de Straat van Messina.

273

KONINKRIJK DER BEIDE SICILIN

Gesteund door sardinische troepen, verjoeg de bevolking van Napels


en Sicili in 1860 koning FRANCEsco II en sloot zich bij 't koninkrijk
Sardini aan.

In Napels werd tot 1818 gerekend bij ducati di regno (19.119 w.


f, z.) verdeeld in 5 tari' 2 carlini 10 grani 2 tornesi 6 (oude)
cavalli. De wet van 20 april 1818 trachtte wel is waar eene nieuwe

verdeeling in 100 grani 10 (nieuwe) cavalli in te voeren, doch de


oude behield de overhand.

Sicili rekende tot 1818 bij oncie = 30 tari' 20 grani en daar


deze oncia gelijk was aan 3 ducati di regno van Napels, waren ook
2 siciliaansche tari' = 1 napolitaanschen taro'. De wet van 20 apr. 1818
voerde den ducato di regno ook in Sicili in = 100 bajocchi 10
piccioli.
Bovenstaande rekenwijzen moesten in 1862 plaats maken voor de
italiaansche lira = 100 centesimi.

Felipe IV koning van Spanje 1621-65

3184 ll.

1622.

Taro' of testone 1).

p.

1698.

Grano.

HEIss 135.4 en VERGARA blz. 11 1

Carlos II 1677-1700

Rossi 3213.

Vittorio Amedeo II hertog van Savoi 1713-18


xx.

17 16.

Grano van Palermo.

i.

1717.

Grano van Palermo.

PRoMIs 61.48 en Rossi 3216.


-

Ferdinando IV (van 1815 af I) 1759-1825


i.

1801.

Zes tornesi van Palermo.

NEUMANN 18061.

m.

1815.

Tien grani van Sicili = 5 nieuwe bajocchi.

18088.

m.

1819.

Tien tornesi.

18098.

Ferdinando Il 1834-58

3191

i.

1838.

Vijf grani.

1) De oude lira werd in Itali testone genoemd, omdat de Vz. een borstbeeld of
groot hoofd (testa, testone) vertoonde.
18

274
3192

REPUBLIEK VENETI

i.

1838.

i.

Tornese.

18201.

Halve tornese.

18208.

i.

1840.

Tien tornesi.

18146.

3195 m.

1841.

Tien tornesi.

REPUBLIEK VENETI (VENEZIA)


Gedurende de volksverhuizing vestigden zich de, aan de noordkust
van de Adriatische zee wonende, Veneti op de 136 eilandjes in de
lagunen. Hier kozen zij in 697 hun eersten hertog (doge) PAoLUccio
ANAFESTo DI ERACLEA. Deze erkende den byzantijnschen keizer als
leenheer, doch zijne opvolgers huldigden, van de 11e eeuw af, het
oppergezag van de duitsche keizers. Onder den doge VITALE FALIERI
(1084-96) verkregen de Venetianen Dalmati en Istri van den by
zantijnschen keizer, in de 12e eeuw veroverden zij de eilanden in de
Egesche zee, 1204 't eiland Kandia 1386 verkregen zij 't eiland
Korfu; in 't begin der 15e eeuw vielen hun verschillende streken van
't vasteland (Verona, Padova, Brescia, Bergamo) ten deel en nadat
in 1484 de eilanden Zante en Cephalonia en in 1489 Cyprus onder
hun bestuur waren gebracht, waren de Venetianen meester van de
Middenlandsche Zee ten O.

van Malta.

In

de 16e en vooral in de

17e eeuw gingen de meeste bezittingen in 't O. aan de Turken ver


loren. 1797 legde de laatste doge LUDovIco MANINI de regeering neder
en de Franschen rukten Veneti binnen.

In 1805 werden Veneti en Dalmati door NAPoLoN I bij 't nieuwe


koninkrijk Itali gevoegd 1814 vielen alle venetiaansche provincin
Oostenrijk ten deel (Lombardisch-Venetiaansch Koninkrijk). 't Jaar 1848

zag hier tijdelijk de republiek San Marco ontstaan en nadat Oostenrijk


in 1866 afstand gedaan had van deze bezittingen sloot 't volk zich
bij 't jonge koninkrijk Itali aan.
Het muntstelsel was gebaseerd op de muntregeling van KAREL DEN
GRooTE nl. 1 pond (lira) 20 schellingen (soldo) 12 penningen

(denaro). Het eerste hertogelijk venetiaansche muntstukje is een 1/3 denaro

275

REPUBLIEK VENETI

of bianco van doge VITALE MICHIEL II (1156-72) ENRIco DANDoLo


voegde hier eene grootere zilveren munt (1192) aan toe: den grosso,
die onder de namen van gros, groschen, grote, groot dra in geheel
Europa werd nagevolgd (zie de noten op blz. 48 en 140), en in den
venetiaanschen volksmond matapane heette.
Jacopo Contarini 1275-80

3196 e.

Grosso = 28 piccoli of denari.

PAPADoPoLI VII.9

Andrea Gritti 1523-38

ll.

Tornesello. Ten onzent tournoois genaamd.

RosSI 5134.

Pietro Land0 1539-45


i.
ll.

Grossetto = 4 soldi.

5141.

Tornesello.

5143.

Alwise Mocenigo 1 1570-77


i.

Zecchino of ducato.

l.

Soldino.

5193.

Marc Antonio Memmo 1612-15


5269.
Giovanni Cornaro 1625-29

ll. (1629). Osella 1). In omloop voor 2 lire 15 soldi.

WERDNIG 109.

Domenico Contarini 1659-75

m.

z.. j.

Soldo van Zara (Dalmati).

RosSI 5696.

Ludovic0 Manini 1789-97


3204

i.

Zecchino.

5600.

1) Sedert 1275 waren de dogen verplicht jaarlijks in december aan ieder lid van
den Grooten Raad een geschenk in wild (5 wilde eenden, bij voorkeur wijfjes) te
doen thuis bezorgen. In 1521 gelastte de Groote Raad dat dit geschenk vervangen
moest worden door een zilverstuk ter waarde van '/, zecchino. De naam ucella
(vrouwel van vogel) ging op dit zilverstuk over en reeds in 1528 waren de ucelle
(venetiaansch: oselle) tusschen de gewone munten in omloop. De laatste osella draagt
't jaartal 1796.
18*

276

PAUSELIJKE STAAT

Franz l 1815-35

3205 rr.

1822.

Centesimo austriaco = 0.87 cent. italiano = 1/1oo lira


austriaca, die = 1/3 conventionsgulden of zwanziger
(zie onder Oostenrijk blz. 140).
Ferdinand I 1835 48

i.
xx.

1839. Vijf centesimi.


1843.

Centesimo.

Franz Joseph 1848-66

3208xx.

1862.

Soldo. Deze en de 3 vorigen muntletter: V

PAUSELIJKE STAAT (STATO PONTIFICIO)


Voor de goederen, die de pausen vr de 8e eeuw bezaten, moesten
zij den byzantijnschen keizer als leenheer erkennen.

Paus GREGORIUs II (715-31) werd de eerste onafhankelijke heer


van Rome een zijner opvolgers STEPHANUs II (752-57) verkreeg
van den frankischen koning PIPPIN 't Exarchaat van Ravenna, bene
vens de

kuststreek tusschen

Rimini en Ancona en nadat KAREL DE

GRooTE en de latere duitsche keizers dit gebied aanmerkelijk vergroot


hadden, bevestigde keizer Otto IV in 1201 als soeverein pauselijk
gebied al 't land, zooals dit tot 1859 een geheel heeft uitgemaakt.
In 1859 vielen verscheidene provincin (legaties) van den Pauselijken
Staat af en sloten zich bij Sardini aan. Alleen 't Patrimonium Petri
bleef onder pauselijk bestuur tot 1870, toen VITToRIo EMANUELE ook
dit laatste bij 't koninkrijk Itali voegde en Rome tot hoofdstad
van zijn rijk maakte. De paus bleef soeverein vorst in de paleizen
van 't Vatikaan, Lateraan en villa Castel Gandolfo, die exteritoriaal
werden verklaard.

Vr 1866 werd in den Pauselijken Staat gerekend bij den scudo


romano (24.2082 w. f. z.) 5 papetti (of lire) 2 paoli (of giulii)
2 grossi 5 bajocchi (bolognini of soldi) 5 quattrini. De scudo
romano dus = 500 quattrini.

277

PAUSELIJKE STAAT

In 1866 werd de lira als munteenheid aangenomen, 20 soldi


5 centesimi.
Alexander Wl 1492-1503

3209

ll.

z. j.

Quattrino van Ascoli.

CINAGLI 28.

Innocentius XII 1691-1700

Ulll.

1699.

Testone = 1 1/2 papetti of 30 bajocchi.

67.

Pius VI 1775-99
1778.

Grosso.

272.
Pius VII 1800-23

1802.

Bajocco.

47.
Pius VIII 1829-30

1829.

Bajocco.

4.

Gregorius XVI 1831-46


1831.

190.

1838.

Mezzo bajocco.
Bajocco.
Bajocco.

1840.

Bajocco.

174.

Mezzo bajocco.

205.

1837.

Pius IX 1846-78
1851.

1858.

Bajocco.
Mezzo bajocco.
Grosso di rame. (Koperen grosso van 5 bajocchi).
Twee bajocchi.
Vijfde scudo, papetto of lira.

1867.

Lira.

1853.

Tien soldi of halve lira.


3226 rr.

1868.

Tien soldi.

167.
169.

278

VORSTEN DOM

MONACO

Worstendom Monaco
De heerlijkheid Monaco behoorde sedert 968 aan de genueesche
familie GRIMALDI, van welke CATALANo (1454-57) 't eerst den vor
stelijken titel aannam. Bij 't uitsterven der GRIMALDI's in 1731 volgde
de familie GoYoN DE MATIGNoN op, die thans nog regeert.
De eerste munten van Monaco dagteekenen van 1512 zij werden
op spaanschen muntvoet geslagen eerst sedert 1648 is de fransche
muntvoet nagevolgd.
LoUIs I (1662-1701) liet de in de Levant meest gangbare euro
peesche muntsoorten nabootsen op minder gewicht en gehalte, o.a.
ook onze hollandsche leeuwendaalders.
Honor W 1819-41

3227

i.

1837.

Vijf centimes. In 't vorstelijk paleis te Monaco gemunt.


JoLIvoT 30.

Republiek Frankrijk (la France)


Op blz. 40 zagen wij dat West-Franken door 't verdrag van Verdun

(843) aan KAREL DEN KALE ten deel viel. Het terzelfder tijd gevormde
Middenrijk werd 870 (verdrag van Meersen) tusschen Oost- en West
Franken zoodanig verdeeld, dat de grenzen van West-Franken tot Maas,
Ourthe en Jura werden uitgebreid. De binnenlandsche twisten en voor
namelijk 't zwakke bestuur der karolingische vorsten waren oorzaak
dat de groote leenmannen in West-Franken zich zelfstandig maakten
en toen, na 't uitsterven der westfrankische Karolingen, HUGo CAPET,
hertog van Francia 1) in 987 den troon besteeg, regeerde hij feitelijk
slechts over zijne eigen bezittingen, de andere deelen van West-Franken
erkenden den koning te Parijs slechts in naam.
1) De naam Francia (Frankrijk) ging sedert op geheel West-Franken over.

REPUBLIEK

279

FRANKRIJK

Langzamerhand werden deze leenen weder onder 't gezag der kroon
teruggebracht, doch eerst ten tijde van FRANoIs I (1515-47) begint
't koninklijk gebied een aaneengesloten geheel te vormen.
10 Aug. 1792 werd 't koningschap afgeschaft en de republiek uit
geroepen, aan welke NAPoLoN I als keizer (1804) een einde maakte.
Nog eens, en wel na NAPoLoN's nederlaag bij Waterloo (18 juni
1815) trad 't oude koningschap onder de broeders van Louis XVI te
voorschijn doch bezweek voor den revolutionairen geest van 1848,
toen de tweede republiek werd ingesteld met prins LoUIs NAPOLON
(zoon van onzen koning LoDEWIJK) tot president.
Deze laatste, in 1852 tot keizer uitgeroepen, moest na den slag van
Sedan (1 sept. 1870) aftreden en ten derdemale verkreeg Frankrijk
den republikeinschen regeeringsvorm.
Bij zijne regeling der gewichten in 779 voerde KAREL DE GRooTE
een pond van 368.64 wichtjes in en liet daaruit 240 denarii slaan
zij waren van fijn zilver en 12 stuks werden solidus genaamd. Deze
indeeling van livre 20 sols 12 deniers bleef in Frankrijk meer
dan 1000 jaar in gebruik en maakte eerst 15 aug. 1795 plaats voor
den franc 100 centimes. Doch alhoewel de namen gedurende 10
eeuwen dezelfde waren gebleven, hadden opvolgende muntwetten gaan
deweg de waarde van de livre zoodanig verminderd, dat die van 368.64
wichtjes zilver was afgedaald tot 4.455 w., zooals wij in de volgende
bladzijden bij 't republiekeinsche jaar VIII zullen zien. De in 1795
ingevoerde franc bevatte 4.5 wichtjes fijn zilver.
Franois l 1515-47

3228 p.

z.. j.

p.

Dubbele tournois = 2 deniers of 1/5 sol.


Te Lyon geslagen.
HoFFMANN

Dubbele tournois. Kz. BNDICTV:

BERRY

61.110

51.4

Henri III 1574-89

3230xx.

1580.

Dubbele tournois of double van Rennes 1).

HoFFM. 77.65

1) Hoewel sedert 1420 de muntplaatsen van tijd tot tijd worden aangeduid door
de beginletters werd deze zaak voor 't eerst blijvend geregeld door FRANOIS I.
14 Jan, 1540 gelastte hij dat de verschillende munthuizen hunne stukken moesten
merken met de daarbij gevoegde letters. Zoo beteekent:

280

REPUBLIEK

3231 m,

1589.

FRANKRIJK

Double van Lyon.

77.65

Henri IV 1589-1610
m.

1594.

Verg. 82.85

Double. Muntletter onleesbaar.


Louis XIII 1610-43

XX.

Douzain of sol tournois = 12 deniers.

89.111

m.

1615.

Ons stuk draagt duidelijk de sporen van 't snoeien,


waarover in die tijden zeer geklaagd werd.
Double = 2 deniers, van Parijs.
BERRY

i.

1621.

Double van Poitiers.

-.

p.

1632.

XX.

1638.

Double van Lyon.


Double van Parijs.

-,

Denier van Bordeaux.

.9

Double van Tours.

.8

XX.

xx.

1639.

62.7

-,

ij.

1640.

Double van La Rochelle.

m.

1642.

Double van La Rochelle.

xx.

1643.

Double van Tours.

dd.

-,

-,

.10

Double van La Rochelle.

-. -

Louis XIV 1643-1715


m.

1644.

Kwart cu 1) blanc van Parijs.

i.

1653.

Halve cu blanc van Rouaan.

i.

1655.

Dit stuk gold 30 sols.


Liard = 3 deniers, van Lyon.

3247 ij.

1656.

Liard van Rouaan.

A Parijs

L Bayonne

B Rouaan

M Toulouse

HoFFM. 95.77
.76

104.235
-,

S. Mnhould. Onder
CHARLES X Nantes
V Turin

C S. Lo, sedert 1554 Caen N Montpellier


D Lyon
O St. Pourgain, sedert 1550 X Villefranche, sedert
E Tours

F Angers
G Poitiers
H La Rochelle

Riom

I Limoges
K Bordeaux

1578 Aix

P Dijon.
Y Bourges
Q Chlons s. Marne
Z Grenoble
R Villeneuve bij Avignon,
later Orlans

S Troyes

9 Rennes
99 Nantes

') De cu werd in Frankrijk sedert 1641 geslagen, in navolging van de spaansche


stukken van 8 realen (pesos).

281

REPUBLIEK FRANKRIJK

3248xx.

1657.

Liard van Tours.

104.235

p.

uu.

1691.

Liard van Poitiers.

m.

1693.

Liard.

m.

1697.

Vier deniers.

j.
ij.

1703.
1710.

Halve cu aux insignes van Rijsel.


Dardenne = 6 deniers, van Aix-en-Provence.

-,

Kwart cu aux huit L van Parijs 1).

99.135

Dit stuk gold thans reeds 16 sols.


104.244
.245
100.154

104.248

Louis XV 1715-74

i.
.

1718.
1726.

ll.

i.

1770.

cu de Navarre van Amiens. Gold 6 livres.


cu blanc van Rennes.

-. -

Halve sol = 6 deniers, van Montpellier.

i.

Liard van Reims.

Liard van Rijsel.


Liard van Besanon.

i.
i.
3265 dd.

110.50

cu blanc van Parijs. (Valsch).

p.
p.

p.

109.34

111.78
.79
-.

-. -

1771. Liard van Rijsel.

- . -

1772. Sol = 12 deniers, van Montpellier.


1773. Liard van Rijsel.
1774. Liard van Rijsel.

.77
.79
-.

') Een edikt van 1681 gaf aan de volgende munthuizen de daarbij gevoegde letters:
= Narbonne

S = Reims
W = Amiens

doch reeds in 1696 werd eene nieuwe lijst vastgesteld:


A Parijs

M Toulouse

B Rouaan

N Montpellier

AA Metz

C St. Lo, sedert 1693 Caen

O Clermont
P Dijon

AR Arras

D Lyon
E Tours

F Angers
G Poitiers
H La Rochelle

I Limoges.
K Bordeaux

Rennes.

AB Straatsburg

S Troyes
BB Straatsburg
S met de heilige phiool
CC Besanon
Reims LL sedert 1685 Rijsel
T Nantes
X Amiens

VV Rijsel

Y Bourges

(koe) Pau in Barn

MA in monogram
(sedert 1786) Marseilles
De wet van 26 pluvise jaar II (14 febr. '94) hief alle munthuizen, behalve Parijs,
op. De papieren assignaten, waarvan voor bijna 40 milliard livres werd uitgegeven,
hadden de klinkende munten verdrongen.

L Bayonne

& Aix-en-Provence

282

REPUBLIEK

FRANKRIJK

Louis XVI 1774-92 f 1793

Munten met koninklijken beeldenaar


3266 p.

1778.

Liard van Rijsel.


Liard van Rijsel.
Sol van Rijsel.
Liard van Rijsel.
Sol van Rijsel.

1779.

1780.
1781.
1782.

1 14.19
-. -

. 17
. 19
. 17

Dit stuk werd sol rouge genoemd, in tegenstelling


met de latere stukken van klokkenspijs (geel
koper).
Liard van Rijsel.
Sol van Rijsel.
Liard van Rijsel.

1783.
XX.

1785.

kk.

1786.

Il.

1787.
XX.

1788.
1789.
1790.

. 19
. 17
.19

Sol van La Rochelle.

. 17

Liard van Rijsel.


Sol van Rijsel.
Liard van Rijsel.
Liard van Rijsel.
Liard van Rijsel.
Alhoewel de wetten van 11 jan. en 20 apr. 1791
gehalte, gewicht en beeldenaar voor de nieuwe
munten hadden vastgesteld waren de munt
stempels niet spoedig genoeg gereed en gelastte

. 19

de

wet van 20 mei 1791

. 17
.19
-,

-.

den aanmaak van

koperen munt met de oude stempels:


XX.

bb.

1791.

Sol van Parijs. Vz. Gaande leeuw onder 't Bb.

-.17

Sol van Parijs. Vz. Kraanvogel.

--. -

Sol van Rouaan.

-. -

Munten met constitutioneelen beeldenaar

De volgende munten zijn geslagen volgens de munt


wetten van 11 jan. en 20 apr. 1791 :
3283 rr.

1791 1). Dertig sols van Limoges.

117.63

') Op de Kz. dezer munten staat: l'an 3 de la libert den 3en mei 1788 toch,
had 't parlement Frankrijk tot constitutioneele monarchie verklaard.

283

REPUBLIEK FRANKRIJK

3284

i.

1791.

P.

Vijftien sols van Lyon.


Twee sols van Parijs.

117.65
-

.70

cu = 6 livres, van Parijs.

.60

i.

cu van Limoges.

-. -

i.

Dertig sols = 1/4 cu, van Parijs.

.63

t.

Dertig sols van Limoges. (Valsch).

-.

ll ll.

1792.

bb.

Dubbele sol van klokkenspijs, Parijs.


.70
De wet van 3 aug. 1791 gelastte dat de klokken der
opgeheven kerken zouden gesmolten worden. Deze
massa, met een zelfde hoeveelheid koper vermengd,
moest vermunt worden tot stukken van 2 sols, 1 sol

en 1/2
Dubbele
Dubbele
Sol van
Sol van
Sol van
Sol van

ll.
XX.
XX.

XX.
XX.

sol.
sol van Rouaan. Klokkenspijs.
sol van Rijsel. Klokkenspijs.
La Rochelle. Klokkenspijs.
La Rochelle. Klokkenspijs.
Pau. Koper.
Lyon.

117.70
-. -

.72
-.

-. -

-,

Eerste Republiek 1792-1804


21 Sept. 1792, verklaarde de nationale conventie in hare
eerste vergadering, dat 't koningschap in Frankrijk
was afgeschaft 21 jan. 1793 besteeg Louis XVI
't schavot.

De nieuwe republikeinsche jaartelling begon 22 sept. 1792


met 't jaar I en bleef in gebruik tot 1 jan. 1806, toen
NAPoLoN den gregoriaanschen kalender herstelde.
1793.

Dubbele sol van Rouaan.

Dubbele sol van Rijsel.

XX.

3300

i.

Jaar 2.

117.70
-,

De twee volgende munten zijn nog geslagen met stempels


van den ouden beeldenaar. De wet van 26 april 1793
verving 't Bb. van Louis XVI door een vierkant bord
met LES HOMMES SONT GAUX DEVANT LA LOI.
Sol van Lyon.
BERRY 78.6
Sol van Rijsel.
-. -

284

REPUBLIEK FRANKRIJK

Door de wet van 1 aug. 1793 was de livre verdeeld in


10 dcimes 10 centimes doch eerst 28 thermidor

jaar III (15 aug. '95) werd de munteenheid, verdeeld


in 100 centimes, franc genoemd. Tevens werd de aan
maak van stukken van 5 francs, 2 francs, van 2 en
1 dcime, van 5, 2 en 1 centime bevolen.
Naast 't munthuis te Parijs opende de wet van 22 ven
dmiaire jaar IV (14 okt. '95) zeven nieuwe, die met
de volgende letters merkten:
A Parijs
L Bayonne
VV Rijsel
D Lyon
Q Perpignan
BB Straatsburg
K Bordeaux

T Nantes

3 Nivse VII (23 dec. '98) kwamen hierbij Marseille


met MA (in monogram) en Metz met AA.
De franc werd gelijk gesteld aan 1 livre 0 sol 3 deniers,
de livre = fr. 0.99 (26 vendmiaire VIII).
3301

i.

Jaar 4.

Vijf centimes van Parijs.

78.7

rr. Jaar 5. Twee dcimes veranderd in UN dcime.

82.2

Aangezien de door de wet van 28 thermidor III geschapen


bronzen munten te weinig innerlijke waarde hadden
werden zij door de wet van 28 vendmiaire V (19
okt. '96) nominaal tot op de helft verminderd. Een
door PHILIPPE GENGEMBRE uitgevonden toestel schaafden
de 2 en de S van de 2 dcimes- en 2 centimes-stukken

XX.

n.

af en 't woord UN werd opnieuw ingestempeld de


andere stukken gingen in den smeltoven.
Dcime van Parijs.
82.3
Vijf centimes van Parijs,
. 1
Vijf centimes van Rijsel.
Centime van Parijs.
79.6
Centime van Parijs. 't Cijfer 6 kleiner.
Vijf centimes van Parijs.
82.1
Centime van Parijs.
79.6
Vijf francs van Parijs.
80.1
Vijf francs van Perpignan.
De muntwet van 7 germinal XI (28 maart 1803) behield
den franc (5 wichtjes zilver op 9/1o fijn) als munteen
heid, en gelastte de aanmunting in zilver van 1/4, 1/2,
-. -

i.
XX.

Jaar 6.
-

-.

xx.
i.

Jaar 7.

uu. Jaar 10.

3311

i. Jaar 11.

-. -

REPUBLIEK

285

FRANKRIJK

1, 2 en 5 francs; in goud van 20 en 40 francs


alle met 't Bb. van

den eersten consul BoNAPARTE.

Bij de 10 bovengenoemde munthuizen werden nog de


volgenden geopend:
Rouaan B
Limoges I
Turijn M
Genve G
3312

Toulouse M

en in 1808 La Rochelle M.

i. Jaar 12. Vijf francs van Toulouse.


Twee francs van Parijs.
i.
Kwart franc van Parijs.

Tr'.

83.5
-.4
.1

Napolon l 1804-14

Sedert 1807 verschijnen de gregoriaansche jaren weder


op de munten de stukken van 1809 vermeldden

voor 't eerst op de Kz. EMPIRE FRANCAiS de


munten van de jaren XIII tot 1809 dragen op de Vz.
NAPOLEON EMPEREUR doch op de Kz. REPU

BLIQUE FRANAISE 1).


i. Jaar 13. Twintig francs van Parijs.
uu.

Vijf francs van Parijs.


i.

Twee francs van Parijs.


i.
Halve franc van Parijs.
i.
i.
uu.
pp.

i.
ij.
m.
jj.
ij.
cc.
uu.

3332

1807.
1808.

Kwart franc van Parijs.


Kwart franc van Parijs.
Franc van Parijs.

Halve franc van Rijsel.

Tien centimes van Parijs.

Tien centimes van Rijsel.


1809. Halve franc van Parijs.

Kwart franc van Parijs.

Tien centimes van Limoges.


1810. Franc van Parijs.

Halve franc van Parijs.

84.3
.7
. 1
83.9
.8
84.4
.5

Verg. -.
85.2
-,

6
.5
.2
7
.6

i.

Tien centimes van Rouaan.

.2

xx.

Tien centimes van La Rochelle.

-. -

i.

1811. Twintig francs van Parijs.

.10

1) In het Senaatsbesluit van 18 mei 1804 staat: Le gouvernement de la Rpublique


est confi un Empereur, qui prend le titre Empereur des Franais.

286

REPUBLIEK

3333 rr.

1811.

i.
UlUl.

1812.

i.

FRANKRIJK

Franc van Bayonne.


Halve franc van Rijsel.
Vijf francs van Parijs.
Halve franc van Parijs.

85.7
.6
.9
.6

Louis XVIIl 1814-24


181 4.
181 5.

1816.
1817.
1818.

1823.

Twintig francs van Parijs.


87.2
Veertig francs. Zonder muntteeken. Verguld koperen
proeven van de Vz. en van de Kz.
Verg. -.11
Halve franc van Parijs.
.7
Twintig francs van Rijsel.
blZ. 708.
Franc van Parijs.
87.8
Kwart franc van Parijs.
.6
Vijf francs van Rijsel.
. 10
Charles X 1824-30

1827.

Vijf francs van Parijs.

88.7

Vijf francs van Rouaan.

-. -

Franc van Rijsel.

.5

1828.

Kwart franc van Parijs.

.3

1 830.

Twintig francs van Parijs.

.8

Henri V 1830

Vr zijne ontvluchting naar Engeland, had CHARLES X


2 aug. 1830 ten gunste van zijn kleinzoon, den hertog

van Bordeaux, als HENRI V, afstand van den troon


gedaan.
In Parijs, Nantes en Londen werden proefmunten op
zijn naam geslagen.
rr.

1831.

blz. 712.

Franc.

Louis Philippe I 1830-48


1830.

Vijf francs van Parijs.

1831.

Franc van Rijsel.

1832.
llUl,

3354

i.

1833.

Kwart franc van Rijsel.


Vijf francs van Parijs.
Vijf francs van Rijsel.

90.2
-

89,7
-.3
90.3
-,

REPUBLIEK

287

FRANKRIJK

3355 uu.

1833.

Kwart franc van Rijsel.

S9.3

i.

1834.

Twintig francs van Rouaan.


Vijf francs van Parijs.
Franc van Parijs.
Halve franc van Parijs.
Kwart franc van Parijs.
Franc van Rijsel.
Vijftig centimes van Parijs.
Vijfentwintig centimes van Parijs 1).

90.4

UlUl.
U1Ul.

i.

1841.
1842.

i.

1845.

i.

1846.

i.

.3
89.8
.5
.3
.8
.6
.4

Tweede Republiek 1848-52


1848.

bb.

Centime van Parijs.


1849.

i.
i.

Twintig francs van Parijs.


Vijf francs van Parijs.

1850.

Twintig centimes van Parijs.


Tien francs van Parijs.
Vijf francs van Parijs.
Twee francs van Bordeaux.

XX.

U1Ul.

bb.

Vijftig centimes van Parijs.


Twintig centimes van Parijs.
Twintig francs van Parijs.
Vijf francs van Parijs.
Centime van Parijs.
Vijf francs van Parijs.
Napolon lll 1852-70

Tien centimes van Parijs.


Tien centimes van Rijsel.

Tien centimes van Rijsel. Geslagen bij gelegenheid van


't bezoek van den keizer en de keizerin aldaar.

3381

i.

Vijf centimes van Parijs.


Vijf centimes van Lyon.

1) Er waren thans nog in werking de munten te


D Lyon

A Parijs

B Rouaan

K Bordeaux

Rijsel

BB Straatsburg
MA Marseille

288
3382

REPUBLIEK

i.

1853.

i.
SS.

hh.
i.
i.
ll.

i.
ll.
i.
i.
d.

jj.

1854.

FRANKRIJK

Twee centimes van Rijsel.


Centime van Parijs.
Tien centimes van Parijs.
Tien centimes van Lyon.
Tien centimes van Rijsel.
Vijf centimes van Lyon.
Vijf centimes van Rijsel.
Twee centimes van Parijs.
Twee centimes van Rijsel.
Centime van Parijs.
Tien centimes van Rijsel.
Vijf centimes van Parijs
Vijf centimes van Rijsel.
Vijf centimes van Marseille.

Vijf francs van Parijs.


Tien centimes van Rouaan.

Tien centimes van Rijsel.


Vijf centimes van Rouaan.
Vijf centimes van Rijsel.
Vijf centimes van Marseille.
Twee centimes van Rouaan.
Twee centimes van Bordeaux.

Twee centimes van Rijsel.


Centime van Parijs.
Tien centimes van Parijs.
Vijf centimes van Marseille.
Franc van Parijs.
Twintig centimes van Parijs.
Vijf centimes van Parijs.
Tien centimes van Parijs.
Vijf centimes van Parijs.
Vijf centimes van Bordeaux.
Twee centimes van Parijs.
bb.

1.

bb.
3419

n.

Twee centimes van Bordeaux.

Centime van Parijs.


Tien centimes van Parijs.
Vijf centimes van Parijs.
Vijf centimes van Bordeaux.

289

REPUBLIEK FRANKRIJK

3420

i.
i.
i.
ll.
rr.

i.
i.
ij.

1864.

1865.

Vijftig centimes van Parijs.


Vijf centimes van Parijs.
Vijf centimes van Parijs.

1866. 1) Franc van Parijs.

Vijftig centimes van Bordeaux.

1867.

Vijf francs van Parijs.


Franc van Parijs.
Vijftig centimes van Parijs.
Derde Republiek sedert 1870

i.
i.

i.
i.
i.
rr.

1870.

Vijf francs van Parijs.


Twee francs van Parijs.

Tien centimes van Parijs.

Tien centimes. In Parijs, tijdens 't beleg, geslagen.


Vz. Luchtballon met G* DE LA DFENSE NATIONALE
1871. Tien centimes van Parijs.
1872. Tien centimes van Parijs.
-

xx.

1873.

Tien centimes van Bordeaux.

xx.

1874.

Vijf centimes van Bordeaux.

NOOD MUNT VA N FRANKRIJK

Rijsel

Tijdens den spaanschen erfopvolgingsoorlog werd Rijsel door prins


EUGEN, na eene belegering van 4 maanden, ingenomen (1708) doch
door Oostenrijk in 1713 aan Frankrijk teruggegeven.
3436 k..

1708.

Twintig sols. De keerzijde draagt 't wapen van maarschalk


DE BoUFFLERs, verdediger der stad.
MAILLIET 73.1

') Door de Latijnsche Muntconventie, den 23" dec. 1865 te Parijs gesloten, ver
bonden Frankrijk, Belgi, Itali en Zwitserland zich muntstukken van 't zelfde gewicht
en gehalte te laten aanmaken de grondslag was 3100 francs uit 1 kilo goud en 200
francs uit 1 kilo zilver, beide 0.900 fijn 1 aug. 1866 trad deze conventie in werking.
In 1866 sloot de Pauselijke Staat zich bij genoemde bepalingen aan, in 1867 Grie
kenland en Rumeni, 1868 Spanje en 1870 Oostenrijk voor eenige gouden munten
(stukken van 8 en 4 gulden = 20 en 10 francs).
19

290

LEENEN IN

FRANKRIJK

MUNTEN VAN PARTICULIEREN

(PICES DE CONFIANCE)
Zich beroepend op art. 5 van de Droits de l'homme lieten ver

schillende kooplieden eigen munten, in navolging der engelsche tokens


(zie blz. 246) slaan.

De meest verspreide, die der firma MoNNERON FRREs te Parijs,


hebben aan deze stukken den naam Mon n er ons gegeven.
Hun gebruik is door de wet van 3 sept. 1792 in Frankrijk ver

boden, doch eerst in 't jaar IV (1795) verdwenen zij voor goed uit
den omloop.
3437 xx.

i.
m.
3440

i.

1791.

Dubbele sol van Monneron frres.

1792. Vijf sols van Monneron frres.

Vijf sols van Monneron frres.

Dubbele sol van Monneron frres.

HENNIN 342.
431.
432.
437.

LEEN EN IN FRANKRIJK

Het zwakke bestuur der westfrankische Karolingers was oorzaak


dat vele leenmannen hun gezag over groote deelen van West-Franken
uitbreidden, zelf op hun beurt achterleenen verleidden en zich 't munt
recht aanmatigden. Zij waren min of meer onafhankelijk van den
franschen koning.
Zoo vond HUGo CAPET bij zijne troonsbestijging West-Franken geheel
in leenen en achterleenen verdeeld, welke door zijne opvolgers, vooral
sedert LoUIs IX (122670) langzamerhand alle met de kroon her
eenigd werden. Het laatste groote leen (Bretagne) volgde in 1532.
De beeldenaars dezer feodale munten zijn meestal nabootsingen
van de koninklijke stempels. De munt van een leenman toch had slechts
wettelijken omloop in 't leen zelf - de koninklijke stukken moesten
sedert LoUIs IX overal worden aangenomen.

LEENEN

IN

291

FRANKRIJK

Prinsdom Henrichemont

Werd in 1766 met de kroon vereenigd.


Maximilien Ill Franois 1641-61
3441 xx.

1642.

Double = 2 deniers.

PoEY D'AvANT 2101.

Prinsdom Oranje
Dit graafschap, sedert 1173 prinsdom, viel in 1530 door erfenis aan
de nederlandsche Nassau's ten deel (zie blz. 95). Het werd 1673 door

LoUIs XIV in bezit genomen en in 1702 met de fransche kroon ver


eenigd.
Frederik Hendrik 1625-47

m.

1640.

Double. V2. PRI. AW

4610.

Prinsdom Dombes

Dit prinsdom werd 1693 met de kroon hereenigd.


Marie 1608-26

p.

1622.

Double.

5 162.
Gaston 1627-50

xx.

1639.

Double.

5 196.

dd.

1643.

Double.

5202.

Graafschap Rthel
Charles II de Gonzague 1601-37
xx.

1608.

Dubbele liard = 6 deniers.

6150.

rr.

1609.

Dubbele liard.

61 48.

3448 p. 1610. Dubbele liard.

Prinsdom Chateau-Renaud

Werd 1629 met de kroon hereenigd.


19*

292

LEENEN IN

FRANKRIJK

Franois de Bourbon 1603-14


3449 xx.

1613.

Dubbele liard. K2. CONTI

6203.

xx.
p.
m.

z.. j.
1614.
z. j.

Double = 2 deniers tournois.


Dubbele liard.
Double.

6207.
6203.
6216.

Hertogdom Bouillon
Henri de la Tour 1591-1623

xx.

1613.

Dubbele liard.

6325.

ij.

1614.

Dubbele liard.

6324.

IIl.

Double.

6341.
Frdric Maurice 1623-52

xx.

1635.

Double.

6354.

Abdij S. Bertin te S. Omer


i.

XIIIe eeuw.

Kleine denier of obool.

DEwISMEs 102.

Artois
Felipe IW 1621-65
i.

1639.

Liard.

275.

STEDELIJKE MU NT IN FRANKRIJK

Besanon
Vroeger tot 't duitsche rijk behoorend, werd Besanon in 1184 tot
vrije rijksstad verheven de stad verkreeg in 1534 't muntrecht, dat
zij tot hare inlijfing bij Frankrijk (1679) heeft uitgeoefend.
3459 pp.

1664.

Kwart daldre.

PoEY D'AVANT 5426.

293

KONINKRIJK SPANJE

Koninkrijk Spanje (Espaa)


Na in 't bezit te zijn geweest van Karthagers en Romeinen, werd
Spanje in 414 door de Westgoten bezocht en in 582 geheel door hen
onderworpen.
In 711 staken de in Afrika heerschende Arabieren onder hun aan

voerder TARIK (zie blz. 253) naar Spanje over, veroverden 't land en
maakten het tot onderdeel van 't groote kalifaat der Omajaden (zie
hierachter bij de arabische munten).
Inmiddels stichtten de naar 't N. gevluchte Westgoten verschillende
Christenstaatjes (Leon, Kastili, Navarra, Aragon) die slechts n doel
hadden: verdrijving der Arabieren uit Spanje.
Buiten Spanje veroverden de koningen van Aragon in 1229 de
Balearen, 1282 Sicili, 1323 Sardini, en nadat in 1479 Aragon met
Kastili (en Leon sedert 1037) vereenigd waren, was de weerstand der
Arabieren gebroken. Ze werden na de verovering van Granada (2 jan.
1492) uit Spanje verdreven.
Het nieuw gevormde koninkrijk Kastili veroverde in 1504 Napels,
in 1512 Navarra. Koning CARLos I, sedert 1517 koning van Kastili
en Aragon werd twee jaar later ook tot duitsch keizer (KARL V) ge
kozen. Bij de verdeeling van zijn rijk (1555-56) schonk hij aan zijn'
zoon FELIPE (FILIPs II) behalve Spanje, ook de Nederlanden, Milaan,
Napels, Sicili en Sardini. De spaansche macht toen op haar toppunt
begon reeds spoedig te verzwakken.
In 1648 (vrede van Munster) moesten de Noord-Nederlanden onaf
hankelijk worden verklaard, terwijl de andere bezittingen gedurende
den spaanschen erfopvolgingsoorlog verloren gingen, zelfs Gibraltar
moest aan Engeland worden afgestaan (1704).
5 Mei 1808 droeg de spaansche koning CARLos IV zijne rechten
aan NAPoLON over, die zijn broer JosEPH op den troon plaatste. In
juli 1813 werden de Franschen uit Spanje verdreven en FERNANDo VII,
zoon van CARLos IV in mei 1814 tot koning uitgeroepen.
-

In Spanje had iedere provincie haar eigen muntstelsel wij hebben


ons hier slechts met 't voornaamste, 't kastiljaansche, bezig te houden.

294

KONINKRIJK SPANJE

Hier werd gerekend bij reales de vellon 34 maravedises en de


hoofdmunt was de peso duro of peso fuerte, meer bekend onder den
naam piaster 20 reales de vellon 34 maravedises 10 dinros.

De wet van 15 april 1848 bracht de gewenschte eenheid in 't spaan


sche muntwezen de real de vellon verdeeld in 100 cntimos werd

als munteenheid aangenomen op 1.1830963 w. f. zilver en men ging


over tot 't aanmunten der volgende stukken:
in goud: doblon = 100 realen.
in zilver: duro

1/2

20

escudo =

10

peseta =

real

X)

in koper: 1/2, 1/5, 1/10 en 1/20 realen.


De wet van 26 juni 1864 voerde den escudo = 10 reales 10
cntimos 10 milsimos, als eenheid in.

Op 19 oktober 1868 trad Spanje tot de Latijnsche Muntconventie

bij, doch eerst drie jaar later verkreeg de nieuwe nheid: peseta
100 cntimos de peseta feitelijk 't burgerrecht. De peseta = frank.
Muntteekens zijn: A = Avila, B = Burgos, BA of vijfpuntige ster
= Barcelona, C = Cuenca, C met kroon = Cadix, CA = La Coruna,
G = Granada, GNA = Girona, J = Jubia, JAEN = Jaen, L =

Leon, LERIDA = Lerida, M of een zespuntige ster = Madrid, P =


Palma, PP = Pampelona, S of bogen eener waterleiding = Segovia,
SE of een zevenpuntige ster = Sevilla, T = Toledo, TOR = Tortosa,
V = Valladolid, Z = Saragossa (spaansch Zaragoza).
Isabel l en Fernando V 1474-1504-16

3460

i.

z.. j.

rr.
i.

Twee reales de plata van Burgos.


2 Reales de plata = 3 reales de vellon.
Halve real de plata van Burgos.
Halve real de plata van Sevilla.

HEISS 21.80

23.110
.121

Felipe II 1556-98

3463

i.

z.. j.

Blanca = 1/1 real de plata.

31.36

295

KONINKRIJK SPANJE

Felipe III 1598-1621


1606.

Vier maravedises.

1608.

Escudo van Segovia.

32.5

1609.

Acht maravedses.

33.22

Z. J.

Twee reales de plata.

.13

33.23

Felipe IW 1621-65

z. j.

Acht maravedfses.

38.62

Acht maravedses.
35.17

Real de plata van Segovia.

XX.

1620.

Acht maravedses.

37.36

1629.

39.

1631.

Acht maravedses. Geslagen op eenen ouden cuartillo.


Acht maravedfses. Geslagen op eenen ouden ochavo.
Acht maravedses. Op ouden cuarto.

.93

1634.

Twaalf maravedfses.

.95

1635.

Zes maravedfses.

1641.

Acht maravedses.

1 652.

Acht maravedfses.

.94

1658.

Vier maravedfses.

.92

1659.

Twaalf maravedses.

.95

Twaalf maravedses.

.92

1663.

XX.

.92

Verg.
.93

Zestien maravedses.

38.56

Zestien maravedfses.

.49

Zestien maravedses. Stempel Vz. R


XX.

1664.

Zestien maravedses.

.53

Z. J.

Dinerillo van Valencia.

102.8

't Valenciaansche muntstelsel bevatte pesos 20 sueldos


5 dinros. 85 sueldos waren gelijk aan 64 reales
de vellon.

Felipe W 1700-46
1709.

Sisena of zes maravedses van Valencia.

50.91

1711.

Sisena.

1718.

Twee maravedfses.

.84

1719.

Vier maravedfses.

.83

1720.

Twee maravedses.

.84

Real de plata van Sevilla.

48.56

1721.

296

KONINKRIJK SPANJE

3493 rr.

1722.

Twee reales van Segovia.

48.50

rr.

1725.

Twee reales van Madrid.

-.52

UlUl.

1740.

Real de plata.

.57

1743.

Vier maravedses.

50.80

Fernando VI 1746-59
XX.

1751.

54.27

Real de plata van Madrid.


Carlos III 1759-88

1761.
1772.
1773.

57.41

Halve sevillano.

56.29

Vier maravedfses.

57.40

1778.

Vier maravedses.'

1780.

Vier maravedses van Segovia.


Real de plata van Madrid.
Halve real de plata.
Twee maravedses van Segovia.

1783.

1788.

56.29

Halve sevillano of 4 reales de plata van Sevilla.


Twee maravedfses van Segovia.

55.21
56.27
57.41

carlos IV 1788-1808
1798.
rr.

1803.

Inl.

1806.

Vier maravedfses van Segovia.


Halve real de plata van Madrid.
Acht maravedses van Segovia.

60.27
58.10
60.26

Fernando WII 1808 en 1814-33


XX.

XX.

Acht maravedfses.

65.42

1821.

Halve piaster = 10 reales de vellon.

.38

1824.

Vier maravedfses.

.48

1816.

Isabel Il 1833-68
1842.

Acht maravedses van Segovia.

1844.

Acht maravedses.

1854.

Vier maravedses van Segovia.


Duro of piaster = 20 reales de vellon.

.26 bis

1855.

Acht maravedses.

70.26

rr.

bb.

3520 p.

1868.

Vijftig centimos de peso.


Derdehalf centimos de escudo.
Halve centimo de escudo.

70.26

69.10

207

BALEAREN

Republiek 1868-70

3521 ll.

1870.

Vijf centimos.
Alfonso XIII sedert 1886

gg.

1889.

Peseta.

BALE AREN (ISLAS BALEARES)


Deze eilanden eerst door Phoeniciers, daarna door Kartagers bevolkt,
werden

123 v. Chr. door de Romeinen en in 798 door de Arabieren

veroverd. De zeerooverij dezer laatsten, noopte JAIME I koning van


Aragon in 1229 't eiland Majorka te bezetten, en dit met de omlig
gende eilanden aan zijne kroon te hechten. Sedert maken zij deel uit
van Spanje.
Alhoewel van Majorka ook punische, romeinsche en mohamedaansche
munten bekend zijn, bevat deze verzameling slechts een paar uit 't
-

spaansche tijdvak.
Felipe V (IW in Majorka) 1700-24-46
i.

1722.

Treseta de cobre = 6 dineros.

3524 ll.

1724.

Treseta de cobre.

CAMPANER IX.10
-. -

Onder FELIPE V leverde 't munthuis te Majorka in goud


stukken van 1/8, 1/4, 1/s en 1/16 onza - geen zilver en in koper: dinero, doblero (= 2 dineros) en treseta
(= 3 dobleros).

Koninkrijk Portugal
Het door de Lusitanirs bewoonde land werd 138 v. Chr. door de

Romeinen, 585 door de Westgoten en 712 door de uit Afrika komende


Arabieren veroverd.

In de 11e eeuw voegde FERNANDo van Kastili 't tegenwoordige

298

KONINKRIJK

PORTUGAL

Noord-Portugal als markgraafschap Portugal (Porto Cale, oude naam


van Porto) aan zijne kroon. Dit markgraafschap wist zich (1094) on
afhankelijk te maken en 1139 werd AFFoNso tot koning uitgeroepen.

AFFONso III veroverde in 1253 Algarve en noemde zich koning van


Portugal en Algarve. Van 1580- 1640 en 1807-10 met Spanje

vereenigd, bewaarde 't sedert dien tijd zijne zelfstandigheid.


De oude rekenwijze bij libras 20 soldos 12 dinheiros werd op
't einde der 15e eeuw verdrongen door de rekening bij reaes de cobre,
waarvan 200 een soldo deden.

De gestadige koersverhooging der munten, was echter oorzaak dat


deze reaes of ris niet dan in meervouden werden aangemunt. Bij dit
verhoogen van de nominale waarde der munten werden de stukken
voorzien van instempelingen of dutten (contramarcas, carimbos).
Sedert 1854 is de gouden standaard ingevoerd, waarin de milris
1.6257 wichtjes fijn goud bevat zoodat de real (meerv. ris), ver
geleken met ons gouden tientje (6.048 f. g.), gelijk is aan bijna
0.269 cent.

In Portugal wordt dan ook gerekend met milris (= 1000 ris), met
contos (1.000.000 ris), en contos de conto (1.000.000.000 000 ris),
aangezien de real te gering voor europeesche toestanden is.
Muntteekens zijn: B = Braga, L of LB = Lissabon, P of PO =
Porto, M = Miranda, T = Tuy, E of EV = Evora.
D. Pedro II 1683-1708
3525 i.

z.. j.

Dubbele vintem van Porto.

ARAGAo 39.54

In 1688 werd de koers der munten met 25 0/0 verhoogd,

m.

z.. j.

zoodat dit stuk in plaats van 40 in 't vervolg voor


50 ris in omloop was; vandaar dat dit stukje later
meio tosto werd genaamd.
Halve tosto.
39.46

m.

1687.

Halve cruzado = 2 tostes = 200 ris.

38.41

p.

1699.

Een en een halve real.

39.62

D. Jo0 W 1706-50

3529 cc.

z. j.

Tosto van Lissabon. Oorspronkelijk als viervoudige


vintem geslagen.

43.45

KONINKRIJK

3530 X.

XX.

1714,

Drie ris.

1737.

Vijf ris.

1738.

Vijf ris.

1746.

Vijf ris.

PORTUGAL

FERNANDEs 252.3

299

Verg. -.56
44.62
-

D. Jos | 1750-77
1752.

Vijf ris.

. 14

1754.

Tien ris.

. 13

1757.

Vijf ris.

. 14

1764.

Tien ris.

-. 13

Tien ris. Kz. Beide takken met 13 eikels.

Vijf ris.

. 14

Drie ris.

45.15

1765.

Tien ris.

44,13

1766.

Vijf ris.

.14

D. Maria l alln 1786-99


XX.

1799.

Tien ris.

47.31

Vijf ris.

.32

D. Joo . l 1799-1826 Regent


CC,

1809.

Cruzado novo = 480 ris.

51.16

1813.

Vijf ris.

52.28
D. Maria II 1828-53

XX,

1845.

Tien ris.

57.25

1847.

Twintig ris of vintem.

56.23

D. Pedro W 1853-61
rr.

1858.

Vijf tostoes = 500 ris.

58.5

D. Luiz I 1861-89

3553 xx.

1878.

Tostao = 100 ris.

59.8

1879.

Halve tosto.

.9

1880.

Tostao.

1883.

Wintem.

.8

Verg. -.10

300

KONINKRIJK GRIEKENLAND

-#3: GRIEKEN e3

Koninkrijk Griekenland (Hellas)


Als romeinsche provincie Achaja geheel in verval geraakt, werd
Griekenland in 395 bij 't Byzantijnsch Rijk gevoegd en in de latere
eeuwen de prooi van zwervende en plunderende barbaarsche stammen

(West- en Oostgoten, Bulgaren, Kroaten en Servirs).


In 1204 veroverden frankische en italiaansche ridders (4e kruistocht)
Konstantinopel, kroonden BAUDoUIN van Vlaanderen tot keizer en ver

deelden Griekenland en de eilanden onder hunne landgenooten.


Zoo ontstonden in Griekenland 't vorstendom Achaja, 't hertogdom
Athene en verscheidene baronien in Morea, die in de tweede helft
der 15e eeuw alle door de Turken veroverd werden.

In 1821 begonnen de Grieken hunne vrijheidsoorlogen onder IPSI


LANTIs - zij verkozen in 1828 KAPoDISTRIAs tot president en nadat

Turkije in 1829 (vrede van Adrianopel) hunne onafhankelijkheid erkend


had, kroonden zij in 1832 OTTO VAN BEIEREN als koning van Griekenland.
In 1863 stond Engeland de Ionische Eilanden aan 't jonge koninkrijk
af (vereeniging 1864).

W OR ST END OM A CHA JA

GUILLAUME DE CHAMPLITTE nam

in

1205 den titel aan van heer

van geheel Achaja, welken zijn tweede opvolger GEoFFRoy II DE


WILLEHARDoUIN (1218-45) tegen dien van vorst verwisselde.
Dit vorstendom omvatte nagenoeg geheel Morea, werd in 1432 bij
't Byzantijnsch Rijk ingelijfd en in 1460 door de Turken veroverd.
Bij het muntwezen van Achaja gold als nheid sedert 1249 de
toursche penning (denier tournois), de sterling gold 4 dezer penningen
en de hiperper = 20 sterlings. Het munthuis was te Clarenza.

301

HERTOGDOM ATHENE

Philippe van Tarento 1307-13

3554 ll.

Toursche penning.

SCHLUMBERGER 12.21

Robert van Anjou 1346-64

ll.

Toursche penning.

.27

HERTO GD OM ATHENE

Het oude Attika en Beoti, in 1204 door de frankische ridders

veroverd, werden als hertogdom aan OTHoN DE LA RoCHE-SUR-OGNoN


afgestaan. In 1456 voegden de Turken deze streek bij hun rijk.
Tot ons zijn gekomen toursche penningen en obolen 't munthuis
bevond zich in Thebe.

Guillaume 1 1280-87
ll. Toursche penning.
ll. Toursche penning.

13.2
-.3

REPUBLIEK GRIEKENLAND
loannis Kapodistrias president 1828-31

Sedert 1829 gold als muntnheid de ,,phenix (4.0284


w. f. z.) 100 lepta de wet van 8 febr. 1833 voerde
den drachme (4.0293) als muntnheid in, en verdeelde
ook deze in 100 lepta door de wet van 10 april
1867 trad Griekenland tot de Latijnsche Muntconventie
toe en de naam ,,drachme ging op den frank (4.175
w. f. z.) over.

i.
3559 i.

1828. Tien lepta.

Lepton.

WELLENHEIM 12011.
12015.

302

IONISCHE EILANDEN

Koninkrijk
0th00n I 1832-62
3560 xx.

1832.

Drachme.

i.

1833.

Halve drachme.

i.

Twee lepta.

12026.

1848.

Lepton.
Twee lepta.

12028.

i.
bb.

12020.

Georgios I sedert 1863

o.

1869.

Diobolon = 10 lepta.

ION IS CHE EILANDEN

Namelijk de zeven eilanden ten W. en ten Z. van Griekenland


Korfoe, Paxo, Santa Maura, Theaki, Kephalonia, Zante, Cerigo en
eenige kleineren. Het voornaamste Korfoe, werd in 1147 door RoGER
vAN SICILI veroverd en in 1401 aan Veneti verkocht. Van Korfoe
breidden de Venetianen hunne macht over de andere eilanden uit

(Levante Veneto). Sedert 1800 als vrije Republiek der Zeven Vereenigde
Eilanden werden zij 1807 met Frankrijk vereenigd (Illyri) en in 1815
als onafhankelijke republiek door de mogendheden erkend Engeland
verkreeg de beschermheerschappij, die 't in 1863 aan Griekenland
overdroeg.
Republiek Veneti 18e eeuw

p.
ij.

z. j.
-

Dubbele gazzetta.
Gazzetta.

Verg. Rossi 5690.


NEUMANN 759.

Onder engelsch toezicht 19e eeuw

3571

i.
i.
i.

1819. Tien oboli = penny.

Vijf oboli.

Twee en een half oboli = farthing.

i.

1834.

Obolos.

ATKINS 19.7
20.8
.9
.11

KEIZERRIJK

RUSLAND

303

-#3 SLAVEN -e3

Keizerrijk Rusland (Roesskoje goSoedarstwo


of Rossija)
In de 9e eeuw veroverden uit Zweden komende Noormannen eenige
door Slaven bewoonden landstreken aan de Finsche Golf.

Het hier

gestichtte vorstendom met Nowgorod tot hoofdstad (862) is de kern


van 't latere keizerrijk.

Het vorstendom werd zuidwaarts uitgebreid ten kosten van 't By


zantijnsch Rijk en de Noormannen versmolten langzamerhand met
hunne slavische onderdanen.

IwAN III (14621505) nam den titel aan van grootvorst en zelf
heerscher van geheel Rusland, titel die in 1547 voor tsaar plaats
maakte.

Siberi werd veroverd, groote deelen van 't gebied der Turken en
van de Oostzeekust bij 't rijk gevoegd en PETER DE GRooTE (1689
1725) noemde zich keizer 1) en zelfheerscher aller Russen. Daarna
volgden tegen 't einde der 18e eeuw 't grootste gedeelte van Polen
met 't oude vorstendom Litauen, in 1809 Finland en in 1801 't

koninkrijk Georgi.
Tot in de 12e eeuw deden in Rusland alleen vellen van sabels,

marders, hermelijnen en eekhoorntjes als ruilmiddel dienst. Deze werden


in de 13e eeuw gedeeltelijk verdrongen door gestempeld leer (koena)
en baren zilver en eerst in 1420 worden in Pskof en Novgorod de
eerste munten (dengi) geslagen *).
PETER DE GRooTE bracht de gewenschte eenheid in 't muntwezen
1) In 1547 had IwAN IV den titel ,,Tsaar aangenomen, als verbastering van 't
oude Cesar zooals Saragossa van Cesarea Augusta; PETER liet zich ,,Imperator
InOOIIlen.

*) De door de Mongolen onderworpen Russen, schijnen reeds een eeuw vroeger


zilver vermunt te hebben, ter betaling der jaarlijksche schatting.

304

KEIZERRIJK

RUSLAND

door aanmunting van tot dusver gebezigde rekenmunten, namelijk:


roebel, met 1/2, 1/2 en 1/10 deelen de roebel vroeger verdeeld in 200
dengi, zou voortaan 100 kopekken 2 dengi gelden en deze nieuwe
indeeling is tot heden bewaard gebleven. De zilveren roebel bevat thans
17.99611 wichtjes fijn.
Peter I 1689-1725
3572 m.

1704.

P.

1705.

Altinnik 1) = 3 kopekken.
Denga.

i.

1712.

Altinnik.

682.

bb.

1714.
1715.

Kopek 2) = 2 dengi.
Kopek.

785.

i.

CHAUDOIR 679.
833.

789.

Peter II 1727-30
rr.

1727.

XX.

Roebel van S. Petersburg.

961.

Vijf kopek. Vz. H-A,

928.

Anna 1730-40
1731.
1735.

rr.

1736.

I'I'.

dd.
1739.
1740.

Denga.
Poloesjka = kwart kopek of halve denga.
Poloesjka. Andere stempel.
Denga = halve kopek.
Denga. Andere stempel.
Poloesjka.
Denga.
Denga.

1037.
1051.
-

1042.
-

1052.
1045.
1046.

Elisaweta 1741-62
1743.

Denga.

1744.

Denga.

1314.

1748.

Denga.
Denga.

1318.

Grosjewik = stuk van 1 grosj = 2 kopekken.


Kopek.

1278.
1308.

Denga.

1328.

Grosjewik.

1279.

1750.
1757.
i.
p.
3594 bb.

1758.

1313.

1320.

1) 't Tataarsche woord alti = zes, dus stuk van 6 dengi.


*) Onder de regeering van WAssILII WAssILJEwITsj (1447-62) komt 't eerst de
naam kopek voor, om de nowgoradka of stuk van 2 dengi aan te duiden.

KEIZERRIJK

RUSLAND

Peter III 1762

3595

i.

1762.

XX.

1401.

Griwennik of griwenka = 10 kopekken.


Dubbele grosj = 4 kopekken.

1402.

Ekaterina II 1762-96

1763.

Piatak van Moskau. 1)

1765.

Dit stuk geldt 5 kopekken; piat = vijf, dus vijfje.


Grosjewik van Moskau.
Grosjewik van Moskau.
Denga van Moskau.
Poloesjka van Ekaterinaburg.

1768.

XX.

i.

1676.

1761.
1782.
1822.
1863.

1771.

Denga.

1781.

Piatak.

1788.

Denga.

1789.

Denga.

E-M

1833.

1790.

Piatak.

E-M

1711.
1714.

1825.

E-M 1)

1702.
1856.

1793.

Piatak.

E-M

1794.

Piatak.

E-M

1715.

1795.

Piatak.

E-M

1716.

Pawel I 1796-1801
rr.

1797.

1798.

Roebel.

C M

2025.

Grosjewik.
Kopek.

EM

2064.

EM

2079.

Denga.

EM

2089.

Alexander l 1801-25
1802.
1.

Roebel.

2167.

EM

2267.

C II B

2343.

EM

2296.

IM M

2369.

1803.

Piatak.

p.

1811.

Grosjewik.
Grosjewik.
Kopek.

3619 p.

2126.

Poltinnik = stuk van 1 poltina = 1/3 roebel. C II B

i.

XX.

C II B

1) De muntplaatsen worden door letters aangeduid. Sedert 1724 beteekent CIIB


of CM = S. Petersburg, MM = Moskau; sedert 1725 EM = Ekaterinaburg; sedert
1810 KM = Kolpina en IIM = Ichora (bij S. Petersburg).
20

306

KEIZERRIJK

RUSLAND

3620 i.

1812.

Grosjewik.

Il M

x.
m.
dd.

1813.

Grosjewik.
Grosjewik.
Grosjewik.

EM

2298.

II M

2351.

i.
qq.
p.

1814. Griwenka = 10 kopekken.


1815. Roebel.
1818. Grosjewik.

C II B
C II B

2230.
2151.

EM

2303.

i.
rr.

2350.

IMM . Andere stempel.

1820. Dubbele griwna = 20 kopekken. C II B


1823. Dubbele griwna.
C II B

2206.
2213.

Nikolai | 1825-55

i.
p.
ij.
p.

1830. Zilveren piatak.


1831. Koperen piatak.
1833. Griwenka.

Griwenka.

i.

i.

1835.

Griwenka.

1836.

Piatak.

m.

bb.
bb.
i.
jj.
xx.
bb.

Piatak.

C II B

2716.

EM

2736.

C II B

2708.

EM

2726.

EM

2738.

C II ES

2710.

Verg. 2745.

1840. Halve kopek.


1841. Halve kopek.
1842. Kopek.
1850. Poloesjka.
1852. Grosjewik.
Kopek.

NEUMANN 2421.

EM
C II B

2422.

C II B

2427.

EM

2448.

EM
EM

m.

1853.

Piatak.

C II B

p.

1855.

Kopek.

EM

Alexander II 1855-81

p. 1855. Deniejka, denoesjka of denga = 1/2 kopek.

EM

p.
i.

EM

1857.
1858.

Kopek.
Poloepoltinnik = 25 kopekken.

dd.

Altinnik.

p.

Kopek.

ij. 1859.
i.
jj.
-

Piatak.
Grosjewik.
Kopek.

3652 p. 1860. Grosjewik.

C II B
-

EM
EM

CIIB
EM
EM
EM

KEIZER R1JK

3653

RUSLAND

i.

1866.

Kopek.

EM

i.

1867.

Piatak.

C II IS

rr. 1868. Grosjewik.


bb.
Kopek.
p. 1869. Grosjewik.
ij. 1870. Dubbele griwna.
p. 1874. Grosjewik.
bb.
Kopek.
p. 1875. Grosjewik.
p.
Kopek.
ij. 1876. Vijf altinenstuk = 15 kopekken.
p.

bb.
p.
bb
bb.
p.

3670 uu.

Altinnik.

1877. Kopek.
1878. Grosjewik.

Kopek.
1879. Grosjewik.
Kopek.
1880. Vijf altinenstuk.

307

EM

EM
EM

C II B
EM
EM
EM

EM
C II B
C II B
C II B
C II B
C II ES
C II B
C II IS
C II IS

VOORMALIG KONINKRIJK POLEN (POLS KA)


De omstreek van Gnesen

(pruisisch Posen) is de kern van 't land

dat eerst door vorsten, na 1295 door koningen geregeerd werd en den
naam Polen droeg.
-

Dit koninkrijk werd in 1886 door toevoeging van 't grootvorstendom


Litauen vergroot, bereikte in de 2e helft der 16e eeuw zijn toppunt
van bloei en werd in de jaren 1772, 1793 en 1795 tusschen Rusland,
Oostenrijk en Pruisen verdeeld.
Van 't in 1807 door NAPoLoN I gevormde hertogdom Warschau
verkreeg Rusland in 1815 't grootste gedeelte als afzonderlijk konink
rijk Polen.
De opstand der Polen van 1830 veroorzaakte eene nauwere aan
sluiting bij 't Tsarenrijk, tot in 1864 de laatste voorrechten werden
opgeheven en 't land den naam Weichselland ontving.
20*

308

KONINKRIJK

POLEN

Gerekend werd naar zlotych (poolsche guldens) 30 groszy (gro


schen) 3 schillingen. In 1765 bevatte de zloty 2.923 wichtjes
fijn zilver hij werd echter herhaald in waarde verminderd tot in

1815 bepaald werd dat 20 poolsche guldens = 3 zilveren roebels


zouden zijn (dus thans bijna 2.7 wichtjes fijn).
Van 1834 dagteekenen de eerste russische munten in Warschau
geslagen met de waardeaanduiding in poolsche guldens. Na 1842
zijn de munten geheel russisch en alleen kenbaar aan 't muntteeken:

M-W, sedert 1850 B-M voor Warschau.


Jan II Kazimirz 1648-68

3671 ll.

1650.

Ort = 18 groschen.

HUTTEN CZAPSKI 1930.

Stanislaw Poniatowsky 1764-95

p.

1788.

Grosz.

3307.

Friedrich August van Saksen hertog 1807-15


m.

1812.

Grosz.

3476.

Alexander 1 van Rusland 1815-25

p.

1822. Grosz polski.

3566.

Nikolai l 1825-55

rr.
3676 xx.

1836. Tien zlotych = 11/9 roebel 1). Met de keizerlijke familie.


1851. Kopek met B-M
3788.

1) De heer A. M. KNIK, direkteur van de Keizerlijke Hermitage te S. Petersburg

deelt welwillend mede dat de keizers PAwEL I en ALEXANDER I geen verlof wilden
geven hunne beeltenissen op de munten te plaatsen. Slechts op aandringen van den
graveur en staatsraad REICHEL liet keizer NIKoLAI I in 1835 het familie-1 roebel
stuk slaan de stempel barstte echter spoedig, waarna een tweede dergelijke munt
met jaartal 1836 besteld werd. De Vz. vertoont 't Bb. des keizers, de Kz. dat der

keizerin, omgeven door hare 4 zoons en 3 dochters. Op 't stuk van 1836, dat zelfs
in Rusland zeer zelden voorkomt, ontbreken de cirkels om de Bb. der prinsen en
prinsessen.

GROOTVORSTENDOM

300

LITAU EN

VOORMALIG GROOTWORSTENDOM LIT AUEN (LIT WA)


Ligt ten Z. van Koerland. Als eerste grootvorst wordt RINGOLD
(1230-35) genoemd; een zijner opvolgers JAGILLo huwde in 1386
met Polen's koningin, waardoor beide landen vereenigd werden, zoo
danig dat 't grootvorstendom meestal onder het bestuur van poolsche
kroonprinsen kwam. Sedert 1501 onder n hoofd, werden beide landen
in 1569 geheel saamgesmolten.
De verdeelingen van 1795 en 1815 brachten Litauen aan Rusland.
Muntwezen als in Polen.
Zygmunt III August 1544-72

1567.

3677

Vier groszi.

HUTTEN CZAPSKI 554.

Geschenk van den heer C. W. BRUINvis te Alkmaar (1896).


Stefan Batory van Polen 1575-86

ll.

1585.

Drie groszi.

743.

GROOTVORSTENDOM FINLAND (SOEO MI)

In de 13e eeuw als hertogdom met Zweden vereenigd, kwam 't


zuidelijke gedeelte in 1721 bij Rusland; in 1743 volgde de landstreek
tot Nijstad en de vrede van Frederiksham in 1809 voegde geheel
Finland bij 't Tsarenrijk.
De munteenheid is de markka (sedert 1 jan. 1878 0.2903 w. f. g.)
100 penni.
Alexander II van Rusland 1855-81

ij.
ij.

1865. Vijftig penni.


Tien penni.

p.
p.

1866.

Tien penni.
Vijf penni.

bb.

1873.

Penni.

3684 bb.

1874.

Penni.

NEUMANN 36594.
-

36596.

Verg. 36597.
-

310

KONINKRIJK GEORGI

KONINKRIJK GEOR GI (KARTHLI)


Sedert 't begin der 6e eeuw is Tiflis de hoofdstad van dit konink
rijk. Aanvankelijk een twistappel tusschen 't Byzantijnsch Rijk en
Perzi, later tusschen Turkije en Rusland, werd 't in 1801 door de
Russen bezet en als russische provincie ingelijfd.

Als munteenheid geldt de abassi (2.892 w. f. z) 100 foeli 2


thetri de abassi = 20 kopekken.
Alexander I 1801-25

3685 rr.

1810.

Twintig foeli = 4 kopekken, van Tiflis. FoNRoBERT 4325.


Nikolai I 1825-55

3686 ll. 1831. Dubbele abassi = 40 kopekken.

4340.

Koninkrijk
In

Rumeni (Romania)

de 14e eeuw ontstonden aan de Donau de twee vorstendommen

Walachije en Moldavi. Beide waren sedert de 7e eeuw bewoond door


een mengsel van Romeinen en Slaven, waarin 't slavonisch (in de taal
*/5) de bovenhand had.
Sedert de 16e eeuw onder suzereiniteit van Turkije, werden beide

landen zwaar geteisterd door de russisch-turksche oorlogen der 18e en


19e eeuwen. Gedurende den eerste (1768-74) dezer oorlogen liet
Rusland eene bezetting achter en plaatste russische stedehouders aan
't bestuur.

Na den Krimoorlog (1856) werd de russische beschermheerschappij


opgeheven en kwamen de twee landen, vereenigd als vorstendom Ru
meni (hoofdstad Boekarest), onder turksche leenroerigheid (1861).
Gedurende den zesden russisch-turkschen oorlog (1877-78), bond
genoot van Rusland, verklaarde Rumeni zich onafhankelijk en in
1881 tot koninkrijk.

KONINKRIJK

311

RUMENIE

In Rumeni werd gerekend bij le 40 para 3 bani. Sedert 't


land de bepalingen van de latijnsche muntunie aannam (1868), geldt
de frank, leoe genaamd, als munteenheid (4.175 w. f. z.) De nieuwe

indeeling is: 1 leoe = 100 bani of para.


Ekaterina keizerin van Rusland 1768 74

Gedurende de russische bezetting van Walachije en Mol


davi in den eersten turkschen oorlog, lieten de Russen
te Sadagoera (bij Jassi) munten slaan uit veroverde
turksche kanonnen.

3687

i.

1773.

Dubbele para = 3 kopekken.

CHAUDoIR 1) 1997.

Carol 1 vorst 1866 sedert 1881 koning

3692

ll.

1867.

ll.

Vijf bani.

Tien bani.

ll.

Twee bani.

ll.

Banoe.

ll.

1875.

Twee le.

Koninkrijk Servi (Srbija)


Sedert + 635 verspreidde zich de slaafsche stam der Serbli over 't
geheele Balkanschiereiland, waar in de 14e eeuw 't keizerrijk der
Servirs tot een machtige staat ontwikkeld was.
In 1458 als turksche provincie ingelijfd, verkreeg Servi in 't begin

dezer eeuw eenige onafhankelijkheid, mocht zijn eigen vorsten kiezen


en werd 1878 door de Porte onafhankelijk verklaard. In 1882 nam
vorst MILAN den koningstitel aan.
Vroeger werd hier evenals in Turkije gerekend bij piasters 40 para,
en waren turksche zoowel als oostenrijksche en russische munten in
1) Vergelijk ook: Uebersicht der Mnzen und Medaillen des Frstenthums Ro
manien (Moldau und Walachei) von D. A. STURDZA. Wien 1874. In 8".

312

KONINKRIJK SERVI

omloop. Sedert 1873 (toetreding tot de Latijnsche Muntconventie) vormt


de dinar (evenals de leoe 4.175 w. f. z.), verdeeld in 100 para, de
munteenheid.
Soeleiman I sultan van Turkije 926-74 (A. D. 1519-66) 1)

3693

i.

926.

Aktjee van Sidrah Kisi 2).

Cat. Br. M. 8) 188.

Alexandar I sedert 1889

ll.
3695

ll.

1890.
-

Twee dinar.
Dinar.

-33 TURKEN -e3

Keizerrijk of Sultanaat Turkije (Memalikie


Osmanie)
Een turksche volksstam, later Osmanlies, ten onzent ook Osmannen

of Ottomannen genoemd, had in Turkestan den Islam aangenomen en


verhuisde in 't jaar 1225 naar Armeni.
OsMAN of OTHMAN, hun opperhoofd sedert 1288, breidde zijn gezag
langs de Zwarte Zee uit en nam in 1299 den sultanstitel aan. Diens
zoon en opvolger OERKHAAN (1326-59) veroverde 't noordelijke deel
van Klein-Azi, vestigde zijne residentie ) te Broesa en betrad voor 't
eerst Europa (Gallipoli). In 1365 werd de residentie naar Adrianopel
1) Zie noot 1) bladzijde 314.
*) Semendria, ten Z.O. van Belgrado.
*) The coins of the Turks in the British Museum, by STANLEY LANE-PooLE.
London 1883. In 8".

*) De groote poort van zijn nieuwe paleis gaf aanleiding tot de thans algemeene
benaming van de Porte.

313

KEIZERRIJK TURKIJE

en, na de inneming van Konstantinopel (29 mei 1453), naar deze


stad verlegd.
Inmiddels werd 't turksche gebied in Europa en in Azi uitgebreid:
-

in de 15e eeuw door Griekenland, Albani, de Krim, Moldavi en

in de 16e eeuw door Armeni, Syri, Palestina, Georgi, Mesopotami,


Hongarije en Zevenbergen, tot Turkije in 't begin der 17e eeuw zijn
grootsten omvang had. Langzamerhand echter gingen vele bezittingen
weer verloren en de 18e en 19e eeuwen brachten Turkije, vooral door

't veroverend optreden van Rusland terug tot een klein gedeelte in
Europa, met Klein-Azi, Palestina en de westkust van Arabi.
De eerste turksche munt dagteekent van sultan OERKHAAN; 't is de
zilveren aktjee of asper = 1/3 dirhem. Zijn opvolger MoERAD I (1360
-89) voegde hier den koperen mangir of l/, asper bij en MoHAMMED II
(1451-81) den gouden altoen, navolging van den venetiaanschen

zecchino. Deze drie munten bleven langen tijd de eenige inlandsche


stukken en de levantsche handelaars bedienden zich bij voorkeur van

westersche dukaten en daalders ).


Nadat nog onder MoHAMMED IV (1648-87) de zilveren para (= 3
aspers) was ingevoerd, liet SoELEIMAN II (1687) in navolging van de
europeesche daalders een groot zilverstuk slaan, dat voor 40 para of
120 aspers gangbaar zou zijn en gurroesj of groesj heette. Dit stuk,
de eenheid van 't turksche muntstelsel, noemden de vreemdelingen:
piaster.
In 1687 woog de piaster ruim 19 wichtjes, doch gaandeweg werd
hij lichter aangemunt tot de wet van 1844 hem op slechts 0.99828
wichtje fijn zilver bracht; de verdeeling in 40 para was blijven bestaan.
In laatstgenoemd jaar werd ook een goudstuk van 100 piasters (6.6099
wichtjes fijn) aangemunt, onder den naam van lira of turksch pond *).
-

') Onder daalders verstaan wij hier zoowel de spaansche stukken van 8 realen,
de duitsche rijksdaalders, als onze hollandsche leeuwendaalders. Deze laatsten vooral

waren in de Levant zeer gewild en werden daarom in grooten getale door itali
aansche vorsten nagemaakt.
*) Turksche piaster = 10 cent nederlandsch ruim turksch pond = / 10.93.

314

KEIZERRIJK TURKIJE

Mohammed Il 855-86 1)

3696 i. 857. 2) Mangir van Adrianopel.

Cat. Br. M. 3) 133.

Ahmed l 1012-26

i.
i.

1012. Aktjee van Konstantinopel.


?
Mangir van K.

282,

Ibrahim l 1049-58
i.

Mangir van K.

Soeleiman Il 1099-1102

i. 1099. 2) Mangir van K.


i. Mangir van K. De stip vr 't jaartal hooger.
i.
Mangir van K. De toegra (sultan's naamcijfer)
hooger en kleiner.

399.
-

Ahmed III 1115-43

3703

i.

11 15.

Para van Islamboel.

479.

Stad van 't geloof: vroegere turksche benaming van


Konstantinopel, die dikwijls op munten voorkomt.
') Voor de regeeringsjaren der mohammedaansche vorsten, zullen wij alleen bij 't
opvoeren hunner munten de jaren der hedsjra gebruiken. Deze door kalif OMAR I
(13-24) ingevoerde mohammedaansche jaartelling, die bij Turken, Arabieren en Perzen
in gebruik is, begint op 16 juli 622 (MoHAMMED's vlucht van Mekka naar Medina)
en wordt berekend naar maanjaren, waarvan 33 gelijk zijn aan 32 onzer zonnejaren.
Voor de herleiding van 't moh. jaar 855 hebben wij dus:
855

min 3'/33 /,

26
829 + 622, of 't gregoriaansche jaar 1451;

en omgekeerd: 1451-622 =

plus 3'/s "/,

829

26
855 A. H.

*) Eene turksche munt van 790 draagt 't eerste jaartal; dit zijn de jaren van aan
munting. Onder BAJAziD II (886-918) wordt 't gebruikelijk op alle munten, niet 't
jaar van aanmunting maar alleen 't jaar van sultan's troonsbestijging te vermelden
sedert MoESTAFA III (1171-87) vinden wij 't regeeringsjaar daarbij gevoegd.
*) The coins of the Turks in the British Museum, by STANLEY LANE-PooLE.
London 1883. In 8".

315

KEIZERRIJK TURKIJE

3704

i.

1115.

Aktjee of asper van K.

469.

Mahmoed l 1143-68
1 143.

Para van K.

532.

Moestafa Ill 1171-87

(11)83.

Besjlik = 5 para, van Islamboel.

627.

Abd el-Hamid | 1187-1203

Para van K.

716.

Para van K.

717.

Onlik = 10 para, van K.

708.

Para van K.

720.

Para van K.

q01.

Selim lll 1203-22


15.

Kwart fondoek altoenie of 1/4 altoen met de toegra,


van Islamboel.
Goud 0.6 wichtje.
Verg. 775.
Moestafa IW 1222-23
Para van K.

835.

Mahmoed II 122355
18.

Para van K.

Verg. 945.

21.

Onparalik = 10 para, van K.

23.

Para van K.

24.
25.

Jigirmiparalik = 20 para, van K.


Joeslik = 100 para, van K.

26.

Nieuwe besjlik = 5 piasters, van K.

27.

Adlie altoen met de toegra = 23 groesj, van K. 914.

28.

Onparalik.

963.

29.

Jigirmiparalik van K.

961.

949.

Verg. 965.

Joeslik. Vz. en Kz. Geen zeshoek onder de strik.

') Zie noot *) vorige bladz.

957.
952.

951. B

316

KEIZERRIJK TURKIJE

Abd el-Medjid 1255-77

Volgens 't oude muntstelsel


1

2.

Altilik = 6 groesj, van K.


Jigirmiparalik van K.
Jigirmiparalik van K.

1052. B

Jigirmiparalik van K. Vz. De toegra grooter.

Jigirmiparalik

van K.

Onparalik van K.

Verg. 1053.A

Volgens 't medjidjee muntstelsel


In 't jaar 1260 (A. D. 1844) voerde ABD EL-MEDJID eene

nieuwe muntregeling in, het medjidjee muntstelsel


genoemd. Het bestaat uit de volgende stukken:
in goud: 500, 250, 100 (turksch pond 7.216 wichtjes
van 0.916 fijn), 50 en 25 piasters of groesj.
in zilver: 20, 10, 5, 2, 1 (1.2027 wichtje van 0.830 fijn)
en 1/2 piaster.
in koper: 40, 20, 10, 5 en 1 para.
Onparalik.
1053. a
Jigirmiparalik = 20 para of halve groesj van K. 1070.
Besjlik = 5 para, van K.
Verg. 1089.
Para van K.

1100.

Groesj = piaster, van K.

1067.

Groesj van K.
Besjlik van K.
Jigirmiparalik.
Onparalik.
Para van K.

1094.

1078.

1104.

Halve groesj = 20 para, van K. (Zilver).


Groesj = 40 para, van K.
(Koper).
Halve groesj van K.
(Koper).
Onlik = 10 para, van K.
Besjlik = 5 para, van K.
Groesj van K.

(Koper).

107 1.
1079.

1085.
-

1073.

Onlik van K.

1086.

Besjlik van K.

1097.

KEIZERRIJK TURKIJE

3748

e-e

317

19.

Para van K.

20.

Onlik.

1087.

21.

Besjlik van K.
Halve groesj van K.

1082.

1098.

Abd el-Aziz 1277-93

bb.

Onlik van K.
Besjlik van K.
Groesj van K.
Halve groesj van K.

1 167.

(Koper).

1162.

(Koper).

1164.

Onlik van K.

1166.

Besjlik van K.

1168.

Abd el-Hamid ll sedert 1293


3758

1.

Besjlik.

G R O EP

IV

A ZIE
In aansluiting met Europa zullen wij de aziatische munten dezer

verzameling beschrijven, uitgaande van 't westen in Aziatisch-Turkije,


onzen weg door Indi naar 't oosten vervolgen, om met de oost
aziatische eilanden (Japan, Philipijnen, Nederlandsch-Indi) te besluiten.

Aziatisch-Turkije
De bakermat van 't in de 8e eeuw zoo machtige Mohammedaansch
Rijk, de residentie der kaliefen, beide lagen in de thans aziatisch-turk
sche landen. Wij zullen daarom de munten der kaliefen aan de nieuwere
turksche laten voorafgaan. In andere kabinetten worden de mohamme
daansche munten, verdeeld naar de regeerende vorstenhuizen, in ne

groep vereenigd 't kleine aantal echter hier aanwezig doet ons
besluiten die tusschen de verschillende thans bestaande staten te ver

deelen. Zoo zullen b.v. de munten der Dsjoedsjiden of Khans van de


Gulden Horde onder Siberi, die der Fatimiden onder Egypte te
vinden zijn.

319

HET KALIFAAT

HET KA LIFAAT

Nadat MoHAMMED zijne nieuwe leer in Mekka verkondigd had en


daarvoor door zijne medeburgers verjaagd werd, vluchtte hij (16 juli
622) naar
nieuw
rijk. Medina en maakte deze stad tot middenpunt van zijn

Zijne opvolgers veroverden Arabi, Perzi, Syri, Egypte en Tripolis.


In 661 verkreeg MoEAwIA I 't kalifaat hij maakte deze waardig
heid in zijne familie (Omajaden) erfelijk en verlegde zijn zetel naar
Damaskus.

De hoogste bloei van 't kalifaat valt onder WALID I (705-15) toen
Klein-Azi, Indi, geheel Noord-Afrika en Spanje onderworpen waren.
De familie der Omajaden heerschte tot 749, toen zij door de Ab
bassiden vervangen werd alleen in Spanje bleven de Omajaden
(kalifaat van Cordova) tot 1031 aan de regeering. In 786 verlegden
de Abbassiden hun zetel naar Bagdad.

In de 9e en 10e eeuwen heeft 't verval van 't kalifaat plaats; in


alle deelen van 't groote rijk maakten zich stadhouders onafhankelijk
en onttrokken zich aan 't kalifaat van Bagdad, dat in 1258 voor de
invallende Mongolen onder HoELAGoE bezweek.
In 972 hadden de Fatimiden in Egypte zich reeds den kaliefstitel
aangematigd en toen in 1517 de Turken Egypte veroverden, nam de
turksche sultan dezen titel aan, dien hij tot heden bewaard heeft.
MoHAMMED, de vier imams, noch de eerste kaliefen van de dynastie

der Omajaden lieten munt slaan. Zij behielpen zich met de


zilveren en de byzantijnsche gouden stukken. Kalief ABD
(685705) was de eerste die munten liet vervaardigen. Het
den dinars en zilveren dirhems, die aan beide zijden slechts

perzische
EL-MELIK
zijn gou
teksten 1)

1) Daar de koran 't gebruik van beelden verbiedt, onthouden de streng geloovigen
zich ook van afbeeldingen; zoo komt op de munten der Turken in plaats van wapens,
de toegra voor, een monogram dat sultan's naam en titels bevat. De meer vrijzinnigen,
zooals de Perzen houden zich aan de letter, zooals wij bij Perzi zullen zien. De
bedoelde korantekst luidt in ,,la traduction nouvelle faite sur le teacte arabe par

M. KASIMIRSKI, Paris 1880. In 8: O croyants! le vin, les jeux de hasard, les


statues et le sort des flches sont une abomination invente par Satan; abstenez
vous-en et vous serez heureux. Hoofdst. V, vers 92.

320

HET KALIFAAT

uit den koran vertoonen, met bijvoeging van plaats en jaar (in letters) 1)
van vervaardiging. De oudst bekende is een dirhem van 't jaar 77
(= A. D. 696). Onder de Abbassiden werd de naam der kaliefen
hierbij gevoegd. De koefische 2) letters, die op de oudere munten voor
komen maken in de 13e eeuw voor de nieuwe arabische (neskhi) plaats.
Muntbenamingen zijn, voor 't goud: dinar, zilver: dirhem (van de
narius) en voor 't koper: fels (byzantijnsche follis).
- Omajaden Alleen met koranteksten
Hisjam ben Abd el-Melik 105-24
3759

i.

Verg. MARsDEN 10.

Fels.

Met muntplaatsen
i.

Fels van Damaskus (Dimesjk).

i.

Fels van Damaskus.

48.

i.

Fels van . . . . (onleesbaar).

18.

i.

Fels van . . .

Cat. Or. I8) 19.

Met jaartallen
i.

Fels. Jaartal besnoeid (misschien 106, sit wa mijat).


- Abbassiden Aboe Djafar Abdallah II el-Mansoer 136-156

i.

147.

i.

Fels.

Fels van ?

i.

Fels.

Verg. MARSDEN 20.


21.
-

Mohammed l el-Mahdi 156-69


3768

i.

Fels.

Daar de randen van bovenstaande 4 stukken te diep

zijn afgesneden, is jaartal noch muntplaats leesbaar.


1) 't Eerste jaartal in cijfers, dat op de munten voorkomt
*) Genaamd naar de stad al-Koefah aan de Euphraat.
*) Catalogue of oriental coins in the British Museum.

is 614 (A. D. 1217).

Volume I. London. In 8".

SELDSJOEKEN VAN

321

ROEM

Van de stadhouders, die zich onafhankelijk maakten en wier staatjes


in 't tegenwoordige Aziatisch-Turkije lagen, zijn in deze verzameling
vertegenwoordigd: de Seldsjoeken van Klein-Azi, de Atabeken en de
Ejoebiden van Syri en de Ortokiden van Koerdistan.
r

SELDSJOEKEN VAN ROEM (KLEIN-AZI)


Een tak der in Perzi regeerende familie der Seldsjoeken vestigde
zich in 1077 onder SELDsJoEK's achterkleinzoon SoELEIMAN in Klein

Azi; Konia (Iconium) en Siwas (Sebastia) werden de hoofdsteden. In


1243 veroverden de Mongolen dit sultanaat en 1308 stierf MASAoED II,
laatste seldsjoeksche sultan van Roem.
Ala ed-din Kaikobad l 616-34

3769

i.

Fels van Siwas.

Cat. Or'. III.183

Giath ed-din Kaikhosroe Il 634 43

3770

i.

Dirhem van Siwas.

MARSDEN 90.

ATA BEKEN VAN HALEB (ALEPPO) 1)

Sultan MAHMoED II van den perzischen tak der Seldsjoeken ver


leende in 1127 aan zijn stadhouder (atabek) EMAD ED-DIN ZENGHI I 't
gebied van Mosoel. Deze vergrootte zijn staatje met Haleb en Hamah
in Syri en veroverde Edessa en Bir. Bij zijn dood in 1145 had eene
splitsing van zijn rijk plaats en in 't vervolg regeert een tak der
Atabeken in Mosoel en een andere in Haleb.

Alleen de halebsche tak, die in 1197 uitstierf is in deze verzameling


vertegenwoordigd. Hij werd vervangen door de Ejoebiden.
1) Aleppo = italiaansch, de turksche benaming is Haleb.
21

322

EJOEBIDEN VAN HALEB

Malek es-Saleh Ismail iben Noer ed-din 569-77


3771

i.

572.

Verg. 186.

Fels van Haleb.

Slechts 't woord tsintaini (2) is nog zichtbaar.

EJoEBIDEN VAN HALEB


SALAH ED-DIN (door de Kruisvaarders als SALADIJN bekend gemaakt)
is de stichter (1171) van de dynastie der Ejoebiden, die de Fatimiden
in Egypte opvolgde.
Zijne kinderen en neven stichtten eenige onafhankelijke staatjes in
Syri. Bij 't uitsterven der halebsche Atabeken vestigde zich een hunner
in Haleb, waar zijne nakomelingen tot 1260 regeerden, en toen door
de Mongolen onder HoELAGoE verdreven werden.
Malek ed-Djaher Giath ed-din Ghazi 589-613 1)
i.

i.

Fels van (Haleb).

MARSDEN 247.

Verg.

Fels van Haleb.

Malek el-Aziz Giath ed-din Mohammed 613-34


i.

Verg. 256.

Fels.
Malek en-Nasser Il Salah ed-din Joesoef 634-59

i.

Verg. 257.

Fels.

El-Melik el-Kamel Aboe 'l-Fath Nasser ed-din Mohammed van Egypte 615-35

3776 i.

Fels. Te Haleb geslagen.

245.

OR TO KID EN VAN MAR, D IN

In de 11e eeuw stichtte emir ORToK in de omgeving van Jerusalem


een zelfstandig staatje. Zijne opvolgers verdeelden dit zoodanig dat de
1) Volgens Stokvis regeerde MALEK ED-DHAHER GHAATH ED-DINGHAZI 1186
1216 dus A. H. 582-613.

323

ORTOKIDEN VAN MARDIN

eene tak der familie de regeering van Mardin, de andere die van Amid
verkreeg.

De Ortokiden van Mardin, die zich ook Koningen van Diarbeker


noemden, regeerden tot het einde der 14e eeuw. Slechts van deze vor
sten vinden wij hier twee munten.
Malek el-Mansoer Nasser ed-din Arslan 597-637

3777

i.

606.

Fels van Mardin.

LANE-PooLE III.131

Waarschijnlijk zijn deze groote koperstukken voor dirhems


in omloop geweest, althans op een dezer stukken van
NAssER ED-DIN's vader komt dit woord duidelijk voor.
3778

i.

623.

Fels.

VI.6

KRUISVAARDERS

Van SALAH ED-DIN (SALADIJN) en NoER ED-DIN (NoEREDIJN) komen


wij als van zelf tot de christenstaatjes, die de Kruisvaarders in Pale
stina en Syri stichtten.
Hier waren in omloop de munten van den egyptischen kalief, uit
't geslacht der Fatimiden, EL-MoESTANSIR BILLAH (1035-94), namelijk
gouden dinars en zilveren dirhems.

De nu gestichte christenstaatjes maakten weldra munten met christen


beeldenaar aan, voor welke de frankische tournooische penning (denier,
denarius) tot voorbeeld diende. Doch deze christenmunten, zeer geschikt
voor den onderlingen kleinhandel, werden niet aangenomen door de
naburige mohammedaansche volken.

Om hierin te voorzien verpachtte men aan de italiaansche bankiers


van Genua, Pisa en Sina, die hunne filialen in Cyprus, Egypte en
Syri hadden en wier kassen voornamelijk de voor de kruistochten
benoodigde kapitalen leverden, het recht de mohammedaansche munten
na te bootsen. Dit geschiedde te Tyrus, Tripolus, Antiochi en St.
Jean d'Acre.

Tot dusver zijn als zoodanig herkend gouden dinars (door de Kruis
-

-,,

vaarders besant sarracenatus, door de Mohammedanen dinar Soeri


21*

324

VORSTENDOM ANTIOCHI

genaamd) gemaakt in navolging van die van bovengenoemden kalief


EL-MoESTANSIR BILLAH en van zijn tweeden opvolger EL-AMIR BI-AKHAMI
'LLAH (1101-29). Vz. en Kz. dezer stukken dragen koranspreuken.
Op verzoek van koning LoUIs IX van Frankrijk (SAINT-LoUIs 1226
-70) verbood paus INNOCENTIUs IV (1243-54) dit gebruik van koran
teksten en verschijnen er in 1251 zuiver christelijke munten, doch met
mohammedaanschen beeldenaar d. i. christelijke teksten, maar in ara

bische taal en letters. Van deze soort munten zijn gouden dinars,
zilveren dirhems en ook 1/1 dirhems bekend.
3779

i.

Besant sarracenatus of dinar soeri.

Nabootsing van een dinar van el-Amir bi-akhami 'llah.


Kz. Een punt onder kale | Ule
Verg. LAvoIx 3.

VORSTEND OM ANTIO CHI

Na de inneming van Antiochas (2 juni 1098), gedurende den eersten


kruistocht, werd dit vorstendom gevestigd. Het bereikte zijn hoogsten
bloei in 't begin der 12e eeuw en bleef tot 1268 onder 't bestuur van
christen vorsten.

In genoemd jaar werd dit land door den turkschen mamloek EI


MELIK ED-DHAR RoKN

ED-DIN ABoE 'L-FATH BEBARs I sultan van

Egypte (1260-77) heroverd.


Tancred 1104-12

i.

Koperen munt. Nabootsing van een byzantijnschen kwart


follis (?)

SCHLUMBERGER

II.6

Bomond 1201-32

ll.

Denarius.

III.4

De volgende koperen munten zijn waarschijnlijk ook door christen


vorsten in Syri geslagen.
i. Fels. Vz. In twee regels leesbaar: colula U &l..! I
Kz. Eene lelie (?)

3783

i.

Fels (van Damaskus).

MARsDEN 318.
295.

325

KONINKRIJK ARMENI

KONINKRIJK AR MENI (HAJASTAN)


Armeni werd

189 v. Chr. verdeeld in Groot- en Klein-Armeni.

Dit laatste, sedert 't jaar 70 eene romeinsche provincie, kwam bij de
verdeeling van 395 aan 't Byzantijnsch Rijk, werd in de 7e eeuw door
de Arabieren veroverd, en verkreeg in de 11e eeuw zijne onafhanke
lijkheid. De armenische vorst LEwoN II (LEo) wist (1198) van den
koning van Jerusalem den koningstitel te verwerven.
In 1375 door den egyptischen sultan veroverd, bleef Armeni eene
egyptische provincie tot sultan SELIM I het land bij Turkije inlijfde
(1522).
Hethoem II (Otto) 1289-1305

3784 ll. Pogh. Te Sis geslagen.


ll. Dang van Sis.

FoNROBERT 4848.
4864.

TURKSCHE MUNTEN IN KLEIN-AZI GESLAGEN


Bajazid Il 886-918

i.
i.

Mangir van Broesa.


Mangir van Broesa.

Cut. Or'. 153.


154.

Selim II 974-82

3788 i. 974.

Zilveren asper van Aleppo.

Koninkrijk of Sjahaat Perzi (Iran)


ARTAKHSJETER (ARTAxERXEs), kleinzoon van SAssAN stichtte in 226,
in 't tegenwoordige Perzi, 't Midden Perzisch Rijk 1) of Rijk der
') 't Oude Perzisch Rijk door KYRos (KoERoESJ) gesticht en door ALEXANDRos III
van Macedoni veroverd, had bestaan van 558-330 v. Chr.

326

KONINKRIJK OF SJAHAAT PERZI

Sassaniden, dat voortdurend in oorlog met Rome, in 650 door de


arabische kaliefen veroverd werd. Eerst een deel van 't kalifaat, is

Perzi sedert de 10e eeuw in verschillende onafhankelijke staatjes ver


brokkeld. In 1256 verschijnt HoELAGoE ILKHAN aan 't hoofd zijner
Mongolen. Hij, de kleinzoon van DsJINGHIs-KHAN sticht in Perzi de
dynastie der Ilkhaniden, ook wel Dsjinghiskhaniden van Iran !) genoemd.
Deze dynastie bloeide tot 1346. De nu volgende jaren is Perzi groo
tendeels bij 't Mongolenrijk der Timoeriden ingelijfd (1393-1505).
In 1505 stichtte IsMAL EL-SAFI 't 3e of Nieuwe Perzisch Rijk, dat
thans nog bestaat en waar sedert 1794 de familie der Kadsjaren op
den troon zetelt.

Sjah NAssER ED-DIN, die in 1889 ons land bezocht, is de vierde


vorst dezer familie.

Op de oude perzische munten komen arabische opschriften voor,

eerst sedert 't begin der 17e eeuw verschijnt 't perzisch. Eigenaardig
is 't gebruik van koppeldichten of berijmde tweeregelige verzen, die
sedert IsMAL II 984-85 (A. D. 1576-78) de koranteksten dikwijls
vervangen.

In omloop waren: de gouden moer asjrafi (= 3 asjrafi), de zilveren


abbassi 2 senaar (of mahmoedi) 2 sjahi 2'/2 bisti 4 kasbegi
5 dinar.

Tegenwoordig wordt gerekend bij toman 10 karaan 2 penabad


10 sjahis 50 dinar. De wet van 1875 toch voerde de volgende
stukken in:

goud: toman (3.225 wichtjes op 0.900 fijn) met halven en kwart.


zilver: karaan (5 wichtjes 0.900 fijn) met halven en kwart.
koper: 2, 1 en 1/2 sjahi.
Later zijn er stukken van 2, 5 en 10 toman bijgekomen.
In 1877 zijn alle provinciale munthuizen opgeheven, zoodat alleen
de munt van Teheran in werking bleef.

') Ter onderscheiding van de Dsjinghiskaniden van Kiptsjak, die wij straks onder
Siberi zullen ontmoeten.

327

KONINKRIJK OF SJAHAAT PERZI

RIJK DER SASSANIDEN OF TWEEDE PERZISCH RIJK


Kawadh I of Kobad 488-531 A. D.

3789 ll.

Drachme. Vz. Gekroond hoofd des konings van rechts.


Kz. Kolom met vlammend vuur (godsdienst van Zoroaster),
rechts en links een groot zwaard met 't gevest naar
boven.
Verg. MARSDEN 531.
Aboe Said Behader negende Ilkhanide 716-36 A. H. 1)

i.

Kasbegi.

Verg. 278.

DERDE OF NIEUWE PERZISCH RIJK


Abbas II negende Safede 1052-77
i.

1059.

Abbassi van Tabriz.

Cat. Br. M. 2) 36.

Tamasp Koeli Nadir-sjah 1148-60 (dynastie der Efsjaren)


i.
i.

1150.
-

Abbassi van Isfahan.

224.

Abbassi van Tiflis.

226.

Roekh 1161-63 in Korazan

i.

1161.

Dubbele roepie van Mesjed.

293.

Ismal III 1163-69

i.

1167.

Drievoudige abbassi van Mazenderan.

321.

Feth Ali 1212-50 (dynastie der Kadsjaren)

3796 i.

1238.

Roepie van Tabriz.

524.

") Jaartallen volgens de hedsjra.


*) Catalogue of coins of the shahs of Persia in the British Museum. London
1887. In 8". De berijmde vertaling van 't koppeldicht dat op dezen abbassi voorkomt,
luidt daar:
Throughout the world imperial money came,
Struck by God's grace in Abbas Sani's name.

328

STEDELIJKE MUNTEN VAN PERZI

Mohammed Mirza 1250-64


3797

i.

1256.
1261.

--

Karaan van Kermansjahan.


Penabad of 1/2 karaan van Sjiraz.

556.

Karaan van Teheran.

560.

558.

Nasser ed-din 1264-1313


1277.

Karaan van Teheran.

603.

Z. J.

Karaan van Jezd.

623.

1301.

Honderd dinar of dubbele sjahi.


Vijftig dinar of sjahi.
Vijfentwintig dinar of halve sjahi.

STEDELIJKE MUNTEN VAN PERZI

't Schijnt dat sedert de stichting (1505) van 't Nieuwe Perzisch
Rijk verschillende goeverneurs 't recht verkregen hebben koperen mun
ten te slaan en dat zij dit tot omstreeks 1853 hebben uitgeoefend.
Erivan
1095.

Bisti = 4 kasbegi.

1 122.

Bisti. V2. Wisch.

54.
Verg. 36.

Isfahan
Dubbele bisti.

33.

Mazenderan
1 138.

Dubbele bisti.

Verg. 182.

Sjemakhi
1.196.

Dubbele kasbegi.

115.

Tabriz
1 072.

3811

i.

Dubbele kasbegi.
Bisti.

90.

Verg. 92.

329

AZIATISCH-RUSLAND

Aziatisch-Rusland of Siberi (Sibirs)


In 1557 veroverde de russische tsaar IwAN I de vlakte van Kiptsjak,
waar de Dsjoedsjiden in de 13e en 14e eeuwen geregeerd hadden. Ook
de door den kozakkenhoofdman JERMAK ten oosten van 't Oeral-gebergte
veroverde landstreek voegde hij bij zijn rijk. Tobolsk werd hoofdstad
dezer nieuwe russische provincie (Siberi), die in de 17e eeuw over
geheel Noord-Azi zich uitbreidde 1).
In de tweede helft dezer eeuw werd Siberi in 't zuiden vergroot,
door toevoeging van de landen tusschen de Kaspische Zee en Afghanistan,
die van 874-1004 onder het bestuur der Samaniden geweest waren.

DSJOEDSJIDEN OF KHANS VAN KIPTSJAK

Eenige jaren voor HoELAGoE zich in Perzi vestigde, veroverde een


andere kleinzoon van DSJINGHIs-KHAN de noordkust der Kaspische Zee
tot den Wolga. Deze veroveraar BAToE geheeten, was de zoon van
DsjoEDsJI, en regeerde 1226-56. De door hem gestichte dynastie wordt
ook naar zijn grootvader genoemd: Dsjinghiskhaniden van Kiptsjak;
zij regeerden tot 't begin der 16e eeuw.
Khider-khan of Mahmoed-Khider 761-62

3812

i.

771.

Dirhem van Nieuw Serai.

Revue belge 1858, blz. 243.

Hoewel deze munt duidelijk 't jaartal 771 aangeeft, moet


dit 761 zijn. De munten dezer dynastie wemelen van
verkeerde jaartallen 2).

1) In 1699 had de verovering van 't schiereiland Kamsjatka plaats.


*) Das mohammedanische Miinzkabinet des Asiatischen Museums von C. M. FRAEHN.
St. Petersburg 1821. In 8".

330

AZIATISCH-RUSLAND

SAMANIDEN

Wij zagen reeds dat de macht van 't kalifaat tegen 't midden der
9e eeuw begon te tanen.
In 874 benoemde kalief MoETAMID den achterkleinzoon van SAMAN,
NAssER IBEN AHMED tot goeverneur van Bokhara in de provincie Mawera
en-nehr ('t oude Transoxiana). Zijn opvolger verkreeg in 892 Samar
kand en in 900 het thans perzische Korazan onder zelfstandig beheer.
De familie der Samaniden heerschte tot 't einde der 10e eeuw, toen
hun rijk door de Ghaznaviden werd ingelijfd.
Ismal iben Ahmed 279-95

3813 i.

286.

Dirhem van Al-Sjasj ('t tegenwoordige Tasjkend).


Verg. MARSDEN 69.

SIBERI ONDER RUSLAND


Ekaterina Il 1762-96

rr.
xx.
3816 rr.

1766,
1770.
1793.

Griwna van Kolivan = 10 kopekken.


Denga van Kolivan.
Piatak van Annensk = 5 kopekken.

CHAUDoIR 1891.
1840.
1750.

Keizerrijk Britsch-Indi (British India)


Dit bestaat uit Voor-Indi (behalve eenige kustplaatsen, die aan
Frankrijk en Portugal behooren), 't grootste gedeelte van Achter-Indi
en eenige oostaziatische eilanden.

Dertig eeuwen v. Chr. vestigden zich de uit 't N.W. komende Arija
aan den Indus 1) (Indirs, Hindoes), zij verspreidden zich oostwaarts
') Toen Sindhoe geheeten.

KEIZERRIJK BRITSCH-INDI

331

naar den Ganges, zuidwaarts naar 't tegenwoordige Dekan en dreven


handel met Babilonirs en Phoenicirs (land Ophir).
Omstreeks 705 n. Chr. komen de Muzelmannen uit Iran, onderwer
pen de hindoevorsten in Noord-Indi en stichten 't Indo-Mohamme
daansch Rijk, waarvan Dehli hoofdstad werd alleen in Dekan bleven

eenige hindoesche staten onafhankelijk, die eerst in de 17e en 18e eeuwen


door de Muzelmannen onderworpen werden.
Van 963-1187 regeeren de Ghaznaviden, aanvankelijk als stede
houders der Samaniden, sedert 998 als onafhankelijke vorsten. Zij
werden opgevolgd door de Ghoriden of Patan sultans, die van 1192
1526 te Dehli heerschen.

De laatste dezer sultans IBRAHIM IBEN

SEKANDER werd 1526 bij Panipoet door de invallende Tataren onder


BABER verslagen en 't Rijk van den Groot Mogol 1) of der Baberiden
gesticht. BABER's opvolgers: AKBAR I (1556-1605), DsjihANGHIR
(1605-28) en AURENGzEB (1658-1707) breidden hunne macht zuid
waarts uit, doch de invallen van Perzen en Afghanen in de 18e eeuw
verzwakten 't rijk zoodanig, dat 't een lichte buit voor de europeesche
veroveraars werd. In 1788 namen de Engelschen Dehli in en lieten
den Baberiden slechts een schijn van macht.

Wij zullen de munten der inlanders 't eerst behandelen, daarna die
der europeesche kolonisten.

NOORD-INDI (HINDOESTAN)
Timoeriden of Baberiden
Djelal ed-din Aboe 'l-Fath Mohammed Akbar I 963-1014

3817 i.

z. j.

3818 1.

988.

Halve roepie.
Cat. Bodl. Libr. 2) 670.
Het woord roepia is sedert 947 in gebruik.
Vierkante roepie van Lahore, djilali genaamd. Verg. 676.

') Voor Mongool, in plaats van Tataar.


*) Catalogue of the Mohammadan coins preserved in the Bodleian library at
Oacford, by ST. LANE-PooLE. Owford 1888. 4.

332

BRITSCH-INDI

Noer ed-din Aboe 'l-Fath Mohammed Dsjihanghir 1014-37

3819

i.

1027.

Dierenriemroepie. Vz. Steenbok. Geslagen te Ahmed


abad.

i.
i.

1032.

MARSDEN 840.

Dierenriemroepie. Vz. Leeuw. Van Ahmed-abad. 849.


Dierenriemmoehr. Vz. Steenbok. Van Agrah.
(Afgietsel in koper).
Verg. FoNRoBERT 3034.

Moei-d-din Aboe 'l-Mozaffer Aurengzeb Alemghir l 1068-1118

i.

1109.

Roepie van Soerat.

MARSDEN 897.

Nadir Sjah 1152

e.

1152.

Halve roepie van Moersjed-abad.

Cat. Bodl. Libr. 862.

Abdallah Ali Gohar Djelal ed-din Aboe 'l-Mozaffer Sjah Alem II 1173-1221

i.
i.
i.
i.
i.
m.

1174. Roepie van Benares.

Kwart roepie van Soerat.


1175. Achtste roepie.
1188. Halve roepie van Moersjed-abad.
1191.
1192.

i.

i.

i.

i.
i.

Roepie van Faroekh-abad.


Roepie van Benares.
Kwart roepie.
Achtste roepie.
Zestiende roepie.
Vierenzestigste roepie.
Pai van (Djepoer ?)

MARSDEN

980.

FoNROBERT 3182.
3185.
MARSDEN

968.
938.

Verg. 980.

FoNROBERT 3226.
3228.

Verg. 3333.

Moen ed-din Aboe 'n-Nasser Mohammed Akbar Il 1221-56

3835 i.

1244.

Roepie van (Ferhanda ?)

3358.

Koninkrijk Djaunpoer
De zwakke regeering der Patan sultans sedert MoHAMMED II IBEN

ToGHLAK (1324-51) was oorzaak dat verschillende goeverneurs in


Hindoestan en Dekan zich aan 't gezag van Dehli onttrokken en een

333

BRITSCH-INDI

dertiental onafhankelijke staatjes stichtten 1). Een dezer: Djaunpoer is


hier vertegenwoordigd. Dit rijkje heeft bestaan van 1393 tot 1476.
Dynastie Sjarkie
Hoesen Sjah 863-81

3836 i.

868.

Koperen munt van de 1e grootte; weegt 10.1 wichtjes.


Cat. Br. M. 304.

De koperen munten van Djaunpoer, waarvan de namen


onbekend zijn, worden verdeeld in drie soorten: de 1e
weegt tien wichtjes, de 2e vijf, en de 3e twee en een half.

ZUID-IN DI (DEKAN)

Reeds hadden de Mohammedanen in Noord-Indi 't machtige Rijk


van Dehli gegrondvest, toen 't zuiden nog verbrokkeld was tusschen
de hindoesche volksstammen der Pandijas in 't zuiden, de hen bevriende

Cholas in 't oosten en de hen vijandige Ballalas in 't westen.


In 't begin der 14e eeuw ondernamen de Mohammedanen hunne
veroveringstochten zuidwaarts en deden de oude hindoe-rijken uiteen
spatten ; doch slechts voor korten tijd, want nog eens vereenigen zich
de volgelingen van BRAHMA en stichten het groote hindoe-rijk: Vija
janagara (1336-1564), dat onder NARAsINGA III KRISJNADEwA zijn
toppunt van bloei bereikt en tot 1564 zijne plaats aan 't hoofd der
hindoe-staten handhaaft.

Bij den val van Vijajanagara echter (1564), zien wij overal nieuwe
staatjes verrijzen, door bevelhebbers en landvoogden gevormd. Van
enkele dezer staatjes bezit de verzameling munten.
In de 17e en 18e eeuwen gingen al deze bezittingen in de macht
der Mohammedanen over, tot de Engelschen in 1799, na de beslissende
*) De invallen van TIMOER, die in 1398 Dehli plunderde, droegen ook 't hunne
hiertoe bij.

334

BRITSCH-INDI

overwinning op TIPPo SAHEB van Misore behaald, deze zuidindische


gewesten bij Britsch-Indi inlijfden 1).

De Hindoes rekenden bij pagoda's 42 fanam 80 kasja; ook


werd de fanam verdeeld in 4 paisa 2 doedoe 10 kasja.
Cochin of Kotsjin
Rama Warma IIl 1809-28 A. D.

3837 i.

Dubbele poetan.

i.

Poetan.

i.

Kwart poetan.

ELLIoT blz. 141.


"-

Kurg, Coorg of Koerg


i. Zilveren vir raja.
i. Zilveren vir raja.

MARSDEN 1087.
-

Koetari of Koetandri
i.

Gouden fanam.

1090.

Madoera
Wira Pandian III 1475-90

3843

i.

Drievoudige paisa.

Verg. ELLIoT IV.145

Misore (Maisoer)
Dit rijk ontstond bij den val van Vijajanagara toen HIRA CHAMA
RAJA zich onafhankelijk wist te maken. Na 't uitsterven der inlandsche
dynastie in 1733 werd 't staatje een prooi van inlandsche twisten tot
in 1761 de Mohammedaan HEIDER ALI den troon beklom.

Zijn zoon TIPPo SAHEB werd 1799 door de Engelschen verslagen


en de oude hindoe-dynastie met KRISJNA RAJA OEDAJAR op den troon
hersteld.

De benamingen der munten zijn, in goud: ahmedi, moehr of mohoer


(13.5 w.) 2 sadiki 2 faroeki of pagoda 12 ferkhi of fanam.
') A sketch of the dynasties of Southern India by R. SEwELL. Madras 1883. 4.

BRITSCH-INDI

335

In zilver: heideri 2 imami of roepie 2 abidi 2 bakri 2

jafari 2 kasmi 2 kizri.


In koper: masjrabi (= 40 kasja) 2 zahra (doedoe of paisa) 2
behram 2 akter 2 kathib.

In 1843 is 't munthuis gesloten en sedert dat jaar vormen de britsch

indische munten wettig betaalmiddel.


Kantirawa Narasa 1638-59 A. D.
3844

i.

Gouden fanam.

i.

Akter met olifant.

5.

w.

Akter met olifant.

Verg.

i.

TUFNELL 62.

Akter met pauw.

22.

Heider Ali 1173-97 (Jaren der hedsjra)

i.

Bahadoeri pagoda. Te Heidernagar geslagen.

63.

Tippo Saheb 1197-1213

1216. 1) Imami van Seringapatam.

118.

w.

i.

1217.

Zahra van Feiz-Hissar.

185.

i.

1219.

Ferkhi van Seringapatam.

Verg. 102.

Krisjna Raja 0edajar 1799-1868 A. D.

i.
w.

z. j.
-

W.

xx.

Pagoda of varaha. Proef in lood.


Twintig kasja of poernia.
Vijfentwintig kasja.
Zes en een kwart kasja.

252.
283.
289.
291.

Poedoekottai
Wijaja Raghoenata Tondaman I 1730-67

w.

z. j.

Kathib of pai. Vz. In telingisch: wagaja.


TUFFNELL blz. 17.

3857 w.

Kathib. Nieuwere beeldenaar.

1) Gedurende de eerste 4 jaren zijn er regeering maakte TIPPO gebruik van de


gewone mohammedaansche tijdrekening (vlucht van MoHAMMED, zie blz. 314 noot 1)
in 1201 echter koos hij tot uitgangspunt 't geboortejaar van den Profeet d. i. 571
en voerde zonnejaren in. De munten van A. H. 1201 dragen dus tot opschrift 1215.

336

BRITSCH-INDI

Tinnevelli
Onder 't bestuur der Najakas 1520-1736
3858

z. j.
-

Pai.

LvENTHAL

Pai.

99.
101.

Gouden famam.

MARSDEN 1096.

Gouden fanam.

Gouden fanam.

Gouden fanam.

Tanjore
z. j.

Koperen doedoe.
Koperen doedoe.

SoNNERAT Pl. 30.23


-

SoNNERAT beschrijft deze stukken als volgt: ,,D'un cot sont


deux figures de Dieux, et de l'autre un Lingam, qui, comme
l'on sait, est la reprsentation des parties naturelles de deux
sexes runies; son culte est trs-rpandu dans ces deux royaumes
(Tanjaour et Madur).

Travankore (Tiroevarankodoe)
Zilveren vir raja.

Verg. ELLIoT blz. 139.

Zilveren vir raja.

Zilveren vir raja.

Zilveren vir raja.

Doedoe van 4 kasja.

Tsjandragirri
Gouden pagoda of hoen.

MARSDEN 1076.

Gouden pagoda. Aan beide zijden der godin Laksmi andere


figuren.
Verg.

BIDIE beschrijft dergelijke pagodas (Pl. III.22); hij beschouwt ze als


fabrikaat van de hollandsche faktorijen.

Onzekeren (?)
3873

Dubbele zilveren fanam, weegt 2 wichtjes.


Vz. Een vogel. Kz. Glad.

337

BRITSCH-INDI

3874 i. Koperen pai. Vz. Ruwe afbeelding van een afgod 1).
Kz. Eenige strepen en punten.
3875 i. Koperen paisa. Vz. en Kz. Opschriften in marthi.

MUNTEN DE R EUROPEES CHE KOLONISTEN

Na VAsco DA GAMA's omzeiling van Afrika (1498) wekte de rijke


indische handel der Portugeezen in hooge mate den naijver der engel
sche handelaars op.

Wel had de pauselijke bulle van 4 mei 1493, al het te ontdekken


land westelijk van 149 O. Gr. gelegen aan de portugeesche kroon

toegezegd (demarcatie-lijn), doch het protestantsche Engeland erkende


die uitspraak niet.
De engelsche handelaars wonnen berichten omtrent den te volgen
zeeweg in, schepen werden uitgerust en 1591 kwamen de eerste engel
sche kooplieden in Indi aan.
Van DsJIHANGHIR verkregen zij in 1612 verlof eene faktorij bij Soerat
op de westkust te bouwen; acht jaar later had hetzelfde plaats ter
oostkust bij Masoelipatam en Armegan in 1639 werd 't fort S. George
bij Madras gebouwd, in 1668 't eiland Bombay verkregen en toen in
1708 alle engelsch-indische handelsvereenigingen zich oplosten in de
New East India Company stond reeds een groot gedeelte der indische
kust onder engelsche vlag. De veroveringen werden steeds voortgezet
in 1788 Dehli ingenomen en na 't afloopen van 't monopolie
der Company in 1854, kwam in 1858 geheel Indi aan de engel
-

sche kroon.

't Geheel is verdeeld in provincin en presidentschappen, de onder

koning zetelt te Kalkutta en staat onmiddelijk aan 't hoofd van het
presidentschap Bengalen eenige inlandsche rijken bleven onder eigen
vorsten, doch zijn aan Engeland schatplichtig. In 1876 werd koningin

1) HULTzscII geeft op Pl. II.35 de beschrijving van een pagoda van Vijajanagara,
die eene eenigszins nabijkomende Vz. heeft.
-

22

338

BRITSCH-INDI

VICTORIA, keizerin van Indi en 1 jan. 1877 Britsch-Indi tot keizer


rijk uitgeroepen.
Nadat de Engelschen zich in Indi gevestigd hadden, sloegen zij in
Bengalen, Madras en Bombay munten voor hunne verschillende bezit
tingen. Dit zijn slaafsche nabootsingen der inlandsche stukken en zelfs

de slechte gewoonte der inlanders, om bij 't munten stempels te ge


bruiken, die veel grooter zijn dan 't muntplaatje, werd door hen nage
volgd - de aldus geslagen stukken vertoonen natuurlijk maar een
gedeelte van 't opschrift.
In Bengalen en op de westkust was 't mohammedaansche muntstelsel
in zwang (gouden mohoer = 16 zilveren sicca-roepies 1) 16 annas

4 paisas 3 pai) - in 't gebied van Madras 't hindoesche (gouden


pagoda = 42 zilveren fanams 4 faloes 20 kas of kasjas).
In 't begin dezer eeuw werden de oude, te groote muntstempels,
vervangen door kleinere, die juist zoo groot zijn als 't muntplaatje
hierdoor komt 't geheele opschrift op de munt ook werd toen de
kantkarteling ingevoerd.
In 1835 hield men op met 't nabootsen der inlandsche munten en
de zilveren nieuwe compagnies-roepie met perzisch en engelsch opschrift
verkreeg koers in geheel Britsch-Indi. Deze weegt 11.664 wichtjes
op 0.916*/8 fijn. Honderd-duizend roepies worden lak; honderd laks,
crore of koeron genaamd.
Bombay
De eerste munten voor Bombay zijn in Engeland geslagen, doch
reeds in 1671 schijnt daar ter plaatse eene munt gevestigd, die in
1677 van CHARLEs II vergunning kreeg rupees, pice and budgrooks
te slaan. Sedert 1738 werden te Bombay nabootsingen geslagen der
inlandsche roepies van Soerat in goud (mohoer) en zilver (roepie)
beide metalen met dezelfde stempels. Dit duurde tot 1780. Alle
zijn even ruw als de munten van den sjah, en slechts door eene
e

1) De vr sept. 1835 geslagen roepies werden sicca-roepies genaamd, daar hun

gewicht eene sicca = 11.4 wichtjes fijn zilver was. Na 1835 zijn 15 sicca-roepies
gelijk gesteld met 16 compagnies-roepies.

3:30

BRITSCII-INDI

zespuntige ster van de inlandsche exemplaren te onderscheiden. In 1823


werden de nieuwe stempels voor de zilveren munten ingevoerd, waar
door 't geheele opschrift op de munten kwam deze zijn tot 1835
aangemunt. Koperen stukken voor Bombay zijn tot 1832 in Engeland
gemaakt; sedert dat jaar in de nieuw ingerichte munt aldaar.
Charles II 1660-84

3876

i.

Paisa. Vz. ORIEN en MONET . . . . . NBAY Verg. ATKINs 140.33


George I 1714-27
Paisa.

142.45

Halve paisa.

14 1.40

George II 1727-60

Halve paisa van lood.

148.152

George III 1760-1820

I Munten geslagen tot 1818 met den naam van sjah ALEM I.
Oude type met gladden kant
Roepie van 't jaar 4 . .
Halve roepie.
Halve roepie van 't jaar 4 . .

139.20
.21
138.18

Deze munten dragen een gedeelte van de volgende opschriften,


in 't perzisch: Vz. Gezegende munt van den grooten vorst
sjah Alem.
Kz. Geslagen in Soerat in 't . . jaar van zijne voorspoedige
regeering.

II Munten in Engeland ) voor Bombay geslagen

3885

i.

1791.

i.

Paisa.

.69

i.

Halve paisa.

.70

Dubbele paisa. Koperverguld.

143.65

1) Het meerendeel is geslagen in de fabriek van BoULToN EN WATT te Soho bij


Birmingham.
22*

340

BRITSCH-INDI

3886 i.
xx.

1794. Dubbele paisa.


Dubbele paisa. Koperverguld.

i.

i.
i.
i.

1804.

i.

i.

1808.

i.

Paisa.

143.71
-. -

.73

Halve paisa.
Dubbele paisa.
Halve paisa.
Halve paisa. Bronzen proefmunt.

.74
145.20
146.122
- .-

Paisa.

144.95

Halve paisa.

145.1 11

William IV 1830-37

ij.

1830.

Kwart anna.

147.130

i.

1832.

Kwart anna.

. 132

i.

1833.

Kwart anna.

i.

1834.

Halve anna

.133
146.127

Madras

Op Indi's oostkust verkregen de Engelschen in 1620 Masoelipatam

en Armegan van den nabob van Golkonda, die hen ook in 1639 ver
gunde 't fort S. George bij Madras te bouwen en in 1671 aldaar munt
te slaan. 't Zullen de ster-pagodas geweest zijn, zooals n". 3899 een
te zien geeft.
In 1743 werd de engelsche munt te Arkot gevestigd en treffen wij
sedert dien tijd arkotsche roepies aan, even ruw als de inlandsche.

Een tweede overplaatsing had in 1807 naar Madras plaats; hier werd
tot 1835 in beide muntstelsels : 't hindoesche, zoowel als 't moham

medaansche, voortgemunt. Pagodas en fanams verschenen met engelsche


opschriften, en de roepies werden zorgvuldiger gemaakt, doordien de
stempels dezelfde grootte als de muntplaatjes kregen. Na 1811 zijn
de munten van een gekabelden kant voorzien.
Charles Il 1660-85

3902

i.

Gouden sterpagoda.

i.

Dubbele fanam.

i.

Dubbele fanam.

i.

Fanam.

BID1E III.23.

ATKINs 163.1
165. 13
-.-

1 66. 14

BRITSCH-INDI

341

Anne 1702-14
3903

i.

1706.

Faloes of doedoe.

173.72

George f 174-27
Drie fanams.

166.15

Fanam.

. 17

George III 1760-1820

I Munten zonder jaartal (hindoesch)


-e---e

-e-e

Dubbele gouden pagoda.


Gouden pagoda.
Halve zilveren pagoda met 9 sterren.
Halve zilveren pagoda met 15 sterren.
Kwart pagoda. De omschriften naar binnen gekeerd.
Kwart pagoda. De omschriften naar buiten gekeerd.
Vijf fanams.

Vijf fanams. Een punt tusschen FIVE en FANAMS.


Vijf fanams. De gesp is ovaal.
Vijf fanams. Het tamoelsche omschrift der Kz. is naar
buiten gekeerd.
Verg.
Vijf fanams. De omschriften der Vz. en Kz. staan niet
op een lint.
Dubbele fanam.

164.3
.4
167.23
.25
168.26
1.28
.32
.33
169.34

-.
.36
.38

Dubbele fanam. 't Perzische opschrift staat geheel scheef.


Verg.
-.
Dubbele fanam. Met kleinen gesp.
.37
Dubbele faloes of XL cash (engelsche benaming van kasja) 174.110
Faloes of XX cash.

.1 15

Halve faloes of X cash.

.116

Bovenstaande 17 munten geven de waardeaanduiding in vier


talen aan, op de Vz. in 't engelsch en hindostansch, en op
de Kz. in 't teloegoesch en tamilsch, de twee meest verbreide
drawida-talen.

II Munten met jaartallen (hindoesch)


1803.
3924

Faloes of XX cash.
Halve faloes of X cash.

. 177.131
.133

342

BRITSCH-INDI

3925 bb.

1803.

1.

i.

i.

1808.
-

Kwart faloes of V cash.

177.135

Kwart faloes. Verzilverde proefmunt.

-. -

Faloes.
Halve faloes.

. 132
. 134

i.

III Munten geslagen op naam van Aziz ED-DIN ABoE 'L-ADEL MoHAM
MED ALEMGHIR II, nabootsingen van arkotsche roepies (mohamm.)
In 1807, toen de munt naar Madras werd overgebracht, werden
voor 't eerst roepiestempels gesneden, die van gelijke grootte
waren als 't muntplaatje. In 1811 zijn de roepies van een
kabelkant voorzien en een voorraad spaansche pesos (dollars)
tot dubbele roepies overgestempeld.
Derde mohoer.

165.8

Dubbele roepie met kabelkant.


171.52
Dubbele roepie met kabelkant. De Vz. en Kz. versierd
met rosetten van zeven bolletjes.
Verg. -.
Roepie met kabelkant.
.53
Kwart roepie met kabelkant.
.55
Achtste roepie met kabelkant.
.56
Achtste roepie met kabelkant. Kleiner stempel.
Verg. -.
In de jaren 1823-25 werden tijdelijk in de munt te Kalkutta
roepies voor Madras geslagen deze hebben een kartelkant.
Roepie met kartelkant.
171.58
Halve roepie met kartelkant.
.59
Kwart roepie met kartelkant.
172.60
Kwart roepie met kartelkant. Achter 't regeeringsjaar
bevindt zich een roset van slechts zes bolletjes. Verg. -.
Achtste roepie.
.61
-

3943

De sedert 1825 te Madras gemunte roepies en onderdeelen,


hebben op den kant, een smal hol kabeltje.
Roepie met smal hol kabeltje.
172.63
Halve roepie met idem.
.64
Kwart roepie met idem.
-.65
-

BRITSCH-INDI

343

Noord-Cirkars (in 't presidentschap Madras)

Voor de Noord-Cirkars, grenzende aan Bengalen, werden munten


geslagen, die in 't hindoesche zoowel als in 't mohammedaansche munt
stelsel eene plaats vinden 't zijn de 1/s roepie = 1 faloes, en
onderdeel.

3944

i.

1797.

1/s roepie.

ATKINs 176. 127

i.

1/96 roepie.

.129

Bengalen
In 1656 kregen de Engelschen verlof in Bengalen eene faktorij te
stichten en reeds in 1682 vinden wij een engelsch presidentschap
Bengalen gevestigd. De president werd in 1773 tot hoofd van geheel
Britsch-Indi benoemd en Kalkutta tot rijkshoofdstad verklaard.
Aanvankelijk hadden de Engelschen van den nabob van Bengalen
vergunning gekregen in zijne munten te Patna, Dakka en Moersjed-abad
hun edel metaal te vermunten, tot hun na de verovering van Kalkutta
in 1757 werd toegestaan 't muntrecht in deze plaats uit te oefenen.
Ook hier bleven 't getrouwe nabootsingen van den bengaalschen sicca
roepie en ook even ruw als deze.

Bij 't openen van de nieuwe munt te Kalkutta in 1792, kregen de


roepies voor 't eerst 't geheele opschrift en werd ook koper aangemunt.
De aanmunting der nieuwe sicca-roepies geschiedde tot 1835, toen zij
plaats maakten voor de roepies met europeeschen beeldenaar.
George III 1760-1820

Munten geslagen op naam van sjah ALEM I


Die welke geslagen zijn te Patna dragen een drietand tot
muntteeken, de stukken van Moersjed-abad hebben een

i.

11.

vijfbladige roset.
Roepie van Moersjed-abad 11e regeeringsjaar van

i.

12,

Roepie van Moersjed-abad 12e jaar (1771).

sjah ALEM (1770).

3948 i.

Halve roepie van Moersjed-abad 12e jaar.

151.13
-. -

152,14

344
3949

BRITSCH-INDI

i.

19.

Roepie van Moersjed-abad 19e jaar (1778).


Achtste roepie van Moersjed-abad 19e jaar.
Sicca-roepie met geheel opschrift en kabelkant

152.16

. 18

(1792-1818 aangemunt).

15 1.13

Halve sicca-roepie met kabelkant.


Kwart sicca-roepie met kabelkant.
Sicca-roepie met kartelkant.
Kwart sicca-roepie met idem.
De roepies en onderdeelen met kartelkant, zijn

.20

153.25
.27

gemunt van 1818-32.

Halve sicca-roepie met gladden kant.


Kwart sicca-roepie met idem.
Deze munten met gladden kant zijn geslagen in de jaren

.29
.30

1832-35.
157.54

Halve anna.

Halve anna. Kleiner stempel.

Verg.

Paisa.

-.55

Pai.

.56

Pai.

De letters eenigszins anders.

De opschriften der volgende vijf munten zijn in 't ben


gaalsch, hindostansch en nagaarsch.
Paisa.

158.64

Paisa. In 1782 te Soho bij Birmingham geslagen.


Paisa. Na 1809 te Kalkutta geslagen.
Paisa. Als voren, ruwer werk.
Verg.

157.58

Halve

paisa.

Als voren.

158.60

.62

II Munten met jaartal


1774.

Twee annas.

156.52

George IV 1820-30

1825.

159.73

Vier pai.
Twee pai.

.74
William IW 1830-37

3971

i.

z. j.

Halve anna.

160.77

345

BRITSCH-INDI

3972

i.

Pai of derde paisa.


1835. 1) Roepie.
Roepie. Kz. Kleiner letters.
Halve roepie.
Kwart roepie.

160.78

Z. j.

183.43

Verg.

-.-.44
.45

Halve anna.

1 60.80

Kwart anna. Kz. Groote letters.

161 82

Kwart anna. Kz. Kleine letters.

Verg.

-.

Victoria sedert 1837

Roepie.
Roepie. Kz. Kleiner letters.
Roepie. Kz. Geen punt achter 't jaartal.
Halve roepie.
Kwart roepie.
Kwart roepie.

I'r.

3993

i.

183.46

Verg.

-.
.49
.47
.48
184.51

Twee annas.

.52

Twee annas.

-.53

Twaalfde anna of pai.


Halve paisa.
Kwart anna of paisa.

161.86

Roepie.
Twee annas of achtste roepie.

185.66

Kwart anna.

.87
.84

.69
189.167

De volgende munten zijn geslagen in gedeelten van Voor-Indi die


thans aan Engeland, doch vroeger aan andere europeesche rijken be
hoorden.

Kotsjin

Kotsjin, de eerste nederzetting (1503) der Portugeezen in Indi, werd


1662 door de Nederlanders genomen, doch kwam 1795 aan Engeland.

Waarschijnlijk zijn in deze faktorij de volgende muntjes gegoten.


In den zooeven verschenen Catalogus van 't Bataviaasch Genootschap,
kent de heer Mr. J. A. vAN DER CHIJs (blz. 165) ze ook aan Kotsjin toe.
') De munten sedert 1835 geslagen zijn in geheel Britsch-Indi gangbaar.

346

BRITSCH-INDI

Vereenigde Oostindische Compagnie 1663-1795

3994 i. Boeserok 1).


i.

NAHUYs Revue belge 1887. 507.1

Boeserok.

508.2

Paliakate

De eerste nederzetting der Nederlanders op 't vasteland van Indi


die hier in 1609 't fort Geldria bouwden.

Na 1781 tijdelijk bij Engeland, is Paliakate in 1825 voor goed


met dit land vereenigd.

HAvART meldt dat in 't fort Geldria gouden pagoden ( 120 stuivers)
gemunt werden, doch maakt van de hieronder staande munten geen
gewag.
Vereenigde Oostindische Compagnie 1608-1799

i.

z.. j.

i.

Zilveren vir raja.

i.

i.
i.
i.

Tien kasja.
Acht kasja.
Vijf kasja.
Kasja. Met P
Kasja. Met I

i.

Kasja. Met A

i.

1747.

FoNROBERT 2795.
2796.
2797.
-

2800.
280 1.
-

Boeserok van tin.

NEUMANN 20580.

Trankebar

Van 1616-1845 was Trankebar de voornaamste nederzetting der


Denen op de kust van Indi - het werd in laatstgenoemd jaar door

hen aan de engelsche New East India Company voor 20.000 pond
sterling verkocht.
Christjern W (koning van Denemarken) 1670-99

i.

Kasja van lood.

FoNROBERT 2804.

christjern VI 1730-46

4005 i.

Vier kasja.

1) Dit woord, door de Engelschen

281 6.

budgrook,

door de Portugeezen bazarucco ge

naamd komt van 't perzische bazar-rok = klein-geld markt of klein markt-geld,

347

BRITSCH-INDI

Frederik W 1746-66

4006

i.

z.. j.

Royalin.

i.

1756.

i.
i.

1762.

Dubbele royalin. Op een deensch twaalf skilling


stuk van 1718 geslagen.
Royalin.
Royalin.

2828.

2831.
2830.
2833.

Christjern WIl 1766-1808

i.
i.
i.
i.
i.

1768. Tien kasja.


1776. Dubbele royalin,
1788. Tien kasja.
179 ... Royalin.
1797. Vier kasja.

2840.
2845.
-

2859.
2862.
2864.

Frederik VI 1808-39

i.

1816.

Dubbele fano (fanam).

2866.

Negapatnam

Eene der eerste bezittingen der Portugeezen op de kust van Koro


mandel, werd Negapatnam in 1657 door de Hollanders onder JAN
vAN DER LAAN veroverd, doch moest in 1781 aan de New East India

Company worden afgestaan.


Vereenigde Oostindische Compagnie 1660-1781

4017

i.

Dubbele kasja.

i.

Kasja.

FoNROBERT 2790.
2792.

EILAND CEYLON (SIN HALA)


Oorspronkelijk werd dit eiland bevolkt door drawidische bewoners
van Zuid-Dekan. In 543 v. Chr. landde hier de bengaleesche prins
WIJAJA, overwon de Jakkos en Nagas en stichtte een nieuw rijk, door
hem Sihala (Singala, Seilan) genaamd. 't Noorden van 't eiland werd
later door de Malabaren veroverd (hoofdstad Jafnapatam) en in 't zuiden
vormden zich kleine vazallenstaten, onder opperheerschappij van den

singaleeschen koning te Kotta, later te Kandie.

348

EILAND CEYLON

Zoo vonden 't de Portugeezen. Na VAsco DA GAMA's reis (1498)


hadden zij zich in Indi gevestigd en kwamen in 1505 ook op Ceylon.
Hier stichtten zij faktorijen en maakten den koning te Kotta vazal
van Portugal. Sedert 't begin der 17e eeuw bezochten ook schepen

onzer Vereenigde Oostindische Compagnie de kusten van dit eiland


en toen in 1638 de inlandsche vorst RAJAsINGA II onze hulp tegen de

Portugeezen inriep, werd de eene plaats na de andere genomen, tot


wij in 1658 van al de kustplaatsen van Ceylon meester waren.
In de jaren 1795-96 ging 't eiland aan de Engelschen verloren
en bij den vrede van Amiens (1802) bleef Ceylon eene engelsche
bezitting.
De inlandsche munt der singaleesche vorsten was te Poelastipoera,
na 1235 te Dambedenia.
Parakrama Bahoe l 1153-86 A. D.

4018

i.

Leeuwenmassa.

i.

Massa.

i.

Massa van Setoe.

RHYS DAVIDs

7.
15.

19.

Deze laatste is waarschijnlijk door PARAKRAMA's generaal


LANKAPoERA te Setoe geslagen.
Lilawati 1197-1200
i.

Massa.

i.

Massa.

21.
Sahasa Malla 1200-2
23.

Vereenigde Oostindische Compagnie 1655-1796

4033

i.
i.
i.

z. j.

Tang van 6 stuivers. Lengte 110 streep. FoNRoBERT 2690.


Dubbele stuiver. Op beide zijden II S3
2694.
Stuiver. Op beide zijden I S3
2697.

i.
i.

Halve stuiver. Op beide zijden # S3


Kwart stuiver. Op beide zijden # S3

i.

Kwart stuiver. Eenigszins anders dan

i.

Achtste stuiver. Op beide zijden # S1

2714.
2725.

i.

1785.

Stuiver,

i.

1786.

Stuiver.

i.

i.

179 ..

Stuiver. Vz. De C lager dan


Stuiver.

2707.
2712.
-

2727.
-

:349

EILAND CEYLON

4034

i.

1792.

Dubbele stuiver.

2739.

Stuiver.

2740.

Kwart stuiver.

27 10.

George Ill 1798-1820 koning van Engeland

1801.

Door de Engelschen zijn geslagen: rixdollars 48 stuivers


(of pice) 4 dezer stuivers = 1 fanam. Behalve deze
munten zijn ook de indische roepies in omloop voor
twee shillings.
Dubbele stuiver. De Kz. draagt de cijfers 24,
hetgeen beteekent dat 24
zijn aan een rixdollar.

1802.

dezer stukken gelijk


ATKINs 195.43

Halve stuiver.

196.70

Kwart stuiver.

.71

1804.

Halve rixdollar. De K2. van deze munt vertoont

1805.

Vier stuiver.

195.35

1808.

Dubbele rixdollar.

1922

Rixdollar.

193.8

24 | ST

1815.

193.11

Halve rixdollar.

. 12

Dubbele stuiver.

197.73

Stuiver.
1816.

.74

Dubbele stuiver.

Verg. 195.51

George IV 1820-30
1821.

Rixdollar.

194.18
Wictoria sedert 1837

bb.

1844.

Halve farthing.

1 98.84

4050 bb.

1870.

Cent.

199.93

ENGELSCH MALAKKA OF STRAITS SETTLEMENTS

In 1786 kocht de New East India Company 't eiland (= Poeloe)


Pinang, op Malakka's westkust, van den engelschen kapitein F. LIGHT.
Deze LIGHT had 't eiland als huwelijksgift van zijn schoonvader, den
radja van Kedah, gekregen.

350

ENGELSCH MAL AKKA

In 1824 werd de stad Malakka hierbij gevoegd. De nederlandsche


regeering nl. stond deze stad aan Engeland af, in ruil voor Benkoelen
op Sumatra.

In ditzelfde jaar kocht de Company Singapoer van den sultan van


Dsjohor.

Bovengenoemde bezittingen bleven onder 't bestuur van den engel


schen president te Bengalen tot 1853, toen zij, onder den naam van
Straits Settlements vereenigd werden tot afzonderlijke kolonie.

Eiland (= Poeloe) Pinang


Dit eiland door de Maleiers Poeloe Pinang genoemd, werd door de
Engelschen in Prince of Wales Island herdoopt, omdat 't 11 augustus
1786, den verjaardag van den toenmaligen engelschen kroonprins,
britsche bezitting werd de Kz. der volgende munten draagt daarom
't maleische opschrift: Djezirat Perrinsa ab Wails.
4051

i.
i.

1787.

Cent.

Halve cent.

i.

Kwart cent.

i.

1788.

i.

ATKINs 206.8
. 11
.12

Dollar.

203.4

Kwart dollar.

206.6

Cent. Kz. Poeloe Pinang.

207.14

i.

1810.

Halve cent.

o.

1828.

Cent.

.21

Halve cent.

.22

. 16

Malakka

i.
i.

1219. 1) Kepeng.
Kepeng. Kz. Eenigszins anders.

i.

1247. Kepeng. Kz. Een punt in de 7 van 't jaartal: V.


-

i.

ATKINS 208.2

Kepeng. Kz. V

i.

Kepeng. Kz. 1-

4065 i.

Kepeng. Kz. Een punt in elk der cijfers 4 en 7


van 't jaartal.

') Mohammedaansche tijdrekening (zie blz. 314 noot 1)).

351

ENGELSCH MALAKKA

4066

i.
i.

1247.

Kepeng. Vz. Vette (dominique) haan.


Kz. Geen punten bij de cijfers.
208.2

Kepeng. Vz. Lange magere (maleische vecht-)haan.


Kz. Geen punten bij de cijfers.
1251. Kepeng voor 't rijkje Perak.
N. v. D. CHIJs blz. 96.

Kepeng voor 't rijkje Trengganoe.


1411 (?) Kepeng. Vz. De haan met ,Tanah Malajoe.
-

i.
i.
i.

Kz. Verwarde nabootsing van arabische letters en

i.

cijfers, waarvan , mala, 19, 9 en 't jaartal 1411 te


ontcijferen zijn. Daar echter dit moham. jaar over
eenkomt met ons jaar 1990 is 't blijkbaar verkeerd
geplaatst.
ATKINS 208.3
Kepeng. Kz. Iets anders.

i.

Kepeng. Andere stempels.

Pahang (Oostkust van Malakka)


Vroeger eene bezitting van 't koninkrijk Siam, staat dit rijkje sedert
't begin dezer eeuw onder engelsch protectoraat.
l.

1301 (= A. D. 1883). Cent van tin.

v. D. CHIJs C. blz. 368.

Straits Settlements
Victoria sedert 1853
rr.

1845.

Cent.

ATKINS 21 1.49

i.

Halve cent.

.50

Tr'.

Kwart cent.

.51

rr.

1862.

O.

Cent. Op deze munt komt 't eerst de naam ,,Straits


.52

VOOT.

4082

Halve cent.

.53

rr.

1871.

Tien cents of dime, l/10 dollar.

210. 17

xx.

1872.

Halve cent.

212.65

bb.

1874.

Cent.

o.

1884.

Kwart cent,

21 1.58
-

212.78

352

LABOEAN OF SULTANA

EILAN I)

LA BOEAN OF SULTANA EILAND

Dit eiland, ter noordkust van Borneo gelegen, behoorde aan den
sultan van Broene, die het 18 dec. 1846 aan de Engelschen afstond.

4083 i. 1804. Kepeng.

ATKINS 230.1

i.
i.

1835.
-

i.

Kepeng.
Kepeng. Kz. Eenigszins anders.
Kepeng.

i.
i.

Kepeng.
Kepeng. Andere stempel.

.3
-,
-

.4
.5
-. -

SABAH (NOORD-BORNEO)
ABD EL-MoEMIN, sultan van Broene stond in 1877 eene groote
landstreek in Noord-Borneo aan den Engelschman ALFRED DENT af;
deze droeg reeds spoedig zijne rechten over aan de British North
Borneo Company.
4089

0.

1885.

Cent.

Berliner Miinzbltter blz. 532 N0. 150.

EILAND HONG KONG (HEANG KEANG)


Gedurende den Opiumoorlog werd dit chineesche eilandje, (Heang
Keang) gelegen ten zuiden van Kanton, door de Engelschen veroverd
(1839) en in 1841 door China aan Engeland afgestaan.
Vr 1866 lieten de Engelschen in Londen munten voor Hongkong
slaan toen in 1866 het munthuis te Hongkong gereed was gingen
van hier uit de zoogenaamde hongkong-dollars (24.26 w. f z.), geslagen
voor den handel met China, in navolging van de mexikaansche pesos.
Dit munthuis werd echter reeds in 1868 gesloten en het muntmateriaal
aan de japansche regeering verkocht, die de persen enz. in het nieuwe
munthuis te Osaka plaatste (zie onder Japan).

353

PORTUGEESCH-IN DI

Victoria sedert 1841

4090

i.

1863.

Mil of tsin.

rr.

1866.

Dime (= 10 cents) of hao.

221.53

rr.

Cent of sjen.

225.115

o.

1875.

Cent.

w.

1884.

Halve dime of oe-sjen.

ATKINS 226.130

.1 16
222.84

Onderkoninkrijk Portugeesch-Indi
(India PortugueZa)
De eertijds zoo belangrijke bezittingen der Portugeezen in Voor- en
Achter-Indi zijn thans geslonken tot Goa, Damao en de eilandjes Dio
en Gogola, alle op de westkust van Voor-Indi gelegen. Pantsjim in
de provincie Goa is de residentie van den portugeeschen onderkoning.
Den 10en maart 1510 opende AFONso DALBoQUERQUE (AFFoNso
D'ALBUQUERQUE) te Goa 't eerste portugeesche munthuis in Azi en
liet hier gouden cruzados, zilveren esperas en koperen dineiros en leaes
vervaardigen. 't Zijn alle nabootsingen van stukken toen in 't moeder
land in gebruik, doch met gewijzigden beeldenaar.
Aan 't einde der 17e eeuw zijn hier in omloop de roepie, met 1/2
(= pardao), 1/1, 1/10 (= tanga) en '/20 deelen.
In 1869 is de munt te Goa gesloten en bestelde de portugeesche
onderkoning in 1871 de nieuwe geldstukken te Bombay.
In 1880 verplichtte Portugal zich 't britsch-indische muntstelsel
voor hare indische bezittingen aan te nemen. Gewicht en gehalte dezer
te Bombay geslagen stukken is gelijk aan 't engelsche, slechts beel
denaar en benaming zijn portugeesch gebleven. 't Zijn: de nieuwe
roepie 16 tangas 12 ris de tanga = anna, de real = pai.
-

d. Maria I en d. Pedro Ill 1777-86

4095 i.

1781.

Roopie (rupia).

GERsoN VII.12
23

354

FRANSCH-AZI

d. Joao VI 1799-1816 Regent

4096

i.

1800.

Roepie van Goa.


De Vz. vertoont nog 't Bb. van d. Maria I.

VII. 14

Fransch-Azi
De bezittingen die Frankrijk in Azi heeft, worden in twee deelen
verdeeld: I die in Voor-Indi (Inde franaise), II die in Achter-Indi
(Indo-Chine franaise.

I WOOR-INDI (IN DE FR AN GAISE)


In navolging van onze Ver. Oost. Compagnie, stichtte RICHELIEU
in 1642 de Compagnie des Indes, wier zetel te Lorient in Bretagne
was. Deze werd 1664 onder den naam van Compagnie des Indes
Orientales op eene nieuwe leest geschoeid, doch reeds in 1719 met de
Compagnie d'Occident zaamgesmolten tot de Compagnie perptuelle des
Indes 1).
Door 't verleenen van vrijheid in handelszaken (dekreet van 18 jan.
1791) werd de compagnie opgeheven.
In 1612 verkregen de Franschen van DsJIHANGHIR verlof een kan
toor te Soerat te bouwen 1699 werd Pondisjeri door koop verwor
ven en tot hoofdplaats gemaakt. Maar alhoewel de Franschen hun

gebied uitbreidden, werkte de naijver der Engelschen allen voorspoed


tegen zelfs bezette Engeland tijdens NAPoLON I's bestuur alle
fransche kolonin in Indi. Door de verdragen van 1814-15 kreeg
Frankrijk in Voor-Indi terug: Mah (op de westkust), Karikal, Pon
disjeri en Janaon (op de oostkust), Tsjandernagor (in den golf van
Bengalen), een kantoor te Soerat, een te Masoelipatam en eenige
kleinere dorpen.
') Van deze is JoIIN LA w ook direkteur geweest.

355

FRANSCH-AZI

Mah

De roepie van Mah werd verdeeld in 5 fanams (fanon) 15 paisa


(biche). Deze stukken zijn in de munt te Pondisjeri geslagen.
Compagnie perptuelle des Indes 1720-91
4097

i.

1745.

Halve biche.

i.

1750.

Fanon.

ZAY 289.46
.44

Pondisjeri

't Fransche munthuis te Pondisjeri schijnt zeer spoedig ingericht te


zijn geworden, daar er in 1700 zilveren fanams, in 1705 gouden pa
godas en sedert 1736 zilveren roepies aangemaakt zijn. In laatstgenoemd
jaar verkregen de Franschen van NAssER ED-DIN ABoE 'L-FATH Mo
HAMMED V, voorganger van NADIR SJAH (zie n. 3823) uitdrukkelijk
verlof nabootsingen van arkotsche roepies te Pondisjeri te mogen mun
ten. Zij zijn te kennen aan een klein half maantje op de K2.

1 Januari 1840 is het munthuis te Pondisjeri gesloten.


De fanams bleven gangbaar tot 31 december 1871 en werden toen
ingewisseld voor engelsche roepies van Madras; de fanam gerekend voor
2 annas, de cache = pai.

Thans is in de kolonie Inde-franaise britsch-indisch geld met engel


schen beeldenaar wettig betaalmiddel.
-

Compagnie perptuelle des Indes 1720-91


i.

4103

Fanon.

ZAY 275.8

i.

Doedoe (doudou) = 4 caches of kasja.

i.

Doedoe.

i.

Doedoe.

i.

Doedoe.

278.23

23*

356

II

FRANSCH-AZI

ACHTER-INDI (IND O.CHINE FRAN GAISE)

Door 't verdrag van Hu-ee (1862) stond de keizer van Annam Kotsjin
sjina met eenige kusteilanden aan Frankrijk af. China voegde daar in
1885 Tonkin bij.
Beide landen, met 't protectoraat over 't koninkrijk Kambodsja

(sedert 1867) en 't keizerrijk Annam (sedert 1883) vormen de belang


rijke kolonie Indo-Chine franaise.

Keizerrijk Annam (Ngan-nam)


Van Kotsjinsjina, Tonkin en Kambodsja zijn geene munten in deze
verzameling; wij moeten hier dus dadelijk de annamitische stukken
behandelen.

't Schijnt dat al deze landen sedert de 3e eeuw v. Chr. nu eens aan

China onderworpen, dan weer onafhankelijk waren. Vr 1404 onder


inlandsche onafhankelijke vorsten, werd Annam in dit jaar opnieuw
door de chineesche legers overweldigd tot in 1417 de groote annam
itische patriot LEE-LoI opstond.
Hij stelde zich aan 't hoofd der ontevredenen, verjoeg de Chineezen
en verkreeg in 1428 van 't chineesche hof de keizerlijke investituur.
Tengevolge van burgeroorlogen werd in 1598 dit rijk in twee deelen
gesplitst 't noorden verkreeg den naam Tonkin, 't zuiden Kotsjin
sjina.
Door Frankrijk gesteund, veroverde NGOEJEN-PHUoK-ANH, koning van
dit laatste rijk, in 1790 Tonkin en de omliggende landen en liet zich
in 1801 tot keizer van Annam uitroepen.
Zijne opvolgers moesten 1862 en 1867 Zuid-Kotsjinsjina en in 1883
Tonkin aan Frankrijk afstaan. Eerst in 1885 bewilligde China in
dezen laatsten afstand.

De eigenaardige gewoonte der oostaziatische vorsten, om bij 't begin


hunner regeering, een regeeringsnaam aan te nemen, is zooals wij ook
later bij China en Japan zullen zien, voor onze studie van veel ge

KEIZERRIJK ANNAM

357

wicht, aangezien zij met hunnen regeeringsnaam alle besluiten teekenen


en slechts dezen op hunne munten plaatsen !). Is de regeering gelukkig, dan behouden zij dien naam (nin-hao
genaamd) vele jaren, keert 't geluk hun den rug, dan nemen zij naar
willekeur een anderen regeeringsnaam aan.
Na den dood krijgt de vorst een derde soort naam, miao-hao ge
noemd, die meestal op zijne persoonlijke eigenschappen toepasselijk
is. Zooals uit bovenstaand blijkt hebben wij hoofdzakelijk met de
regeeringsnamen te doen.
Godsdienst, beschaving en muntstelsel kregen de Annamiten uit
China, doch terwijl dit rijk slechts koper bleef aanmunten, richtte de
keizer van Annam in de laatste jaren zijn muntstelsel in, naar dat
van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika
De eerste annamitische munten dagteekenen uit de 10e eeuw. Het
zijn ronde platte schijven met een vierkant gat in 't midden (chineesch
type), die aanvankelijk van koper, in de 16e eeuw tijdelijk van ijzer
en in de 18e eeuw van inlandsch zink gegoten werden en donga of
sapeka heetten. Zestig dezer donga, door ananasdraden bijeengebonden
worden thans nog moot-tin genaamd en 10 moot-tin vormen een
kwan-tin of kwan. Deze kwan van 600 donga (in 't fransch enfilade)
gelden thans 1 frank.
Sedert 't oprichten van 't keizerrijk Annam (1801) is de kwan met
veelvouden ook in zilver gemunt, aanvankelijk in gestempelde lange
vierkanten staven, later in platte ronde schijven, zooals onze munten.
Onafhankelijkheidsoorlog onder Lee-loi 1417-28

4104 ll.

Donga van tin.

ToDA 42.

Dynastie Lee-trioe Il 1533-1787


D0ei-da0 1740-85

regeeringsnaam: Kieng-hoeng
4105 a.

Donga.

76.

') Cochinchine franaise. J. SILVESTRE. Notes pour servir la recherche et au


classement des monnaies et mdailles de l'Annam et de la Cochinchine franaise.
Saigon 1883. In 8".

358
4106
-

KEIZERRIJK ANNAM

ll.

Donga. Letters fijner gevormd.

76.

ll.

Donga. Te Hu-ee gemunt.

90.

ll.

Donga. Te Son-tai gemunt.


Donga. De woorden in oud zegelschrift.

ll.

96.
107.

Doei-kjem 1786-87

regeeringsnaam: Sjioe-thong-de
ll.

Donga van Than-hoa.

158.

Opstand en dynastie der Tai-son 1764-1801


De opstandelingen, die hun hoofdkwartier in 't westelijk gelegen
Tai-son-gebergte hadden en van daar hun naam ontvingen, werden in
1801 onderworpen door NGOEJEN-PHUoK-ANH, den stichter van 't anna
mitische keizerrijk.
Opstandeling Ngoejen-van-hwee 1787-91

regeeringsnaam: Kwang-troeng
Donga.

185.

Donga. 't Muntveld grooter dan


Donga. 't Muntveld kleiner dan
Donga.

193.

Opstandeling Ngoejen-dang-toan 1792-1801

regeeringsnaam 1792-1800: Kieng-tanh

ll.

Donga.
Donga. Kleiner dan
Donga. Grooter dan
Donga.

202.

205.

Dynastie Ngoejen-hwang-trioe
Ngoejen-phuok-anh 1779-1801-20

regeeringsnaam: Gia-long

4 120

i.

Sapeka van tin.


Sapeka. Letters iets anders,

224.

359

KEIZERRIJK ANNAM

Ngoejen-phuok-dam 1821-41

regeeringsnaam : Minh-mang
4121

i.
i.

ll.

Zilveren lwong. Dit stuk weegt 39 wichtjes en is gelijk aan


den chineeschen tal, die 331/3 wichtjes fijn zilver bevat.
Bac-chien-phi of zilveren draken piaster. Kz. Zon met 18 stralen.
Dit stuk is geslagen in navolging van den mexikaanschen peso,
piaster (dollar).
Dubbele donga.

227.

i. Sapeka.
i. Sapeka. Letters iets anders.

228a.
-

Ngoejen-phuok-thi 1841-47

regeeringsnaam: Thioe-tri
ll.

Donga.

230.

Ngoejen-phuok-nham 1847-83

regeeringsnaam: Toe-doek
ll.

Sapeka.

a.

Donga. Waarschijnlijk door een der opstandelingen gegoten.

FoNROBERT 2145.

Maker onbekend.

ToDA 252.

Koninkrijk Birma (Mranwa)


Groot rijk dat 't geheele westen van Achter-Indi innam en naar
de vroegere hoofdstad ook wel koninkrijk Ava genoemd wordt. Sedert
Engeland in 1826 en 1852 verschillende kustprovincin (Britsch-Birma,

hoofdstad Rangoen) in bezit nam, heeft Birma zijn groote macht


verloren.

Vroeger werden de metalen toegewogen eerst sedert 1852 worden


deze naar britsch-indischen standaard aangemunt.
Mengdoen-Meng 1853-78
l.

1240.

Paisa. Vz. Een leeuw.

4130 bb.

1262.

Paisa. Vz. Een pauw.

FONROBERT 2305.

360

KONINKRIJK SIAM

Koninkrijk Siam (Moeang-Thai)


De Emoi-Chineezen noemen dit rijk Sim-lo, waaruit de in 1547
hier aangekomen Portugeezen Siam maakten.
Siams geschiedenis is eene reeks van oorlogen en vijandelijkheden
met 't naburige Birma. De hoofdstad was Ajoethia van 135117671);
sedert 1782 is dit Bangkok.
Wat de munten betreft: de oudste dagteekenen van de derde dynastie
(1630-1780), doch daar ze geene opschriften dragen, is 't vooralsnog
moeielijk na te gaan, in welke jaren ze vervaardigd zijn. Het zijn ronde
klompjes zilver van verschillend gewicht, in den vorm van kauries, met
twee instempelingen (kra) voorzien. De eene, een wiel of roset, is 't
teeken van 't munthuis (Ajoethia, na 1782 Bangkok); de andere 't
teeken van den regeerenden vorst. Eerst in de laatste jaren begint
men tot eene ontcijfering dezer kra's te komen.
Onder koning MAHA MoNGKoET (1851-68) werden platte ronde
munten van goud, zilver, koper en tin voor 't eerst geslagen *)
terwijl de glazen en porceleinen schijfjes der speelhuizen, die als pas
munt burgerrecht verkregen hadden, sedert 1871 *) door de regeering
geweerd worden.
Munteenheid vormt de zilveren baat of tikal 4 saloeng 2 foeang
2 songpai *) 2 painoeng 2 at 100-120 bia of kauries.
Gouden munten zijn de tsjang of katti = 80 tikals en de temloeng
= 4 tikals beide laatste doen hoofdzakelijk dienst als geschenken
van den koning of als strooipenning bij feesten, begrafenisplechtig
-

heden, enz.

De tikal, een zilverklompje van 15.3 wichtjes wordt in den handel


voor 21/2 shilling aangenomen de Europeanen rekenen echter meestal
bij mexikaansche pesos 100 cents waarbij 1 peso = 12/8 tikal.
')
*)
*)
')

Jaartallen volgens SToKvis, bepalingen der kra's volgens HAAs, Siamese coinage.
Prof. SCHLEGEL geeft aan, dat dit na 1861 geschiedde.
Prof. SCHLEGEL verschuift dit tijdstip tot aug. 1875.
Songpai = dubbele pai, painoeng = enkele pai.

361 .

KONINKRIJK SIAM

Onbepaalde munt
4131 ii.

Zilveren saloeng. Instempeling (kra): bet = vischhaak.


Volgens HAAs nog niet te ontcijferen.

Verg. FoNRoBERT 2199.

Derde dynastie 1630-1780


Somdet Phra Narai 1657-84

i.

Zilveren saloeng. Kra: tsjang = olifant. 3.2 wichtjes.

2200.

In den op blz. 345 genoemden Catalogus der numismatische verzame


ling te Batavia, kent de heer Mr. J. A. vAN DER CHIJs, steunende

op mededeelingen van een deskundigen Siamees, aan deze kra 't jaar
-+ 1660 toe.

Vierde dynastie sedert 1782


Boeddha Iwat Fa 1782-1809

i. Zilveren tikal. Kra: boea = lotusbloem. 15 wichtjes.


MARSDEN LIV. 1231

i.

Zilveren tikal. Kra: boea. 14.8 wichtjes.


Verg. -.De kra op deze munt is eenigszins anders geteekend.
Nang Klao Tsjao 1824-51

i.

Zilveren tikal. Kra: prasat = paleis (volgens v. D. CHIJs).


Kra: keng = koninklijk lusthuis (volgens HAAs).
15.3 wichtjes.

FoNRoBERT 2192.

Maha Mongkoet 1851-68

i. Zilveren tikal. Kra: mongkoet = kroon. 15.2 wichtjes.


ii. Zilveren foeang. Kra: mongkoet. 1.9 wichtje.
i. Achtste foeang of at. Tin.

2194.
2203.
2218.

Tsjoelalonkorn sedert 1868

De door koning PHRA RoEANG in 638 ingestelde Tsjoela sakaraht


(burgerlijke tijdrekening) verschijnt thans voor 't eerst op de
siameesche munten. A. S. = A. D. -638.

4139 l,

1238.

At. Vz. Gekroond koninklijk naamcijfer.

362

4140

SIAMEESCHE

l.
l.
l.

1243.
1244.

SPEELPENNINGEN

At. Vz. 's-Konings borstbeeld.


Dubbele at. Met gekroond naamcijfer.
Halve at of solot. Met gekroond naamcijfer.

SIAMEESCHE SPEELPENNINGEN

Deze worden hier ingelascht, omdat ze tot 1871 als pasmunt dienst
deden.
Aangezien de bolvormige munten te lastig waren aan de speeltafels,
lieten de chineesche pachters der speelhuizen porceleinen en glazen
schijfjes aanmaken. Ze vertoonen op de Vz. den naam van de pachters
vereeniging of een of andere gelukaanbrengende spreuk. De Kz. ver
meldt de waarde. Deze opschriften zijn in 't chineesch, slechts bij

uitzondering wordt de waarde in 't siameesch aangegeven.


In 1760 verschenen zij voor 't eerst, werden spoedig door de inland
sche kooplieden als pasmunt aangenomen en bleven in omloop tot 1871,
toen de regeering door 't groote aantal valsche stukken gedwongen
werd het gebruik te verbieden.
ii.

Wit porceleinen saloeng met blauwe woord teekens. Rond; 28 streep.

fil
Vz. Hij

ZS = Genootschap de Eendrachtige Gehoorzaamheid.

|i
Kz.

4144 ll.

##

= saloeng.

Verg. SCHLEGEL 64.

Wit porceleinen foeang. Achthoekig, iedere zijde 9 streep.


Vz.

Hij

in kleurloos verheven (en relief) schrift, omgeven door

eene dubbele, achthoekige, verheven omlijsting.

Kz. Het blauwe woord teeken :

jf = foeang.

MAHARADJAAT

363

NEPAL

SIA MEESCH MAL AK KA

De vroeger bloeiende maleische staat Kedah verloor op 't einde der


vorige eeuw macht en aanzien, vooral nadat de Engelschen er 't eiland
Pinang en de provincie Wellesley hadden afgescheurd.
In 1821

werd 't sultanaat Kedah door de Siameezen veroverd en

als provincie bij hun rijk gevoegd.


4145 i. Tra. Tinnen munt ook wel pitji teboh genaamd.
HAAs blz. 24.
i.

Tra.

MILLIEs 237.

Verg.

Een andere bezitting van Siam op 't schiereiland Malakka, is


de vroeger onafhankelijke maleische staat Sanggora, thans de
siameesche provincie Song-kla.

4147 i. Tinnen munt.

HAAs blz. 22.

MILLIEs 255.

Maharadjaat Nepal
Dit rijkje, sterk door zijne moeielijk toegankelijke bergen, werd in
't midden der 17e eeuw in drie deelen (Patan, Batgaon en Katman
doe) gesplitst, die van nu af steeds om de hegemonie strijden.
In 1768 door de Gorkhas weer tot n rijk vereenigd, is Nepal, na

den ongelukkigen oorlog, dien RANA BAHADoER (1777-79) tegen Tibet


voerde, aan China leenplichtig.
In Nepal was de newar-tijdrekening in gebruik; deze begon in okt.
880 A. D. PRITHvI NARAJANA, die in 1768 't nieuwe rijk stichtte,
voerde de hindoestansche saka-tijdrekening in, die 78 jaar later dan
de onze begonnen is.
Gouden munten van Nepal zijn de asrafi (11.6 wichtjes) met 1/8, 1/4,
1/8, 1/16 en 1/3ss (= 0.03 wichtje) gedeelten.
Zilveren: Poera roepia (= 11.07 wichtjes) 2 moehr 2 adha
2 soeka 2 anna en 1/goo moer ook dam (0.03 wichtje) genaamd.
-

364

MAHARADJAAT

NEPAL

Bhoepalendra Malla van Katmandoe 803-19 (newar-jaren)


4 148

i.

819. (= 1698 A D.) Soeka of kwart moehr. MARsDEN N9. 11 14.


Bhaskara Malla van Katmandoe 822-30

823. (= 1702).

Moehr.

1115.

Adha of halve moehr.

1118.

Ranajita Malla van Batgaon 843-90

842. (?) = 1721. Halve moehr.

1123.

Niet bij MARsDEN.

Kwart moehr.

Jaja Prakasa Malla 857-89

z. j.

Achtste gouden asrafi.

Anna of achtste moehr.

Anna.

0.6 wichtjes.
MARsDEN II, blz. 760.

Halve anna, met den leeuw.

Zestien de anna.

761.

Dynastie der Gorkhas


Prithvi Narajana Saha Deva 1690-96 (saka-jaren)

Niet bij MARsDEN.


Merkwaardig is dat op deze munt de newar-jaren nog
gebruikt worden, alhoewel de nieuwe tijdrekening naar
saka-jaren reeds twee jaar vroeger was ingevoerd.

891. (= 1770 A. D.) Moehr.

Girwana Joedha 'Saha Dewa 1701-38

Moehr.
MARsDEN II, blz. 770.
z. j. Tweehonderd achtentachtigste asrafi.
N0. 1144.

1702. (= 1780).

41 62

i.

Dubbele dam (?). Vierkante stukjes bladzilver, waarvan eenige


met letters gestempeld. Wegen gemiddeld 0.07 wichtje.
Dam (?). Als bovenstaand, doch gemiddeld 0,01 wichtje.

KEIZERRIJK CHINA

365

Keizerrijk China (Tsjoeng-kwoh) )


De bevolking van dit groote rijk, die thans op 420.000.000 geschat
wordt, bestond oorspronkelijk uit tibetaansche, birmaansche en sia
meesche stammen, wier opperheer de keizer van 't Middenrijk, in de
tegenwoordige provincin Sjen-sie en Ho-nan regeerde, terwijl de om
wonende stammen hem als leenheer erkenden.

Door onderwerping dezer vazallen, breidden de keizers hun rijk uit


en SJIE HwANG-TIE (221-210 v. Chr.) *) van de dynastie Tsin (249
207 v. Chr.) drong oostwaarts door tot aan de zee, noordwaarts tot
aan Mongoli en Liao-tong. Hier in 't N. bouwde hij de bekende
groote muur, als bolwerk tegen de Tataren.
Onder de volgende dynastie, de Han (206 v. Chr. 220 n. Chr.)
werden Mongoli en Noord-Korea veroverd en bij 't keizerrijk gevoegd.
Tijdelijk vinden wij dit groote rijk in 3 deelen verdeeld, doch door
WoE-TIE, stichter der dynastie Tsin (265419) tot n geheel her
eenigd.
De 5e en 6e eeuwen zagen China wederom in een noordelijk en een
zuidelijk rijk gesplitst, beide door verschillende dynastin bestuurd.

WEN-TIE van de dynastie der Swie (589-618) veroverde in 581


het noorden en bracht eene vereeniging tot stand, die tot op den
huidigen dag bestendigd is.
Wel beklommen verschillende dynastin den troon, maar China bleef

als n groot rijk onverdeeld voortbestaan, vooral nadat de Mongolen


in de 14e eeuw ook Zuid-China voor goed aan het keizerrijk gehecht
1) Tsjoeng-kwoh beteekent: rijk van 't midden. Onder de dynastie Tsjeoe (1122
256 v. Chr.) vormden de keizerlijke domeinen de kern van 't rijk, vandaar de naam.
Bij de oude volken van Europa stond dit rijk als Sinae of Seres bekend nadat
keizer SJ1E IIwANG-TIE, van de familie Ts'IN, het land onder n scepter vereenigd
had, gaven de Hindoes den naam van Tsina aan 't rijk. De Midden eeuwen noemden
't Katai eerst toen de Portugeezenden nieuw en zeeweg naar Indi gevonden
hadden, kwam de oude benaming Tsina of China wer te voorschijn.
*) In plaats van de chineesche woordteekens, zullen wij achter de keizersnamen
zooveel mogelijk de regeeringsjaren herhalen. Deze jaartallen zijn vergeleken met
de Alphabetical list van EZERMAN & vAN WETTUM.

366

KEIZERRIJK CHINA

hadden. De tegenwoordige dynastie der Ta-tsing stamt uit de noorde


lijke provincie Liao-tong (Mandsjoerije) 1) en heeft sedert 1644 de
regeering in handen.
Reeds bij 't begin onzer jaartelling stonden de Chineezen in diplo
matieke verbinding met de Romeinen, doch dit verkeer met Europa

werd eerst levendig nadat de zeeweg naar Indi (1498) gevonden was.
Zoo bezaten de Portugeezen eene faktorij te Ning-po (prov. Tsjee-kiang)
en kwamen nederlandsche schepen in 1607 te Ma-kao (prov. Kwang
toeng) en in 1620 op 't eiland Formosa.
Het verkeer met de vreemdelingen bleek echter schadelijk voor 't Rijk
te worden; vandaar dat sedert de helft der 17e eeuw het oponthoud
der vreemden bemoeielijkt, later zelfs tot eenige plaatsen beperkt werd.
Tot 1842 waren voor den handel met Europeanen slechts geopend
Maimatsjin (Mongoli) en de haven Kwang-toeng (Kanton).
Na den Opiumoorlog voegde de chineesche regeering in den vrede
van Nan-king (1842) hier nog 5 havenplaatsen bij en door dien van
Tin-tsin (1859) breidde zij dit getal tot 19 uit.
Eerst na 't hervatten der vijandelijkheden en na de plechtige intocht
van de fransche en engelsche legers in Pe-king (24 oktober 1860)
werd geheel China voor de Europeanen opengesteld.

Wat de munten betreft, vinden wij dat in de oudste

tijden een soort

schelpen (pei) als ruilmiddel dienst deed, welke echter, volgens mede
deeling van den chineeschen geschiedschrijver MA TwAN-LIN, reeds onder
keizer T'AI-HAo (2852-2738 v. Chr.) door gegoten stukken metaal
vervangen werden 2). Dit zijn stukken van willekeurigen vorm en gewicht
en zonder opschriften.

In de 7e eeuw v. Chr. verschijnen de poe (van platten flesch vorm


met rond gat) en de tao of zwaardmunten, beide van opschriften
voorzien. Wij staan hier dus voor eene muntgeschiedenis van 26 eeuwen.
Onder keizer WoE-wANG (1122-1116 v. Chr.) worden de eerste
ronde koperen munten met rond gat gegoten deze dragen echter
geene opschriften keizer KIENG-wANG (544-520 v. Chr.) was de
') De Mandsjoeren voerden bij de mannen 't gebruik in, voor- en achterhoofd te
scheren en van 't kruin haar eene vlecht te dragen (staarten).
*) Verg. W. VissERING.

KEIZERRIJK

CHINA

367

eerste die ze met opschriften en met een vierkant gat in 't midden
deed voorzien. In 't begin bestaan deze opschriften uit muntbenamin
gen of waardeaanduidingen, doch later, onder keizer WoE-TIE (265
89 n. Chr.) van de dynastie Tsin, ontstaat 't gebruik de munten te
voorzien met den naam 1) van 't regeeringstijdperk, gedurende hetwelk
ze gegoten zijn. Dit gebruik, dat wij hiervor bij Annam reeds ont
moet hebben, is tot op heden blijven bestaan. Sedert de

troonsbestij

ging der mandsjoersche dynastie Ta-ts'ing (1644) vermeldt de Kz.


der munten steeds in 't mandsjoersch den naam der muntplaats.
Als hoofdmerkwaardigheid van 't chineesche muntsysteem dient
vermeld, dat alleen koper voor de munten gebezigd wordt de edele
metalen worden in staven toegewogen. Slechts een enkele maal wordt
van gouden en zilveren munten in de chineesche numismatiek gewaagd;
wel vinden wij gegoten ijzeren stukken, die bij tijdelijk gebrek aan
koper vervaardigd zijn.

Men rekent bij liangs (tael of chineesch ons zilver) 10 tsin (mees)
10 fen (kondorijn) 10 li (tong-tsin, kasja of pitji) 10 hao
10 sie. Alle zijn rekenmunten, behalve de li of tong-tsin, die in
natura voorkomt. Enkele malen werd ook de fen en bij hooge uitzon
dering de tsin als munt gegoten.
De li of tong-tsin, een muntje van + 4 wichtjes, bestaande uit
80 /o koper, met alliage van tin, lood, zink of ijzer, wordt in risten
van honderd bijeengeregen; zulk een rist heet mees; tien mees vormen
een kwang, ming of tiao.
De liang of tael, in naam een chineesch ons (37.573 wichtjes) fijn
zilver, geeft in werkelijkheid slechts 33.38675 w. f. z. aan, daar 72
liangs gelijk gesteld worden met 100 mexikaansche pesos. Oorspron
") Het is den Chineezen verboden den naam van den regeerenden keizer (zoon
des hemels) te schrijven of uit te spreken daarom namen de keizers sedert 163

v. Chr. voor korteren of langeren tijd een regeeringsnaam (nin-hao) aan de duur
dezer nin-hao wisselt af tusschen 1 maand en 60 jaar.

Sedert keizer T'AI-TsoE (1368-98) stichter der dynastie Ming, blijft de nin-hao
van de troonsbestijging voor den geheelen duur der regeering behouden.
De lijsten der chineesche keizersnamen met de nin-hao zijn door de heeren
J. L. J. F. EzERMAN & B. A. J. vAN WETTUM in 't tijdschrift Toung pao (Leiden,
jaargang 1892) uitgegeven.
-

368

KEIZERRIJK CHINA

kelijk waren 1000 li's = 1 liang, doch thans wordt een liang gelijk
gesteld met 13 1400 li's.
Daar de chineesche regeering geene gouden of zilveren munten, wel
baren edel metaal uitgeeft, behelpt de bevolking zich met oude spaan
sche pesos van CARLos III en IV, die tegenwoordig in Marseille en
in China zelf worden nagemunt, met japansche jen, met noordameri

kaansche trade-dollars, en voornamelijk met mexikaansche pesos. Al


deze munten worden in 100 cents verdeeld en gelijk gesteld met +
1000 li's.

De vreemdelingen koopen de li's per pikol (+ 17000 li's) 17 pesos.


Dynastie Han 206 v. Chr. 220 n. Chr.
Keizer Wang-mang 9-22

regeeringsnaam : Sjie-kin-kwoh 9-13


41 63

i.

Tao of zwaardmunt. 't Opschrift ,n tao is verguld.


TERRIEN DE LAcoUPERIE blz. 316 N0. 142.

STEPHAN ENDLICHER schrijft in zijn , Verzeichniss der chinesischen


und japanischen Miinzen des K. K. Miinz- und Antiken Cabinetes
in Wien 1837 In 4": alle Schwertmnzen, die wir zu sehen Ge

legenheit gehabt haben, tragen ein so neues Geprge, dass man sie
unbedenklich in die Classe der nachgemachten Mnzen (wei-thsian)
stellen kann.

TERRIEN noemt stukken als ons N. 4163: ,imitative specimen.

Dynastie Soeng II 960-1278


Keizer Tsjin-tsoeng 998-1022

regeeringsnaam: Ta-tsjoeng-siang-foe 1008-16


i.

Li of tong-tsin.

i.

Li.

CHAUDoIR VII.4
.5

Keizer Sjin-tsoeng 1023-63

regeeringsnaam: T'in-sjing 1023-31

4168

i.

Li. De woord teekens of sinogrammen anders gevormd.

-.

i.

Li.

.9

369

KEIZERRIJK CHINA

regeeringsnaam : King-jioe 1034-37


4169

i.

Li.

Li.

VII. 12

regeeringsnaam:
Pao-joen 1038-39
.

. 15

va

i.

regeeringsnaam: Kang-ting 1040


-14

Li.

regeeringsnaam: Tschih-ho 1054-55


Li.

.20

Keizer sjien-tsoeng 1088-85


regeeringsnaam: Hi-ning 1068-77
Li.

.36

Li.

.37

regeeringsnaam: Joen-foeng 1078-85


Li.

.46

Li. De sinogrammen iets anders gevormd.


Li.

-. -

Kleiner dan

--. -

Dubbele li.
XX.

.47

* VIII. 1

Li.

Li. Zeer fijne teekening waarschijnlijk japansch fabrikaat. -.


Keizer Tscheh-tsoeng 1086-1100

regeeringsnaam: Joen-jioe 1086-93


Li. Slecht klein muntje waarschijnlijk voor den uitvoer
naar Annam gemaakt !).

.2

Li.
Li.

4185

a.

.3
Grooter dan

-. -

Li.

.11

Li. De sinogrammen breeder uiteen.

-,

1) De heer Mr. J. A. vAN DER CHIJs wijst er op dat deze stukken in China ver
vaardigd zijn, doch in Annam in omloop gebracht. Zij zijn kleiner dan de gewone
chineesche munten en dragen de regeeringsnamen der chineesche keizers reden
waarom de schrijver deze stukken bijeen plaatst onder ne rubriek: ,,Chineesch
annamitische munten.
24

370

KEIZERRIJK CHINA

Keizer Hweei-tsoeng 1101-25

regeeringsnaam : Kin tschoeng-tsing-kwoh 1101


4186

VIII. 18

a.

Li.

ij.

Li. Klein, voor Annam gegoten exemplaar.

-.

regeeringsnaam: Ts'oeng-ning 1102-6


Vijf li.

i.

.21

regeeringsnaam: Ta-koan 1 107-10


.27

Tien li.

i.

regeeringsnaam: Tsching-ho 11 11-17

regeeringsnaam: Suan-ho 11 19-25

Keizer Li-tsoeng 1225-64

regeeringsnaam: Schao-ting 1228-33


O

a.

Li.

Dynastie Ming 1368-1643


Keizer T'ai-tsoe 1368-98

regeeringsnaam : Hoeng-woe 1)
i.

Li. Op de Kz. ,,n tsin.

XIII.7

Keizer Tsching-tsoe 1403-24

regeeringsnaam: Joeng-loh
i.

4195 i.

Li.

.31

Li. Sinogrammen kleiner dan

- ,--

') Van dezen tijd af blijft de bij de troonsbestijging aangenomen regeeringsnaam


of nin-hao, gedurende de geheele regeering des vorsten dezelfde.

371

KEIZERRIJK CHINA

Dynastie Ta-ts'ing sedert 1644

Keizer Schi-tsoe-tsjang 1644-61

regeeringsnaam: Schoen-tschih
4196

i.

Li. Kz. In chineesch en mandsjoersch , schen. Gegoten te


Si-ngan-foe (prov. Schen-si).
Zeer klein exemplaar, waarschijnlijk voor Annam. WYLIE 67.
Keizer Sching-tsoe-sjen 1662-1722

regeeringsnaam: K'ang-hi
Li. Kz. In 't mandsjoe ,kwang. Gegoten te Kwang
tscheoe-foe 1) (prov. Kwang-toeng).

WYLIE 58.85

Li. Als voren; de sinogrammen iets anders gevormd.


Li. Kz. ,tschang. Gegoten in Tschang-tscheoe-foe (prov.
Foe-kin).
Verg.
Li. Kz. ,tschee. Gegoten in Hang-tscheoe-foe (prov. Tscheh
kiang).
Li. Kz. ,toeng. Gegoten in Tsi-nan-foe, hoofdstad der

prov. Schan-toeng.

i.

Verg. BUSHELL

Li. Kz. ,tsioen. Gegoten in Pe-king (prov. Pee-tsche


lie). Munt van 't Departement van Financin. WYLIE
Li. Als voren, doch de sinogrammen anders gevormd.
Li. Als voren, doch kleiner dan
Li. Kz. ,,joen. Gegoten in Pe-king. Munt van 't De
partement van Openbare Werken.

Keizer schi-tsoeng-hin 1723-35


regeeringsnaam: Joeng-tsching
p.

4207 p.

Li van Jn-nan-foe (prov. Jn-nan).


Li van Pe-king. Kz. ,tsioen.

64.1 11
63,99

') Bij 't rangschikken der volgende munten, die alle op de Kz. in 't mandsjoe
de muntplaats vermelden, is de geografische volgorde genomen van 't Z. naar 't N.;
beginnend met de provincie Kwang-toeng en eindigend met Schan-si.
24*

372

KEIZERRIJK

CHINA

Keizer Kao-tsoeng-sjoen 1736-95

regeeringsnaam: K'jen-loeng
4208

f.
i.

Li van Kwang-tscheoe-foe (prov. Kwang-toeng).


Li van Kweei-lin-foe (prov. Kwang-si).

i.

Li van Kweei-lin-foe. Kleiner dan

i. Li. Als voren. Kz. Ingestempeld met #


e.
i.

Li van Soe-tscheoe-foe (prov. Kwang-si).


Li. Als voren, maar grooter dan

i.

Li. Als voren, maar kleiner dan

i.
i.
i.

Li van Jn-nan-foe (prov. Jn-nan).


Li. Als voren; sinogrammen anders gevormd.
Li. Als voren; in kleine onderdeelen afwijkend.

i.

Li. Als voren.

bb.

Li van Foe-tscheoe-foe, hoofdstad van Foe-kin.

rr.
i.
n.
i.

Li. Als
Li van
Li. Als
Li. Als

i.

Li van

i.
xx.
i.
ij.
i.
i.
f.
i.
i.
i.

ij.

4241

voren; sinogrammen anders.


Tai-wan-foe (prov. Foe-kin).
voren; sinogrammen iets anders dan
voren; kleiner dan
Nan-tschang-foe, hoofdstad van Kiang-si.

Li van Tschang-scha (prov. Hoe-nan).


Li van Tsching-toe-foe, hoofdstad van See-tschoen.
Li. Als voren; de sinogrammen verschillen.
Li. Als voren.
Li van Hang-tscheoe-foe (prov. Tscheh-kiang).
Li. Als voren, doch kleiner dan
Li. Als voren, doch grooter dan
Li van Woe-tschang-foe, hoofdstad van Hoe-pee.
Li. Als voren; kleiner dan
Li van Pe-king. Kz. ,tsioen.
Li. Als voren, doch op dit en de zes volgende stukken
zijn de sinogrammen iets anders gevormd.

bb.

Li. Als voren.

i.

Li. Als voren.

i.

Li. Als voren.

i.

Li. Als voren.

ij.

Li. Als voren.

i.

Li. Als voren.

KEIZERRIJK CHINA

4242 jj. Li van Pe-king Kz. ,joen.


Li. Als voren, doch sinogrammen eenigszins afwijkend.
Li. Als voren.
Li. Als voren.

Li. Als voren.

Li van Thai-joen-foe, hoofdstad van Schan-si.


Keizer Sjien-tsoeng-sjoei 1796-1820

regeeringsnaam: Kia-khing
Li
Li
Li
Li

van
van
van
van

Kwang-tscheoe-foe (prov. Kwang-toeng).


Kweei-lin-foe (prov. Kwang-si).
Soe-tscheoe-foe (prov. Kwang-si).
Jn-nan-foe (prov. Jn-nan).

Li. Als voren, doch kleiner dan

:
i

Li van
Li van
Li van
Li. Als
Li. Als
Li van
Li. Als

Tsching-toe-foe (prov. See-tschoen).


Si-ngan-foe (prov. Schen-si).
Pe-king. Kz. ,tsioen.
voren, doch grover dan
voren, kleiner dan
Pe-king. Kz. ,joen.
voren, fijner dan
Keizer Sen-tsoeng-tsching 1821-50
w

regeeringsnaam: Tao-k wang

Li van Kwang-tscheoe-foe (prov. Kwang-toeng).


Li. Als voren, maar kleiner dan
Li van Soe-tscheoe-foe (prov. Kwang-si)
Li. Als voren, doch kleiner dan
Li van Tai-wan-foe (prov. Foe-kin).
Li. Als voren, doch kleiner dan
Li van Tsching-toe-foe (prov. See-tschoen).
Li van Si-ngan-foe (prov. Schen-si).
Li van Tsi-nan-foe (prov. Schan-toeng).
Li van Pe-king. Kz. ,joen.
Keizer Wen-tsoeng-hin 1851-61

regeeringsnaam: Hin-foeng
4270

i.

Fen of 10 li-stuk van Soe-tscheoe-foe (prov. Kwang-si).

74.177

374

KEIZERRIJK CHINA

Keizer Moeh-tsoeng 1862-74

regeeringsnaam: Thoeng-tschi
4271

i.

Li van Nan-tschang-foe (prov. Kiang-si).

BUSHELL 182.

KEIZERRIJK KIN

De Kin zijn een toengoesische stam der Nioe-tschi, die in 't N. van
China (Liao-toeng) en Mandsjoerije woonde. Zij waren aan Korea onder
worpen, wisten zich in de 11e eeuw vrij te vechten en stichtten in
11.15 't keizerrijk Kin, dat 1234 door de Mongolen onderworpen werd.
/

Dynastie Kin 1115-1234


Keizer Schi-tsoeng 1161-89

regeeringsnaam: Ta-ting 1161-89


i.

CHAUDoIR X. 19

Li.

Keizer Tschang-tsoeng 1190 1208

regeeringsnaam: Tai-ho 1201-8


i.

Fen of 10 li.

MU N TEN

.23

DER OP STAND ELINGEN


Woe San-kweei 1673-1678

Chineesche generaal, die door de Mandsjoes aangesteld was tot goe


verneur van Jn-nan. Als zoodanig liet hij de munten met Li-joeng
gieten. In 1674 benoemde hij zich zelf tot keizer en nam tot nin-hao
den naam Tschao-woe aan.

regeeringsnaam: Li-joeng tot 1674


i.

Li.

4275 p.

Li.

Verg. BUSHELL 238.


-

KEIZERRIJK CHINA

375

regeringsnaam:
4276

i.

Tschao-woe 1674-79

Verg. 246.

Li.
Woe Schi-fan 1679

Kleinzoon en opvolger van Woe San-kweei


regeeringsnaam: Hoeng-hoea
p.

Li.

Verg. 250.

GESTEMPELDE MUNTEN (CHOPPED DOLLARS)


Behalve de hierboven beschreven li of tong-tsin zijn in geheel
China ook de oude spaansche pesos van CARLos III, CARLos IV en
FERNANDo VII, benevens de nieuwere pesos van Mexiko in omloop.
Gerekend worden 100 wichtige pesos, meestal dollars genaamd, voor
72 liang of tael. 1 peso = + 1000 li's; 1 liang = + 1400 li's.
De groote vraag naar pesos was oorzaak dat in 't begin dezer eeuw
valsche exemplaren uit Marseille en Shang-hai werden ingevoerd
en daar Spanje weigerde pesos met ouden beeldenaar aan te munten,
gaf de chineesche regeering in 1854 toestemming oude spaansche pesos
in Kwang-tsjeoe-foe (Kanton) na te bootsen. De nagebootste stukken

golden echter spoedig 8 10 /o minder dan de echte.


Ter geruststelling hunner handelsvrienden lieten nu de groote handels
huizen hunne specin door deskundigen (sjrofs) onderzoeken en de echte
pesos stempelen. Deze instempeling of tjab, een klein sinogram, ver
meldt den naam van 't handelshuis en dient tot waarborg van de
echtheid.

Men vindt soms pesos, wier oorspronkelijke beeldenaar door een 40


tot 50-tal tjabs geheel onzichtbaar is geworden.
i.
4280 ll.

Mexikaansche
de Vz. zijn
Mexikaansche
de Vz. zijn

peso
2 en
peso
5 en

in
op
in
op

1862 te San Luis Potosi geslagen. Op


de Kz. ook 2 sinogrammen ingestempeld.
1863 te Ce (Campeche?) geslagen. Op
de Kz. 6 sinogrammen ingestempeld.

376

KONINKRIJK

KOREA
k

Koninkrijk Korea (Tscho0-sen)


Het koninkrijk Kokore (jap. Kora, chin. K-li), in 39 v. Chr.
in 't N. van 't schiereiland gesticht, werd in 169 n. Chr. vergroot
door verovering van 't zuidelijker gelegen Tschoo-sen. Eerst door China
(668-755), later door 't naburige Sinra (755-904) bezet, herkrijgt

't land in 904 zijne vrijheid en breidt, vooral in de jaren 934 en 35


zijn macht over 't geheele schiereiland uit.
In 1392 bracht T'AI-TsoE de dynastie Li op den troon van Kokore
't jaar 1392 werd aangenomen als 't eerste jaar der nieuwe jaar
telling en de oude naam Tschoo-sen weder aan 't rijk gegeven.
-

Sedert 1116 n. Chr. bezit

Korea munten die in vorm en waarde

geheel gelijk zijn aan de chineesche tong-tsin of li's, en tot 1884 op


last van verschillende hooge staatsambtenaren (ministers) gegoten en
uitgegeven werden. In genoemd jaar heeft koning TANG-TsCHI 't munt
recht tot zich getrokken en de munten naar ontwerpen van zijn duit
schen raadsman voN MLLENDORFF laten slaan.

Evenals in China komen op de oudere munten alleen de nin-hao voor.


Dynastie Li
Tsjoel-tsjon 1849-64

4281 ll.

Twee tsian. Vz. (Rijk van 't) groote Oosten, 2 tsian.


Kz. In groen verglaassel, 't woord ,hoe = (ministerie van)
financin.

Berl. Miinzbl. 560.2

ll. Tsian. Kz. Blauw verglaassel.


.3
't Werglaassel op de Kz. dient waarschijnlijk om 't valsche
munters lastig te maken. Beide stukken zijn in Korea gegoten.
Tang-tschi sedert 1874

4283 ll.

495.

Tien moen. Koperstuk sedert 1885 geslagen. De stempels


zijn door HELD in Maagdenburg gesneden.
495 + 1391 = A.D. 1886.
blz. 771.

KEIZERRIJK JAPAN

377

Keizerrijk Japan (Dai Nipon)"


ZIN-MoE TENNo, afkomstig van 't eiland Kioe sjioe, veroverde ongeveer
660 v. Chr. 't groote eiland Hondo, breidde van hier zijn gezag over

de andere eilanden uit, stichtte 't rijk Jamato en vestigde de thans


nog regeerende dynastie.
Door 't naburige Korea, dat eeuwen lang onder chineeschen invloed
stond, drong de chineesche beschaving Japan binnen. Chineesche ge
bruiken werden door 't hof aangenomen, 't Boeddhisme verdrong den
ouden Sjinto-godsdienst en zelfs de chineesche schrijfteekens verkregen
in Japan 't burgerrecht *).
Keizer (mikado) Go-ToBA rustte in 1185 een groot leger uit, om
binnenlandsche oproeren te dempen en gaf 't opperbevel aan prins

JoRI-ToMo met den titel van sjogoen. Dit ambt ging over op diens
opvolgers, die steeds machtiger worden, zich de wereldlijke macht
geheel toeeigenen en zich sedert 1600 te Kamakoera vestigen, terwijl
de mikado (ook dari genaamd) alleen als geestelijk opperhoofd te
Kioto 8) gevestigd bleef.
MARCO PoLo, de venetiaansche reiziger, die zich aan 't hof van
KoEBILAI KHAN *) ophield, toen deze zijn veroveringstocht naar Japan
ondernam, is de eerste, die ons onder den naam van Tsipangoe (Zi
pangu) *) iets van Japan mededeelt.
't Land werd 1542 door den Portugees FERNo MENDEz PINTo opnieuw
ontdekt en de japansche handel bleef de eerste jaren uitsluitend in por
tugeesche handen.
1) Dai = groot, nitoes = zon, hon = opgang groot (rijk van den) zonneopgang.
*) Tot 1872 kwamen op de japansche munten alleen chineesche karakters voor.
In genoemd jaar werd de waarde der munten voor 't eerst in onze romeinsche letters
(volgens engelsche uitspraak) op de stukken geplaatst, terwijl indertijd in Japan sterk,
doch vruchteloos, geijverd is, deze letters algemeen in te voeren.
*) Kioto, in 795 door den mikado KwAN-MoE gesticht, is tot 1868 keizerlijke
residentie gebleven.
*) Keizer der Mongolen en grondlegger der dynastie Joen in China 1259-94.
*) Door de Chineezen werd Japan toen genoemd Dsjih-poen kwoh, thans Ta Dsjih
poen = groot (rijk van den) zonneopgang.

378

KEIZERRIJK JAPAN

In 1609 wisten hollandsche kooplieden de japansche regeering tegen


de Portugeezen en hun godsdienst op te hitsen, waardoor zij, met de
Chineezen, tot 1854 den alleen handel verkregen. Dee-sima (schier-eiland)
een kunstmatig eiland door eene brug met het vasteland verbonden,
het laatste kantoor der Portugeezen, werd in 1641 den Hollanders tot
verblijfplaats aangewezen. Deze rekenden hier tot 1780 bij chineesche
taels zilver 10 maas 10 kondorijnen (37.8 w.) van 0.8922/5. 1 tael
= 31/3 gulden. Na 1780 was de tael = 15.617 w. f. z.
In 1852 zonden de Vereenigde Staten een vloot onder M. C. PERRY
om Japan voor den handel te openen en 31 Maart 1854 verkregen de
Amerikanen door 't verdrag van Kanagawa tot twee havens toegang.
In 't zelfde jaar sloot de sjogoen een dergelijk traktaat met Engeland,
in 1855 met Rusland. In

1864 werd 't aantal havens tot zeven uit

gebreid.
Toegevendheid voor de vreemdelingen bracht 't sjogoenaat ten val
't geheele zuiden stelde zich op de hand van den mikado, die in
1868 't wereldlijk gezag van den laatsten sjogoen of taikoen Jos1-HISA
overnam, zich te Jedo (nu Tokio genaamd) vestigde, doch nu 't geheele
land voor de vreemden open stelde. Sedert dien tijd worden de japan
-

sche instellingen meer en meer op europeesche wijze ingericht.


Het japansche muntwezen laat zich gevoegelijk in zes tijdperken
verdeelen:

I. Van de vroegste tijden tot 674 n. Chr. (verschillende ruilmiddelen).


Hoofdzakelijk doet rijst (inee) als ruilmiddel dienst, doch ook
worden schelpen (kai), geweven stoffen (noeno), edele steenen (sjoe
gijokoe) en baren zilver als zoodanig gebruikt. Deze laatste kwa
men als schatting uit 't naburige Korea.
Als voorgangers van de munten, kunnen wij de schijfjes zilver
met figuren, doch zonder opschrift (gin moemon sen) beschouwen,
die in 480 werden uitgegeven. Sommigen meenen uit een der
figuren het karakter nee of inee (rijst) te ontcijferen *).
") Verg. Das Japanische Geldncesen, geschichtlich und kritisch dargestellt von
Dr. J. T. KUssAKA. Berlin 1890. In 8".

*) Zie het werk van Dr. J. T. KUssAKA.

379

KEIZERRIJK JAPAN

II.

Van 674-989 (munten als ruilmiddel).


De ontdekking van zilvermijnen op 't eiland Sjimo Tsoekata
(groep der Tsoesjima of zuidelijke Koerilen) in 674, van koper
mijnen in Moe-sjasji (678) en van goudmijnen in de provincie
Moetsoe (736) noopte de regeering, naar 't voorbeeld der Chi
neezen, munten te gieten.
De akkerbouwende bevolking bleef echter aan 't oude ruilmiddel

(rijst) vasthouden en toonde zich afkeerig van de nieuwe metalen


ruilmiddelen; vandaar een K. B. van okt. 713, dat luidt: ieder

reiziger moet munten, in plaats van de zware voedingsmiddelen


medevoeren, en zal zoodoende het gebruik van munten leeren
kennen; en een dito van maart 714: bij koop en verkoop
van akkerland moeten de munten tot maatstaf van den prijs

gebezigd worden, anders wordt het land en de voorwerpen, die


als prijs gegeven zijn, verbeurd verklaard.
Alle drie metalen werden met eenzelfden beeldenaar voorzien,

doch 1 sen (stuk) goud = 10 sen zilver = 100 sen koper (K. B.
van maart 760.
III.

989-1226 (munten verboden).


Daar de bevolking afkeerig bleef van de metalen sen, die trou
wens ook van lieverlede kleiner en slechter gegoten werden, sloot
de regeering in 986 de muntgieterijen en verbood 989 alle gebruik
van munten.

Dit voor ons zoo vreemde verbod, dat alleen in Sparta zijn
wederga vindt, bleef tot 1226 gehandhaafd.
IV.

1226-1588 (gebruik van chineesche munten).


In dit tijdperk werden groote hoeveelheden chineesche stukken
ingevoerd en deze zelfs in Japan slaafs nagebootst.
-

1588-1870 (nationale munten).


Dit is de glansperiode van de japansche numismatiek. In 1587
kwamen de nieuwe munthuizen voor gouden, zilveren en bronzen
stukken in Edo (Jedo) gereed en van 1588 af dagteekenen de
nieuwe nationale munten, die reeds in 't begin der 17e eeuw hun
weg naar ons land vonden.
e

KEIZERRIJK JAPAN

380

't Zijn in goud: ovale obans 1) (165 w.), ovale kobans (15.3 w.)
en sedert 1599 ook langwerpig vierkanten kwart kobans of itsi
boes; deze laatste werden geslagen, de andere uit de hand gemaakt.
In zilver: de ovale joe-rio-ban-gin (161.5 w.) met zijne helft
de go-rio-ban-gin; de mame-ita-gin, ovale dikke stukken van ver
schillend gewicht, en de gin-sen (6.5 w.).
In koper: sen verschillende mon.
Munteenheid was de rio of koban 4 boe 4 sjoe 50 mon;
de oban = 10 rio of koban.
VI.

Sedert 1870 (muntslag onder vreemden invloed).


Evenals in Europa werden ook in Japan bij iedere nieuwe aan
munting stukken van minder waarde *) geleverd dit gaf sedert
't toelaten der vreemdelingen tot zulk eene wanorde in 't geld
verkeer aanleiding, dat in 1869 alle Damios te Tokio werden
bijeengeroepen om over de invoering van een nieuw muntsysteem
te beraadslagen. Het gevolg was dat in 1870 't nieuwe munthuis

te Osaka gereed kwam. Hier werden de aangekochte engelsche


muntpersen van Hongkong geplaatst en 't volgende jaar leverde
dit, onder bestuur van den engelschen muntmeester van Hongkong,
majoor T. W. KINDER, de nieuwe munten.
Het muntstelsel der Vereenigde Staten van Noord-Amerika
diende tot voorbeeld de gouden standaard werd ingevoerd met
den jen (dollar) tot eenheid (1.5003 w. fijn goud) 100 sen
10 rin.

In 't goud hebben wij stukken van 20 jen (double eagle) 10


jen (eagle) 5, 2 en 1 jen.
Als pasmunt zilveren stukken van: 1 jen (24.260727 w. f. z.,
50, 20, 10 en 5 sen en koperen stukken van 2, 1 en 1/2 sen en
') O = groot, ko = klein, ban = munt. De koban, in 1588 vervaardigd op een
gewicht van 15.39 w., werd evenals de andere munten gaandeweg lichter gemaakt,
zoodat de kobans van 1863 nog slechts 3.2 w. wogen. Dat 't gehalte ook slechter
geworden was bewijst 't besluit van 1863, waarbij de oude kobans voor 9 rios in
omloop werden gebracht.
*) Zoo woog de gouden koban van 1588 15.3 wichtjes, de koban van 1860 (manen
koban kin) 3.32 wichtjes.

381

KEIZERRIJK JAPAN

van 1 rin (= mil). 100 Zilveren jen = 31 1 oude zilveren itsiboe


of = 202 gouden niboe.
We tijdperk
Go Jau-ze of Jau-ze Il 1587-1611

regeeringsnaam : Ten-siau 1573-91

4284 i. Zilveren boe. Vz. Itsi |boe. Kz. Glad.

Verg. FoNRoBERT 958.

regeeringsnaam: Ke-tiau 1596-1614


i.

Gouden koban van 17.7 wichtjes. .

VILLARET

29.

Deze koban is met een staand leeuwtje ingestempeld en

heeft dus te Batavia als munt dienst gedaan.


Wij lezen bij NETsCHER en vAN DER CHIJs blz. 5: Bij resolutie van
8 juni 1690 werd bepaald, dat de gouden kobangs en itzeboes, die
te Batavia en in het ressort daarvan gangbaar waren tot 10 rijks

daalders en tot 20 schellingen, uithoofde van hunne aanmerkelijke


vervalsching, zouden worden geklopt met ,,een overeind staand leeuw
,,tje naar de linkerhand gekeerd.
Alleen deze geklopte of gestempelde kobans bleven wettig betaalmiddel
voor 10 rijksdaalders, de andere werden als koopwaar beschouwd.

Met-siau (keizerin) 1630-43


regeeringsnaam: Kwan-je 1624-43
ll.

Sen.

VILLARET 33.

i.

Sen.

i.
i.

Sen. Alle drie met grove karakters, grootte 23 en 24 streep.


Sen. Deze en de beide volgende met fijne karakters, grootte
22 en 24 streep.

4294

i.

Sen.

i.

Sen.

i.

Sen. Deze en de twee volgende van ijzer,

i.

Sen.

i.

Sen.

Het overstelpende aantal koperen sen van 1 mon met 't opschrift
kwan-je-tsoe-ho vindt daarin zijn oorzaak, dat deze munten

382

KEIZERRIJK JAPAN

ruim 200 jaar lang zijn aangemaakt en gedurende al dien tijd


hetzelfde opschrift behouden bleef.
Omstreeks 1880 vormden ze nog 't eenige betaalmiddel op de
Lioe-kioe eilanden.

Re-gen 1663-86

regeeringsnaam: Kwan-boen 1661-72


4295

i.

Boen sen 1).

i.

Boen sen.

34.
-

Go Sakoera-mati (keizerin) 1763-70

regeeringsnaam: Me-wa 1764-71


i.

Sen van vier mon (si-mon-sen). De 11 gebogen streepen op


de Kz. hebben aan 't stuk den naam van joe-itsi-nami
= elf-golf gegeven.

48.

G0 Momo-zon0 1771-79

regeeringsnaam: An-je 1772-80


i.

Zilveren nan-rio, 1/3 rio zilver.

49.

Nin-kau 1817-46

regeeringsnaam: Boen-se 1818-29


i.

Zilveren nan-rio.

54.

i.

Gouden ni-boe = twee boe.

56.

Volgens japansche muntboeken is de zilveren nan-rio in


1824, de gouden ni-boe in 1828 geslagen, reden waarom
't zilverstuk vooraf gaat.
In 1870 komt voor 't eerst het regeeringsjaar op de munten
VOOr.

regeeringsnaam: Ten-hau 1830-43

4302

i.
i.

Gouden ni-sjoe = twee sjoe.


Ko hiakoe. Koperen sen van 100 mon, ovaal.

58.
59.

1) De met ,,boen gemerkte munten zijn gegoten van 't groote beeld van Dai-boets
(Boeddha) dat in 1662 door eene aardbeving gedeeltelijk vernield werd.

383

KEIZERRIJK JAPAN

4303

i.

dd.

Koban kin. Kz. Kio (to), naam van de muntplaats.

62.

Gouden itsi-boe.

63.

Zilveren itsi-boe.

61.

Zilveren itsi-boe. Vz. De karakters iets kleiner.


Kwau-me 1847-66

regeeringsnaam: Ka-je 1848-53


I-sjoe gin, zilveren sjoe.
I-sjoe.

I-sjoe.
I-sjoe. Alle vier iets verschillend.

regeeringsnaam: Man-jen 1860


71.

Gouden koban. Weegt 3.35 w.

regeeringsnaam: Boen-kioe 1861-63


76.

Sen van vier mon.

Vle tijdperk
Kon-zau sedert 1867

regeeringsnaam: Me-di 1868


3. 1) (1870).

Jen.

Vijftig sen.

Twintig sen.

FoNROBERT 1070.

WILLARET

78.

FoNROBERT 1071.
1072.

Tien sen.

1073.

Vijf sen.

1074.

6.

Tien sen.

1081.

Vijf sen.

1082.

7.

Jen.

1087.

Halve sen.

1090.

8.

Rin.

1096.

9.

Dubbele sen.

1098.

ll.

13.

Sen.

4325 ll.

17.

Halve sen.

') d. i. Derde regeeringsjaar. De munten van 't derde regeeringsjaar zijn slechts
proefstukken, aangezien de nieuwe munten eerst door de wet van 23 mei 1871 in
omloop zijn gesteld.

384

KEIZERRIJK JAPAN

MAME-ITA-GIN

De mame-ita-gin, of zilveren boontjes zijn klompjes zilver met ver


schillende woordteekens voorzien. Deze zijn in de 17e, 18e en 19e

eeuwen door de regeering uitgegeven, 't laatst in 1836. Ze werden


tot een bepaald gewicht in zijden papier gepakt en zoo in omloop

gebracht - op een papieren omslag in deze verzameling aanwezig


staat in japansche woordteekens 500 mee in zilver 1).
4326 dd.

Ni-boe.

ll.

Boe.

ll.

Boe.

Weegt 12 w.
Weegt 4.3 w.
Weegt 3.7 w.

Japan 2) 237.
w

JAPANSCHE LEENEN

Gedurende de burgeroorlogen van de 15e en 16e eeuwen maakten


verschillende vorsten (damio's) zich onafhankelijk van de keizerlijke
regeering. Zij sloegen eigen munten, die echter alleen in hun gebied
gangbaar waren en daarbuiten per gewicht verhandeld werden; alleen
de munten van 't vorstendom Ko-sjoe golden overal als betaalmiddel.
De meeste dier vorsten bootsten de munten der keizerlijke regeering
na, doch enkelen sloegen ook munt met eigen beeldenaar zoo be
zitten wij van Ko-sjoe groote ronde goudstukken, van Kaga vierkanten
zilveren plakken (gelijkvormig aan de noodmunten van Gulik (1610)
en Landau (1713)) en gouden ossetongen. Op de munten der heeren
van Mito komen voorstellingen van godheden, menschen en dieren voor.
Vorstendom Ko-sjoe
Matsoe-dara Josjasoe 1690
4329 ll.

Gouden itsi-boe. Kz. Jo

VILLARET 91.

1) De mee zilvergewicht = 3.75732 wichtjes.


*) Gold- und Silbermnzen Japan's bis auf die Neuzeit. Berlin. 1888. 8.
-

385

FILIPPIJNEN

Provincie Rikoezen

4330 ll.
i.

Sen van Isjinomaki.

106.

Sen van n mon. IJzer.

108.

INGESTEMPELDE MUNT

Gedurende de jaren 1641 1854, toen Nederland en China de voor


deelen van den alleenhandel met Japan genoten, werden herhaald neder
landsche munten in Japan ingevoerd en door de japansche kooplieden
van dutten of instempelingen voorzien. Ditzelfde gebruik zagen wij
reeds onder China met vreemde dollars (n. 4279-80).
4332 i. 1765. Gulden van Enkhuizen, ingestempeld met een ovaal,
waarin drie gekruiste stokken, door pijlpunten ver
bonden.

Filippijnen (Islas Felipinas)


17 Maart 1521 door den in spaanschen dienst staanden Portugees
FERNAo DE MAGALHAEs ontdekt, kwamen deze eilanden in 1569 voor

goed in Spanje's bezit.

Voor munten en muntstelsel, zie onder Spanje blz. 293.

Gerekend wordt bij pesos (= piasters, dollars) 100 centsimos


(= centavos), of 8 reales de plata 20 cuartos; in de jaren
1871-75 tijdelijk bij pesetas 100 cntimos, evenals in Spanje.
Het munthuis bevindt zich te Manila.

Door de inboorlingen (Tagalen) van sommige eilanden worden nog


geweven stoffen van bepaalde afmeting als ruilmiddel gebruikt. Zoo
vinden wij o. a. op Magindanao den kangan in gebruik, d. i. een stuk
geweven linnen van 5.40 M. lengte en 0.48 M. breedte, dat voor
160-180 chineesche li's koerseert. In ons Oost-Indi zullen wij een
soortgelijk ruilmiddel op 't eiland Boeton aantreffen (n0. 4387). Ook
wordt de Manila-sigaar voor 1 cuarto in betaling gegeven en genomen.
25

386

SULTANAAT BROENE

Isabel II 1834-68

4333 ll.

1859.

Twee cntimos (= 1/50 real de vellon van Spanje).

Sultanaat Broene (Borneo)


De sultan van Broene, vroeger de machtigste vorst van Borneo,
heeft vooral in deze eeuw veel van zijne macht verloren, door 't

afstaan van 't eiland Laboean aan Sarawak en van het noordelijk
gedeelte van zijn gebied aan de British North-Borneo Company.
Hasjim Djelal el-Alam Akham ed-din sedert 1885

l.

1304.

(= A. D. 1886). Cent.

Worstendom Sarawak (Borneo)


Vroeger een gedeelte van 't rijk Broene, werd Sarawak 24 sept.
1841 door den sultan aan den Engelschman Sir JAMES BRooKE, eerst
als leen, later als onafhankelijk vorstendom, afgestaan en BRooKE tot
radjah uitgeroepen.
Bij gebrek aan mannelijke nakomelingen van BRooKE, komt Sarawak
aan de engelsche kroon. Thans regeert diens neef, Sir CHARLEs JoHN
-

soN BRooKE.

Gerekend wordt bij dollars 100 cents.


James Brooke 1841-68
4335

ll.

1863.

Cent.

FoNROBERT 886.

387

NEDERLANDSCH-INDI

Nederlandsch-Indi
Bij 't beschrijven der munten van Nederlandsch-Indi, zullen wij
achtereenvolgens behandelen:
I.

Munten der inlanders.

II. Munten der Europeanen.


III. Valsche munten, en wel:

a. Nabootsingen der inlanders.


b. Ingevoerde valsche munten.

MUNTEN DER INLANDERS

De oorspronkelijke bewoners der eilanden, welke nu onze indische


bezittingen uitmaken, waren in verschillende volksstammen verdeeld

en schijnen een rustig, armoedig leven geleid te hebben. Reeds vr


onze jaartelling ondernamen de Hindoes vanuit Voor-Indi zeetochten
oostwaarts; zij bezetten langzamerhand Sumatra en Java, deelden aan
de bevolking hunne hoogere beschaving en godsdienst mede en stichtten
er machtige rijken.
In de 13e eeuw predikten de Arabieren den godsdienst van MoHAM
MED; 't eerst op Noord-Sumatra, daarna zuidelijker en twee eeuwen
later waren de hindoesche rijken op Java voor de macht der Moham
medanen bezweken. Alleen op Bali en West-Lombok bleef 't Boed
dhisme tot op heden bewaard.

J AVA

A Hindoesch tijdperk
Modjopahit

In de 1e eeuw onzer jaartelling stichtten de Hindoes op Java ver


schillende staatjes. Het schijnt dat van deze Modjopahit op Oost-Java
25*

388

NEDERLANDSCH-INDI

reeds spoedig de hegemonie verkreeg en zijn gezag over een gedeelte


van den Archipel (zelfs over Z.-Borneo) uitbreidde.
In 1478 werd dit rijk door de Mohammedanen veroverd en de laatste
hindoesche vorst van Modjopahit: BRO WIDJoJo ANGKo WIDJoJo nam
den Islam aan.

Uit Modjopahit ontstonden de mohammedaansche staatjes: Demak,


Tjirebon, Giri en later ook Padjang en Mataram.
4336 i.

Djampel; 2.3 wichtjes.

i.
i.
i.
i.
i.
i.
i.
i.
i.
ii.

Djampel.
Djampel.
Djampel.
Djampel.
Djampel.
Djampel.
Djampel.
Djampel.
Djampel.
Halve djampel; 1.1 wichtje.

ii.
ii.

Kwart djampel; 0.5 wichtje.


Kwart djampel; 0.4 wichtje.

MILLIEs I.14
-.15
-.20

Vergelijk -.
.21

Verg. -.
-.22

Verg. -.
-.23

Verg. -.
blz.

15.
-

Djenggala later Padjadjaran

Het rijk Djenggala was in 't einde der 9e eeuw door Hindoes op de
puinhopen van 't oude Mendang Kamoelan (Oost-Java) gesticht. Vij
andelijkheden met Modjopahit schijnen oorzaak geweest te zijn, dat in
1158 de zetel der regeering naar Padjadjaran op West-Java verlegd
werd.

HASAN ED-DIN, zoon van den mohammedaanschen geloofsprediker


NoER ED-DIN IBRAHIM, maakte zich in 1530 van 't hindoesche Padjad
jaran meester en stichtte 't nieuwe mohammedaansche rijkje Banten
(Bantam).
4349 i.

Tjaturwinsatimanam = 24 krisnalas.

G. 2.45 w.

MILLIEs I.3

389

NEDERLANDSCH-INDI

B Mohammedaansch tijdperk
Mataram

Pangeran MAs KARABET, sultan van Padjang schonk in 1553 de


provincie Mataram aan zijn generaal KIAI GEDEE PAMANAHAN. De op
volgers van dezen laatste maakten zich onafhankelijk en noemden zich
sedert de helft der 17e eeuw soesoehoeman van Mataram.

In februari 1755 werd dit rijk in twee deelen gesplitst de vorst


van Mataram PAKoE BoEwoNo III PRABoE II bleef in Soerakarta, zijn
oom AMANGKoE BoEwoNo I SwARGo vestigde zich in Djokjokarta.
Soerakarta

De soesoehoenan van dit rijkje, thans residentie Soerakarta, is leen


man van Nederland.

4350 i.
i.

Keteng.
Keteng.

MILLIES XIV. 1 10

Verg.

-.

Djokjokarta

Ook de sultan van Djokjokarta (thans residentie) regeert over de


inlandsche bevolking als leenman van Nederland.
-

4353

i.
i.

Pitji 1) of keteng.
Pitji.

FoNRoBERT 748.

Verg.

') Pitje, volgens Prof. MILLIEs van 't javaansch pitjis, maleisch pitis, is de naam
der kleine tinnen munten, die onze zeevaarders op 't einde der 16e eeuw op Java
aantroffen. FRANois VALENTIJN spreekt van Bantamsche pitjens (van welke 10 n

stuiver deden) zijnde de eenigste koperen munt hier (in Batavia; onze n". 4355-56).
Hij zegt verder: ,,Op Java heeft men nog een soort van pitjens van lood en tin,
, van welke er 50 aan een strootje geregen zijnde, een dubbeltje doen, met 1 van

, welke men kan ter markt gaan om pinang, siri enz. te koopen. (zie n". 4350-55).
Reeds spoedig noemden onze oostinje-vaarders iedere aziatische pasmunt , pitje
en zelfs in de faktorijen van 't aziatische vasteland werd het synoniem met kasja.
Zoo lezen wij van japansche pitjes, verklaard als: een duit met een vierkant gat en
met 4 wapentjes (!), aan iedere zijde van 't gat n (= sen van de jap. keizerin
ME-sIAU, zie n". 4286-95). Dat het woord nog in gebruik is, bewijst eene adver
tentie in De Volksstem der Zuid-Afrikaansche Republiek (overgenomen door 't

Algem. Handelsblad 5 juli '94) waarbij iemand de geboorte van zijn zoon in rijm
bekend maakt en o.a. zegt:

390

NEDERLANDSCH-INDI

Tjirebon

Bij 't uiteenspatten van 't hindoesche rijk Modjopahit stichtte de


mohammedaansche apostel NoER ED-DIN IBRAHIM in 1478 't vorsten
dom Tjirebon. Dit kwam in 1682 onder bescherming onzer Vereenigde
Oostindische Compagnie - en in 1810 werd 't grondgebied bij de
nederlandsche bezittingen ingelijfd.
De munten der eerste vorsten zijn ons nog onbekend in de 17e
eeuw verpachtten zij 't muntrecht aan de Chineezen, doch spoedig
deed de europeesche invloed zich op den beeldenaar der munten ge
voelen en verschijnen de munten met opschrift: CHERIBON
4354 i.

Pitji.

MILLIES XW.118

Banten (Bantam)

Hierboven onder Djenggala zagen wij reeds dat dit rijk in 1530 ge
sticht was op de puinhoopen van Padjadjaran. De hindoesche bewoners
(Badoej's) vluchtten naar de bijna ondoordringbare wouden van Ban
ten's Zuidergebergte, waar men thans in 't district Lebak in een 7-tal
gehuchten 1) hunne afstammelingen vindt.
't Nu gestichte Banten was nog zeer machtig toen onze schepen
daar den 22en juni 1596 voor 't eerst aankwamen. In 1682 maakte
de Ver. Oost. Compagnie dit rijk schatplichtig en 1832 werd 't grond
gebied bij de nederlandsche bezittingen ingelijfd.
Moelana Mohammed Sedo-ning Rana 988-1005 (1580*)-96)

i.

Vijf pitjis.

MILLIES XIV. 112

Pangeran aria Rana di Manggala (Regent) 1005-16 (1596-1608)

4356 i.

Twee pitjis.

.1 13

Oom Henni zal ons peetoom maak,


Want anders is die ou geraak,
Sijn pitjies in gevaar.
Zijne duiten of, wat ons wel iets platter klinkt, zijne centen zouden in gevaar zijn.
') In oktober 1888 vond Dr. JUL. JAcobs dat de geheele Badoej-maatschappij
nog bestond uit 291 zielen.
*) Voor de herleiding der mohammedaansche jaren zie blz. 314.

NEDERLANDSCH-INDI

391

EILAND MADOERA
Soemenap

Kleine staat op 't eiland Madoera, wiens vorsten de gangbare munten

met eene instempeling voorzagen, als waarborg voor de echtheid.


Wij zagen ditzelfde in onze nederlandsche provincin bij de schel
lingen en de achtentwintigen (zie nos. 1952 noot, 1975 en 2029).
4357
4358

i. 1732. Reaal batoe van Mexiko 1). Ingestempeld met


Soemenap en ,235.
MILLIES

XIV. 126

i. 1763. Gulden van Overijsel. Ingestempeld met, Soemenap -.127

SU MIAT RA

't Machtige Hindoesche rijk Pratama-Javaboe, dat zich hier in de


7e eeuw bevond, lostte zich later op in verscheidene mohammedaan
sche staatjes.

Sedert 't begin der 16e eeuw verhief zich op de runen van vele
dezer staatjes 't rijk Atjeh, dat in 1599 't eerst door hollandsche

schepen bezocht, in 't begin der 17e eeuw zijn glanspunt bereikte.
Wegens de voortdurende zeerooverijen verklaarde onze goeverneur

generaal 25 maart 1873 den sultan den oorlog en sedert bleef de


hoofdstad door onze troepen bezet deze oorlog duurt nog steeds
voort (1896).
') De reaal batoe is eene slordige nabootsing van den spaanschen peso duro van
acht realen.

Aan de nieuw ontdekte zilvermijnen van Amerika werden ruwe platen zilver in
onregelmatige veelhoeken geknipt op een gewicht van 26 261/2 wichtjes en deze
gestempeld. Daar de stempels rond waren, vertoon en de stukken meestal slechts
gedeeltelijk den beeldenaar van den peso duro. In tegenstelling met de rejal batoe
of kantige reaal, werden de latere regelmatige stukken rejal boelat of ronde reaal
genaamd.
-

392

NEDERLANDSCH-INDI

Atjeh
Tadj el-Alam Tsafiat ed-din 1051-86 (1641-75)

4359

i.

Maas 1).
Ri'ajat Sjah 1088-1100 (1677-88)

i.

MILLIEs 140.

Maas.

Mohammed (Darid) 1240-54 (1824-38)

i.

1251.

Koe, kah of kasja.

i.

z.. j.

Verg. MILLIEs 151.

i.

Koe.
Koe.

i.

Koe.

153.

NETsCHER & VAN DER CHIJs 187.

Ala ed-din Mansoer II (Ibrahim) 1254-87 (1838-70)


i.

1260.

Koe.

i.

Koe.

i.

1270.

Koe.

151.

Verg.
-

FoNROBERT 788.

Djambi

Ten zuiden van Siak gelegen, met een sultan aan 't hoofd, die de
soevereiniteit van 't land aan Nederland heeft opgedragen. De eerste
munten zijn uit 't begin der 18e eeuw en dragen slechts de woorden
teeken des sultans.

4370

i.
i.

Pitji teboh 2).


Pitji teboh.

i.

Pitji teboh. Zeer dun en smal.

MILLIES XVIII. 172


.181

Verg.

XIX.206

') Een tael of tahil geldt 4 pardoas 4 maas 4 koepang 400 kasja (koe). De
reaal van achten (zie n. 4388 en 4394) was gelijk aan 4 5 maas. Tegenwoordig
gaan + 6000 koes voor 1 mexikaanschen dollar.

*) Pitjis teboh hebben een rond gat in 't midden. De stukken welke dit gat
missen heeten pitji boentoe. Teboes = gat, door en door. Boentoe - een gat dat
gestopt is, dus hier als tegenstelling: zonder gat.
Een reaal (zie n". 4388 en 4394) werd hier verdeeld in 2 djampel 2 soekoe
2 tali 2 kedjer (1 tali of tjoetjoeb was een ris van 500 pitjis teboh).
Een kedjer of koepat was een zakje met 250 pitjis boentoe.

393

NEDERLANDSCH-INDI

Palembang

Ten Z. van Djambi lag 't machtige rijk van Palembang; de laatste
sultan MAHMoED BADER ED-DIN II werd in 1821 door de nederlandsche

troepen verslagen en zijn rijk als eene residentie bij onze bezittingen
gevoegd. 't Muntrecht werd door de sultans verpacht aan de Chineezen,
welke de nietige pitjis van tin goten.
Mohammed Beha ed-din 1183-1213 (1769-98)

4371

i.

1193.

i.

Pitji boentoe 1); middenlijn 12 streep. MILLIEs XIX.187


Pitji boentoe; 13 streep.

i.
i.

Pitji boentoe; 15 streep.


Pitji boentoe; 16 streep.

-.

-. -

i. 1198. Pitji teboh.


i.

1203.

i.

i.

z. j.

. 188

Pitji teboh.
Pitji teboh. Jaartal anders.

. 192
-.-

Pitji teboh.

Verg.

-.189

Mahmoed Bader ed-din Il 1213-37 (1798-1821)

i.
i.
i.
i.
i.
4384 i.

1216. Pitji teboh.


1219. Pitji teboh.

Pitji teboh. Cijfers kleiner.


Pitji teboh. Omschrift verkeerd.
z.. j. Pitji teboh. Zonder omschrift.

Pitji teboh. Idem.

.196
-. -

-. -

-.-

Rijksmuseum

3326.
3327.

BOR NEO
Sambas

Sedert 't midden der 17e eeuw

begunstigde de sultan van Sambas,

een rijk op de W.-kust von Borneo, de vestiging van chineesche mijn


werkers. Deze sloten zich, evenals op Banka, in genootschappen (kongsi's)
') Zie noot *) vorige bladz.

NEDERLANDSCH-INDI

394

aan, welke ieder hun eigen munt sloegen. De vijf groote mijndistricten,
sedert de vorige eeuw in 't Z. van Sambas gevestigd, zijn: Montrado,
Boedoek, Sepang, Loemar en Lara.
Montrado

4385

i.

Vijf tsin. Vz. TA-KIANG KONG-SI

Tin 14.5

i.

Vijf tsin. Als voren, doch kleiner stempel.

MILLIEs 258.
-

BOETO N

't Eiland Boeton, ten Z.O. van Celebes gelegen, wordt bestuurd door

een sultan, die bondgenoot van ons goevernement is.


Grove katoenen lapjes, waarvan tien op n duit gaan, werden hier
als geld aangenomen. Dat dit een oud betaalmiddel is, bewijst 't scheeps
journaal van A. Schot, dat op 17 dec. 1612 vermeldt: op Boeton
heb ik bevonden, bij gebrek van eenige munt, haar daar te behelpen
met lapjes in plaats van geld. Ze zijn tot omstreeks 1870 in gebruik
gebleven.
4387 ll.

Bida of kampoea. Blauw katoen.

N. & v. D. CH. 1) blz. 188.


Cat. Bat. 2) blz. 76.

II MUNTEN DER EUROPEANEN


Sedert 't begin der 16e eeuw kochten onze kooplieden de indische
produkten op de markt te Lissabon, doch toen FELIPE II van Spanje,
met wien wij in 1568 den tachtigjarigen strijd begonnen waren, in
1580 ook koning van Portugal werd, bemoeielijkte hij onzen handel
te Lissabon zoodanig, dat in 1595 eenige amsterdamsche kooplieden
1) De munten van Nederlandsch-Indi beschreven en afgebeeld door E. NETSCHER
en Mr. J. A. VAN DER CHIJs. Batavia 1863. In 4".

*) Catalogus der numismatische verzameling van het Bataviaasch Genootschap

van Kunsten en Wetenschappen door Mr. J. A. vAN DER CHIJs. Batavia 1896. In 8".

395

NEDERLANDSCH-INDI

de Compagnie van Verre oprichtten, met 't doel de indische produkten


in Indi zelf te halen.

Een vloot van vier schepen onder C. HouTMAN verliet 2 april 1595
Texel en kwam 22 juni 1596 te Banten aan 1).
Daar de inboorlingen gewend waren aan de spaansche matten van
acht realen (peso de plata of peso duro 8 reales de plata antiqua
34 maravedises de plata antiqua of 64 maravedises de vellon) kreeg
de amsterdamsche Compagnie, bij resolutie van 1 maart 1601, van de
Staten van Holland verlof soortgelijke stukken in Dordrecht te doen
slaan. In december daaraan volgende gaven de Staten van Zeeland dit
zelfde verlof aan eene middelburgsche Compagnie.

COMPAGNIE VAN VERRE VAN AMSTERDAM 1594-1602


4388

1 601.
ee--e

z. j.
-

Stuk van acht realen.

N. & v. D. CH. 1

Stuk van vier realen.

Stuk van twee realen.

3.

Reaal.

4.

Halve reaal.

5
6

Kwart reaal.

MIDDELBURGSCHE COMPAGNIE

4394 vv.

1602.

Stuk van acht realen. Te Middelburg gemunt.

7.

VEREENIGDE OOSTINDISCHE COMPAGNIE 16O2-1799

Tal van maatschappijen werden nu opgericht, doch alle in 1602


tot n lichaam, de Ver. Oostind. Compagnie samengesmolten. Deze
') Begin en de Voortgangh van de Vereenighde Nederlantsche Geoctroyeerde
Oost-Indische Compagnie. z. pl. 1646. Langwerpig 4".

396

NEDERLANDSCH-INDI

stichtte in 1611 eene loge (faktorij) te Jakatra (sultanaat Banten), die,


tot fort ingericht, 12 maart 1619 plechtig den naam Batavia kreeg.
Batavia werd de stapelplaats der te verzenden produkten en de ver
blijfplaats van 't bestuur. Door geweld van wapenen breidde de Com
pagnie haar macht allengs over al de eilanden der Archipel uit, bereikte
in 't begin der 18e eeuw haar hoogste bloei, om daarna geheel te
vervallen. In 1799 was haar oktrooi ten einde, doch reeds in 1798

vermeldde art. 247 der Nieuwe Constitutie, dat de Bataafsche Republiek


alle bezittingen, eigendommen en schulden der Compagnie aan zich trok.
In de 124 eerste jaren van haar bestaan gebruikte de Compagnie
in Indi de munten van het moederland, de stukken welke zij uit haar

eigen metaal in de nederlandsche munthuizen liet aan munten en de


spaansche pesos. De twee eerste soorten zijn dus geheel gelijk aan de
exemplaren, die wij onder Nederland reeds behandeld hebben.
Eerst in 1726 liet de Compagnie in de munthuizen van Holland en
Zeeland dukatons en duiten volgens eigen beeldenaar slaan in
1748 volgden de halve duiten en in 1786 eindelijk de drie-guldens,
guldens en halve guldens. Behalve door deze stukken werd in 't ge
brek aan specin dikwijls voorzien door vermunting in Indi van metaal,
dat daar aanwezig was. Meestal vinden wij dan goudsmeden daarmede
belast, wier beeldenaars nog al eens ruw uitvielen. Ook liet de indische
regeering herhaald de niet door haar geslagen munten met eene in
stempeling voorzien, teneinde die tijdelijk tot een willekeurigen koers
in omloop te houden.
Vr 1658 gold in Indi als rekenmunt de reaal (onjuiste benaming
van den spaanschen peso van acht realen) 48 stuivers. 4 Nov. 1658
werd de rijksdaalder (nu zware reaal genaamd) 60 stuivers of 10

schellingen als rekenmunt ingevoerd doch 14 juni 1767 vervangen


door den indischen dukaton a 66 stuivers.

Overgaande tot de stukken zelf verdeelen wij die in : a. munten in


Nederland geslagen, b. in Indi gemaakt, c. gemerkte munten.
a Munten met beeldenaar der Compagnie
in Nederland geslagen
In 't begin van 1726 verkreeg de Compagnie van de Staten van

NEDERLANDSCH-INDI

Holland

en West-Friesland

en

van

397

die van Zeeland verlof in dezer

provinciale munthuizen dukatons volgens eigen beeldenaar te laten


slaan. Den 7en oktober 1727 werd dit verlof door de Staten-Generaal

bekrachtigd en alle muntmeesters in de Geunieerde Provincin ge


machtigd, dukatons volgens den beeldenaar der Compagnie aan te
maken.

In 1726 liet de Compagnie de eerste koperen munt voor Indi slaan,


op 't gehalte der hollandsche duiten. Dit schijnt door de Staten
Generaal oogluikend te zijn toegelaten.
In 1748 volgden halve duiten, aangezien de inboorlingen in Indi
behoefte hadden aan stukken van minder waarde dan den duit - in

1786 werden de drie-guldens, guldens en halve guldens hieraan


toegevoegd. Alle dragen het teeken SV = Vereenigde Oostindische
Compagnie.
1"
4395

4414

Munten geslagen te Dordrecht in 't munthuis der Staten van Holland


i.

1726.

Duit.

VERKADE 1086.

i.

z.. j.

Duit. Misslag.

i.

1728.

Dukaton.

1085.

i.

1730.

Duit.

1086.

i.

1731.

Duit.

i.

1732.

Duit.

i.

1733.

Dukaton.

1085.

i.

Duit.

i.

1734.

Duit.

1086.

i.

1735.

Duit.

i.

1736.

Duit.

i.

1737.

Duit.

i.

1738.

Dukaton.

i.
i.

1739.

Dukaton. Vz. L: IN onder 't provinciale wapen.


Dukaton. Vz. INU onder 't provinciale wapen.

i.

1742.

Duit.

i.

1744.

Duit.

i.

1745.

Duit.

i.

1746.

Duit.

i.

Duit. Afslag in zilver.

1085.
-

1086. -

398
4415

NEDERLANDSCH-INDI

1747.

Duit.

Duit. Afslag in zilver.


1748.

Duit.

Duit. Afslag in zilver.


1749.

Duit.

Duit. Afslag

i n zilver.

Halve duit.
1750.

Duit.

Duit. Afslag
1751.

i n zilver.

Duit.
Halve duit.

1752.

Duit.

Duit. Afslag in zilver.


Halve duit.
1753.

Duit.
Halve duit.

1754.

Duit.
Halve duit.

1755.

Duit.

1756.

Halve duit. Afslag in zilver.


Halve duit. Afslag in zilver.

1757.

Halve duit.

1758.
1759.
1761.

1763.

Halve duit. Afslag in zilver.


Halve duit. Afslag in zilver.
Halve duit. Afslag in zilver.
Duit. Afslag in zilver.
Halve duit. Afslag in zilver.
Duit. Afslag in zilver.
Halve duit. Afslag in zilver.

1764.

Duit.

1765.

Duit.

1766.

Duit.

1767.

Duit.

1769.

Halve duit.

1770.

Duit.
Halve duit.

4452

1771.

Duit.

1772.

Duit.

399

NEDERLANDSCH-INDI

4453

i.

1776.

Duit.

1086.

i.

1777.

Duit.

i.

1778.

Duit.

i.

1779.

Duit.

i.

1780.

i.

i.

i.

Duit.

Halve duit.

1087.

1781.

Duit.

1086.

1783.

Halve duit.

1087.

i.

1784.

Duit.

1086.

i.

1788.

Duit.

i.

1789.

Duit.

i.

1790.

Duit.

i.

1791.

Duit.

i.

1792.

Duit.

i.

1793.

Duit.

2"

4487

Munten geslagen te Middelburg in 't munthuis der Staten van Zeeland


i.

1728.

Duit.

i.

1729.

Duit.

1100.
-

i.

1730.

Duit.

i.

1731.

Duit.

i.

1732.

Duit.

i.

1733.

Duit,

i.

1734.

Duit.

i.

1735.

Duit.

i.

1736.

Duit.

i.

1737.

Duit.

i.

1738.

Dukaton.

1095.

i.

Duit.

1100.

i.

1739.

Duit.

i.

1741.

Dukaton.

1095.
1100.

i.

1744.

Duit.

i.

1745.

Duit.
Duit.

i.

1746.

i.

1747.

Duit.

i.

1748.

Duit.

i.

1749.

Duit.

NEDERLANDSCH-INDI

400
4488

1750.

Duit.

175 1.

Duit.

1752.

Duit.

1753.

Duit.

1100.
-

Duit. Cijfers van 't jaartal zeer ver vaneen.


1754.

Duit.

1755.

Duit.

1756.

Duit.

1760.

Duit.

1764.

Duit.

1765.

Duit.

1766.

Duit.

1767.

Duit.

1768.

Duit.

1770.

Duit.
Halve duit.

1771.

1772.

1101.

Duit.

1100.

Halve duit.

1101.

Duit.

1100.

Halve duit.

1101.

1777.

Duit.

1100.

1778.

Duit.

1779.

Duit.

1780.

Duit.

1784.

Duit.

1785.

Duit.

1786.

Duit.

1787.

Duit.

1788.

Duit.

1789.

Driegulden. Vz. Achter HAC twee dikke punten. 1096.


Driegulden. Achter HAC twee zeer kleine punten,
maar achter NITIMUR een dikke punt; ook de
letters anders geplaatst.

Duit.

4522

1100.

1790.

Duit.

1791.

Gulden. Vz. Alleen achter TVEMUR een punt. 1197.


Gulden. Vz. Alleen aan de rechterzijde van 't hoofd
van Pallas een punt.

401

NEDERLANDSCH-INDI

4523

i.

1791.

i.

Halve gulden.

1099.

i.

Duit.

1 100.

i.

1792.

Duit.

i.

1793.

Duit..

i.

1794.

Gulden. Vz. Een punt achter NITIMUR en n


achter TWEMUR

1097.

Duit.

Duit. De cijfers van 't jaartal grooter.


3"
i.

Munten geslagen te Hoorn, Enkhuizen of Medemblik 1)

1728.

Dukaton van Hoorn.

i.

1729.

Duit

idem.

i.

1731.

Duit

idem.

i.

Duit

idem.

i.

1733.

Duit van Enkhuizen.

i.

1734.

Duit
Duit

idem.
idem.

i.

1088.
1093.
-

aa.

1735.

Duit

idem.

i.

1736.

Duit

idem.

Afslag in zilver. De beeldenaar

van Vz. en Kz. wordt ingesloten door drie fijne,


een breede en daaromheen nog twee fijne cirkels.
Middenlijn 261/2 streep.
1737.

Duit van Enkhuizen.

i.

1738.

Dukaton

i.

1739.

Dukaton

idem.

i.

Duit

idem.

1093.
1088.

i.

1740.

Dukaton

idem.

1741.

Dukaton

idem.

idem.

i.
l

4550

i.

1 088.
-

Duit van Medemblik.

1093.

i.

17.44.

Duit

idem.

i.

1745.

Duit

idem.

i.

1746.

Duit

idem.

i.

1747.

Duit

idem.

i.

17.48.

Duit

idem.

1) De muntmeesters en hun muntslag door Mr. L. W. A. BESIER. Utrecht 1890.


In S".
26

402
4551

NEDERLANDSCH-1NDI

UlUl.

1748.

Duit van Medemblik. Tweemaal de Kz.

i.

1749.

Duit

idem.

i.

1750.

Duit

idem.

i.

1751.

Duit van Medemblik (of van Hoorn).

i.

1752.

Duit van Hoorn.

Duit

idem.
Afslag in zilver. 't Schild op de
Vz. met afgesneden bovenhoeken.

rr.

UlUl.

1093.

z. j.

Duit van Hoorn. Tweemaal de Vz. 't Schild met

1753.

Duit van Hoorn.

afgesneden bovenhoeken.
1754.

Duit

idem.

1755.

Duit

idem.

1756.

Duit

idem.

Duit .

idem. Tweemaal de Kz. met oranjetakken

versierd.

Duit van Hoorn. Afslag in zilver. Het schild op


de Vz. met afgesneden bovenhoeken; de Kz. met
oranjetakken versierd.

1764.

Duit

van Enkhuizen.

1765.

Duit

idem.

1766.

Duit

idem.

1767.

Duit

idem.

1768.

Duit

idem.

Duit

idem.
idem.

De cijfers anders geplaatst.


Kz. Twee roosjes.

Kz. Twee punten.

1770.

4583

Duit

Duit

idem.

Halve duit

idem.

1771.

Duit

idem

1772.

Duit

van Medemblik.

1776.

Duit

idem.

1777.

Duit

idem.

1778.

Duit

idem.

1779.

Duit

idem.

1780.

Duit

idem.

1781.

Duit

idem

1784.

Duit

van Hoorn.

1785.

Duit

idem.

1786.

Drie gulden

idem.

1094.

(of van Medemblik).

1093.

(of van Hoorn).

1096.

NEDERLANDSCH-INDI
4584

1786.

403

Gulden van Hoorn. Onder 't merk der Compagnie


staat FCE: B

1091.

Gulden van Hoorn. Onder 't merk staat FCE:


Gulden

idem.

HAC zeer ver van NITIMVR

Gulden

idem.

Kz. WEST : zeer ver van de kroon.

Halve gulden van Hoorn.

1092.

Duit

idem.

1093.

Gulden

idem.

1091.

Halve gulden

idem.

1092.

Duit

idem.

1093.

1788.

Duit

idem.

1789.

Duit

idem.

1790.

Gulden

idem.

Duit

idem.

1791.

Duit

idem

1792.

Duit van Enkhuizen.

1091.
1093.

(of van Enkhuizen).

Munten geslagen te Utrecht in 't munthuis der Staten van Utrecht


1742.

Duit.

1745.

Duit.

1746.

Duit.

1752.

Duit.
Halve duit

1753.

Duit.

Duit. Afslag in zilver.


Halve duit.

Halve duit. Afslag in zilver.


1754.

Duit.
Halve duit.

1755.

Duit.

Halve duit.
1757.

Halve duit.

1758.

Halve duit

Halve duit .

4617

1762.

Halve

1764.

Duit.

1765.

Duit.

Afslag in zilver.
Afslag in zilver.
duit . Afslag in goud,

404
4618

NEDERLANDSCH-INDI

i.

kk.

1766.

i.

1767.

i.

i.

1769.

Duit.

1106.

Duit. Afslag in zilver.

Duit.
-

rr.

Halve duit. Afslag in zilver.


Halve duit.

1107.
-

Halve duit. Afslag in zilver.

i.

1770.

i.

Halve duit.

1107.

i.

1776.

Duit.

1106.

Duit.

i.

1777.

Duit.

i.

1778.

Duit.

i.

1779.

Duit.

i.

1780.

Duit.

1106.

i.

1781.

Duit.

i.

1784.

Duit.

i.

1785.

Duit.

i.

1786.

Driegulden.

1103.

i.

Gulden.

1104.

i.

Gulden. Vz. en Kz. Kleiner letters.

i.

1105.
1106.

i.

Gulden. Vz. TVEMVR dichter bij den hoed.


Halve gulden.

i.

Duit.

i.

1787.

Duit.

i.

1788.

Duit.

i.

1789.

Duit.

i.

1790.

Duit.

i.

1791.

Duit.

i.

1792.

Duit.

i.

1793.

Duit.

i.

1794.

i.

Duit.
-

Halve duit. Afslag in zilver.

1107.

5" Munten geslagen te Kamp en een der munthuizen van de Staten van Overijsel

i.

4650 i.

1737.

Dukaton.

17. .

Duit. Op de Kz. van een der overijselsche duiten 1764


69 is het merk der Vereenigde Oostindische Compagnie

1108.

405

NEDERLANDSCH-INDI

(V)

zooals dat op de dordrechtsche duiten voorkomt,


ingeslagen.
Dit stuk is valsch, aangezien de Compagnie in Overijsel
geene

4651

duiten,

wel dukatons, heeft laten maken.

(1737). Op de Kz. van een der groningsche duiten 1770-72 is


ditzelfde merk met jaartal 1737 ingeslagen.

In het munthuis van Groningen heeft de Compagnie


geene munten laten slaan, dus ook dit stuk is valsch.
VERKADE 11.11.

6 Munten geslagen te Harderwijk munthuis der Staten van Gelderland

4676

i.

1731.

Duit.

i.

1732.

Duit.

i.

1738.

Dukaton.

i.

1740.

Dukaton.

i.

1757.

i.

Duit. Afslag in zilver.


Halve duit. Afslag in zilver.

1084.
1083.

i.

1771.

Duit.

i.

1772.

Duit.

i.

1776.

Duit.

i.

1777.

Duit.

i.

1785.

Duit.

i.

1786.

Driegulden.

1083.
-

1079.
-

1 083.

1080.

i.

Gulden.

1081.

i.

Halve gulden.

1082.

i.

Duit.

1083.

i.

1787.

Duit.

i.

1788.

Duit.

i.

Halve duit.

ij.

Halve duit. Vz. INDEO

1084.
-

i.

1789.

Duit.

1 083.

i.

Halve duit.

1084.

rr.

Halve duit. Afslag in zilver.

i.

1790.

Gulden. Kz. C: Z:

i.

Gulden. Kz. CZ:

i.

Duit.

1081.
-

1083.

406

NEDERLANDSCH-INDI

4677

1790.

Halve duit.

1791.

Duit.

1792.

Duit.

1793.

Duit.

1794.

Duit.

1799.

Duit.

1084.

1083.

b Munten door de Compagnie in Indi geslagen


Daar het moederland dikwijls ontoereikende hoeveelheden specie
naar Indi zond en de inlandsche pasmunten (zie onder Soe
rakarta, Djokjokarta, Tjirebon, Palembang) niet voldoende
waren voor den omloop, werd te Batavia herhaalde malen

munt geslagen van japansch schuitzilver, japansch koper en


van, uit Nederland gezondene, baren goud.

i.

1644.

Halve stuiver.

N. & v. D. CH. 27.

Den 19 aug. 1644 kreeg de chinees CoNJoK te Batavia


last, halve en kwart stuivers te maken van goed
zweedsch of japansch koper. Uit een pikol (= 61.761
kilo) moesten 4000 en 7000 vervaardigd worden
zij wogen dus 15.44 en 8.82 wichtjes. De aanmunting
schijnt echter spoedig gestaakt te zijn.
i.
4685

i.

1645.

Bataviasche kroon.
Kwart bataviasche kroon.

17.
-

19.

26 Febr. 1645 ontvingen de goudsmid JAN FERMAN en

de chinees CoNJoK te Batavia den opdracht van 't


aanwezige japansche schuitzilver bataviasche kroonen
te vervaardigen.

Van 1000 taels zilver moesten 1487 stuks gegoten wor

den; zij wogen dus bijna 26 wichtjes en waren voor


48 stuivers in omloop.
Er bestaan ook halve en kwart kroonen. 23 Sept. 1647
werden ze alle ingetrokken.

NEDERLANDSCH-INDI

4686

i.

1 744.

Javasche dukaat.

Nadat de soesoehoeman van Soerakarta 1 1

407
9.

nov. 1743

zijn muntrecht aan de Compagnie had afgestaan, be


sloot zij, bij resolutie van 28 febr. 1744, gouden java
sche dukaten te doen slaan en die uit te geven voor
21/2 rijksdaalder.
Door resolutie van 18 juni 1751 werd deze goudaan
munting gestaakt.

1747.

Javasche zilveren ropij, vroeger ook zilveren derham


djawa genaamd.
20a.

1750.

Javasche zilveren ropij.

Door de resolutie van 17 febr. 1747 werd de javasche


zilveren ropij geschapen. Voor de aanmunting gebruikte
men de stempels van den javaschen gouden dukaat
(n0. 4686). Het gehalte was 0.951 fijn.
Deze aanmunting is 18 juni 1751 gestaakt.

1 764.

Javasche duit.

29.

Door plakaat van 9 nov. 1764 werden de javasche duiten


met nederlandsch en maleisch opschrift in omloop ge
bracht. Merkwaardig is, dat in het maleische opschrift
het christelijke jaartal 1764 behouden bleef.

l.

1765.

Javasche zilveren ropij.

20b.

Door resolutie van 6 nov. 1764 werd opnieuw de aan


munting gelast der zilveren ropijen. Ze zouden thans
echter slechts 0.833 fijn bevatten en gekarteld worden.
Deze aanmunting duurde tot 15 jan. 1768.

4696

3l.

Javasche duit.

29.

i.

Javasche duit.

i.

Javasche duit. Kleiner letters.

i.

Javasche duit. Groote S boven U

i.

Javasche duit. Zeer grove gravure.


Javasche duit. Geen punt achter IAVAS

i.

408
4697

NEDERLANDSCH-INDI

i.

1766.

i.

i.

1767.

i.

1783.

i.

Javasche zilveren ropij.

20b.

Javasche zilveren ropij. Het woord k zeer


slecht weergegeven.
Javasche zilveren ropij.
Javasche zilveren ropij.

Javasche duit.

29.

18 Febr. 1783 kreeg de essayeur DE WAREM de winst


gevende machtiging voor eigen rekening koperen duiten
te slaan. De beeldenaar verschilt van dien van 1764,

doordien het nederlandsche opschrift thans door eiken


takken omgeven is.
i.

1786.

i.

1788.

i.

1795.

i.

1797.

Javasche zilveren ropij.


Javasche zilveren ropij.

20b.
20c.

Javasche zilveren ropij.


Viervoudige gouden ropij. Weegt 16 2 w.
8.
Het plakaat van 20 sept. 1782 gaf ten tweede male aan
een ieder vrijheid, heele, dubbele en viervoudige gouden
ropijen te Batavia te laten munten, naar den beelde
naar der zilveren ropijen. Zij zouden gangbaar zijn
voor 21/3, 5 en 10 rijksdaalders gehalte 19 karaten
-

(0.791). De enkele werd ook derham djawa genaamd.

i.

1798.

i.

1799.

Javasche zilveren ropij.


20c.
Dubbele gouden ropij. Weegt 7.92
Verg. 31.
Stuiver. Koper; 16.57 wichtjes.
25.
25 Juni 1799 werden gangbaar verklaard: metalen munten
ter waarde van vier duiten hollandsch en ter zwaarte

van 1 lood (d. i. 1/32 oud amsterdamsch handelspond


of 15.44 wichtjes). In Indi gold de stuiver vier duiten.

c In Indi gemerkte munten

4709

i.

Japansche koban van keizer Go-JAU-zE, met den regeeringsnaam


Ke-tiau (1596-1614), ingestempeld met een staanden leeuw
(zie n0, 4285).

NEDERLANDsch-INDI

400

8 Juni 1690 werden de in Compagnie's kas aanwezige japansche


kobans gestempeld met een overeind staand leeuwtje naar de
linkerhand gekeerd, en uitgegeven voor 10 rijksdaalders.
N. & v. D. CH. blz. 5.

4710

i.

Dukaat van Utrecht 1758, ingestempeld met ,Djawa in ara


bische letters.

Bij plakaat van 13 dec. 1753 werd verordend dat voortaan de

gouden dukaten zouden geklopt worden met 't woord -u


en in omloop gegeven voor 22 schellingen. 17 Aug. 1761 is
dit stempelen der dukaten gestaakt.

BATAAFSCHE REPUBLIEK 18OO 1806

a Munten in Nederland geslagen


De in 1800 opgerichte Raad der Aziatische Bezittingen zond in 1802
een nieuwen zilveren standpenning uit het moederland naar Indi,
namelijk den scheepjesgulden met zijne onderdeelen. Dit muntstuk,
geslagen in 't westfriesche munthuis te Enkhuizen, was aanvankelijk
gangbaar voor 24 stuivers indisch, de onderdeelen naar evenredigheid,
doch reeds in 1803 werd de verhouding gesteld op 30, 15, 8, 4 en
2 stuivers indisch.

Diezelfde Raad droeg de levering der koperen duiten aan den fabri
kant H. DE HEUs te Amsterdam op. Deze liet de stukken in de munt
huizen van Enkhuizen (5-1', G en leeuw met pijlbundel), Kampen
(5-1'n G en overijselsch wapen), Dordrecht (wapen van Holland en
W) en Harderwijk (wapen van Gelderland en W) vervaardigen; in

Enkhuizen volgens den door hem vastgestelden beeldenaar ).

47 13

i.

1802.

Gulden (scheepjesgulden).

i.

Gulden. Van anderen stempel.

i.

Halve gulden.

N. & v. D. CH. 32.


-

33.

') De muntmeester van Kampen had geen last bekomen om 't provinciale wapen
door 't nederlandsche te vervangen. Spoedshalve gebruikten Dordrecht en Harderwijk
de oude stempels der Compagnie (BESIER blz. 17).

410
4714

NEDERLANDSCH-INDI
i.

1802.

Halve gulden. Van anderen stempel.


Kwart gulden.
Kwart gulden. Van anderen stempel.
Achtste gulden.
Achtste gulden. Van anderen stempel.
Achtste gulden. Kleiner beeldenaar, op de Kz. geen
binnencirkel.

Zestiende gulden.

Zestiende gulden.
Zestiende gulden.
Zestiende gulden.
binnencirkel, en

Kz. MO Kz. MO
Kleiner beeldenaar, op de Vz. geen
het jrt. niet door haakjes ingesloten.

Duit van Enkhuizen.

Duit van Enkhuizen. Afslag in zilver.


Halve duit van Enkhuizen.
Duit van Dordrecht. K2. Een roset.
Duit van Dordrecht. Kz. Een ster.

Duit van Harderwijk.


Duit van Enkhuizen.

Duit van Enkhuizen. Andere stempel.


Duit van Kampen.
Duit van Kampen. De cijfers van het jrt. onregel
matig geplaatst.
Duit van Dordrecht.

Duit van Dordrecht. Misslag.

Duit van Harderwijk.


Duit van Enkhuizen..

Halve duit van Enkhuizen.

Duit van Kampen. Kz. Groote arend.


Duit van Kampen. Kz. Kleine arend.
Duit van Harderwijk.
Duit van Enkhuizen.

Halve duit van Enkhuizen.

Duit van Kampen.


Duit van Kampen. Vz. Zeer slordig.
Duit van Kampen. Vz. De leeuw gedeeltelijk buiten
het schild.

4747

i.

Duit van Harderwijk.

411

NEDERLANDSCH-INDI

4748

i.

1805.

i.

1806.

Duit van Harderwijk. Vz. en Kz. gestempeld in een


brabantschen kruisdaalder van 1622.

41.

Duit van Enkhuizen.

39.

Halve duit van Enkhuizen.

43.

Duit van Kampen.


Duit van Harderwijk.
Duit van Harderwijk. Op gespleten muntplaatje.

41.

42.

b Munten in Indi geslagen


i.

1800.
1801.

Stuiver.
Bataviasche roepie.

25.

i.

1803.

Bonk van n stuiver.

47a.

1804.

Deze bonken zijn afgekapte stukken japansch staaf


koper, met waardeaanduiding op de Vz. en jaar
tal op de Kz.
Bataviasche roepie.

37b.

Bonk van n stuiver.

47b.

Bataviasche roepie.
Halve bataviasche roepie.
De proklamatie van 8 febr. 1805 stelde deze stukken
in omloop.

37b.

Bonk van twee stuivers.

46.

1805.

37a.

38.

Bonk van twee stuivers. De cijfers van het jaartal


iets kleiner.

Bataviasche roepie.
Halve bataviasche roepie.
Duit van Soerabaja. Vz. JAVA en jaartal; Kz.

37b.
38.

Sf

50.

In omloop gebracht door de publikatie van 26 febr.


1807. Deze duiten zijn aangemunt van japansch

koper in de duitenmunt te Soerabaja.


1807. 1) Duit van Soerabaja.
4767

j.

Duit van Soerabaja. De letters grooter.

") Hoewel in Europa 't Bataafsch Gemeenebest reeds in juni 1806 vervangen
was door 't Koninkrijk Holland, werd koning LodEwIJK NAPoLEoN in Indi eerst
in januari 1808, bij de aankomst aldaar van den maarschalk en goeverneur-generaal
H. W. DAENDELs, als zoodanig erkend. (N. & v. D. CH. blz. 74).

412

NEDERLANDSCH-INDI

KONINKRIJK HOLLAND EN FRANSCH KEIZERRIJK

1806(8)-11
a Munten geslagen in Nederland
4768

i.

1807.

i.

i.

1808.

Duit van Enkhuizen.

39.

Halve duit van Enkhuizen.

43.

Duit van Enkhuizen.

52.

i.

Halve duit van Enkhuizen.

53.

l.

i.

1809.

Halve duit van Enkhuizen. Scheef overgestempeld.


Duit van Enkhuizen.

52.

i.

Halve duit van Enkhuizen.

53.

i.

Halve duit van Enkhuizen. Stempel der Vz. gebarsten.

b Munten geslagen in Indi


37b.

1808.

Duit van Soerabaja.

i.

Duit van Soerabaja. De cijfers op de Vz. grooter. -

i.
aa.
i.

1809.

Bataviasche

roepie.

i.
i.

50.

Duit van Soerabaja. Vz. JAVA en jaartal; Kz. L N. 59.


Bonk van n stuiver.
Duit met

Sf

55.
50.

Deze en de volgende duiten zijn alle te Soerabaja


gemunt.
i.

Duit met L-N.

i.

Duit. Jaartal kleiner dan

i.

Duit. L N. grooter.

Duit. JAVA grooter.

i.
aa.

1810.

Bonk van n stuiver.

55.

i.

Stuiver. Rond schijfje.

56.

i.

Halve stuiver.

57.

i.

Halve stuiver. Jaartal kleiner.

i.

Duit met L N.

i.

p.

Duit met L.N. De punten lager.


Duit. Deze en de volgende vier duiten vertoonen
SSX9 in trekletters.

4793

59.

i.

Duit. Op de Vz. ontbreekt de letter Z.


Z. is de voorletter van den muntmeester te Soera

baja, J. A. ZwEKKERT.

59.
-

60a.
-

NEDERLANDSCH-INDI

4794 i.

1810.

Duit. De letters XSOR9 grooter.

i.

Duit. Het woord JAVA grooter.

i.

Duit. Vz. en Kz. versierd door een rand van afwis

selend punten en ruiten.

60a.
-

60b.

i.

1811.

Halve stuiver. De Z onder de 8 van het jaartal.

57.

i.

Halve stuiver. De Z onder de 1 van het jaartal.

i.

Duit.

60a.

i.

Duit. De letter Z kleiner.

i.

Door eene publikatie in 1811 werden oude fransche koperen


munten in Indi gangbaar gesteld en wel:
Dcime van 't jaar 7 voor 8 duiten.
N. & v. D. CH. blz. 79.

i.

Dubbele sous van 1792 voor 8 duiten.

i. Cinq centimes van 't jaar 7 voor 4 duiten.


4805

413

i.

Sous van 1785 voor 4 duiten.

i.

Twaalf deniers van 1792 voor 4 duiten.

Vier duiten golden een indischen stuiver; 48 indische stuivers

= 1 rijksdaalder,

BRITSCH BESTUUR 1811-16

Terwijl ons land bij Frankrijk ingelijfd was, zond de engelsche


regeering aan lord MINTo, goeverneur van Engelsch-Indi, last, onze
O.-I. bezittingen te veroveren. 't Eene eiland viel na 't andere en
18 sept. 1811 moest onze goeverneur-generaal JANssENs Java en alle
onderhoorigheden aan de Engelschen afstaan RAFFLEs werd tot
luitenant-goeverneur benoemd.
Na NAPoLON's val kregen wij volgens traktaat van 13 aug. 1814
deze bezittingen grootendeels terug.
Onder 't britsche bestuur werd LodEwijk's naamcijfer (L-N) op de munten vervangen door 't merk (#) = British United East-India
Company. In 1813 verklaarden de Engelschen de zilveren java ropij,
te Soerabaja gemunt, standpenning en verdeelden deze in 30 stuivers
4 duiten.

414
4806

NEDERLANDSCH-INDI

i.

1811.

Halve stuiver.

67.

Duit.

68.

Duit. Kz. Jaartal grooter.


i.

1812

i.
i.
i.

18 13

i.

Halve stuiver.

67.

Duit.

68.

Duit. Jaartal grooter.


Zilveren java ropij met het arabische jaartal 1228
en het javaansche 1) 1740.
Halve zilveren java ropij, met dezelfde jaren.

i.

Halve stuiver.

i.

Halve stuiver.

i.

i.

1814.

64.
65.
67.
-

Duit van tin

69.

Bij proklamatie van 9 apr. 1813 werden deze tinnen


duiten in omloop gebracht. Zij waren van zuiver ban
kaasch tin te Batavia gemunt, ter zwaarte van 36 stuks
op een pond hollandsch gewicht. Zie N. & v. D. CH.
Gouden java ropij. Deze werd in 1811 gevalueerd op
480 stuivers.

- --

Dit exemplaar draagt het arabische jaartal 1229.

62.

i.

Stuiver.

66.

i.

Halve stuiver.

67.

i.

Halve stuiver. De cijfers van het jrt. zeer onregel

i.

Duit van tin.

69.

i.

18.15

Gouden java ropij, met arabisch jaartal 1230.


Zilveren java ropij, met arabisch jaartal 1230 en

62.

i.

i.

Zilveren java ropij, als voren, doch het javaan


sche cijfer 7 van afwijkenden vorm.

i.

Stuiver.

matig geplaatst.

javaansch 1743.

4825

64.

66.

1) Volgens J. HAGEMAN Jcz.'s Handleiding tot de kennis der geschiedenis, aard


rijkskunde, fabelleer en tijdrekenkunde van Java, is het jaar 125 A. D. waarschijnlijk
het eerste jaar der javaansche jaartelling geweest. De javaansche jaren hebben 354
dagen, dus zijn 100 jav. jaren gelijk aan 97 gregoriaansche jaren - een verschil
van 3 /o.

Voor de herleiding hebben wij dus :


Annus Domini = A. J.

3 100
A. J.

125

415

NEDERLANDSCH-INDI

4826

i.

1815.

i.
i.

1816. Gouden java ropij, met arabisch jaartal 1231.


1817. Zilveren java ropij, met arabisch jaartal 1232 en
javaansch 1743, veranderd in 1744.
Zilveren java ropij, met 1232 en 1744.

i.

Halve stuiver.

67.
62.

64.
-

EILAND SUMATRA ONDER BRITSCH BESTUUR

Sumatra, in 1508 door den Portugees LoPEZ DE FIGUEIRA bekend


gemaakt, werd spoedig gewichtig voor den portugeeschen handel.
De Hollanders knoopten in 1599 de eerste handelsbetrekkingen met
Atjeh aan, bezetten langzamerhand de geheele westkust van Sumatra
en maakten Padang tot hoofdzetel van hun macht.
In 1685 verschenen de Engelschen zij vestigden zich in 't zui
delijk van Padang gelegen Priaman en Bangkahoeloe, en bouwden in
laatstgenoemde plaats een fort (Bencoolen, Benkoelen). Dit fort werd
1714 drie mijlen zuidwaarts verlegd en kreeg den naam van fort
Marlborough. De naam FORT MARLBRO komt op de, in Calcutta
geslagen, zilveren twee-soekoe-stukken van 1783 en 84 voor.
Van uit Benkoelen breidden de Engelschen hun macht allengs uit,
zoo zelfs, dat van 1781-88- en 1795-1819 de geheele westkust van
Sumatra hun onderworpen was. Eerst bij traktaat van 17 maart 1824
verkreeg Nederland alle posten op 't eiland Sumatra en de daartoe
behoorende eilanden ten zuiden van Singapoera, in ruil voor bezittingen
op 't schiereiland Malakka (zie blz. 350).
i.

1783.

Dubbele keping, met arabisch jaartal 1197.

i.
i.
i.

1786. Keping met jaartal 1200.


1787. Drievoudige keping met 1202.

Keping met 1202.


1804. Viervoudige keping met 1219.

MILLIEs 1) I.2

4834

i.

1) De munten der Engelschen voor den Oost-Indischen


H. C. MILLIES. Amsterdam 1852. In 8".

-.3

Verg. -.5
Verg. -.3
-.15

Archipel,

beschreven door

416

NEDERLANDSCH-INDI

4835

ene-e

1804.

Dubbele keping met 1219.


Keping met 1219.

I. 14
-. 12

Keping met 1219. De cijfers van het jrt. 1804 kleiner. -.

Keping met 1219. Vz. EAST INDIA COMPANY. blz. 91.


Keping met 1247.
I. 13

MALOEKA (engelsch staatje op Zuid-Borneo)


In 1812 wist de Engelschman A. HARE van den sultan van Ban

djermasin een stuk land te verkrijgen. Hier stichtte hij onder engelsche
bescherming een onafhankelijk rijk, liet zich tot radja uitroepen, doch
moest in 1816 voor 't nederlandsch gezag wijken.
Alexander Hare 1812-16
*

i.

4843

1228 (1813). Duit.

ATKINs 1) 216.1

Duit.

.3

Duit. Zeer ruwe beeldenaar.

-.

Duit.

.4

NEDERLANDSCH BESTUUR SEDERT 1816

a Munten geslagen te Soerabaja


Bij de regeling van 14 januari 1817 werd de zilveren ropij, nu
gulden genaamd als nationaal indische standpenning ingesteld en ver
deeld in 30 indische (denkbeeldige) stuivers a 4 duiten,
Gebrek aan kleine pasmunt noopte de regeering in Indi om bij
publikatie van 21 apr. 1818 aan de munt te Soerabaja den aanmaak
te gelasten van duiten en dubbele duiten (dus halve stuivers). De beel
denaar dezer stukken was eene slaafsche navolging der uit Nederland
') ATKINs' Coins of British possessions and colonies.

417

NEDERLANDSCH-INDI

aangevoerde duiten; alleen de voorletters H (DE HEUs) of S (SUERMONDT),


ontbreken. Ook worden halve duiten zonder H aangetroffen, doch van
deze stukken spreekt genoemde publikatie niet.
Bij publikatie van 25 juni 1818 werden ook gangbaar verklaard
stukken gekapt japansch staafkoper voor halve, heele en dubbele stui
vers die tot 18 febr. 1826 in omloop bleven.
Een poging de duiten (= 1/120 gulden) te verdringen door centen
(= 1/100 gulden, bleef vooralsnog vruchteloos want de tusschen
1833-41 te Soerabaja geslagen centen en dubbele centen, waren
spoedig voor duiten en halve stuivers in de wandeling. Wij zullen
hieronder zien dat dit eerst na 1854 gelukt is.
4844

i.

1818.

i.

Bonk van twee stuivers; ook bengol genaamd. Het jaartal


beslaat eene breedte van 17 streep. N. & v. D. CH. 88.
Bonk van twee stuivers. Jrt. 16 streep.

i.
i.

Bonk van twee stuivers. Jrt. 15


Bonk van twee stuivers. Jrt. 14

l{l.

Bonk van twee stuivers. Jrt. 13

De stempels van bovenstaande vijf munten verschilden


ook door kleinere of grootere mate van ruwheid van

bewerking. Vooral 't cijfer 2 is dikwijls zeer barbaarsch


weergegeven.

aa.

Bonk van n stuiver. De letter S omgekeerd geplaatst. 89.

ij.

Halve stuiver.

90.

i.

Duit.

93.

i.

Duit. De cijfers van 't jaartal kleiner.

i.

Halve duit.

94.

i.

1819.

Bonk van twee stuivers.

88.

d8.

Bonk van twee stuivers. 't Cijfer 9 zeer smal.

i.

Halve stuiver.

i.

Halve stuiver. Vz. De leeuw in het wapen zeer

90.

i.

1820.

i.

i.

1821.

i.

4862 i.

Duit. Kz. - 33 .

wanstaltig.

Halve stuiver.

Duit.

93.

Halve stuiver.

90.

Duit.

93.
-

27

418
4863

NEDERLANDSCH-INDI

Duit. Kz. - 33.


Duit.

93.

Vz. De staart van den leeuw zeer klein.

Halve duit.

94.

Halve stuiver. Misslag.

90.

Duit.

93.

Halve duit.

94.

Halve stuiver.

90.

Halve stuiver.

Dubbele cent. Kz. D (DEMMENIE, Direkteur van 's Lands

Constructiewinkel te Soerabaja).

91.

Dubbele cent. Kz. V (DE VoGEL, Direkteur van het


munthuis te Soerabaja).

Cent. K2. D

92.

Cent. K2. W

Dubbele cent.

91.

Dubbele cent.

Dubbele cent.

Deze drie exemplaren hebben alle op de Kz. de letter


V , doch verschillen onderling door eene andere plaat
sing der blokken in het wapen.
Cent. K2. W

Cent. Kz. V; het jaartal dichter bijeen.

92.
-

Dubbele cent. K2. W

91.

Cent.

92.

Cent.

Beide exemplaren vertoonen op de Kz. de letter V, doch


verschillen in de verdeeling der blokken in 't wapen.
Dubbele cent. Kz. V

Dubbele cent. Kz. V; afslag in zilver.


Cent.
Cent.
Cent. Alle drie met Kz. W
Dubbele cent. Kz. V

Dubbele cent. Kz. J (JEEKEL).


Cent. K2. W
4891

91.
-

92.
-

91.
-

92.

Cent. Kz. V . De cijfers van 't jaartal fraai en grooter. De


type van dit stuk komt geheel overeen met den in 1836
te Utrecht geslagen kwart stuiver voor Ned.-Indi. 92.

419

NEDERLANDSCH-INDI

4892

i. , 1837.

Cent. Kz. V; afslag in zilver.

i.

Cent.

i.

Cent. Beide met K2. J

i.

Cent. Kz. C

i.

1838.

i.

Dubbele cent.

n.

Cent.

92.

i.

Cent.

i.

Cent.

i.

Cent. Afslag in zilver.

i.

1839.

i.

Dubbele cent. Kz. W. (WILLEMANs).

i.

Cent. Deze en de twee volgenden Kz. J

i.

Cent.

Cent.

i.

Cent. Deze en de volgenden hebben alle op de Kz.

i.

Cent.

i.

1840.

Il.

92.
-

Dubbele cent. Deze en de volgende zes munten hebben


alle Kz. J , doch verschillen in de plaatsing der
blokken in 't wapen.
-

Dubbele cent.

91.
-

92.

de letter W

Dubbele cent.

91.

i.

Cent.

92.

i.

Cent.

i.

Cent.

i.

Cent.

i. (1840-43). Dubbele duit met jaartal 1790

4920

91.

en W

blz. 128.

i.

Duit, met idem.

i.
i.
i.

i.

Duit,
Duit,
Duit,
Duit,

op de Kz. alleen de vijfpuntige ster dragen, staat


op dit exemplaar de ster tusschen twee punten. Duit met 1790. Misslag.

i.

met
met
met
met

idem.
idem.
idem.
idem; doch terwijl de vier bovenstaanden

De heer Mr. L. W. A. BESIER deelt ons in

zijne

reeds meer

aangehaalde Beschrijving van het Muntkabinet van 's Rijks


Munt te Utrecht mede, dat deze stukken van 1840 tot 1843

te Soerabaja geslagen zijn, ingevolge de koninklijke besluiten


27*

"

420

NEDERLANDSCH-INDI

van 27 jan. en 18 sept. 1838. De stempels waren uit Neder


4921

i.

1841.

land toegezonden.
Dubbele cent. Kz. W

91.

b Munten geslagen te Utrecht


In de jaren 1815 en 16 werden uit Nederland duiten en halve duiten
met de oude beeldenaars naar Indi verzonden. Ze zijn geteekend met

de voorletters H (DE HEus) of S (SUERMONDT, muntmeester te Utrecht).


Wij zagen reeds hierboven dat de aanmunting dezer stukken den
21 apr. 1818 in het munthuis te Soerabaja werd voortgezet, waarna
de zendingen uit 't moederland ophielden.
In 1817 sloeg de utrechtsche muntmeester duiten met het oude
merk der Vereenigde Oostindische Compagnie en 't jaartal 1790; hij
plaatste daarop het gebakerde kindje als muntmeestersteeken. Deze
beeldenaar van de Kompani (SV) schijnt bij de inlanders zeer gewild
te zijn geweest en wij zagen dan ook reeds dat hij in de jaren 1840
43 te Soerabaja opnieuw verscheen (n". 4914-20).
De wet van 16 jan. 1821 bracht den gulden met het omschrift
Nederlandsch Indi voort; het K. B. van 26 mei 1821 schiep den
halven, dat van 3 mei 1822 den kwart en achtsten stuiver. Eindelijk
voegde de wet van 18 febr. 1826 den halven en kwart gulden hier
aan toe.
Willem I 1816-40

i.

1815.

Duit. Kz. 7%

i.

Duit. De letter W grooter.

i.

Halve duit. Kz. 7%

87.

i.

1816.

Duit. Kz. 7%

84.

n.
i.

Duit. Kz. S
Halve duit. Kz. W

87.

i.

Halve duit. Kz. S

i. (1817). Duit met jaartal 1790 en gebakerd kindje.


blz.
i.

Duit met idem. Het muntmeestersteeken lager ge


plaatst.
4932

84.

i.

1821.

x.

128.

Gulden.

74.

Halve stuiver.

80.

421

NEDERLANDSCH-INDI

4933

i.

1822.

Halve stuiver.

80.

i.

Kwart stuiver.

82.

i.

Achtste stuiver.

85.

i.

1823.

Halve stuiver.

80.

i.

Kwart stuiver.

82.

i.

Achtste stuiver.

85.

Kwart stuiver.

82.

Achtste stuiver.

85.

i.

1824.

i.

i.

1825.

Halve stuiver.

80.

i.

Kwart stuiver.

82.

i.

Achtste stuiver.

85.

i.

1826.

Halve gulden.

75.

i.

Kwart gulden.

76.

i.
n.

Halve stuiver. Middenlijn 2.8 streep.


Halve stuiver. Middenlijn 2.4 streep.

80.

i.

Kwart stuiver.

82.

i.

Kwart stuiver. Vz. en Kz. Versierd met een parel


rand.
Zie Catalogus Besier blz. 74.6

i.

Middenlijn 2.1 streep.


Kwart stuiver. Als voren, doch kleiner beeldenaar;

i.

Achtste stuiver.

i.
i.
i.

1827.
1834.

Kwart gulden.
Halve gulden.
Kwart gulden.

77.

i.

1836.

Kwart stuiver.

82.

middenlijn 2 streep.

N. & v. D. CH.

75.
77.

i.

Kwart stuiver. Vz. Grooter letters.

i.

Zwaantjesduit. Proefmunt.

i.

1839.

Gulden.

i.

1840.

Gulden.

4960 i.

85.

N0. 257.
-

74.
-

Kwart gulden.

76.

Willem III 1849-90

De wet van 1 mei 1854 wees de nederlandsche zilveren

standpenningen en de gouden negotiepenningen als


zoodanig ook voor Nederlandsch-Indi aan; voor de
zilveren en koperen pasmunten stelde zij een afzon

422

NEDERLANDSCH-INDI

derlijken beeldenaar vast. 28 Maart 1877 werd ook

4961

i.
1

i.
i.
1
1

ons gouden tientje als standpenning in omloop gebracht.


Deze standpenningen zijn onder Nederland behandeld,
(blz. 207); hier volgen dus alleen de pasmunten.
1854. Kwart gulden.
77.
Tiende gulden.
78.

Twintigste gulden.
79.
1855. Kwart gulden.
77.
Tiende gulden.
78.

Twintigste gulden.
79.
-

1.

83.

Halve cent.

86.

Tiende gulden.

78.

i.

1856.

i.

Twee-en-een-halve cent.

81.

i.

Cent.

83.

i.

1857.

i.

Kwart gulden.
Tiende gulden.

78.

i.

Twee-en-een-halve cent.

81.
83.

i.

Cent.

f.

Cent. Alleen de V2.

i.

Halve cent.

i.

1858. Tiende gulden.

i.

i.

1859.

i.
4985

Cent.

1860.

i.

77.

86.
78.

Twee-en-een-halve cent.

81.

Cent.

83.

Halve cent.

86.

Cent.

83.

Halve cent.

86.

Cent.

83.

Halve cent.

86.

III VALSCHE MUNTEN


a

NA BOOTSING EN DER IN LANDER S

Tusschen de vele in Nederlandsch-Indi in omloop zijnde koperen


munten, treffen wij sedert de tweede helft der vorige eeuw herhaald
valsche stukken aan,

423

NEDERLANDSCH-INDI

De nagemaakte Compagnies-duiten zijn waarschijnlijk in Menang


kabou (Sumatra) vervaardigd en waren in 't einde der vorige eeuw in
Djambi gangbaar (N. & v. D. CH. blz. 173).
De duiten met hersenschimmig wapen schrijft MILLIEs aan Bandjer
masin toe (blz. 168) en daar de andere vervalschingen eveneens
van Zuid-Borneo in Java ingevoerd zijn, worden die algemeen aan
Borneo toegeschreven. De zaak is echter nog duister.
Beginnen wij met de nabootsingen van
Menangkabou
4986

i.

Duit naar die van Holland. Jaartal 18 en twee omgekeerde


7 (Vergelijk n. 4395 e. v.).
N. & v. D. CH. blz.
Halve duit naar die van Holland.

173.
-

Duit naar die van Zeeland. (Verg. no. 4468 e. v.).


Duit naar die van Zeeland. Wapen zeer barbaarsch.
Duit naar die van West-Friesland. Zeer goed nagebootst,
doch jaartal onleesbaar. (Verg. n0. 4530 e. v.).
Duit naar die van West-Friesland. Jaartal IOOP

Duit naar die van West-Friesland. Zeer ruwe nabootsing.


Duit naar die van West-Friesland. Op de Kz. een zeer groote
zespuntige ster boven V
Duit naar die van Utrecht. (Verg. n. 4599 e. v.).
-

De volgenden zijn met duidelijke jaartallen:


1757.

Duit naar die van Holland.

1777.

Duit naar die van Holland.

1787.

Duit naar die van West-Friesland. Geslagen op eene


halve paisa van Bombay; zie n. 3891.

Duit naar die van West-Friesland.

1792.

Duit naar die van West-Friesland.

1870

(sic).

Duit naar die van Utrecht.

Bandjermasin
5001

i.

Duit. Vz. Een schuingevierendeeld gekroond schild; in 1


en 4 ruitjes, in 2 en 3 L. - Us Kz. V met 1789
-

MILLIEs blz. 168,

424
5002

NEDERLANDSCH-INDI

i.

Duit. Schild idem, doch 1 en 4 een roosje en 2 en 3


geruit. Kz.

Sf

168.

Duit. Vz. Gevierendeeld en gekroond wapenschild; 1 en 4


geruit, 2 en 3 een roosje. Kz. Sf

Duit. Schild idem. In de 4 kwartieren een St. Andries

kruisje en 4 bollen. Kz. Een grieksch kruis.


Duit. Vz. Schild idem. Kwartier 1 en 4 geruit, in 2 en 3
een St. Andrieskruisje met 4 bollen. Kz. Een weegschaal
met de arabische cijfers 26.
De dubbele, heele en halve paisa 1804 en de 1/8, 1/4 en
1/12 anna 1830-34 van Bombay hebben op de Kz. een
weegschaal met J_Xe (rechtvaardigheid). Deze munten
dienden waarschijnlijk tot voorbeeld.

Pontianak

ABD ER-RAHMAN EL-KADRI, een arabisch zeeschuimer, stichtte in 1771

op Borneo's westkust 't rijk Pontianak. Hij erkende in 1779 de soe


vereiniteit der O. I. Compagnie en overleed in 1808. Zijn zoon ABD
EL-KAsIM volgde hem op. Van dezen laatste beschrijft MILLIEs eenige
koperen munten, wier beeldenaar eene slaafsche navolging is van
bovengenoemde Bombay'sche paisas.
i.

Duit. Vz. Een gekroond en schuingevierendeeld hartvormig


schild, waarin V - E - I - C (verg, het merk op blz. 413
3e regel v. o.); daaronder .Or'I , in plaats van een jaar
tal. Kz. Eene weegschaal met V - V en J_xe
Verg. FoNRoBERT 863.
Duit. Ruwe nabootsing van de haantjesduiten (n. 5012 e. v.).
Zuid-Borneo

501 0

i.

1811.
1813.
1814.

Halve stuiver. Nabootsing van n. 4806 (zie blz. 414).


Halve stuiver. Verg. n. 4814.
Halve stuiver. Verg. n. 4819.
-

425

NEDERLANDSCH-INDI

ING EVO ER DE VAL SC HE

MUNTEN

Toen Engeland in 't bezit was van Benkoelen (tot 1824) en ook

later nog, zonden engelsche speculanten groote hoeveelheden koperen


munt (duiten of kepengs) naar Sumatra. Volgens hen op bestelling
van inlandsche vorsten; het feit echter, dat vele der op die munten

genoemde landschappen toen reeds onder nederlandsch beheer stonden,


bewijst dat zij ook voor eigen rekening de muntstukken verspreidden.
5011

i.
i.

1247 (1831). Dubbele kepeng voor Atjeh. N. & v. D. CH. 1 12.


Haantjesduit 1) of kepeng voor Tanah Malajoe
-

(Sumatra en het schiereiland Malakka).


Kz. Een haan.
MILLIEs 2) II.23
i.

i.

'

Kepeng voor Tanah Malajoe. Kz. Een haan;

de cijfers van 't jrt. grooter.


1250 (1834). Kepeng voor Tanah Malajoe, met boegineesch

N. & v. D. CH. 254.

om schrift.
i.

Kepeng met Tatah Malajoe en boegineesch


omschrift.

253.

Volgens den heer BESIER (Catalogus van 's Rijks munt


te Utrecht) is het ingedrukte C. R. READ. de naam
van den toenmaligen nederlandschen consul te Sin
gapoera.

ij.

Duit met boegineesche omschriften, voor


Celebes.

i.
p.
}).
i.

1251 (1835). Kepeng


Kepeng
Kepeng
Kepeng
-

voor
voor
voor
voor

255.

Siak.
1 17.
Siak. Verzilverd.
Tanah Malajoe. MILLIEs blz. 105.
Poeloe Pertja (Sumatra).

N. & v. D. CH. 1 15.


5021

i.

Kepeng voor Menangkabou.

1 14.

") Het gebruik van den haantjesduit was destijds op Sumatra en Malakka zoo
danig verspreid, dat tegenwoordig nog de inlanders op Dehli (Sumatra) een dollarcent
sapoeloe, d..i. tien noemen 1 dollarcent = 10 haantjesduiten. Om diezelfde reden
noemen ze een dime = sanatoes (100) en een dollar = sariboe (1000).

*) De munten der Engelschen voor den Oost-Indischen archipel, beschreven door


H. C. MILLIEs. Amsterdam 1852. In 8".

426

NEDERLANDSCH-INDI

IV INDISCHE PLANTAGE-MUNTEN
EILAND JAVA
Soember-Doeren (Pasoeroehan)

5022 vv.
vv.

Vijftig cents. Koper.


Vijfentwintig cents. Koper.
Soember-Redjo (Pasoeroehan)

vv.
vv.

Vijftig cents. Koper.


Vijfentwintig cents. Koper.
Soember-Tangkep

(Pasoeroehan)

vv. Vijftig cents. Koper.


vv. Vijfentwintig cents. Koper.
vv. Tien cents. Koper.
Soember-Tempoer (Pasoeroehan)

vv.

Vijftig cents. Koper.

EILAND SU MATRA

5030 ll.

Dollar van de onderneming Wampoe, in Langkat.

Geelkoper.

G R O EP

A F R IKA
Reeds de koningen van 't oude Egypte ondernamen tochten naar
de negerlanden van Binnen-Afrika (Soedan) na hen deden dit de
Romeinen, in de middeneeuwen de Arabieren.

In de 15e eeuw traden de Portugeezen als ontdekkers op. Ze namen


bezit van de west-afrikaansche eilanden, en ontdekten 1486 kaap de

Goede Hoop, die 12 jaar later door den Portugees VAsco DA GAMA
omzeild werd.

Nederlanders, Engelschen en Denen volgden de Portugeezen op den


voet, stichtten faktorijen en bezetten geheele kuststreken eerst in
deze eeuw gingen de Europeanen er toe over ook de binnenlanden
van 't Zwarte Werelddeel in bezit te nemen.

Wij zullen de afrikaansche munten behandelen, beginnend in Egypte,


de noordkust in westelijke richting volgen, van Marokko naar 't Kaap
land afdalen om langs de oostkust weer in Egypte te eindigen.
Van de binnenlanders is ons tot dusver geene numismatiek bekend
wel weten wij dat in eenige streken als ruilmiddelen dienst doen:
plakken zout (Abessini en Soedan), horentjes of kauries (Soedan),
strooken katoen of pagne's, glazen paarlen, stofgoud (Goudkust) en
in het noord-oosten de maria-theresia daalders 1), doch van muntslag
der inboorlingen is nog niets tot ons gekomen.
1) Deze daalders met 't jaartal 1780 worden tot op den huidigen dag in Oostenrijk
nog jaarlijks aangemunt. In 1895 heeft negus MENILEK van Abessini te Parijs
talari's met onderdeelen, op den voet der maria-theresia daalders, laten aanmaken.
Vz. Gekroond hoofd van Menilek II. Kz. Kruisdragende leeuw, 's-lands wapen.

428

EGYPTE

Egypte
Aigyptos was de grieksche benaming van het rijk Kemt aan den
Nijl, dat door pharaos bestuurd werd. De eerste ons bekende, MENA,
leefde + 43 eeuwen v. Chr. en dank zij CHAMPoLLION's ontcijfering
der hierogliefen zijn bijna alle namen van MENA's opvolgers bekend.
Het land schijnt in de 17e-13e eeuwen v. Chr. zijn grootste bloei
te hebben gehad, werd 525 v. Chr. een deel van 't Persische, in 332
v. Chr. van 't Macedonische rijk en verkreeg in 323 v. Chr. zijne
onafhankelijkheid terug; in genoemd jaar toch werd de macedonische
stadhouder ProLEMAIos I onafhankelijk bestuurder en nam in 305 v.
Chr. den koningstitel aan. Na den dood van KLEOPATRA, de laatste
der Ptolemers (30 v. Chr.) werd Aegyptus eene romeinsche provincie
en als zoodanig door de verdeeling van 395 bij het Byzantijnsch Rijk
gevoegd (zie blz. 21).
Ten gevolge van godsdiensttwisten riepen de oude inwoners, de
Kopten, de hulp in der mohammedaansche kaliefen, die in 640 Egypte,
onder den naam van Misr tot provincie van 't kalifaat maakten en
hier een stadhouder aanstelden. De onafhankelijkheidszin dezer stad
houders gaf het rijk herhaalde malen zijne zelfstandigheid terug.
Zoo heerschten hier de onafhankelijke familin der Thoeloeniden

(868-905), Fatimiden (969-1171), Ejoebiden (11731250), Mam


loeken: Bahariden en Bordsjiten (1250-1517).
In 1517 veroverde de turksche sultan SELIM I Egypte en maakte
het tot turksche provincie, door een stadhouder bestuurd de titel
van onderkoning (khedive) werd in 1867 aan deze stadhouders verleend

en sedert 1873 is Egypte nagenoeg geheel van Turkije onafhankelijk.


Wanbeheer en binnenlandsche twisten waren voor Engeland een voor
wendsel om het land in 1882 te bezetten.

Munten van 't oude rijk der pharaos zijn ons niet bekend 1). Mis
schien zijn in de laatste eeuwen van dit rijk attische tetradrachmons
hier nagebootst en zelfs zeer waarschijnlijk hebben persische satrapen
') Verg. Zur alten Numismatik Aegyptens, von C. W. HUBER. Wien 1867. In 8".

EGYPTE

429

hun muntrecht hier uitgeoefend, doch de eerste zelfstandige aanmunting


dagteekent van 323 v. Chr. toen de Ptolemers of Lagiden aan de
regeering kwamen. Sedert dien tijd volgt de numismatiek de geschie
denis van den troon. Wat de nieuwere tijden betreft: zie blz. 313
onder Turkije.
Ook hier vormt de gersj of piaster (meerv. goeroesj 1.202 wichtjes
zilver van 0.830) 40 para 3 aktjee de eenheid. Voor groote be
talingen doet de zak met 500 piasters, kis genaamd, dienst.
Fatimiden
Aboe 'l-Hasan Ali ed-Djahir el-azazdini-llah 411-27
5031

i.

423.

Kwart dinar.

MARsDEN 215.

Osmannen (Turken)
Moerad III 982-1003

i.

Asjrafi. Ook altoen genaamd.


In Turkije was deze munt in navolging van de venetiaan
sche zecchini (gouden dukaten) geslagen.
Cat. B. M. 1) 252.

i.

Para.

490.

i.

Para.

492.

Ahmed III 1115-43

Mahmoed l 1143-68

i.

Para. Op de Kz. bovenaan 1

i.

2.

i.

10.

Para.

i.

11.

Para.

Verg. 554.

Mahmoed II 1223-55

Para.

De 2 duidt het 2e regeeringsjaar aan, dus 1224.

5039

i. -

Para. Jaartal onduidelijk.

') The coins of the Turks in the British Museum, by STANLEY LANE-PooLE.
London 1883. In 8".

430
5040

EGYPTE

i.

15.

Para.

i.

17.

Para.

i.

18.

Besj-paralik = 5 paras in zilver.

986n.

Piaster, gersj of 40 paras.


Gersj.

990.

i. 29.
i. 32.

Abd el-Medjid 1255-77

i.
i.

2.
4.

Besj-paralik. Koperstuk van 5 paras.


Besj-paralik.

1123.

bb.

5.

Besj-paralik.

1125.

8.
14.
15.

Besj-paralik.
Besj-paralik.
On-paralik = 10 paras.

f.
f.
l.

1124.

Verg. 1229a.
1127.

Abd el-Aziz 1277 93

rr.
p.
-

9. On-paralik.
1179.
10. On-paralik.
16. Gersj. Bevat 1 l/s w. f. z., en is dus gelijk aan 1/go
vijffrankenstuk = 1/4 frank.
-

Abd el-Hamid Il sedert 1293

5.

5059

Gersj.

10.

Onlik = 10 piasters.

Gersj = piaster.
Besj-paralik.
Dubbele para.

Para.

Soedan
Uit Afrika's binnenlanden is niets tot ons gekomen wat op gemunt
metaal gelijkt. Wel troffen de reizigers in 't achterland van Liberia
de manilly aan, een ruw stuk geel koper van + 1 1/3 kilo in de
Nigerdelta de hoefijzervormige igbie, een halve ring met afgeplatte
einden, die te Bonny en te Okoeloma van koper, brons of ijzer vervaardigd

SOEDAN

431

wordt en betalen de in Sierra Leone uit 't binnenland komende

kooplieden met ijzeren staven of gouden oor- en vingerringen - doch


geen dezer stukken draagt sporen van stempelindrukken of waarde
aanduiding.
Als ruilmiddelen treffen wij verder aan: tot pakjes gevouwen ka
toenen doeken van allerlei kleur en afmeting in Senegambi guine,
bij de Bambara in Segoe en in Massina witte pagnes, in Haussa
melahfa of zwarte sluiers 1), in Abessini gabi, karanna en gerbab,
in Sansibar domestics en merikani genaamd gevlochten matten
(makoetas) in Sierra Leone plakken steenzout, die in de steenzout
lagen van Tigree (Noord-Abessini in brokken van 20 X 6 duim en
4 duim dikte gekapt worden en in Abessini, onder den naam van
amoelee, om 't meer Tsad en in Massina in omloop zijn geel
koperdraad in de nabijheid der groote meeren en in Sansibar ijzeren
staven (manillas) in Gambia, Sierra Leone, Ivoorkust en Nigerdelta
risten glazen paarlen *) in de landen tusschen Angola en Sansibar
en bijna overal de kauries.

In Noord-Moepe (260 O. Gr. 20 N.), dat HENRY M. STANLEY 22 juli


1887 bezocht, hadden de inwoners eene voorliefde voor geweven stoffen,
kenden ook de kauries, maar ruilden toch met genoegen hun suikerriet,
mas en tabak voor ledige sardinesdoosjes, melkbussen, groenteblikken

en patronenkistjes.
5060-1

i en e..

Kaurie. Twee variteiten.

In de oudheid waren de kauries in geheel Oost- en Zuid-Azi als


ruilmiddel gangbaar en zelfs vonden de kolonisten van Nieuw-Engeland
dit hoorntje onder den naam van wampoem bij de noordamerikaan
sche inboorlingen als zoodanig in gebruik. Tegenwoordig is zijn omloop
tot Siam (zie blz. 360) en de afrikaansche binnenlanden beperkt.
In bijna geheel Soedan doen zij als pasmunt dienst en wordt het
omloopsgebied der kauries ongeveer begrensd door eene lijn, die van
1) De vrouwen van Haussa gebruiken deze zwarte pagnes als sluiers voor 't gelaat
(Koran Hoofdst. 33, vers 59).

') Voor bovengemelde reis nam, STANLEY o.a. 3600 pond glazen paarlen en een
ton ijzer-, koper- en messingdraad mede.

432

SOEDAN

Sierra Leone, door 't land der Mandinkas, Segoe, Timboektoe, langs
den zuidzoom van de Sahara, 't Tsadmeer, Oerigimeer, Tanganjikameer
tot Zuid-Benguella loopt.
't Is de schelp van een porcelijnslak, de cypraea moneta van LIN
NAEUs 1), die bij de Malediven en Lakediven (ten W. van Ceylon) en
Soeloe Eilanden (N.O. van Borneo) benevens op sommige deelen van
de oostafrikaansche kust gevischt wordt en in onze nederlandsche wer
ken onder de namen van: guinesche munt, gemeene geele kauries,
schildpadhoorens, slangenhoofdjes, luistjes, paddehoorens of borststukjes *)
-

bekend is.

De stapelplaats van den kauriehandel is Sansibar. Hier worden zij


door de aziatische kooplieden per dschesla (1582/3 kilo) verkocht en
overland langs de groote meren of via de Ivoorkust naar Afrika's

binnenlanden vervoerd. Daar waar zilveren munten (oude spaansche


pesos of maria theresia-daalders) in omloop zijn rekent men 100-125
kauries per wichtje fijn zilver *).
Reizigers berichten dat in 1864 in Dahomee alle belastingen en
tollen met deze hoorntjes voldaan werden en eene oude vrouw uit
Indesoeri vertelde (2 dec. 1887) STANLEY van stammen die de west
kust der Victoria Njansa bewonen en rijk zijn aan vee, geelkoperdraad
en kauries.

In Liberia komen lappen katoen van 1 TJ palm grootte voor, geheel


met kauries benaaid, die onder den naam van buyapart voor 25

dollarcenten ontvangen worden.


De groote verscheidenheid der
den kauries tal van benamingen
Leone zembie genoemd, aan de
zembie poerie of boesie, in 't

binnenafrikaansche talen heeft ook


bezorgd. Zoo worden ze in Sierra
Goudkust bos, aan de Slavenkust
Nigerdelta petoo, in de taal der

Foelben fiehdee, in die der Bambara koeloe, enz.

1) Groep Prosobranchia, familie Cypraeidae.


*) Mededeeling van den heer C. KERBERT, Direkteur van ,,Natura Artis Magistra
te Amsterdam.

*) In Zuid-Azi waren ze goedkooper. Een bericht uit de vorige eeuw naar Patria
meldt o.a. : Cauris, zeker soort van kinkhoorns, zijnde in Bengalen gangbaar 4800 cauris doen een sicca Ropij.

433

TRIPOLIS

Tripolis (Tarablusi gharb)


Na de verovering van Egypte, bezetten de Arabieren in 642 Cyre
naica (Tripolis ten O. van de golf van Sidra) en 't volgend jaar Tri
politana ('t eigenlijke Tripolis). Nadat zij in 646-7 onder ABD'ALLAH
IBN-SAID ook Tunis onder hunne heerschappij hadden gebracht, werden
deze landen als mohammedaansch Ifrikia, hoofdstad Kairoean (ten Z.

van Tunis) vereenigd. Deze vereeniging duurde tot 1509, toen de


Spanjaarden zich in Tripolis vestigden. 1551 veroverden de Turken 't
land en plaatsten een stadhouder (pasja) aan 't hoofd. Een dezer pasja's
AHMED KARAMANLI wist in 1715 zijn land bijna onafhankelijk van de
Porte te maken doch sedert 1833 is Tripolis weder als wilajet bij
't Turksch Rijk gevoegd, met een wali tot bestuurder.
Munteenheid sedert 1845 is de turksche piaster (0.99828 w. f. z.)
40 para, doch gewoonlijk rekent men bij mahbubs = 20 piasters.
Drie dezer piasters worden gelijk gesteld met een tuneeschen rial.
Ahmed I sultan van Turkije 1012-26

5062

i.

Besj-paralik = 5 para.

Cat. Brit. Mus. 297.

Mohammed IV 1058-99
i.

Para.

384.
Ahmed Ill 1115 43

i.

Besj-paralik.

496.
Mahmoed II 1.223-55

i. 25.

Para (zie noot 2) blz. 314).

i.

Para.

26.

1017.

1020.

5067 i. 28. Para. Vz. Toegra, daarboven ta en de exe


Kz.

es' '-,

U-l: "Je
er

iyyy"

28

434

TUNIS

Tunis (Toenis)
Het gebied van 't oude Karthago werd 646-7 door de Arabieren
en 1574 door de Turken veroverd. Door een Bei bestuurd, bleef 't

land tot 1871 schatplichtig aan de Porte.


12 Mei 1882 kwam Tunis door 't verdrag van Bardo onder fransch
protektoraat.

De tuneesche piaster (3.13 wichtjes zilver van 0.900, ook rial sebili
genaamd, wordt verdeeld in 16 karoeben 31/, asper 2 boerbes of
foeloes (enkv. fels) 6 boerbinen. Ook is de turksche indeeling: 1
piaster = 40 para, in gebruik. De turksche piaster, die langzamerhand
tot 1.202 wichtjes verminderd is, had in 1829 ook nog bovenstaand
gewicht. De vreemdelingen rekenen meestal bij franken, waarbij 1 rial
= fr. 0.625.

5068 i. Fels. Kz. &# # L in Ifrikiah.


Volgens DE SLANE 1) werd onder Ifrikiah gemeenlijk verstaan het
tegenwoordige Tunis. Onder de Hafsiden (626-721 A. H.) bestond

Ifrikiah uit Tunis, Tripolis en de oostelijke helft van Algiers.


Turksch bestuur

Moerad IW sultan van Turkije 1032-49

i.

Kwart asper = 3 boer binen.

Cat. Brit. Mus. 344.

Mohammed IV 1058-99

i.
i.

1090.
?

Kwart asper.
Kwart asper. Jaartal onleesbaar.

391.

Verg.

Mahmoed | 1143-68

5072 i.

1152. Dubbele para.

561.

") Histoire des Berbres et des dynasties musulmanes de l'Afrique septentrionale


par IBN-KHALDoUN traduite de l'arabe par M. le baron DE SLANE. Alger. 1852
56. S.

435

TUNIS

Moestafa III 1171-87

5073

i.

1177.

Dubbele para.

671.

Mahmoed II 1223-55

1244.

Dubbele gersj = 2 goeroesj.

f. - 1246.

Gersj.

i.

Gersj of piaster.

1250.

FoNRoBERT 5367.
5372.
Cat. Brit. Mus. 1023.

Abd el-Medjid 1255-77


l.

1270.

Piaster 16 karoeben. Vz. 11

l.

1272.

Dubbele piaster. Kz. De naam van Mohammed V,

FoNROBERT 5415.

Bei van Tunis (1272-75).

5422.

Abd el-Aziz 1277-93

5079 rr.

1281.

Tien piasters in goud, boe asjra. Kz. Naam van


Mohammed VI Es-Sadok (1275-99). C. Br. M. 1183.

Algiers (Djezair)
't Oostelijke gedeelte van Algiers (prov. Constantine) was 't oude
koninkrijk Numidi, dat in 46 v. Chr. als romeinsche provincie werd
ingelijfd. Het werd in 680 door de Arabieren veroverd, en ontwikkelde
zich tot een roofstaat, die de Middenlandsche Zee onveilig maakte.
15 Juni 1830 landde hier een fransch leger, dat dra de voornaamste
plaatsen veroverde en Algiers tot fransche kolonie herschiep. Verschil
lende Bedoenenstammen echter zijn tot heden nog niet onderworpen.
De meest dichterlijke persoon uit dezen veroveringsoorlog is ABD
EL-KADER, emir van Maskara, die van 1832 tot 47 tegen Frankrijk
streed 24 dec. '47 werd gevangen genomen en in 1883 te Damas
kus als balling overleed 1).
') Zijn kleinzoon KHARED ontvangt thans zijne opleiding aan de fransche militaire
school van Saint-Cyr.
28*

436

ALGIERS

Naast de turksche verdeeling van 1 piaster = 40 para komt de


inlandsche verdeeling van zilveren zoedi boedsjoe 2 rials boedsjoe
4 rebja boedsjoe 2 tomin boedsjoe 3 moezoenet 2 karoeben.
Mahmoed I sultan van Turkije 1143-68
5080

i.

1143.

Halve foendoek altoenie.

Cat. Brit. Mus. 569.

Moestafa III 1171-87

i.

1186.

Rial boedsjoe.

674.

i.

1 187.

Rial boedsjoe.

Verg. 675.

Mahmoed Il 1223-55
i.

p.

1240.

Para ?

1038.

1857 ? Vz. Als bovenstaande para.


Kz. Arabisch opschrift met | /\ 8 \/(?), barbaarsche cijfers.
Abd el-Kader 1248-64

5085

i.

1254.

Para van Takademt.

FoNROBERT 5624.

Sultanaat Marokko (Maghreb el-Aksa)


Eene vereeniging van de vroegere rijken Fez, Marokko en Tafilet.
Het noorden en oosten wordt door stammen bewoond die den sultan

of sjerif van Marokko hoogstens slechts als geestelijk opperhoofd


erkennen.

Dit land, naar de aldaar wonende Mauri of Maurusii, Mauretani

genoemd, werd 42 na Chr. eene romeinsche provincie en 690 door de


Arabieren veroverd.

In 790 maakte zich de familie der Idrissiden onafhankelijk sedert


heerschen hier verschillende families tot 1652 de Aliden of Hoseini

op den troon stegen en er nog regeeren.


Gouden munten waren de matboe of dukaat (= 15 oekiat) en de
mitskal deheb of kleine dukaat. In zilver vinden wij den heelen, halven

437

SULTANAAT MAROKKO

(nisf), en kwart (roeba) mitskal; den derahim (dirhem) of oekiat =


'/10 mitskal, en de moezoena of 1/4 oekiat, door de Europeanen blan
kili genaamd. Al deze stukken zijn in 1788, op last van sjerif
MoHAMMED V BEN ABD ALLAH, proefsgewijs ook in Madrid geslagen en
dragen tot opschrift De ex- - e . In koper: den fels (= 1/24 moe
zoena) 2-5 zelagi'). In 1882 zijn ook mitskals in Parijs geslagen

met opschrift # : - 2
Almohaden

Aboe Mohammed Abd el-Moemin 524-58

5086

i.

Dirhem. Vierkant.

DoMBAY bl. 35.

Dirhem.

Dirhem. Deze verschilt met de beide vorige door den vorm


der letters.

Aboe Joesoef Jakoeb el-Mansoer 580-95

C. Br. M. vol.W. 131.

Kwart dirhem.

Abd el-Wahid Il er-Rasjid 630-40

Verg. DoMBAY bl. 36.

Kwart dirhem.

Hoseini

Mohammed V ben Abd Allah 1171-1205

1173. Oekiat van Merakesj (Marokko).


1176. Oekiat van Merakesj.
Oekiat van Meknas.

5646.

1179.

Oekiat van Meknas.

5648.

5098

i.

FoNRoBERT 5643.

1177.

Oekiat van Meknas. Letters kleiner.

1181.

Oekiat van Meknas.

1182.

Oekiat van Meknas.

1183. Oekiat van Merakesj.

5654.
5657.
5659.

1) Beschreibung der gangbaren Marokkanischen Gold-, Silber- und Kupfer


Miinzen von FR. vON DOMBAY. Wien 1803. In 8".

438
5099

SULTANAAT MAROKKO

i.

1184.

Oekiat van Fas (Fez).

5661.

i.

1 187.

Oekiat, zonder naam van muntplaats.

5670.

i.

Oekiat als voren, doch 't muntveld kleiner.

i.

Oekiat van Merakesj.

i.

1188.

i.

i.

Oekiat als voren. Cijfers anders gevormd.

i.

Oekiat van Hadreti Fas (hoofdstad Fez).

5676.

i.

1189.

Mitskal van Rabath-ul-Fath.

5677.

5675.

Oekiat, zonder aanduiding van muntplaats.


Oekiat als voren. Letter grooter.

Soeliman 1207-38
1

Fels.

Verg. 5718.
Abd er-Rahman 1238-76

p.

1261.

Fels.

i.

1267.

Moezoena van Tethwan (Tetuan).

i.

i.

1271.

i.

5777.

Moezoena van Merakesj.


Zelag van tin.
Fels.

Verg. 5770.
Mohammed VI 1276-90

1277.

Dubbele fels van Fas.

5855.

Geschenk van den heer J. F. VERSTER, Amsterdam 1897.


i.

1278.

Dubbele fels van Tethwan.

Dubbele fels van Tethwan. K2. Verschillend.

5863.
-

Tegenwoordig wordt 't fransche 5-frankenstuk algemeen


voor 321/2 oekiat aangenomen.
Twijfelachtige stukken

i.

Dubbele fels van Es-Soera (?)

i.

Dubbele fels van Tethwan.

5119 xx.

Fels.

Portugeesche Eilanden in Afrika


Terwijl thans in Portugals afrikaansche kolonin de munten van 't
moederland zijn ingevoerd werden vroeger voor deze landen afzon

439

PORTUGEESCHE EILANDEN IN AFRIKA

derlijke munten geslagen. Eene soort, die met opschrift: PECUNIA


INSULANA was gangbaar op de eilanden, de andere met G. , GUIN. ,
of GUINEAE was bestemd voor 't vaste land van Neder-Guinea

over deze laatsten straks meer (blz. 441).


De eilanden zijn: de door de Portugeezen tot Europa gerekende
Azoren, die direkt door 't moederland bestuurd worden. In 1431 door

den Portugees GoNZALo WELHo CABRAL ontdekt, bleven zij tot heden
in 't bezit der portugeesche kroon.
De andere eilanden zijn: het in 1420 in bezit genomen Madeira,
de in 1456 ontdekte en 5 jaar later gekoloniseerde Kaapverdische
eilanden en eenige andere.
Azoren (Aores of Ilhas Flamengas)
Gerekend wordt bij ris, milris en contos (miljoen ris).
D. Jos I 1750-77

5120 cc.

1750.

Tien ris, quipaca genaamd.

LoPEz FERNANDEZ 262.2

De Maria I alln 1786-99

mm.

1795.

Twintig ris.

ARAGAo 47.38

Madeira
De Maria II 1828-53

5122 mm.

1852.

Tien ris.

FoNROBERT 6020.

Sierra Leone
In 1787 stichtte de engelsch-afrikaansche compagnie aan de kust
van Opper-Guinea eene kolonie ter opname van bevrijde negerslaven
uit Noord-Amerika. Deze kolonie is in 1808 door de engelsche regee
ring overgenomen,

440

GOUDKUST

De amerikaansche dollar geldt als munteenheid.


5123 i.

1796. Tiende dollar = 10 cents, ook zilveren macuta


genaamd (1.10246 w. f. z.) 1).

ATKINs 240.4

Goudkust (Gold Coast)


Nadat in 1681 kapitein BLONCK met eenige hoofden aan de Goud
kust verdragen had gesloten, stichtte FRIEDRICH WILHELM, de groote
keurvorst van Brandenburg, 17 maart 1682 de Afrikaansche Handels
compagnie, die eene landstreek in 't koninkrijk Axim in Opper-Guinea

verwierf. Hier bouwde zij de forten Grosz-Friedrichsburg en Bran


denburg om den goud- en slavenhandel te beschermen.

Deze forten werden 1717 aan onze Ver. Westindische Compagnie


verkocht, die ze onder de namen van Hollandia en Commenda met

hare bezittingen ter Gout-Custe vereenigde.


In de jaren 1848, '67 en '72 gingen onze bezittingen aan de Goud
kust aan Engeland verloren.
Friedrich Wilhelm 1681-88

5124

i.

1682.

Guinea dukaat.

MEYER 2) blz. 8.4

Uit het van de Goudkust aangevoerde goud zijn


dukaten met jaartallen 1682-96 geslagen.

') Niet te verwisselen met den portugeeschen macuta van Angola, die ruim 1.23
w. f. z. vertegenwoordigt. Het woord ,makoeta werd oorspronkelijk door de inboor
lingen gebezigd om hun ruilmiddel (1.5 ned. el geweven katoen tot een pakje ge
vouwen) aan te duiden.

*) Prgungen Brandenburg-Preussens betreffend dessen Afrikanische Besitzun


gen und Aussenhandel 1681-1810 von ADOLPH MEYER. Berlin 1885. In 8".

441

KONGOSTAAT

Kongostaat (tat Indpendant du Congo)


Het in Brussel opgerichte (25 nov. 1878) Comit d'tudes du Haut
Congo, dat later zijn naam veranderde in Association internationale
du Congo, stelde zich ten doel het equatoriale gedeelte van Afrika
door ontdekkingsreizen bekend te maken.
De grondslag was wetenschappelijk, maar toen de berlijnsche Kongo
conferentie (15 nov. '84-26 febr. '85) door gevolmachtigden van alle
staten van Europa en van de V. St. van Noord-Amerika gehouden,
de meeste door de Association bestudeerde streken met de daar ge

stichte faktorijen als Vrije Kongostaat erkende en er de grenzen van


vaststelde kwam de handel op den voorgrond. In april '85 nam
LoPoLD II, koning van Belgi de soevereiniteit over den nieuwen
staat aan

en benoemde

een

ministerie dat te

Brussel zetelt.

Het

dekreet van 27 juli 1887 besliste dat als munteenheid zal gelden de
franc, divis en cent centimes; een en ander volgens de bepalingen
van de latijnsche muntunie.
Lopold I sedert 1885
5125 w.

1888.

Centime.

Revue belge 1888. PlVIII. 8

Portugeesch Neder-Guinea (Angola)


Deze bezitting bestaat uit de drie goevernementen Angola, Benguela
en Mossamedes - de kust werd in 1486 het eerst bezocht door den

Portugees DIEGo CAo en sedert door Portugal in bezit gehouden. Van


1640-48 waren de Hollanders tijdelijk meester van het land.
Sedert 1769 komt de makoeta (= 50 ris) als munteenheid voor
en ontmoeten wij in 't koper stukken van 1/10 (pano), 1/4 (eqipaga),
1/2 (meia), 1 en 2 (duas) macutas; in 't zilver stukken van 4, 6, 8,
10 en 12 macutas. Voor dien tijd ook gouden cruzados (400 ris) en
zilveren tostos (100 ris). In 't binnenland wordt de macuta gelijk
gesteld met 2000 kauries.

442

PORTUGEESCH NEDER-GUINEA

D. Jos I 1750-77
5126 cc.

1763.

Doze macutas = 600 ris.

LoPEz FERNANDEs 267.1

Da Maria l 1786-99
cc.

1796.

Dez macutas = 500 ris.

284.1

D. Joao VI 1799-1816
m.

1814.

Meia macuta = 25 ris.

cc.

1815.

Duas macutas = 100 ris.

292.2
-. 1

Dit stuk is overgestempeld op een duas-macutas van


D" MARIA I, dat het jaartal 1785 droeg. Van 1777
86 regeerde zij met haren echtgenoot D. PEDRo III.

S.

Helena

In 1502 door de Portugeezen ontdekt en in bezit genomen, van


1600 1650 in hollandsche handen, ging het eiland in laatstgenoemd
jaar aan de engelsche kroon over.

'

Er bestaan een halfcrown, een shilling, een sixpence en een half


penny door de engelsche East-India Company en een token door par
ticulieren voor dit eiland geslagen.
New East India Company 1708-1854

5130 i.

1821.

Halfpenny.

ATKINs 242.4

Zuidafrikaansche Republiek
Nadat de Kaapkolonie in 1814, in verband met den vrede van Parijs,
in 't bezit van Engeland was overgegaan, wekten tal van maatregelen
door de Engelschen genomen, ontevredenheid bij de hollandsche kolo
nisten (boeren).
Deze boeren verhuisden in 1836, kwamen o. a. in Natal en toen

ook dit land, evenals voorts de Oranje-Vrijstaat, hun door Engeland

ZUIDAFRIKAANSCHE REPUBLIEK

443

ontnomen werd, trokken zij in 1848 over de rivier de Waal (zijtak van

den Gariep) en stichtten hier de vrijstaten Potchefstroom, Zoutpans


berg en Lijdenburg.
In 1860 werden deze onder PRETORIUs vereenigd tot de Zuidafri

kaansche Republiek, welke gedurende de engelsche annexatie den naam


Transvaal State verkreeg, maar na den vrijheidsoorlog (Majuba heuvel
27 febr. 1881) den ouden naam van Zuidafrikaansche Republiek heeft
hernomen.

Vroeger werd gerekend bij rijksdaalders 8 schellingen 6 stuivers,


sedert 1874 bij ponden, geheel gelijk aan 't engelsche pond sterling.
S. J. P. Kruger sedert 1884 telkens herkozen

5131 ll.

1892.

Drie pence of kwart schelling.


Te Pretoria geslagen, met Bb. van Kruger. De stempels
zijn in Berlijn gesneden. Op dit stuk is het wapen
der Z. A. R. juist afgebeeld, nl. ossewagen met dissel
boom. Op de stukken van 1 pond, 1/2 pond en 5
schellingen heeft de stempelsnijder aan den ossewagen
bij vergissing een lemoen gegeven.

Madagaskar (Malagasj)
Sedert 1885 staat het eiland onder fransch protektoraat.
Als munt komt bijna uitsluitend het fransche 5-frankenstuk, onder

den naam faransa, voor. Deze munt wordt voor het dagelijksche ver
keer in stukken gesneden, waarvan de benamingen zijn: lohs (1/2),
kirobo ('/4), sikadsi ('/8), prohy veumena ('/12), waomena (1/2), ila (1/43)
en iranambatrie (1/72).
-

5132

ll.

1883.

Razafinraheti Ranavolona III 1883

Tien centimes.

Volgens , The Numismatist, a monthly Journal for coin col


lectors, , Detroit and Monroe Michigan U. S. A. July 1892
p. 6 is dit stuk door munthandelaars geslagen.

444

EILAND RUNION

Eiland

Runion (Ile de Bourbon)

Dit eiland werd 1505 door den Portugees MAsKARENHAs ontdekt, in


1643 door Frankrijk in bezit genomen en ter eere van Louis XIV de

Bourbon Isle de Bourbon genaamd.


1790 werd Bourbon met 't tegenwoordige Mauritius vereenigd en
tot aandenken van dit feit Runion genaamd het dekreet der
Conventie van 13 maart 1793 keurde deze naamsverandering goed.
Van 1806-14 heette 't eiland Isle de Bonaparte, van 1814-48
wer Bourbon en sedert 7 maart 1848 heeft het den naam van

Runion terug.
Aanvankelijk werd gerekend bij livres coloniales 20 sols = 10
sols tournois van Frankrijk. De spaansche peso = 10 livres coloniales.
Behalve verschillende vreemde munten, met B (Bourbon) of IL R
(Ile de la Runion) ingestempeld, waren hier in omloop eenige stukken
met 't algemeene opschrift Colonies franaises, de munten die in
Parijs geslagen werden met 't opschrift: Isles de Fr. et de Bourbon,
koperen sols en 2-sols te Pondisjeri voor dit eiland gemunt en 10
centimesstukken met: Isle de Bourbon.
Louis XW 1715-74

5133 i.

1721.

Negen deniers. Te la Rochelle geslagen.

ZAY 52.6

Het K. B. van juni 1721 schiep koperen stukken van


9 deniers voor de Colonies de l'Amrique et autres
lieux de notre domination hors de l'Europe, en wer
kelijk zijn deze stukken ook naar Canada en Louisiana
gezonden.

Ook zijn in 1723 eene zekere hoeveelheid dezer stukken

naar 't eiland Bourbon verscheept om de daar, door


de bevolking niet gewilde sols van Pondisjeri te ver
vangen. De goeverneur van dit eiland stelde ze door
ordonnantie van 18 dec. 1723 in omloop.
Louis XVI 1774-92

5134

i.

1779.

Marqu of 3 sols coloniaux.


79.24
Dit stuk was ook op 't naburige Isle de France gangbaar.

EILAND MAURITIUs

445

Louis Philippe 1830-48

5135 i.

1839.

Vijf centimes. Te Parijs geslagen.


Kz. Colonies franaises.

113.49

i.

1843.

Tien centimes. Als voren.

112.47

Eiland Mauritius (Ile de France)


In 1505 werd ook dit eiland door den Portugees MASKARENHAs ont
dekt, in 1598 door JAcoB CoRNELIszooN VAN NECK in bezit genomen
en ter eere van prins MAURITs Mauritius genaamd 1). De Franschen
namen 't eiland

1712 in bezit en noemden het Isle de France

deze naam maakte weer plaats voor Mauritius in 1810 toen de Engel
schen 't eiland bezetten. Tot op heden bleef het engelsche kolonie.
Behalve de munten, die ook op Runion gangbaar waren, vinden
wij hier het zilverstuk van 10 livres, dat de goudsmid AvELINE in de
hoofdstad Port Louis op last van den franschen goeverneur DECAEN
vervaardigde. In 1820 zond 't engelsche goevernement 1/8, 1/4, 1/s en
1/16 dollars, die reeds in West-Indi gangbaar waren en liet 1822 in
Calcutta stukken van 50 en 25 sous slaan.

Gerekend werd aanvankelijk naar piasters = 10 livres 20 sous


sedert 1822 naar dollars 100 cents.
Napolon 1 van Frankrijk 1804-10
i.

1810.

Piastre Decaen = 10 livres.

(MILLIN 467) ZAY 265.

George IV van Engeland 1820-30

5141

i.

1820.

i.

i.
i.

z. j.

Kwart dollar.
Zestiende dollar.

Kwart piastre = 50 sous.


Achtste piastre.

ATKINs 232.3
.4
234.18
.19

') Waerachtigh verhael van de Schipvaerd op Oost-Indien ghedaen by de acht


Schepen in den jare 1598 enz. Zie Begin ende Voortgangh van de Ver. Ned. Geoctr.
Oost-Indische Compagnie 1646. In 4. oblong.

DUITsch oosT-AFRIKA

446

Victoria sedert 1837

5142 ll.

1877.

Tien cents.

233.11

Duitsch Oost-Afrika
Dr. KARL PETERs stichtte te Berlijn de Gesellschaft fr Deutsche
Kolonisation, die hem in 1884 naar Oost-Afrika uitzond om grond
gebied te koopen. Tegenover het eiland Sansibar, en westelijk van de
vasteland-bezittingen van den sultan van dit eiland, verkreeg hij ver
schillende landschappen, die aan de inmiddels opgerichte Deutsche
Ostafrikanische Gesellschaft overgingen. Ten slotte verwierf hij ook,
tegen eene jaarlijksche uitkeering aan den sultan van Sansibar, al het
gebied dat deze op het vasteland bezat.
Al deze landen staan onder duitsche bescherming (Reichsschutz).
Krachtens eene door den duitschen keizer verleende vergunning heeft
de Gesellschaft aan de koninklijke munt te Berlijn in 1890 een

miljoen koperen pesas laten slaan en eenige duizenden zilveren roepies


1 roepie = 64 pesas; in 1891 ook 1/2 en 1/4 roepies welke aan
munting thans geregeld voortgaat.
Deutsche 0stafrikanische Gesellschaft sedert 1885

1890.
5 144

Roepie. Vz. Borstbeeld van keizer Wilhelm II.


Pesa.

Beide geschenk J. F. VERSTER.

G R O EP VI

A MER IKA

Bij 't behandelen der munten van Amerika, springt ons dadelijk in
't oog dat deze uitsluitend uit de nieuwere tijden stammen. Uit de

vr-kolumbische tijden kennen wij wel ruilmiddelen, doch er is niets


tot ons gekomen, dat op den naam van munten aanspraak mag maken.
De Indianen van Noord-Amerika gebruikten den wampoem 1), aan
draden geregen schelpen en hoorntjes (kauries), die als ruilmiddel dienst
deden. De Indianen van Mexico en Centraal-Amerika gebruikten goud
stof in penneschachten of tin en koper in baren, en zelfs in de graven
van Cuzco (Peru), de hoofdstad der goudrijke Inka's, zijn gemunte
stukken metaal nooit voorhanden.

Beginnen wij dus met CoLUMBUs. 3 Aug. 1492 was CRISToFoRo


CoLoMBo, of zooals hij zich zelf in 't spaansch noemde CHRISTOBAL
CoLoN uit de spaansche haven Palos vertrokken en 12 oktober
van 't zelfde jaar, 's-nachts om half twee, aanschouwde een zijner
matrozen RoDRIGo DE TRIANA het eerste land (Watlings island).
De baan voor ontdekkingsreizigers en kolonisten was geopend en
thans, 400 jaar later, zien wij Amerika *) als mededingster van het
oude moederland optreden.
Bij 't beschrijven der munten zullen wij de geografische orde volgen,
beginnende met Noord-Amerika en naar het zuiden afdalend. De stuk
ken der europeesche kolonin vinden dan hunne plaatsen tusschen die
der onafhankelijke amerikaansche republieken.
') The american numismatic manual by M. W. DICKEsoN. Philadelphia 1860.
In 4".

*) De Italiaan AMERIGo VESPUCCI werd in 1508 tot spaansch hoofd-admiraal van


de westindische tochten benoemd.

448

CANADA

I N00 RI) - AMERIKA

Canada (Dominion of Canada)


In 1524 nam de Florentijn GIovANNI VERRAZANI, in naam van
Frankrijk bezit van de landen, die aan de monding van de St. Laurens
rivier lagen. De stad Quebec werd gesticht (1608) en deze landen tot
fransch onderkoninkrijk verklaard (Nouvelle France). Door den vrede
van Parijs (1763) kwam Canada in bezit van Engeland, dat het 1 juli
1867 met Nieuw-Brunswijk en Nieuw-Schotland vereenigde tot: Do
minion of Canada.

Gerekend wordt bij dollars currency 100 cents of 50 pennies.


De uitdrukking pound beteekent 4 dollars, pound sterling 4 dollars
80 cents.

a Neder-Canada (Lower Canada)


George IV 1820-30

5145

i.

1830.

Halve penny.

LERoUx 503,

b Nieuw-Brunswijk (New Brunswick)


Door Frankrijk in 1521 in bezit genomen, vormde dit land met
het naburige Nieuw-Schotland het zoogenaamde Acadi ).
Het kwam met Canada in 1763 aan Engeland en verschijnt sedert
1783 als afzonderlijke kolonie onder

den naam van Nieuw-Brunswijk.

Sedert 1867 vormt 't land eene provincie van 't Dominion of Canada.
Wictoria sedert 1837

5146

i.

1864. Twintig cents.

") Het land waar H. W. LoNGFELLow's Evangeline speelt.

LERoUx 370.

VEREENIGDE STATEN

449

c Nieuw-Schotland (Nova Scotia)

Evenals de voorgaanden vormt dit land sedert 1867 eene provincie


van 't Dominion of Canada.

5147 a.

1815.

5148 m.

1832.

Halve penny token van STARR & SHANNoN te


Halifax. Deze tokens werden in 1823 vervangen
door halfpennies uit Liverpool 1).
LERoUx
Penny.

452.
419.

Vereenigde Staten (United States of America)


Nadat op 't einde der 16e eeuw de Engelschen bezit genomen had
den van een gedeelte van Noord-Amerika's oostkust, werd dit land
door eene Compagnie uit Londen gexploiteerd. Het verkreeg den naam
Virginia ter eere van de ongehuwde koningin ELIZABETH. Eene andere
Compagnie, te Plymouth gevestigd, nam bezit van de noordelijker ge

legen kuststreek (New-England). In de 17e eeuw werd het engelsch


gezag over de geheele oostkust uitgebreid in 't N. en in 't W.
lagen de fransche kolonin Quebec en la Louisiane *), in 't Z. de
spaansche kolonie Florida.
Niet alleen bracht de vrede van Parijs (1763) Canada in engelsch
bezit, maar ook moest Frankrijk het oostelijk deel van Louisiana afstaan,

waardoor de engelsche kolonin ook in 't binnenland een aaneengeslo


ten, meer afgeronde grens verkregen. Doch hinderlijke handelswetten,
waarin 't moederland ten nadeele dezer kolonin begunstigd werd,
verwekten verbittering.
14 Sept. 1774 vereenigden zich te Philadelphia vertegenwoordigers
van 13 kolonin (staten), die 4 juli 1776 hun land onafhankelijk
1) Zie R. W. MAc LACHLAN.
*) De streek, waarin de dalen van de Ohio, Illinois en Mississipi werd in 1681
ter eere van Louis XIV, koning van Frankrijk, aldus genoemd (op oude kaarten
Ludoviciana). Deze kolonie, bestierd door de Compagnie du Mississipi strekte 1718-20
tot onderpand van de aandeelen van JoHN LAW.
29

450

VEREENIGDE STATEN

verklaarden en in 1783 hun werk bekroond zagen (vrede van Versailles).


GEORGE WASHINGTON trad 30 april 1789 als eerste president van
den nieuwen statenbond op.
In 1803 kocht de Unie het westelijk gedeelte van Louisiana van
Frankrijk, in 1820 Florida van Spanje, in 1848 Texas en Californi
van Mexiko, in 1867 eindelijk Alaska van Rusland. Het geheel bestaat
thans uit 45 staten en 4 territories.

Tot 1783 werd in deze kolonin gerekend naar koloniale ponden,


shillings en pence, van welke 1331/3 koloniaal = 100 ponden van 't

moederland. De spaansche peso gold 6 shillings koloniaal. In genoemd


jaar echter werd de spaansch-mexikaansche peso duro als munteenheid
aangenomen onder den naam van unit of dollar (van Thaler) 10
dimes 10 cents. Deze zilveren stukken wogen 29.7295 wichtjes en
bevatten 0.900 fijn zij werden in 1853 1) vervangen door den gouden
dollar van 1.6718 wichtjes en ook 0.900 fijn.
Alleen werden in de jaren 1873-78 nog zilveren trade-dollars aan

gemunt voor den oostaziatischen handel; deze wogen 27.2156 wichtjes


en bevatten 0.900 fijn, doch zijn thans door de mexikaansche piasters

en japansche jens verdrongen.


Engelsch bestuur tot 1783
5149

i.

1652.

Pine-tree shilling van Masathusets in New-England


(Massachusetts).

Republiek sedert 1783

5154

FoNRoBERT 2035.

i.

1788.

Cent van Massachusetts.

ij.

1792.

qq.

1794.

Halve dime = 5 cents met Bb. van Martha Custis,


echtgenoote van G. Washington.
367.
Dollar of unit.
Verg. 389.

2061.

i.

Cent.

381.

i.

Halve cent.

385.

1) Tot 1835 bestond in de Ver. Staten alleen een munthuis te Philadelphia in


genoemd jaar werden er nog twee geopend: in Charlotte (N. Carolina) en Dahlonega
(Georgia); later nog een te Nieuw-Orleans en een te San Francisco, terwijl thans
ook in de steden Nieuw-York en Carson (Nevada) gemunt wordt. De munten van
Charlotte en Dahlonega zijn gesloten.

VEREENIGDE STATEN

1800.

rr.

Cent.

438.

Halve cent.

439.

1801.

Cent.

446.

1802.

Cent.

452.
464.

1803.

Cent.

1806.

Halve cent.

487.

1807.

Dime.

493.

1808.

Cent.

501.

1814.

Halve dollar.

521.

1817.

Cent.

533.

1818.

Halve dollar.

535.

1820.

Cent.

549.

1824.

Cent.

568.

1831.

Halve dime.

602.

Cent.

603.

1836.

Halve eagle = 5 dollars.

1839.

Halve dime.

622.
699.

Halve dime.

720.

1845.

Cent.

750.

1851.

Drie cents.

791.

Cent.
1853.

Gouden dollar.

794.

Verg.

786.

Cent.

818.

1854.

Halve dollar.

821.

Cent.

828.

1856.

Gouden dollar.

XX.

Verg.

Halve dime.

786.
848.

Halve dime van Nieuw-Orleans.

Kz. HALF | DIME | O


i.

Verg.

1841.

ll.

rr.

451

1858.

rr.

Verg. 1994.

Halve dollar.

866.

Cent.

885.

rr.

1860.

Cent.

917.

p.

1863.

Cent.

1 125.

bb.

Cent. Kz. NOT | ONE | CENT

bb.

z. j.

Cent. Vz. Wapen der Unie.

1864.

Dubbele cent.

8.

i.
5191 kk.

956.

Kz. als 1004.


1173.

Dubbele cent, gedeeltelijk vernikkeld.


Cent.

1175.
29*

452

VEREENIGDE STATEN

5192 rr.
rr.

1865. Drie cents van nikkel (koper met 12 0/o nikkel).

1185.

Cent.

1187.
1207.

bb.

1866.

Cent.

bb.

1868.

Vijf cents van wit nikkel (koper met 25 0/o nikkel). 1236.

rr.

1869.

Cent.

1264.

ll. 1870. Vijf cents van wit nikkel.


bb.

1290.

Drie cents van wit nikkel.

1291.

ij.

1874.

Cent.

1339.

n.

1875.

Cent.

1347.

jj.

1876.

Cent.

Verg.

bb. 1877. Cent.


bb.

1878.

Cent.

bb.

1879.

Cent.

bb.

1880.

Cent.

5206 bb.

1881.

Cent.

Bondsstaat Mexiko (Estados Unidos de Mejico)


Van uit 't spaansche eiland Cuba werd in 1519 HERNAN CoRTEz
gezonden om Mexiko te veroveren. Deze nam 1521 Mechiko-Tenoch
titlan de hoofdstad der Azteken in en 't geheele land werd 1535
als onderkoninkrijk Nieuw-Spanje bij de spaansche kroon gevoegd. .
Drie eeuwen bleef Mexiko met zijne rijke goud- en zilvermijnen (hoog
vlakte van Anahuac) eene spaansche bezitting. Slechts tijdelijk, in
1822-23 bezette de kreool ITURBIDE als AGUSTIN I den keizerlijken
troon; want 16 dec. 1823 reeds werd 't land tot onafhankelijken
bondsstaat uitgeroepen en 19 nov. 1825 viel 't laatste spaansche fort
San Juan d'Ulloa in handen van de nieuwe republiek.
Even voorbijgaand als de regeering van keizer AGUSTIN I was die
van keizer MAXIMILIANo 8 juli 1863-19 juni 1867 (aartshertog
MAXIMILIAN van Oostenrijk).
Hier zijn wij in 't vaderland van 't zoogenaamde scheepsgeld, spaan
sche matten of zooals ze in die dagen in de Molukken genoemd werden

453

BONDSSTAAT MEXIKO

reaal batoes. De groote voorraad zilver namelijk, die de Spanjaarden


in Tenochtitlan, de aan hun krijgsgod Mechiki gewijde hoofdstad der
Azteken vonden en die de omliggende mijnen maandelijks opleverden,
werd door hen in platen gegoten, deze in stukken van ongeveer 28
wichtjes gehakt en in navolging van de spaansche munten met 't
spaansche wapen en de twee zuilen van HERCULES voorzien.
De verdeeling van peso 8 reales de plata bleef behouden tot
1863, toen de peso in 100 centavos verdeeld werd. Thans heeft ieder
der 27 staten het recht een munthuis te openen. Peso = 25.03400621

w. f. z. Een zak met 1000 pesos heet talego.


Spaansch bestuur tot 1822
Felipe IV 1621-65

5207

i.

1665.

Hoekige peso of spaansche mat.

FoNROBERT 6263.

Felipe W 1700-24-46
i.

Hoekige peso.

i.

Toston = 4 realen.

i.

1736.

Medio = 1/2 reaal.

i.

1741.

Peseta = 2 realen.

i.

1743.

Reaal.

Vz. De roos onder

Verg. 6273.
-

Verg. 6289.
6298.

de letter R van 't

omschrift.

6303.

Fernando VI 1746-59

xx.

1749.

Medio.

Verg. 6318.

i.

1756.

Reaal.

W. 6317.

Carlos III 1759-88

5218

i.

1772.

Reaal.

W. 6362.

m.

1775.

Reaal.

V.

m.

1781.

Medio.

i.

1787.

Peso.

. 6363.

. 6361.

454

BONDSSTAAT MEXIKO

Carlos IV 1789-1808

5219 rr.

1789.

Medio.

W. 6443.
W. 6447.

xx.

1790.

Reaal.

rr.

1796.

Cuartino = 1/4 reaal.

6441.

i.

1800.

Medio.

6443.

rr.

1802.

Peseta,

6454.

rr.

1804.

Peso.

6459.

i.

1806.

Peso.

6464.
Fernando WII 1808-21

m.

1815.

Peso.

6517.

Republiek 1824-64
ij.
i.

1836.
1845.

Cuartilla.
Gouden onza of doblon de oro = 16 pesos.
Bovenstaande munten, behalve de hoekige pesos,
zijn alle in de stad Mexiko geslagen.

i.

1860.

Peso van Zacatecas.

6629.

W. 7149.

Staat Queretaro
5230 ll.

1890.

II

Twee centavos.

CENTRAAL- AMERIKA

Na 't veroveren van Mexiko, namen de Spanjaarden bezit van het


tegenwoordige Centraal-Amerika, dat zij tot 1821 als kapitein-gene
raalschap Guatemala 1) bestuurden. In 1821 verklaarden deze provincin
zich onafhankelijk en verbonden zich 1 april 1823 tot de republiek
') Tekpan-Kwauhtemalan was de hoofdstad van den indiaanschen staat Kaksjikel.

REPUBLIEKEN GUATEMALA HONDURAS EN

NICARAGUA

455

der Vereenigde Staten van Centraal-Amerika (Republica del Centro de


America). Dit verbond hield slechts stand tot 1839, toen het werd
opgelost in de tegenwoordige republieken: Guatemala, Honduras, San
Salvador, Nicaragua en Costarica.
De oude indeeling van den peso duro in 8 reales 2 medios 2
cuartillos 3 granos, maakte in 1860 plaats voor die in 100 centavos
of centsimos. De Indianen rekenen 80 cacaoboonen voor 1 reaal.

Republiek Guatemala
Carlos IV van Spanje 1789-1808
5231 m.

1799.

Peseta = 2 reales.

FONROBERT 7192.

Huismunten van 0. Bleuler & Ca. te Miramar


ll.

Reaal.

ll.

Halve reaal.

ll.

Kwart reaal.

Republiek. Honduras
ll.

1845.

Twee realen van Tegucigalpa.

FoNROBERT 7404.

Republiek Nicaragua
Carlos IV van Spanje 1789-1808
5236 ll.

1799.

Cuartino of kwart reaal.

V. FoNROBERT 7372.

456

REPUBLIEK COSTARICA

Republiek sedert 1821


5237 ll.

1887.

Twee centsimos.

Sedert 1871 volgen Honduras, Nicaragua en Costarica,


het in 't vorig jaar door Guatemala en San Salvador

gegeven voorbeeld om den peso te verdeelen in 100


centavos of centsimos, in plaats van in 8 reales
4 cuartillas.

Republiek Costarica"
5238 ll.

z. j.

Vz. SAN JOS | C. R.


Kz. ESCOJIDA | DE CAF.
Waarschijnlijk een koffiehuismunt.

III DE ANTILLEN
Met uitzondering van het onafhankelijke eiland Hati, zijn de Antillen
alle in bezit van europeesche rijken.
Wij zullen eerst de munten van Hati behandelen, daarna die der

europeesche kolonin.

Republiek Hati
Het eiland

Hati werd 6 dec. 1492 door CoLUMBUs ontdekt en

Hispaniola genaamd. Deze benaming maakte echter reeds spoedig plaats


') De voormalige provincie Veragua, die in 1537 aan LUs CoLoN, kleinzoon van
den ontdekker, als hertogdom geschonken werd.

REPUBLIEK HATI

457

voor die van San Domingo, naar de in 1496 op het eiland gegrond
veste stad van dien naam. Het maakte een onderdeel uit van 't kapi
tein-generaalschap Puertorico.
Bij den vrede van Rijswijk (1697) stond Spanje het westelijk gedeelte
van 't eiland aan Frankrijk af, dat als kolonie Saint Domingue bij de
-

fransche kroon werd gevoegd.


In 1795 kwam ook 't oostelijk gedeelte van 't eiland in bezit van
Frankrijk doch 1803 moesten de Franschen 't eiland ontruimen en

de neger DEssALINEs werd 8 okt. 1804 tot keizer (JACQUEs I) van Hati
uitgeroepen. 't Jaar 1804 is 't jaar I der vrijheid.
Dit keizerrijk was van korten duur, 1808 bezette Spanje wer 't

oostelijk gedeelte en in 't westelijke deel vormden zich de negerstaat


Hati onder HENRI CHRISTOPHE en de mulattenrepubliek Hayti onder
ALEXANDRE PTION.

26 Nov. 1820 werden deze laatsten hereenigd tot Rpublique d'Haiti


en in 1822 het spaansche oosten er wer bij gevoegd. Ten slotte
rukte zich in 1843 dit spaansche oosten van de republiek Hati af
en proklameerde zich 24 nov. 1844 tot onafhankelijken staat (Republica
Dominicana).
Alexandre Sabs genaamd Ption 1808-18
5239

i.

1817.

Ral = 12 centimes.

FONROBERT 7530.

Alhoewel het fransche muntstelsel hier in gebruik was


en zelfs HENRI CHRISTOPHE nog stukken van 30, 15
en 71/2 sols liet slaan, heeft de spaansche peso (double
gourde genaamd) de andere munten verdrongen. De
gourde was gelijk aan 100 centimes, de gourdin =
25 centimes, de ral = 12 centimes. De reaal van
Hati dus = 1/16 double gourde.
Jean Pierre Boyer 1818-43

p. 37 (1840).

Twee centimes, 37e jaar der vrijheid.

7576.

Louis Pierrot 1845-46

5241

i.

1846.

Twee centimes.

7586.

458

BRITSCH WEST-INDI

Nicole Fabre Gffrard 1858-67


5242

n.

1863.

Tien centimes.

7619.

Britsch West-Indi (British West Indies)


De 400 eilanden, die Noord-Amerika's oostkust met Zuid-Amerika

verbinden, werden door de eerste ontdekkers (CoLUMBUs 1492) gehou


den voor de kusteilanden van Azi (Indi) en daarom West-Indi
genaamd.
Vroeg reeds bezetten de Spanjaarden de voornaamsten dezer eilanden,
maar de vruchtbaarheid van den bodem lokte spoedig ook de andere
zeevarende volken van Europa hierheen. Sedert de eerste helft der

17e eeuw namen Engelschen, Franschen en Nederlanders tal van eilan


den in bezit en verdreven de spaansche machthebbers. Van 't eens zoo
uitgebreide spaansche eilandenrijk zijn thans alleen nog Cuba en Puer
torico in spaansch bezit over.

Vooral Engeland wist in de 17e en 18e eeuwen zijn gezag over een
groot aantal eilanden uit te breiden, o. a. over 't hier vertegenwoor
digde Barbados in 1625, over Tobago in 1803.
Op Jamaica wordt gerekend, evenals in Engeland, bij pounds, shil
lings en pence; op de kleine Antillen en Bahama eilanden bij dollars
100 cents.

Gebrek aan muntspecin noopte de goeverneurs van verschillende


eilanden eigen munten te doen slaan en voorbijgaand voorzag het
moederland in specin die op alle West India Islands gangbaar
zouden zijn zoo b. v. in 1822 stukken van 1/8, 1/4, 1/s en 1/16
dollar; in 1834 stukken van 3 en 1 1/2 pence. De dollar is in omloop

voor 50 pence. De spaansche en mexikaansche pesos echter hebben


deze munten steeds op den achtergrond gedrongen.
Barbados (Barbadoes)
5243

i.

1788.

Penny.

ATKINS 314.7

459

BRITSCH WEST-INDI

Tobago
Louis XVI koning van Frankrijk 1781-93

5244 i. Dubbele sol. Ingestempeld met ""

ZAY blz. 70.

Op de westindische eilanden werden dikwijls slechts die munten


gangbaar verklaard welke met eene bepaalde instempeling
voorzien waren. Bovenstaand stuk is daarom merkwaardig
omdat het twee verschillende instempelingen draagt. Oorspron
kelijk was het een double sol, in 1749 te Parijs geslagen,
die ingevolge 't K. B. van januari 1763 met eene gekroonde
C (Colonies) ingestempeld en naar ,,nos Colonies des Isles
du Vent gezonden werd. Later verkreeg het op 't eiland

Tobago de tweede instempeling met ""


Munten voor geheel Britsch West-Indi
George IV 1820-30
i.

1822.

Halve dollar.

i.

Kwart dollar.

.62

i.

Achtste dollar.

.63

ATKINS 32 1.61

Deensch West-Indi (Dansk Westindie)


Slechts drie kleine Antillen, ten O. van Puertorico zijn in deensch

bezit nl. S. John (Sankt Jan) sedert 1684, S. Thomas sedert 1671
en S" Croix (Santa Cruz), dat in 1733 van LoUIs XV koning van
Frankrijk gekocht is.
Vr 1850 werd hier evenals in 't moederland gerekend bij rigs
dalere 6 mark 16 skillinger; na dien tijd is de dollar 100 cent
ingevoerd, waarbij 1 dollar = 178 skillinger.
Frederik V 1746-66

5249

i.
i.

1763.
1764.

Vierentwintig skilling = 11/2 mark.


Vierentwintig skilling.

FoNRoBERT 7646.
-

7648.

460

FRANSCH WEST-INDI

Christjern WIIl 1839-48

5250

i.
i.

1845. Tien skilling, ook real genaamd.


1847. Twee skilling.

7666.
7669.

Frederik WIl 1848-63

i.

1859. Twintig cents = 1/5 dollar.

7678.
7679.

i.

Tien cents.

i.

Vijf cents.

i.

Drie cents.

i.

Cent.

7682.

n.

1860.

Cent.

7683.

7680.
7681.

Fransch West-Indi (Colonies des Isles


du Vent)
De door Frankrijk bezette Antillen zijn de in 1648 verkregen eilanden
S. Martin (alleen 't noordelijk 2/3 gedeelte; 't Z. behoort aan Neder
land) met Tintamarre, S. Barthlemy (van 1783-1877 zweedsch),
Guadeloupe (sedert 1636), la Dsirade, Petite Terre, Marie Galante,
Les Saintes en Martinique (sedert 1635).

De stukken voor deze kolonin zijn alle in Frankrijk gemunt, vol


gens het daar in gebruik zijnde muntstelsel. In 1826 werd de frank
als munteenheid ingevoerd, alhoewel de rekening bij livres coloniales
20 sous 12 deniers nog tot 1855 in zwang bleef.
100 francs = 180 livres coloniales (op Guadeloupe 185).
Louis XV 1715-74

5258

i.

1731.

Twaalf sols, te la Rochelle geslagen.

ZAY 60.9

Volgens het K. B. van december 1730 zullen deze stukken


koers hebben: ,dans nos Isles de la Martinique, la
Guadeloupe, la Grenade, Marie-Galante, Saint Alouzie
et autres nos Isles du Vent de l'Amrique seulement.

NEDERLANDSCH WEST-INDI

5259

i.

1742.

i.

1746.

isle de Bourbon was het in omloop.


Dubbele sol van Rijsel.

-.

i.

1767.

Sou.

76.23

5262 i.

z.. j.

Dubbele sol van Parijs.


Dit stuk was op de Antillen gangbaar voor 2 sols
6 deniers en heette ,,noir. Ook in Canada en
op de afrikaansche eilanden isle de France, en

461

De 3 lelien op de Kz. zijn na 1793 op 't eiland


Guadeloupe overgestempeld door de letters R F
(Rpublique Franaise).
Tamp = 3 sous 9 deniers.
Oude dubbele sols en in 1779 zelfs eenvoudige
muntplaatjes werden in de jaren 1763-79 met
een gekroonde C te Parijs ingestempeld (estamp),
en op de fransche Antillen gangbaar verklaard.

66.1

68.22

Nederlandsch West-Indi
Bestaat uit de twee goevernementen Kurassau en Suriname; dit
laatste zal onder Zuid-Amerika behandeld worden. Het goevernement
Kurassau bevat het sedert 1648 in nederlandsch bezit zijnde, zuidelijk

gedeelte van S. Martijn, Saba, S. Eustatius (sedert 1635), de Vogel


eilanden, Bonaire, Kurassau (sedert 1634) en Aruba.
Vr 1827 rekende men hier bij courant-piasters (patacas) 8
schellingen (realen) 6 stuivers. Deze courant-piaster, uitsluitend reken
munt, die oorspronkelijk gelijk geweest was aan den spaanschen peso
van 8 realen (dus = + f 2.50) werd gaandeweg kleiner, zoodat wij
hem in 1805 getarifeerd vinden op f 1.662/3, in 1827 op f 1.331/2.
De stuiver of '/is courant-piaster was dus gelijk aan 28/4 cent, waar
voor men 2'/2 cent nam.

Om te voorzien in de behoefte aan klein geld werden in 1815


8000 spaansche pesos in 5 deelen gekapt en deze driekantjes voor
3 realen gangbaar gesteld.
Sedert 't begin van 1827 is volgens het K. B. van 10 mei 1827

462

NEDERLANDSCH WEST-INDI

het nederlandsche muntstelsel ingevoerd, doch zijn de nederlandsche


munten weinig in omloop om hierin te voorzien werd door den
groothandel in sept. 1876 bepaald, dat verschillende fransche, spaansche,
venezuelaansche en mexikaansche pesos, benevens engelsche shillings,
deensch-koloniale 50- en 25-centstukken benevens noord-amerikaansche

dimes tegen vast tarief zullen worden uitgegeven en aangenomen.


5263

i.

z.. j.

Driekantje van 3 realen.

i.

1821.

Reaal.

i.

1822.

Stuiver.

a.

z.. j.

Cat. Rijksm. 3779.


VERKADE 222.6
.7

Stuiver van JEsURUN & C0.


Cat. Rijksm. 3787.
Onder koning WILLEM I verkregen eenige handels
huizen vergunning om voor eigen rekening stui
vers te laten slaan. Deze golden 21/2 cent en
vertoonen op de Vz. de beginletters der handels
firma's.

5267 a.

z. j.

Bovenstaand stuk draagt, Vz. J x C2


Kz. 1 | STUIVER |
Stuiver van J. J. NAR.
Vz. J. J. N Kz. 1 | STUIVER |

IW

3789.

ZUID-AMERIKA

Nadat CoLUMBUs (maart 1493) in Spanje was teruggekeerd en de


mare verspreid werd dat de westelijke weg naar Indi gevonden was,
verdeelde paus ALEXANDER VI in 1493 de nog te ontdekken landen
tusschen Spanje en Portugal 1).
1) De grens (linea de demarcacion) door ALEXANDER VI gesteld, bevond zich
(bulle van 4 mei 1493) 100 spaansche mijlen westelijk van de Azoren en Kaapver
dische Eil", 25 sept. 1493 trok de paus deze grensscheiding ook in de andere wereld
helft door. 7 Juni 1494 sloten Spanje en Portugal het verdrag van Tordesillas, waarbij
de geheele grenscirkel nog 270 sp. mijlen westwaarts verschoven werd en overeenkomt
met onze tegenwoordige aanduiding 46" W. Greenwich en 134" O. Gr.; aan Portugal
zouden ten deel vallen de nog te ontdekken landen aan de europeesche zijde dier

ZUID-AMERIKA

463

In Zuid-Amerika verkreeg Portugal alleen de oostelijke helft van


het tegenwoordige Brazili, al het overige viel Spanje ten deel. Dit

laatste liet in 't begin de verschillende streken door stadhouders (adel


antados) besturen, doch verhief in 1544 Peru tot onderkoninkrijk en
plaatste de andere zuidamerikaansche landen als provincin onder Peru').
Presidentschappen werden in 1563 Quito (ongeveer 't tegenwoordige
Ecuador), in 1564 Nueva Granada ('t tegenw. Columbia). Uitbreiding
dezer kolonin had tengevolge dat Nueva Granada in 1740 tot onder
koninkrijk werd verheven en in 1776 het kapiteinschap Venezuela werd
gevormd. Chili, dat tot 1776 bij Peru had behoord, werd in genoemd
jaar tot kapiteinschap verheven en Buenos-Ayres met Uruguay, Paraguay
en Bolivia in datzelfde jaar tot onderkoninkrijk Rio de la Plata.
De gebeurtenissen die in 't begin dezer eeuw in 't moederland plaats
hadden, veroorzaakte ook gisting in deze kolonin. 5 Mei 1808 had
de spaansche koning CARLos IV zijne rechten aan NAPoLoN moeten
afstaan en nog geen 2 jaar later braken er opstanden tegen de spaan
sche beheerschers in de la Plata-staten, in Caracas en Bogot uit.
Het zuiden had reeds in 1813 het spaansche juk afgeschud in 't
noorden plaatste zich SIMON BoLIVAR aan 't hoofd der ontevredenen.
In 1819 waren Columbia, Venezuela en Ecuador bevrijd en nadat in
1824 SIMON BoLIVAR zich ook aan 't hoofd der opstandelingen in Peru
had gesteld, werden de Spanjaarden uit geheel Zuid-Amerika verdreven.
De groote spaansche kolonie splitste zich in tal van demokratische
republieken.

Het portugeesche gedeelte Brazili had zich inmiddels in 1822


van 't moederland afgescheiden.

twee meridianen gelegen, de anderen aan Spanje. Daar men het in de praktijk niet
eens werd over de grenslijn in Azi, werden door 't verdrag van Saragossa in 1529
de Molukken aan Portugal verpand voor 350.000 dukaten. Voor Z.-Amerika werd
eene lijn aangenomen, die de monding van de Amazonerivier met die van de la
Platarivier verbindt. Deze demarkatielijn is in 1779 door 't traktaat van Ildefonso
voorgoed opgeheven.
Die Demarkationslinie Papst Alexanders VI und ihre Folgen. Dissertation von
AUGUST BAUM. Kln 1890. In 8".

1) Vandaar dat alle in Z-Amerika vervaardigde hoekige pesos , peruanos genoemd


worden, in tegenstelling met de latere ronde pesos ,mejicanos.

464

REPUBLIEK

COLUMBIA

Republiek Columbia (Republica de Colombia),


In 1499 werd dit land door den Spanjaard ALoNso DE OJEDA ontdekt

en CoLUMBUs vond hier in 1502 het eerste zuidamerikaansche goud


aan de mijnen, die door de inwoners, de Tsjiptsjas, ontgonnen werden.
QUESADA drong in 1537 het land der Tsjiptsjas verder in en noemde
het Nueva Granada het werd 1538 tot kapiteinschap, 1564 tot
presidentschap en 1740 tot onderkoninkrijk verheven.
1810 begon de opstand tegen Spanje. SIMON BoLIVAR plaatste zich
aan 't hoofd der beweging, verjoeg in 1819 de Spanjaarden en veree

nigde 17 dec. 1819 Nueva Granada, Venezuela en Quito (Ecuador)


tot de Republica de Colombia. Deze republiek was van korten duur,
want nadat 1829 Venezuela en 1830 Quito zich van haar hadden af

gescheiden, vormden de overblijvende provincin in 1831 de Republica


de Nueva Granada. In 1857 werd deze republiek vervormd in een
statenbond van 8 onafhankelijke provincin, de Confederacion Grana
dina, die zich in 1863 oplostte in de Estados unidos de Colombia,

welke staatsregeling in 1886 wer plaats maakte voor een onverdeelde


republiek, de Republica de Colombia.

Van de inboorlingen, de Tsjiptsjas, wordt bericht dat zij gouden


schijven als ruilmiddel gebruikten 2).
In 1718 werd een munthuis te Bogot, in 1729 te Popayan geopend,
toch bleef het stofgoud nog tot op 't einde der vorige eeuw als ruil
middel in gebruik.
-

Gerekend wordt bij pesos of piasters 10 reales 10 centavos.


In 1865 trad het land tot de Latijnsche Muntunie toe, en is de
peso de plata thans geheel gelijk aan het 5-frankstuk. Voor 't goud
zijn de benamingen: onza = 20 pesos, condor = 10 pesos en escudo
= 2 pesos.

') In de latijnsche stukken dier dagen wordt CHRISToBAL CoLoN, meestal CoLoM
genoemd.
*) La rpublique de Colombie par R. NUNEz et H. JALHAY. Bruxelles 1893. In 8".

465

VEREENIGDE STATEN VAN VENEZUELA

5268 i.
i.

z.. j.

Cuartillo met Bb. van Simon Bolivar. FoNRoBERT 8039.


Cuartillo = 1/4 real de plata.
8041.

i.

Cuartillo.

8042.

i.

Cuartillo.

8043.

a.

1881.

Derdehalf centavo.

a.

1886.

Vijf centavos.

Bovenstaande muntjes zijn in 1830 in Engeland geslagen.

Stad Cartagena de las Indias


i.

z. j.

Halve reaal. Noodmunt geslagen in 1813, tijdens


den vrijheidsoorlog.

Vereenigde Staten van Venezuela (Estados


unidos de Venezuela)
Venezuela werd 1498 door CoLUMBUs ontdekt en 1550 tot kapitein
schap (Caracas) verheven.
Het land verklaarde zich 1811 onafhankelijk onder den naam van

Confederacion de Venezuela, sloot zich in 1819 bij de Republica de


Colombia aan, doch onttrok zich in 1829 wer aan die vereeniging
om de zelfstandige Republica de Venezuela te vormen. Sedert 1864 is
deze republiek opgelost in een statenbond, in navolging van de V. St.
van Noord-Amerika.

Ook in Venezuela werd gerekend bij pesos mexicanos, verdeeld in 8


reales 4 cuartinos. Langzamerhand werden deze op lichter gewicht

geslagen, nu peso macuquina genoemd en sedert 1840 in 100 centavos


verdeeld. In 1872 trad Venezuela tot de Latijnsche Muntunie toe en

sloeg nu pesos venezolanos geheel gelijk aan 't vijffrankstuk en ver


A

deeld in 10 reales 10 centavos.


n.

5276 n.

1852.

Halve centavo.

FoNROBERT 7940.

Halve centavo. Zonder H op de halsafsnede van


het vrijheidshoofd.
30

7941.

466
5277

ENGELSCH GUAYANA

n.

1858.

Centavo.

7949.

n.

1862.

Centavo.

7951.

n.

1863.

Centavo.

7954.

ll.

1877.

Centavo.

Engelsch Guayana (United Colony of


Demerary and Essequibo)
In de 16e eeuw stichtten engelsche, hollandsche en fransche hande
laars faktorijen op de kust van Guayana. Wel verkregen de Ver.
Nederl. Provincin hier in 1667 het overwicht toen de engelsche fak
torijen met de nederlandsche vereenigd werden, doch in 1803 bezette
Engeland opnieuw de kolonin Essequibo, Demerary en Berbice, die
in 1814 engelsche bezitting bleven met Frankrijk werden de grenzen
nader vastgesteld. Het engelsche gebied strekt zich nu uit van den

Orinoko tot den Korentijn, Nederland bezit 't land tusschen Korentijn
en Marowijne, terwijl 't fransche gedeelte van Guayana door den
Marowijne en den Ojapoc is omlijst.
Vr 1814 werd hier gerekend bij guldens 20 stuivers 16
penningen surinaamsch courant - 6 dezer guldens waren gelijk aan
5 guldens ned. courant.
Na 1814 bleef het drieguldenstuk, gurd genaamd, nheid verdeeld
in 100 cents. Deze gurd bevat 19.192 wichtjes fijn zilver.
George III 1803-20

i.

1809.

Guilder of gulden.

i.

1813.

Stiver of stuiver.

i.

1816.

Guilder.

i.

Halve guilder.

. 11

i.

Kwart guilder.

. 12

ATKINS 327.5
-

330.31
328.10

William IW 1830-37

5287

i.
i.

1832.

Gurd = 3 guilders.
Dubbele guilder.

329.13
. 14

NEDERLANDSCH GUAYANA oF SURINAME


5288

i.

1832.

i.
i.
i.
uu.

467

Guilder.

329.15

Halve guilder.

Kwart guilder.

Achtste guilder.
1835. Achtste guilder.

. 16
-.17
. 18

330.26

Nederlandsch Guayana of Suriname


Suriname, in 1667 voorgoed eene hollandsche bezitting, kwam in
1682 aan de W. I. Compagnie, die 1/3 verkocht aan de stad Amster

dam en 1/8 aan C. VAN AERssENs, Heer van Sommelsdijk (Geoctr.


Societeit van Suriname). De kolonie werd in 1803 door Engeland
bezet, doch in 1814 teruggegeven.
Naast aangevoerd nederlandsch geld was in de eerste tijden suiker
(1 t = 1 stuiver) wettig betaalmiddel en zelfs toen de goeverneur
HEINSIUs in 1679 koperen munt liet slaan, werd hem dit door Heeren
Hoogmogenden verboden.
Door resolutie van de Staten-Generaal der Ver. Nederlanden in dato
31 dec.

1793 werd de Raad der Colonie van den Staat in de West

Indin geauthoriseerd op de munten dezer landen (= nederl. munt


huizen) te doen slaan: drieguldens, gedeelten van dien en twee stuyvers...
met een bysonder teken (voorzien). Dit teeken was de letter W
Johan Heinsius 1678-80

i.
i.

1679. Vierpenning = 1/4 stuiver.

Vierpenning. De papagaai kleiner.

VERKADE 1147.
-

Wigbolt Crommelin 1756-68


-

i.

1764.

Dubbele penning of duit.

222.5

i.

1794.

Gulden.

204.2

i.

Kwart gulden.

114.4

i.

Kwart gulden. Kz. Het woord TRAI' dichter bij


-

5299

i.

de kroon.

Dubbele stuiver.

1145.
30*

468

FRANSCH GUAYANA

Fransch Guayana (Guyanne franaise,


-

Cayenne)
Louis XVI 1774-92

5300

i.

Dubbele sou. Te Parijs geslagen.


Dubbele sou. Geelkoper valsch.
1782. Dubbele sou.

i.

1789.

i.

i.
Il.

1780.

ZAY 90.30

- . -

- , -

Dubbele sou.

97.31

Dubbele sou, van afwijkenden stempel.

-, -

Louis XVIII 1817-24


i.

1818.

Dcime, genaamd marqu blanc.


21 Juni 1819 werd dit stuk op 131/3 centimes, argent
colonial, gezet en uitgegeven in rollen van 30 stuks,
die 5 livres coloniales of 3 fransche franks golden.
3 Francs de France waren ook gelijk aan 4 frs. de
la colonie.
Charles X 1824-30

i.

5307 p.

1827.

Vijf centimes. Te La Rochelle gemunt.


1828. Vijf centimes van Parijs.

1 11.41
.42

Republiek der Vereenigde Staten van Brazili


(Republica dos Estados Unidos do Brazil)
Op blz. 462 (noot) zagen wij reeds dat Portugal door 't verdrag
van Tordesillas (1494) in 't bezit was geraakt van Zuid-Amerika's
oostpunt en dat als grens eene lijn aangenomen was, die de monding
van de Amazonerivier met die der la Platarivier verbond. Wat de kust

betreft schijnt men zich streng aan deze bepaling gehouden te hebben;
de kolonisten, die 't binnenland bevolkten, drongen echter onbezorgd
westwaarts verder.

REPUBLIEK DER VEREENIGDE STATEN VAN BRAZILI

469

In 1822 verklaarde de portugeesche kroonprins, die regent van Brazili


was, het land onafhankelijk en liet zich als dom PEDRo I tot keizer
van 't nieuwe rijk uitroepen.

Na 15 nov. 1889 werd dit keizerrijk vervormd in de Republiek der


Vereenigde Staten van Brazili.
Evenals in Portugal wordt hier gerekend bij contos, milris en ris.
Gouden munten waren de moeda (4000 ris) met onderdeelen, de
dobro (= 5 moedas), de dobra van 8, 4 en 2 escudos, en de onder
deelen van den escudo.

Zilver: pataca (320 ris) en de vintem (20 ris) met veelvouden.


Koper: vintem met veelvouden en stukken van 10 en 5 ris.
In 1849 is de gouden standaard ingevoerd, waarbij 1 milris =
0.8218 w. f. g. Sedert 1867 heeft de zilveren 2 milris hetzelfde ge
wicht en gehalte van 't fransche 5-frankstuk.
Munthuizen: Bahia (B), Rio de Janeiro (R), Pernambuco (P), Minas
Geraes (M) en Cuyab (C).
Brazili portugeesche kolonie
Da Maria I 1786-99

5308 g.

1796.

Dubbele vintem van Lissabon. Ingestempeld met


't ongekroonde portugeesche wapen en daar
door verhoogd tot viervoudigen vintem. MEILI 29.13
In 1799 werd te Lissabon kopergeld voor Brazili aan
gemunt, dat slechts de helft van 't tot dusver gebrui
kelijke gewicht verkreeg. Dit geld was bestemd voor
de afgelegen kapiteinschappen in 't binnenland en men
trachtte deze maatregel te rechtvaardigen door de
bewering dat 't landtransport voor de zware stukken
te kostbaar was 1).
Toen nu in 1805 ook in Rio deze lichte stukken werden

uitgegeven en aldaar zelfs aangemunt, koerseerden


') De muntgeschiedenis van alle tijden en landen toont ons dat de regeeringen
steeds dergelijke sophismen aangrepen om 't gehalte of 't gewicht der stukken te
verzwakken, onder behoud van de oorspronkelijke benamingen.

REPUBLIEK DER VEREENIGDE STATEN VAN BRAZILI

470

de lichte met de zware munten voor dezelfde nomi


nale waarde.

Het besluit van 18 apr. 1809 maakte aan dezen dwazen


toestand een einde, door de stempeling te gelasteIn Van
de zware stukken, die voortaan voor de dubbel G

nO

minale waarde in omloop kwamen.


D. Joo VI regent 1799-1818
5309 bb.

1811.

Vier vintens van Rio.

36.22

i.

1815.

Drie patacas of 960 ris van Bahia.


Op een spaanschen peso geslagen.

41.45

D. Joao VI 1818-22

1821.

Wintem van Rio.

1822.

Wintem van Rio.

52.13

Keizerrijk
D. Pedro | 1822-31

Veertig ris van Rio.


MEILI
Tachtig ris van Rio.
Veertig ris van Rio.
Twintig ris van Rio.
Tachtig ris van Rio. Op de Vz. is een ronde dut
geslagen met 't arabische cijfer 40 op blauw ge
arceerden grond d. i. 40 ris.
De overstelpende hoeveelheid kopergeld waarmede

rr.
rr.
rr.

4.19
3.16
4 19
-.22

3.17

't land overstroomd was, lokte in de jaren 1833-35

verschillende besluiten uit, waardoor de nominale


waarde der koperen munten tot op de helft ver
minderd werd. Instempelingen als bovengenoemde
wezen de nieuwe waarde aan.
k.
i.
i

5321 p.

1828.

Veertig ris van Rio. Met instempeling 20

4.20

Tachtig ris van Rio.

3.15

Veertig ris van Cuyab.

8.53

1830. Tachtig ris van Rio.

3. 15

REPUBLIEK PARAGUAY

471

D. Pedro II 1831-89

5322 p. (1833). Twintig ris. Op een, door een wals onbruikbaar


gemaakt 40 risstuk zijn de arabische cijfers 20
ingestempeld. Zie de aanteekening bij n0. 5317.
i. 1852. Patacano, patagon = 2000 ris.
bb.

1869.

ll.

l.

1884.

19.39

Wintem = 20 ris.

23.63

Tien ris.

.64

Honderd ris.

.66

Republiek Paraguay
Paraguay werd 1515 het eerst door de Spanjaarden bezocht en 1542
tot kapiteinschap verheven. In de jaren 1608-1768 herschiepen de
Jezueten het land tot een theokratisch-patriarchaal rijk, aan welks hoofd

een provinciaal met vier consultadores stond, die den spaanschen koning
als leenheer erkenden.

In 1776 deel van 't nieuw gevormde onderkoninkrijk la Plata,


verbrak Paraguay in 1811 de banden, die het met het moederland
verbond en constitueerde zich tot onafhankelijke republiek.
De ongelukkige oorlog (1865-70) met Brazili, Argentina en Uruguay
had ten gevolge dat de republiek hare tegenwoordige enge grenzen
verkreeg.

De peso fuerte is steeds munteenheid gebleven. Hij werd vroeger in


8 reales de plata 4 cuartillos, thans in 100 centavos of centsimos
verdeeld.
5327 ll.

1868.

Twee centsimos.

Republiek Uruguay (Rep, Oriental del Uruguay)


Evenals Paraguay werd ook dit land in 1515 het eerst door den
Spanjaard DE SoLIs bezocht. In de 16e eeuw een twistappel tusschen

472

ARGENTIJNSCHE REPUBLIEK

Spanje en Portugal 1) werd het in 1776 eindelijk, onder den naam van
Banda Oriental 2) bij 't onderkoninkrijk Rio de la Plata gevoegd.
Van 1821-28 tijdelijk door Brazili veroverd, vormt het sedert 1828
de onafhankelijke Republica Oriental del Uruguay.
Vroeger werd hier gerekend bij pesos corrientes, van welke 5 stuks

gelijk waren aan 4 piasters of pesos fuertes. Deze peso corriente werd
verdeeld in 800 ris, of in 8 reales 16 cuartos.

Thans is de peso fuerte munteenheid (23.365 w. fijn zilver) en wordt


verdeeld in 100 centsimos 10 milsimos.

5328 n.

1855.

Vijf centsimos.

Verg. FoNRoBERT 10162.

Argentijnsche Republiek (Republica Argentina)


Ook dit land werd voor 't eerst bezocht in 1515 door DE SoLIs. In

1576 tot kapiteinschap verheven, maakte het noordelijke gedeelte van


1608-1768 deel uit van de kolonin der Jezueten.

In 1776 vormde de koning van Spanje het onderkoninkrijk Rio de


la Plata van 't geheele binnenland ('t tegenw. Argentina met Bolivia,

Paraguay en Uruguay). Doch reeds in 1810 brak de opstand tegen


Spanje uit en nadat Paraguay en Uruguay zich afgescheiden hadden,
verklaarden de andere provincin zich onafhankelijk onder den naam
van Provincias Unidas del Rio de la Plata. In 1835 tot statenbond

vervormd (Rep. Argentina Confederata) heeft het land sedert 1852 den
onverdeelden republikeinschen regeeringsvorm.
Ook hier maakte de oude indeeling van den peso in 8 reales 4
cuartillos in 1857 plaats voor die in 100 centavos.
ll.
5330

1884.

Twee centavos.

1891.

Twee centavos.

Geschenk J. F. VERSTER. 1897.

') Portugal had hier de kolonie San Sacramento gesticht, waarop de Spanjaarden
volgens het verdrag van Tordesillas (zie blz. 462, noot) aanspraak maakten.
*) d. i. Oostoever, van de la Plata-rivier.

473

REPUBLIEK CHILI

Stad Buenos-Ayres
5331 ij.

1822.

Decimo.

FoNROBERT 10064.

i.

1823.

Decimo.

10065.

Alleen de stad Buenos-Ayres gaf in 't begin dezer eeuw


munten uit die l/10 peso vertegenwoordigden.

Republiek Chili (Chile)


w

In 1536 drongen de Spanjaarden, van Peru uit, het land binnen


en noemden het Nueva Estramadura. Het werd 1776 tot kapiteinschap
verheven.

In 1810 begon de opstand tegen Spanje, die met afwisselend geluk


tot 1826 voortduurde. Eerst toen konden de Spanjaarden van 't zuide
lijke eiland Chiloe verdreven en de onafhankelijke republiek, in 1817
uitgeroepen, voor goed gevestigd worden.
De peso, vroeger in 8 reales 4 cuartillos verdeeld, komt sedert
1835 100 centavos voor; hij bevatte 22.5 w. fijn zilver. Sedert
11 febr. 1895 geldt als munteenheid de gouden peso van 0.54918 w.
f. g. en is de zilveren peso, als pasmunt, tot 16.7 w. f. z. verminderd.
De kleinste gouden munt is echter een stuk van 5 pesos (g. escudo).
Verhouding goud: zilver = 1 : 30.
i.

5334 ll.

1855.

Halve peso, te Santiago gemunt.

1891. Twintig centavos = 1/5 peso.

FONROBERT 9922.

Verg. 9965.

Republiek Peru (Republica Peruana)


In 1524 vond de Spanjaard PIZARRo hier het machtige Inka-rijk
Tahwantoensoejoe, waar hij 1532 de eerste kolonie grondvestte. Het

474

REPUBLIEK

PERU

land werd 1544 tot onderkoninkrijk Peru verheven en de andere spaan

sche bezittingen 1) in Zuid-Amerika er bij gevoegd.


In 1820 landden de verbonden Chilenen en Argentijnen. Deze ver
joegen 1821 met hulp der inwoners (patriotten) de spaansche bezet
tingstroepen en riepen Peru tot republiek uit. Met behulp van SIMON
BoLIVAR, den bevrijder van Venezuela, Columbia en Ecuador, werden

de oostelijke provincin (Opper-Peru) in 1825 tot onafhankelijke repu


bliek Bolivia, de westelijken tot republiek Peru gegrondvest.
De verdeeling van den peso in 8 reales 4 cuartinos, maakte in
1855 plaats voor die in 100 centimos. Dit stuk, op een gehalte van
22.5 w. fijn zilver, wordt sedert 1863 sol genaamd en ingedeeld in
10 dineros 10 centavos.

Spaansch bestuur
Felipe W 1700-46

5335 i.

1707.

Hoekige reaal van Lima, peruano genaamd.


FONROBERT 8883.

i.

1711.

Hoekige reaal van Lima.

Verg. 8885.

Fernando VI 1746-59

m.

1751.

Onza van Lima. Groote gouden munt van 16 pesos.


Verg. 8905.
Carlos III 1760-88

xx.

1770.

Reaal van Lima.

8923.

Republiek sedert 1821


5339

i.

1834.

Peso van Lima.

9046.

Deze peso is ingestempeld met

#?

Vergelijk

MAILLIET 2" Suppl. Pl. H. n. 30.

') d. i. De geheele noordkust, Tierra firma genaamd, Paraguay, Buenos-Ayres en


Chili.

475

REPUBLIEK BOLIVIA

Daar de zuidamerikaansche pesos in 1843 op Cuba


gangbaar waren, na eene instempeling met

5340 rr.

1863.

(ISABEL II, koningin van Spanje) te hebben ondergaan


vermeenen wij dat ook bovenstaand stuk in 1834 in
Cuba koerseerde. Wel was de spaansche koning FER
NANDo VII reeds 29 sept. 1833 overleden, doch de
officieele erkenning van zijne opvolgster IsABEL II,
zal op het door negeropstanden verontruste eiland Cuba
wel eerst in 1834 hebben plaats gehad.
Twee centavos = 1/so sol.
FoNROBERT 9133.

Republiek Bolivia (Republica Boliviana)


11 Aug. 1825 werd dit land (oostelijke provincin van Peru) ter
eere van SIMoN BOLIVAR tot republiek Bolivia uitgeroepen.
Spaansch

bestuur

Fernando VI 1746-59
1756.
1759.

Hoekige reaal van Potosi = 1/s peso. FoNRoBERT 9308.


Hoekige reaal.
Verg. 9310.
Carlos III 1760-88

1767.

Hoekige reaal.

931 3.

Republiek sedert 1825


1843.

Peso = 8 sueldos, te Potosi geslagen.

9535.

Van 1825-63 noemde men den reaal hier sueldo.

Sedert 1863 is de peso, ook boliviano genaamd,


munteenheid en in 100 centavos verdeeld.
5345

ll.

1857.

Sueldo, te la Paz geslagen.

9776.

G R O EP VII

AUSTRALI (AUSTRALIA)
Dit laatst ontdekte werelddeel werd in 1601 het eerst bezocht door

den Portugees GoDINHo DE CREDIA. Verscheidene hollandsche zeevaar


ders volgden hem in de eerste helft der 17e eeuw na, doch het dorre
onherbergzame land lokte niet tot koloniseering uit.
Eerst nadat Engeland zijne noordamerikaansche kolonin verloren
had, stichtte het in 1788 op Australi's zuidkust de kolonie Nieuw
Zuid-Wales, van welke zich in 1857 de zuidelijke kolonie Victoria en

twee jaar later de noordelijke kolonie Queensland afscheidden. De


kolonie West-Australi was in 1829, Zuid-Australi in 1836 gesticht.
Alhoewel de engelsche munten in geheel Australi gangbaar zijn,
werden in 't munthuis te Sydney sedert 1855 geheele en halve sove
reigns geslagen, sedert 1871 ook te Melbourne deze dragen tot
muntteekens de letters S of M

Gebrek aan voldoende pasmunt is oorzaak dat tal van kooplieden


zelve koperen pennies en halfpennies laten aanmaken en in omloop
brengen. Deze worden veelal in Engeland vervaardigd (Birmingham)
en hun gebruik is geheel gelijk aan dat der tokens, die wij op blz. 246
onder Groot-Britanni ontmoetten.

Geheel Australi

5346

i.

1859.

Sovereign. Kz. SYDNEY MINT

ATKINs 336.12

477

AUSTRALI

5347 a.
rr.

1857.
1858.

Holloway-penny.
Holloway-penny.

381.347
.348

Deze reclame-penningen, in Engeland gemaakt, zijn in


geheel Australi voor 1 penny gangbaar.
Nieuw-Zuid-Wales

Om in het gebrek aan zilveren munten te voorzien, zijn hier in


1813 zuidamerikaansche pesos zoodanig uitgeslagen dat het middenstuk
(middenlijn 19 streep) voor 15 pence, de groote bu