Você está na página 1de 38

HET OCTROOI DER

JAVASCHE BANK,
DOOK

D. STIGTER.

Overgedrukt uit de Java-Bode van


Februari 1909.

G : 178

en 23

HET OCTROOI DER JAVASCHE BANK.

Wetenschappelijke cursorische voordrachten,


betreffende staathuishoudkundig practische on
derwerpen, door my gehouden in een kring van
voortgezet handelsonderwijs, hadden den handels
studenten aanleiding gegeven tot uitvoerige aanteekeningen. Een wetenschappelijke handels
practicus, die met toenemende belangstelling dat
handelsonderwys volgt, deed my opmerken, dat
by de behandeling der Javasche Bank de wijzi
ging in het octrooi, aangebracht by koninklijk
besluit van den 17en Januari 1908, niet bespro
ken scheen te zyn. De opmerking was juist.
Terwijl ik in de wintermaanden van 1908 de oc
trooi-wijziging van 1906 ook uitvoerig behandeld
had, mocht zeker niet vermoed worden, dat reeds
wederom de privilege-voorwaarden der nederlandsch-indische circulatiebank zouden worden
veranderd. Het octrooi van een circulatiebank
wordt immers gewoonlijk na langdurig overleg voor
zeer geruimen tijd, bv. voor een kwarteeuw, vast
gesteld en wekt dan bijzonder veel belangstelling
door uitvoerige regeerings-rapporten, vele couranten-artikelen en besprekingen in politieke krin-

$
gen. Bij de regeling van het bankwezen, speciaal
bij die van de eenige circulatiebank, is immers
het belang van alle kringen der samenleving in
hooge mate betrokken.
Bovendien herinnerde ik my ook de beoordee
ling van de wijziging van 1906 in het verslag
der Javasche Bank over het dienstjaar 1905/1906:
Alles saamgenomen, vermeen ik dus dat eene
voor alle partijen bevredigende overeenkomst
is gesloten."
Dezen keer was de herziening bijzonder gauw
en als het ware zonder publieke beoordeeling
gedaan. Den 3en September 1907 werden de
stemgerechtigde aandeelhouders der Javasche
Bank door een advertentie in de dagbladen, op
geroepen ter algemeene vergadering, te houden
op den 18en Januari d.a.v., ter behandeling van
het bestuursvoorstel om eenige veranderingen
in de statuten en in het Bankoctrooi te maken.
Overeenstemming met de indische regeering was
bereids verkregen en in de nota, verkrijgbaar by
het hoofdbureau en de agentschappen der Bank,
gaf het bestuur toelichtingen. Het staatsblad van
Ned.-Indi, No. 26, dedato 28 Januari 1908, deed
reeds afkondiging van de wijzigingen, vastgesteld
onder medewerking van den gouverneur-generaal
en onder goedkeuring by koninklijk besluit. Tusschen den 3en September 1907 en den 28en Ja-

3
nuari 1908 liggen slechts vier maanden. Is dit wel
juist voorgesteld? Hierbij is geen rekening ge
houden met den afstand tusschen Indi en het
moederland, die voor gedachtenwisseling minstens
7 weken vordert, tenzy van telegrammen gebruik
wordt gemaakt. Deze bespoediging der decisie was
verkregen door de besprekingen tusschen den mi
nister van kolonin en den president der Javasche
Bank, daartoe overgekomen. Schier geheel zon
der voorlichting door onpartijdige deskundigen
van het publiek aan de beide zijden van den
Oceaan was de beslissing genomen, in ;zake een
onderwerp, dat bij uitnemendheid het algemeen
belang betreft. Redenen voor de bovenbedoelde
omissie bestonden dus wel, al was zij daarom
niet geheel te excuseeren.
In mijn vorige zomervacantie maakte ik nu
bijzondere studie van de bedoelde veranderingen.
Deze leidde tot de uitgave by de firma P. N. van
Kampen & Zoon te Amsterdam van de brochure:
De laatste wijziging in het octrooi der Javasche
Bank, waarin ik wetenschappelijke critiek uitoe
fende op de voorschriften ten opzichte van:
a. de verplichte metaaldekking,
b. den handel in buitenlandsche wissels en
c. het bijkantoor te Amsterdam.
Die brochure heeft veel aandacht getrokken.
Hiervoor enkele aanwyzigen.

4
De Indische Mereuur van den 15en December
1908 zegt:
In deze vlot geschreven brochure behandelt de
heer Stigter uitsluitend de laatste wijziging in
het octrooi der Javasche Bank, waartegen hij zyne
bezwaren ontwikkelt.
Ia de eerste plaats wyst de schryver er op,
dat die octrooiwyziging volgens zijn meening te
vlug in het werk is geaan.
De heer Stigter betoogt verder, dat de presi
dent met die octrooiwyziging te veel zou hebben
gevraagd en gekregen en zich zou hebben gesteld
op het standpunt, de Javasche Bank voor aan
deelhouders winstgevender te maken, waardoor
het hooger belang, waarvoor de Javasche Bank
als eenige circulatiebank in het Oosten heeft te
waken, op den achtergrond zou geraken.
De Indische Gids heeft in de Decemberafleve
ring van 1908 in de maandelijksche revue van bro
chures en van tijdschrift- en dagbladartikelen dea
zakelyken inhoud op zeer talentvolle wijze schier
volledig saamgevat, waarin de bekwame redacteur
J. E. de M. het bedoelde geschrift een belangrijke
brochure" noemt.
De Nwe Bott. Crl. geeft zeer uitvoerige mededeelingen uit dat vlugschrift, waarin de schryver
eenige historische en critische beschouwingen
levert over de metaaldekking en den buitenland-

5
schen wisselhandel en waarin de schrijver verder
betoogt, dat het voorschrift van verplichte me
taaldekking geen zin heeft, als daarmede niet teyens bepaald wordt, dat de dekking bij de Bank
aanwezig moet zijn.
De Javabode volgde in het eerste bijvoegsel
van den 16en November 1908 het voorbeeld van de
Nwe Rott. Crt. door woordelyke overnemingzon
der vermeldiBg van de bron der uitvoerige mededeelingen van het rotterdamsch orgaan. *)
En dezelfde Java-Bode laat een paar dagen
later als redactie-artikel opnemen een stuk, blykbaar geschreven door een hand, die niet door
onpartijdig, door wetenschappelijk onderzoek
werd bestuurd. De steller toch richt aan het
adres van schryver der brochure dergelijke uit
drukkingen als: een groote rompslomp van woor
den," schoolmeesterachtigen toon," blunders",
aan het werk is getogen om het streven van
onze koloniale circulatie bank in discrediet te
brengen". Een gentleman, in de hooge beteekenis van het woord, gevormd in de werkelijk
beschaafde kringen van het savoir vivre, spreekt
*) De heer Stigter zal, naar wg vertrouwen, wel wil
len gelooven dat de vermelding der bron door een thans
niet meer natesporen oorzaak is achterwege gebleven.
Elk willekeurig nummer van ons blad kan getuigen dat
die bronvermelding regel is.

Bed.

6
en schryft nimmer zoo, om zelfbeleediging te
voorkomen. Maar ook hier herinner ik my
gaarne: tout savoir c'est tout pardonner".
Naar gelang men ouder wordt, is de toepassing
van dat wyze woord veel minder moeilijk,
vooral tegenover jongeren in leeftijd. Te ver
klaren is de houding van den schryver in dit
opzicht wel. Wie niet onpartydig is, mag niet
tot getuigen verleid worden. Daarom verbiedt
immers het burgerlijk recht het getuigenbewijs
tusschen de bloed- en aanverwanten van eene
der partijen in de rechte linie en den echtgenoot
zelf, na een plaats gehad hebbende echtscheiding
(art. 1947 B.W.) en geeft het zelfs het recht om
zich van het afleggen van getuigenis te verschoonen aan hen, om. (art. 1946 B. W.):
Ie. die aan eene der partyen in de zy-linie
bestaan in den tweeden graad van bloedverwant
schap of zwagerschap;
2e. die den echtgenoot van eene der partijen
bestaan in de rechte linie onbeperkt en in de
zy-linie in den tweeden graad.
De overkomst van den yverigen president der
Javasche Bank naar den Haag had ten doel de
verlangde wyzigingen in het octrooi mondeling
by den minister van kolonin te bepleiten met
de overredingkracht van het levende woord. On
der de verlangde veranderingen behoorde: het

7
tweede lid van art. 20 van het octrooi en het
gelijkluidend tweede lid van art. 15 der statuten
te doen vervallen.
Het art. 20 luidde:
lste. De verhouding, waarin het gezamenlijk
bedrag van bankbiljetten, rekening-courant saldi
en andere van de Bank dadelyk opeischbare vor
deringen door munt of muntmateriaal moet zijn
gedekt, wordt door den gouverneur-generaal,
ingevolge onze machtiging, bepaald en in het
Staatsblad van Nederlandsch-Indi bekend ge
maakt. Zy kan voor zooveel noodig van tyd tot
tyd worden gewijzigd;
2e. drie vierde van het specie-depot moet be
staan uit standpenningen.
Op welke gronden meende nu de directie de
wenschelijkheid voor het schrappen van de tweede
alinea te kunnen bepleiten ?
Zy begint met te doen opmerken : Het octrooi
van de Nederlandsche Bank kent deze bepaling
niet" en ze wyst de goede reden daarvoor aan,
door de volgende aanhaling uit de gewisselde stuk
ken tusschen den minister van financin en den
minister van kolonin in 1874: Daar wy hier te
lande een munt hebben, i3 het voor de Neder
landsche Bank onverschillig of haar mefaalvoorraad voor een grooter of kleiner deel uit munt
of uit muntmateriaal bestaat, omdat zij, indien het

8
noodig is, dadelyk kan laten aanmunten en dan
iedere week haren muntvoorraad met een millioen vermeerderen kan. Dit kan de Javasche
Bank niet,"
Welnu, in Indi is nog geen muntinrichting,
derhal ?e bestaat nog de goede reden om een
voorraad standpenningen dadelyk ter beschik
king te hebben, imperatief voorteschrijven. Dit
causaal verband moet zich aan ieder onbe
vooroordeelde onweerstaanbaar opdringen. Dit
leerde mij de ervaring uit het onderhoud, dat
ik met verschillende staathuishoudkundigen heb
gehad. De directie der Javasche Bank ziet ech
ter dien samenhang tusschen oorzaak en gevolg
niet. Hoe is deze ongehoorzaamheid aan de tucht
van het wetenschappelyk denken te verklaren?
Omdat dit de vervulling van het dringend ver
langen der directie bemoeilijkt, behoort te ver
hinderen ? Eigenbelang benevelt velen meer of
minder gemakkelijk, bemoeilijkt onpartijdig den
ken en handelen. Daarom zijn de boven aange
wezen wettelyke voorschriften omtrent het getuigenbewys goed, uitmuntend. Dat mag ook ge
zegd worden van die omtrent de gevallen, waar
in de rechter in burgerlyke en in strafzaken kan
worden gewraakt, b.v.
Ie. indien hy persoonlijk belang bij het ge
schil heeft;

9
2e. indien bij aan eene der partijen in bloed
verwantschap of zwagerschap bestaat tot in den
vierden graad ingesloten;
3e. Enz. enz. enz. (zie Wetboek van Burger
lijke Rechtsvordering en dat van Strafvordering.)
De directie voert ook aan als reden voor de
inwilliging van het verzoek, het verbod van aan
munting uit baren van zilveren standpenningen
door den nederlandschen wetgever in 1874; dit
verbod is nog steeds gehandhaafd, volgens de
Muntwet van 1901!
Maar dat verbod was noodzakelijk om de in
voering van den gouden standaard die allengs
meer door alle staten, in navolging van Duitsch
land, was voorgeschreven mogelijk te maken
en na toepassing van dien standaard de aanmun
ting van gouden standpenningen uit baren voor
rekening van ieder geheel vry te laten. Het ken
merk van standaardmetaal in staathuishoudkun
digen zin, wel te onderscheiden van de aanwij
zing in staatsrechtelijke beteekenis, is immers de
vrijheid van iedereen tot het doen aanmunten
daarvan door de daarvoor aangewezen muntin
richting. Deze vrijheid is dan ook sedert 1875
ten aanzien van het goud voor ieder vastgesteld
en gehandhaafd, opdat een voldoende hoeveelheid
standpenningen voor het geldverkeer zou verze
kerd blijven. Daar evenwel Indi geen muntin-

40
richting heeft, is uit de preemisse : de zilveraan
munting is in Nederland geschorst" niet de ge
volgtrekking afteleiden daarom is niet langer
noodig het octrooi-voorschrift omtrent een mini
mum voorraad nederlandsche standpennigen".
Integendeel. De mogelijke veranderingen aangaan
de het vertrouwen in het bankpapier continueert
de noodzakeiykheid voor de Javasche Bank
die geen muntinrichting in haar nabijheid heeft
om metaaldekking schier geheel uit standpen
ningen te doen bestaan. Mocht het toenemend
gebruik van zilveren standpenningen in Indi
aanvulling van den voorraad daarvan noodzake
lijk maken, en deze in Nederland niet langer ter
beschikking mochten liggen bij de Nederlandsche
Bank, dan zou de nederlandsche wetgever verlof
kunnen geven tot aanmunting van een bepaald
bedrag voor rekening van het indische gouver
nement. De groote winst, hiermee te behalen,
zou Indi tea goede kunnen komen zonder dat in
stryd zou behoeven gehandeld te worden met
eischen der langzamerhand opgelost wordende
muntquaestie in Nederland. Den weinig staat
huishoudkundig ontwikkelden lezer verwijs ik
naar dat gedeelte mijner brochure, waarin de
nederlandsche muntkwestie besproken wordt
en, zoo noodig, naar Pierson's arbeidsvruehten
ten opzichte van de muntkwestie, waaraan m. i.

11
voorrang boven anderer studievruchten nog steeds
toekomt.
De directie zegt in haar rapport: De Javasche Bank zal zich tijdig moeten inrichten om
ook (dan) de goudpariteit in dat grootere verkeer
(beioeld wordt het internationaal verkeer tusschen
Ned.-Indi en Japan, Engelsch-Indi, enz.) te
kunnen handhaven"....
Daartoe kan zij immers zorgen, dat de metaal
dekking ook voor eenige millioenen uit gouden
tientjes bestaat. Ze volgde immers in de laat
ste jaren als regel om een bedrag van ongeveer
f 6 millioen aan vreemde, gouden munt in voor
raad te hebben." Enkele regels verder zegt de
directie : Men behoeft daarbij niet bevreesd te
zijn, dat de circulatie der nederlandsche zilve
ren standpenningen in de kolonin daardoor zal
verminderen. Immers het zilvergeld is en
blijft voor de inlandsehe bevolking van het Oosten
en ook voor onzen Archipel het algemeen circuleerend betaalmiddel." En de regulateur voor
de metaaldekking is immers de stand van het
rentepercent der Javasche Bank voor beleeningen
en disconteeringen. Voor de regeling daarvan
dient immers gelet te worden o.m op:
le. de grootte der metaaldekking-,
2e. de samenstelling uit goud en zilver;
3e. den stand der wisselkoersen in het algemeen;

4*2
4e. de kredietkracht der meest invloedrijke
groote centrale banken in andere staten;
5e. de internationale algemeene politieke ver
houdingen;
6e. den binnenlandschen politieken toestand;
7e den stand van het industrieele en commercieele leven;
8e. normale en abnormale speculatie in de
groote wereld, waarvan de effectenbeurzen ge
zamenlijk en ook de goederenbeurzen, de beweegkrachtige middelpunten zijn.
Een mooie en niet heel gemakkelijke taak is
daarom de leiding van een circulatiebank, waar
aan evenwel door de groote bevoorrechting
der bankbiljetten-uitgifte een behoorlijke dividend-uitkeering verzekerd is, ook al beperkt zij
zichzooals in het belang der bankbiljettenhouders, ja in dat van iedereen, noodig istot trans
actin van eerste klasse soliditeit in overeen
stemming met den geest van het octrooi, opdat
zy, als de Bank der banken, steeds het krediet
volle steunpunt kan zijn, ook in dagen, waarin
het onderling vertrouwen geschokt is of zelfs
dat van het publiek in het bankpapier der bank
van uitgifte mocht verbroken wezen. Daarom
moet de circulatiebank zich dan ook onthouden
van het bankbedryf, in concurrentie met de niet
bevoorrechte banken.

13
Nog een andere beweegreden voert de di
rectie der Javascbe Bank aan voor het verkrygen van het verlangde antwoord op haar
voorstel in de volgende woorden:
De handel heeft zich in de laatste 30 jaren
enorm uitgebreid, zoodat de Nederlandsche Bank
zich dan ook genoodzaakt heeft gezien haren
goudvoorraad voor belangrijke bedragen aantevullen met vreemde gouden muntstukken en met
goud in baren.
De Javasche Bank kan dit niet doen."
Wat bedoelt de directie der Javasche Bank?
De wenschelijkheid aantetoonen van de opheffing
van het voorschrift, bovenbedoeld, dat haar bij
gemis van een muntinrichting in Indi, verplicht
tot den voorraad standpenningen om de krediet
waardigheid der bankbiljetten tegenover opge
wonden, wantrouwig geworden publiek op afdoen
de wijze te verdedigen en om te kunnen voldoen
aan voorkomende afwisselingen in de hoeveel
heid standpenningen, die het publiek voor zijn
dagelijksche verrekeningen behoeft, of noodig
heeft voor den maximum wisselkoers in stand
aardmetaal in economischen zio,tecontinueeren ?
Laat ik de aangevoerde beweegreden even be
spreken. Voor uitvoerige, volledige behandeling
zouden eenige dikke brochures noodig zijn.
De goudproductie is in de laatste tientallen van

u
jaren de transvaalsche oorlog wijzigde den
voortgang eenigen tijd in progessieve richting.
Statistici denken aan den samenhang hiervan met
de algemeene prysverhooging. De circulatieban
ken zyn de instellingen, waar de edele metalen
de standaardmetalen gebracht, verkocht wor
den tegen ontvangst van bankbiljetten. Hierdoor
wordt de credietkracht verhoogd, die onder in
achtneming o. m. van de omstandigheden boven
aangewezen sub. 1 tot 8, leidt tot een zoodanige
regeling van het rentepercent voor disconteeren
en beleener, dat de dadelijk opvraagbare schuld
het bedrag der biljetten in omloop, dat der
rekening-courant saldi en dat der nog niet be
taalde bankassignaties in gepaste mate toe
neemt. Voor de Nederlandsche Bank mag een
groot, een zeer groot bedrag der goudvermeer
dering in baren of in vreemde munten worden
toegelaten, omdat zij in hare nabijheid de staatsmuntinrichting elke week vele tonnen gouds in
magnetisch-glinsterende gouden tientjes kan doen
verwerken. Waar is hier het verband tusschen
de enorme uitbreiding van den handel in de laat
ste dertig jaren en van de vermeerdering van
den goudvoorraad by de Nederlandsche Bank
eenerzyds.,..en het verzoek der Javasche Bank
tot opheffing van het meergenoemde voorschrift
om, met de hooger aangewezen bedoeling by

15
gemis aan een Munt in Java, een voorraad stand
penningen steeds beschikbaar te hebben, die zelfs
nog gelegenheid laat 25 pet. der metaaldekking
uit baren of vreemde munten te doen bestaan?
Ik zoek, maar ik zie het niet. Derhalve ver
valt ook
de merkwaardige conclusie der
directie:
Het is dus dringend noodig, dat die belemme
ring uit het octrooi (bedoeld wordt het voorschrift
m drie vierde gedeelte van het specie-dept uit
standpenningen te doen bestaan) en de statuten
wordt verwijderd, zoowel met het oog op de geld
circulatie in moederland en kolonin, op het inter
nationaal verkeer, als ook ter versterking van de
positie der Bank zelve."
Wel zie ik voor de regeling van het renteper'
cent met het oog op de wisselkoersen, en ook
vind ik voor de vaststelling van den koopprijs van
goud in baren, een bijzondere reden (die niet geldt
voor de Nederlandsche Bank) om, in verband met
de vermeerdering der wereldproductie van goud,
ook door grooteren metaalvoorraad meer krediet
voor handel en nijverheid, allereerst voor die
kringen, die zich vertegenwoordigd zien in da
groote, niet bevoorrechte banken en kredietin
stellingen, dadelijk beschikbaar te hebben.
Laat ik nu nog eens resumeeren in den vorm
van een conclusie van eisch (zooals ik in myn

46

brochure deed) het betrekkelyke gedeelte van de^


directie-nota, als proeve van consequentie!!
Aan
Z. E. den minister van kolonin,
te
's Gravenhage.
Ondergeteekende, de Javasche Bank te Batavia,
ten deze gedomicilieerd ten kantore van enz. enz.
Overwegende.
a. dat tegenover de dadelyk opvraagbare
schuld der Javasche circulatiebank, door den staat
geoctrooieerd, dekking in [standpenningen en in
metaal aanwezig behoort te zijn in verband met:
le. de menigmaal voorkomende veranderingen
in den omvang der bankbiljettenuitgifte;
2e. eventueel ontstaan wantrouwen in de Bank,
waardoor, hoe ongemotiveerd ook, abnormaal veel
bankpapier ter inwisseling wordt aangeboden;
3e. het behoud der normale grenzen voorde
veranderingen in de wisselkoersen;
b. overwegende, dat de bedoelde metaaldekking
in de meeste gevallen eerst dan doeltreffend ge
bruikt zal kunnen worden, als ze in voldoende ma
te, by voorkeur zelfs, als ze bijna geheel uit de
meest gangbare ned. indische standpenningen be
staat ;

17
c. overwegende, dat in Mei December 1874
voor meer dan dertig millioen gulden in den vorm
van rijksdaalders in Nederland is aangemunt;
d. overwegende, dat de zilveraanmunting in Ne
derland is geschorst om de invoering van het gou
den tientje, o. m. als regulateur van een schier
geheel vaste basis der wisselkoersen het wissel
pari in goud voortebereiden;
e. overwegende, dat in 1875 de nieuwe groep
standpenningen de gouden tientjes is inge
voerd ;
f. overwegende, dat een groole voorraad stand
penningen te meer noodig is, o^dat in Ned. OostIndi geen muntinrichting bestaat;
g. overwegende : In de nederlandsch-indische
kolonin heeft men voornamelijk behoefte aan
twee muntsoorten van edel metaal. In de eerste
plaats aan de nederlandsche zilveren standpen
ningen voor de circulatie". (Zie de nota van de
directie der Javasche Bank, de dato den 29en Juli
1907, uitgave H. M. van Dorp & Co., Batavia).
h. overwegende, het zilvergeld is en blijft
voor de inlandsche bevolking van het Oosten en
ook voor onzen archipel het algemeen circuleerend
betaalmiddel" (als boven);
concludeert
dat het Uwer Excellentie moge behagen der Ko
ningin voortestellen het bestaande koninklijke

18

voorschrift: Drie vierde van het specie-depot


moet bestaan uit standpenningen," te doen ver
vallen.
Gedaan, enz. enz.
Wat zou in het strafwetboek voor den staat van
koning Logos tegen zooveel ongehoorzaamheid
wel bedreigd zijn ?
De schryver in de Javdbode blyft ook op deze
belangrijke vraag het antwoord geheel schuldig,
zonder dat hij zich kwijt van zijn taak, die hem
gebiedt het causaal verband tusschen de overwe
gingen, aan zijn advies ontleend, en zyne conclu
sie (het verzoek der Javasche Bank aan de re
geering in den Haag) aantetoonen! Waarom,
waarom dan toch ? Om stilzwygend toetegeven
en dit voor het publiek te cacheeren ?
De meerbedoelde inzender zegt o.m: Een van
de zwakste zijden van de brochure is dat de heer
Stigter het verleden en het heden voortdurend
dooreen haalt, enz. De heer Stigter verliest hier
bij een zeer voornaam punt uit het oog, waardoor
alle beteekenis aan zyne lange redeneeringen met
n slag wordt ontnomen: II faut juger les
crits d'apres leur date.""
Is het nu niet jammer, ik zou haast zeggen
ongepast, dat de criticus nu durft natelaten op
ondubbelzinnige wijze aantetoonen, dat wat juist
was voor 1863, 1870, 1874, zelfs voor 1880, niet

19
meer waar was voor 1908 ten opzichte van de
betrekkelijke onderwerpen in de brochure. Als
hij het kan, waarom laat hij het dan na ? Dat
mocht hij niet nalaten, omdat hij nu beschuldigt,
zonder bewijzen voor de schuld. Mij dunkt, de
criticus, die zich in de Jambode te weinig heeft
weten te cacheeren en te Batavia wel bakend is,
zal zich nu nog meer geprikkeld gevoelen. Jam
mer voor hem. Zslfs als pogingen voor het ge
ven van bewijzen mag toch niet gewezen worden
op deze beide vragende zinnen van kinderlijken
aard:
Zou de heer Stigter soms de eischen voor het
telegrafisch verkeer in 1863 ook voor 1908 als
voldoende willen verklaren ?" Wijst de prijscourant van de vereeniging voor den effectenhandel
te Amsterdam niet, in vergelijking met een koerslijstje van 1863, op een totalen ommekeer in den
internationalen geldhandel ?"
Hierna vertelt de criticus, dat de voorstellen tot
de octrooiwyziging van 1908 aanleiding hebben
gegeven, dat van zekere zyde een bloemlezing
uit de vroegere geschriften van een der meest
eminente adviseurs van de nederlandsche regee
ring is overgelegd om hem schaakmat te zetten
tegen zijn latere adviezen. Daarvan is my niets
bekend en daarover kunnen dus uit eigen ervavaring alleen oordeelen zij, die aan dit geheime

20
spelletje" hebben meegedaan, dat hebben bygewoond. Dat spelletje" wordt nu als inleiding
gebruikt om den lezer te overreden tot de meening, kan het zijn tot de overtuiging, dat de
schrijver der brochure met zijn eigen argument
in de knel raakt." Daarom doet de criticus den
lezer opmerkeD, dat in de brochure meermalen
aanhalingen uit de geschriften van Mr. van den
Berg worden gedaan, waaruit blijkt zijn gemoti
veerde tegenstand tegen de oprichting van een
delegatie te Amsterdam, terwyl de brochure zelf
mededeelt ,welk belangrijk aandeel de heer van
den Berg later heeft genomen in de oprichting van
de delegatie te Amsterdam, waarvan Mr. van den
Berg de eerste gedelegeerde is geweest. Dus Mr.
van den Berg heeft later zelf de uitspraken herroe
pen, waarop de heer Stigter thans het voornaam
ste deel van zyn betoog wil baseereu. Gelukkig
is de heer Stigter zoo verstandig om den oud pre
sident van de Javasche Bank deswege geen verwyt van inconsequentie te maken.''
Dus de consequente" criticus durft te concludeeren : De brochure-schry ver wyst meermalen
aan de gronden, waarop en de redenen waarom
de heer van den Berg, volgens eigen verklaring, de
oprichting van een agentschap te Amsterdam ver
oordeelde en toch is hij de eerste gedelegeerde
te Amsterdam geweest., derhalve heeft Mr. van

21
den Berg zyn vroegere uitspraken herroepen. Vele
jaren van 1873 tot 1889 zelfs veel langer dan
een zijner voorgangers, is Mr. van den Berg presi
dent der Javasche Bank in Indi geweest. Nadat
hij gerepatrieerd is, wordt, in strijd met zyn mee
ning, onder den invloed van zijn opvolger een dele
gatie in Nederland opgericht, en aanvaardt bij de
betrekking van gedelegeerde te Amsterdam. Ligt
hierin nu opgesloten, dat de heer van den Berg zyn
vroegere, gemotiveerde redenen waarom en gron
den waarop hy tegenstander van die delegatie
was, herriep! Kan het niet zyn, dat de heer van
den Berg, wiens onverdeelde belangstelling voor
de Javasche Bank ondubbelzinnig was bewezen,
geen weerstand heeft kunnen bieden om althans
het nieuwe kantoor dadelyk te leiden in de rich
ting, die het minst indruischte tegen die, welke
de heer van den Berg, steeds had bedoeld en wel
degelijk nog bedoelde ? De heer van den Berg had
kort vr zyn aftreden als president der Javasche
Bank in 1889 tegen zyn eigen herhaaldelijk geuite
beginselen en waarschuwingen in, nood gedrongen
voorgesteld den buitenlandschen wisselhandel in
zeer beperkte mate in het octrooi optenemen als
middel o.m. ter belegging van een gedeelte der ope
ratiemiddelen. De omzet der Javasche Bank in
Nederl.-Indi was na de crisis in 1884 zoodanig in
gekrompen, dat de dividenden ten slotte tot 2 a 3

22
pet. daalden. De plotselinge overvloed van geld,
door de krachtige hulp van nederlandsch kapitaal
ontstaan, was daarvan vooral de reden. Dat de
heer van den Berg zijn uitspraken zou herroepen
hebben, daarvoor getuigt toch zeker niet wat hij
vijf jaren geleden schreef in het herinnerings
nummer 1878-1903: Van eene meer of minder
regelmatige verhouding tusschen de operatin op
zuiver indisch gebied en de operatin van de
delegatie in Nederland, in dien zin dat zij tegen
over elkander gelijktijdig stijgen of dalen, blijkt
evenwel niet uit het aan deze bijdrage toegevoegd
overzicht van den omvang en de uitkomsten van
het bedrijf der bank van hare oprichting af." In
zachte woorden wordt dus de opmerking her
haald: voor de Javasche Bank is Indi allereerst
het terrein van werkzaamheid. Zoo had hij steeds
herhaaldelyk zich uitgelaten.

Maar al hadde Mr. van den Berg zijn uitspra


ken herroepen, dan gouden daarom de redenen
waarom en de gronden, waarop zijne conclusies
betrekking hadden, nog niet vervallen zijn; even
min de logische conclusies zeiven. BJ vendien blij
ven de uiteenzettingen en verklaringen, door da
brochure zelve ten beste gegeven. In verband
hiermede wys ik op de woorden in de brochure:
Be verschillende opmerkingen doen andermaal
herinneren aan Mr. van den Berg, die het oprich-

23
ten van een agentschap der Javasche Bank in
Nederland afkeurde, omdat dit afbreuk zou doen
aan het beginsel, dat Nederland en Indi elk in
het bezit heeft gesteld van een geheel zelfstandi
ge en op eigen gezag handelende Centraalbank.
Ter handhaving van dat beginsel is het een eer
ste vereischte, dat beide instellingen hare werk
zaamheden blijven bepalen binnen de grenzen,
haar oorspronkelyk aangewezen."
De schrijver in de Jam-Bode doet my denken
door zijn hoogdravende woorden aan die, welke
ik een dezer dagen aangaande een geheel ander
milieu las in een dagblad:

Maar groote woorden en beleedigingen zijn


de meest onwijze argumenten die mogelijk zijn;
het temperament van den president is zijn vriend
en zijn vijand. Zijn drift en zijn toorn deden
ontaarden zijn drijvende voortvarendheid en geest
kracht."
Volkomen waar is het, dat ik meermalen uit
de geschriften van Mr. van den Berg aanhalin
gen heb gedaan om aantetoonen, dat hij een principieele tegenstander is van de oprichting van
een agentschap der Javasche Bank te Amster
dam. Nuttig acht ik het een dier aanhalingen te
laten volgen. De heer van den Berg schreef de
dato den len Januari 1880 in de Gids als re
pliek op een artikel van den heer B. Heldring

24
tot het bepleiten van de wenscbelijkheid van de
oprichting van een agentschap van de Javasche
Bank in Nederland, o. m. dit:
Hoe ik de zaak ook beschouw, steeds kom ik
tot de conclusie, dat voor het in vroeger jaren in
beraad gebrachte plan om een agentschap van de
Javasche Bank in Nederland te vestigen, met het
doel om haar een werkdadig aandeel in den buitenlandschen wisselhandel te doen nemen, onder de
toen bestaande omstandigheden, desnoods nog iets
zou zijn te zeggen geweest (wat thans echter, met
het oog op de sedert tot stand gekomen vestiging
alhier van de Nederlandsch-Indische Handelsbank
en twee engelsche exchange banks", bezwaarlijk
meer ware vol te houden), maar voor de oprich
ting eener agentuur in een door u bedoelden
geest kan m. i. geen enkel steekhoudend argu
ment worden aangevoerd. Niet alleen kunnen de
belangen van onze deelhebbers er door worden
gecompromitteerd, vooral wanneer onze gemach
tigde eens mocht mistasten in het verleenen van
krediet, waarover dezerzijds nat uurlijk schier geen
afdoende controle mogelijk kan zijn, maar van nog
veel meer gewicht is de bedenking, dat onder om
standigheden, die geenszins tot de zeldzame uit
zonderingen behoeven te behooren, de geldmarkt
alhier daardoor in een zeer ongewenschten, zooal
niet noodlottigen toestand kan gebracht worden".

25
In zyn dupliek van den 30en Mei 1880 (ik wees
hierboven reeds op dezen pennenstryd) liet de
heer van den Berg zich over den handel in buitenlandsche wissels als volgt uit: Voorzeker
ware het mogelijk geweest om hiertoe ook langs
een anderen dan den door ons gekozen weg te
geraken. Wij zouden b.v., in navolging van de
Duitsche Bank, gevoegelijk hebben kunnen voor
stellen om ons insgelijks den handel ia buitenlandsche wissels toetestaan, een operatieveld,
waarop ontegenzeglijk schoone voordeelen, voor
ons vooral, te behalen zyn, en wel met een mini
mum van risico, want sedert ook hier het stelsel
van geconfirmeerde credieten algemeen in zwang
is gekomen, een stelsel, waarvoor ik in mgn toen
malige betrekking van vertegen woordiger der
Nederlandsch-Iadische Handelsbank jaren lang
heb geyverd, is de wisselhandel op een veel
solieder reeler voet gebracht dan vroeger, toen
de zaken, zooals gij u nog wel herinneren zult
op meer huiselijke wyze werden gedreven".
Maar hoe zou een dergelijk plan de hier ope
reerende particuliere banken tegen ons hebben
in het harnas gejaagd ! Reeds nu moeten wij het
verwijt hooren, een verwijt, waarmede ik in vroe
ger jaren zelf meermalen ben voor den dag ge
komen, dat wij de wisselmarkt bederven door het
bescheiden aandeel, dat wij, uitsluitend ten be-

26

hoeve van onze muntoperatin, in den plaatselij


ken wisselhandel nemen, tn het is dan ook inder*
daad niet tegen te spreken dat, bijaldien ons de
macht gegeven werd om op dit gebied naar de
volle maat van onze krachten te opereeren, dit
een hoogst verlammenden, ja vernietigenden in
vloed zou moeten uitoefenen op de operatin
van de zooeven bedoelde credietinstellingen, die
den wisselhandel thans in handen hebben."
De Jambode heeft zich met zichzelf in tegen
spraak gebracht door het artikel van den criticus
voor hare rekening te nemen. In haar nummer
van den 15en Juni 1904 zegt ze immers:
Maar met buitenlandsche wissels verdiende de
bank zelf veel geld meer dan met rente en vreemd
is het dus niet, dat de bank het koopen van die
wissels aan hare concurrenten niet vergemak
kelijkt."
En in haar nummer van den llen Juli 1905
neemt zij als bydrage over een beschouwing over
het octrooi van 1906 van de Nwe Bott. Crt, waar
in voorkomt o. m.:
En zeer beslist is onze meening, dat een alinea
in art. 5 van het ontwerp moet worden gewij
zigd. Naar het bestaande octrooi is de Bank be
voegd tot koopen en verkoopen van wisselbrie
ven, buiten Nederlandsch Indi betaalbaar. Afge
ven mag zij echter alleen assignatin tusschen

27
hare indische kantoren onderling en tusschen
deze kantoren en de delegatie in Nederland.
Thans wordt voorgesteld het afgeven van zicht
wissels of assignatin onbepaald toetelaten. Daar
mede brenge men nu in verband de voorgestelde
wijziging van art. 5, volgens welke de Bank bui
ten Nederlandsch-Indi correspondentschappen
zal kunnen vestigen. Het wordt dan zonneklaar,
dat men aan de Javasche Bank bevoegdheden
wil geven van veel verdere strekking dan zij nu
bezit, ten aanzien van den buitenlandschen wis
selhandel. Zij zal kunnen trekken op en remitteeren naar alle plaatsen van den aardbodem,
zonder eenige beperking dan deze, dat de gekoch
te en verkochte wissels den gebruikelijken loop
tijd moeten hebben, voorts door twee of meer
solidair verbondenen of wel door credielbrieven
of verband van afscheepsdocumenten gedekt moe
ten zijn.
Dit gaat ons weder te ver. Zulk een uitbrei
ding te geven aan den werkkring van een circu
latiebank kan schromelijke gevolgen hebben.
Wat tot dusverre op het gebied van de buitenlandsche wissels aan de Javasche Bank was toe
gestaan, was ruim voldoende en behoefde zeer
zeker niet te worden uitgebreid!
Toch heeft de Javasche Bank in 1906 verlof
gekregen om co-respondentschappen ook buiten

28
Nedertandsch-Indi te vestigen (zie art. 5) althans
met iaachtneming van de voorgeschreven regels.
Als nu nog de beperkende grenzen voor het be^
drag der baitenlandsche wissels waren weggeno
men, dan zou ze geheel vrg geworden zyn....en
tevens bevoorrecht!! Maar belangrijke verrui
ming dier grenzen heeft zij wel verkregen! Re
dres is noodig!"
In de brochure worden verschillende redenen
opgegeven, waarom door de Javasche Bank han
del in buitenlandsche wissels slechts van onder
geschikte beteekenis behoort te zyn en in bedui
dende mate niet mag behooren tot haren duurzamen werkkring. Die redenen worden door de
Java-Bode niet weerlegd. En dat was haar plicht.
Andere onderwerpen, die buiten het kader van
den inhoud der brochure vallen, ter sprake te
brengen, kan slechts de aandacht van de hoofd
zaken afleiden. De regeling van het muntstelsel
b.v. is de taak van den staat, die in verband
daarmede wel aan de verleende bevoorrechting
voorwaarden mag verbinden, zooals ook gedaan is
ten opzichte van de Nederlandsche Bank.
De werkkring van een circulatiebank, die be
voorrecht is, behoort zeer beperkt te zijn. De
bevoorrechting toch wordt haar verleend in het
belang van het algemeen. Haar credielkracht moet
allereerst voor haar kring, voor haar land", ge-

29
bruikt worden en alleen, onder eerste klasse voor
w a a r d e n voor soliditeit, opdat zij geen risico hebbe,
die d e betrouwbaarheid d e r bankjes in g e v a a r k a n
brengen. Daarom m a g voor een bevoorrechte
circulatie-bank slechts beschikbaar komen een
dividend-percent, d a t in omgekeerde reden s t a a t
tot den hoogen graad van soliditeit d e r zaken, die
h a a r mogen worden toegestaan.
D e Javasche Bank heeft a l het verlangde, o n
d a n k s d e persoonlyke bemoeiingen van haar ijverigen president, niet gekregen. H y heeft d u s ook
d e regeering in Nederland niet kuunen overtui
gen. Toch heeft hg nog t e veel weten t e verkrijgen.
De Javabode durft ook concludeeren a l s v o l g t :
En waarlijk, wij vernamen d a t d e h e e r S t i g t e r
leeraar is a a n de handelsschool, doch niet w e r k
zaam in d e praktijk van geld verdienen. D a t
verklaarde ons veel, ook hoe d e s c h r y ver zulke
blunders heeft kunnen begaan, a l s w a a r a a n een
m a n v a n het vak zich niet licht zou schuldig m a
ken."
Den a u t e u r in de Javabode wordt dus veel ver
klaard door een oorzaak, die niet beslaat, want
de schryver van d e brochure w a s van zyn 19e jaar
af in den geldhandel dagelijks werkzaam gedu
rende meer dan 15 jaren en later, toen zijn onder
wijs in boekhouden, slaathuishoudkunde, staatsen administralief recht, handelsrecht by inrich-

30
tingen van middelbaar onderwijs allengs meer tijd
vorderde en hij als kantonrechter-plaatsvervanger
ook geen vreemdeling bleef in de rechtspraktyk,
niet meer dagelijks, maar tot enkele jaren geleden
bleef hij bij die praktijk direct of indirect werkzaam
en genoot het meest onbepaald vertrouwen, door
beperkte en later volledige procuratie, bij authen
tieke akte verleend. Tonnen en tonnen gouds
heeft hij verhandeld in coupons, dividendbewyzen,
beleeningen, prolongaties, vreemde muntspecies,
effecten van allerlei aard, nieuwe leeningen, wis
seis, promessen, etc. etc. Tevens was hij H- van
zijn 25e tot zijn 35e jaar werkzaam als finan
cieel medewerker aan een zeer bekend zeeuwsch
orgaan en nauwelyks twee jaren geleden legde
hij zijn betrekking neer van financieel en econo
misch redacteur van de Groene, die hij een reeks
van jaren met toenemende belangstelling van de
zyde van het publiek waarnam, waarvan ook ge
tuigde het toenemend aantal advertentin van
financieele instellingen. Toen hij de bedoelde re
dactie aanvaardde, werd slechts een dier bedoelde
advertentin opgenomen. Maar bovendien doe ik
den criticus in de Javabode opmerken, dat ook
de mannen van de praktijk zich vreeselijk kan
nen vergissen in hun beleid. Daarvan getuigt
ook de geschiedenis der Javasche Bank, waarin
voorkomen de volgende onderwerpen: Gevolgen

31

van roekeloos crediet verleenen ; oninwisselbaarheid der bankbiljetten !!! "


Voor den schryver in de Javabode moge deze
ervaring ook een waarschuwing wezen om toch
niet al te gaarne een verklaring te zien!!
Ik hoop, dat da schrijver in de Javabode, kalm
en bedaard gewordeD, in menig opzicht zich eeren
zal door zijn excuses aantebieden. Zijn dwalingen
te erkennen, zal moeilyker zyn, ook omdat het
inzien daarvan hem moeilyker moet vallen. Zyn
positie bij de Javasche Bank en zyn belang daar
bij belemmeren, bemoeilijken, verhinderen wel
licht geheel, de onpartijdige, wetenschappelijke
beoordeeling. Dit geldt voor ieder. Ik herinner
ook hierby aan het boven medegedeelde omtrent
de getuigenis in burgerlijke en strafzaken.
Ten slotte nog een opmerking. De Java-Bode
laat den criticus toe voor haar te zeggen: De
heer Stigter was ons tot heden onbekend"....En
zeer vele malen heeft zij naar zijn arbeid van
financieel redacteur van de Groene verwezen.
Bij de hand heb ik toevallig het nummer van
de Java-Bode, waarin een uitvoerig gedeelte
wordt overgenomen van een beschouwing over
de wenschelykheid tot invoering van het chqueen giroverkeer en waarin tevens de oprichting
van een Clearing-House bepleit wordt. Men be
seft hier zegt de Java Bode no. 285 vijftigste

32
jaargang i n het algemeen nog niet h e t g r o o t e
gemak e n tevens het niet onbeduidend voordeel,
d a t d e hulp geeft van een bankier en daarom
drukken wij hier het volgende over uit de laatste
financieele en economische kroniek in de Amster
dammer v a n den heer D. Stigter, een d e r be
k w a a m s t e voorlichters o p dit gebied."
A a n het overgenomen s t u k voegt de Java Bode
toe:
Zou een onzer ondernemende bankiers niet
eens een proef willen nemen op bescheiden schaal
met zulk een clearing-house in het centrum van
Weltevreden ? Het cbqueverkeer zou daardoor
zeer vergemakkelijkt e n wellicht meer algemeen
worden."
Het Bataviaasch Nieuwsblad v n d n 28en
December 1908 kondigt een boekje betreffende
chque- e n giroverkeer, uitgegeven door de Javasche Bank, aan, op zeer uitvoerige wijze, door
het overnemen van een gedeelte van den inhoud.
Aan het slot hiervan spreekt de Javasche Bank
d e hoop uit, d a t door uitbreiding van d e toepas
sing, het bedoelde geldverkeer dat op den d u u r
d e muntvoorraad meer bij d e Javasche Bank kan
worden geconcentreerd, waardoor het expansie
vermogen van de circulatiebank zal worden ver
hoogd en d e geldschaarschte, zooals die in onge
kende mate in den laatsten tijd zich voordeed,

SS
zal worden verbeterd, zoodat de bank niet meer
in die mate als in de laatste maanden, zal
worden genoodzaakt haar rentetarieven te verhoogen ter bescherming van haar metaalvoorraad, zoodra de handel dergelijke hooge eischen
stelt aan de credietverleening der bank."
Deze uitspraak der Javasche Bank is een over
eenstemming met de betrekkelijke gedeelten der
brochure, waarin de wenschelijkheid bepleit wordt,
dat de Javasche Bank in de eerste plaats haar
credietkracht behoort te concentreeren en aantewenden voor Insulinde.
Dat is zij verplicht tegenover de bevoorrech
ting, die zy in groote mate geniet met de bedoe
ling evenwel om het algemeen belang te dienen.
De balans per 31 Maart 1906 wijst niettemin
aan, dat de Javasche Bank ruim vyf en een kwart
millioen gulden in Nederland op prolongatie had
uitstaan. Volgens de balans per 31 Maart 1908
was dat bedrag zelfs ruim tien millioen. Het
jaarverslag over het boekjaar 1907/8 meldt, dat
op den 31en Maart 1907 de prolongatie in Neder
land ruim 10 en een kwart millioen was. Op
blz. 56 van dat jaarverslag is een abuis in het
bedrag hier bedoeld, geslopen. Voor den 31en
Maart 1906 is vermeld als prolongatie in
Nederland f 1.923.000. Dit is het bedrag voor
den 31en Maart 1905. Ik denk hierbij aan de slip

u
of the pen in de brochure op blz. 46, regel 8 tot
11, waar het prolongatiebedrag in Nederland in
aanmerking genomen werd by het bedrag der
metaaldekking. Het betoog ten opzichte van het
prolongatie-onderwerp wordt daardoor evenwel
niet verzwakt. Op blz. 32 is geomitteerd, dat de
weekbalans niet meer, zooals vroeger, zes weken
achter is, maar up to date wordt opgemaakt.
Na voortgezette studie van het onderwerp zie
ik steeds meer bezwaren ten opzichte van de
grenzen voor den werkkring der Javasche Bank.
Hierover wellicht later. Ik blijf dan ook op de
in mijn brochure aangewezen gronden bezwaar
houden tegen verschillende bepalingen in het oc
trooi betreffende:
le. den handel in buitenlandsche wissels, spe
ciaal wat betreft de ruimere grenzen voor dien
handel;
2e. de delegatie in Nederland en wat daarmee
samenhangt.
Door verder studie in dit bankvraagstuk is hier
bij gekomen o.m.:
3e. de vestigingen van correspondentschappen
buiten Nederlandsch-Indi om de redenen, uiteen
gezet door de Nwe Rott. Crt. en boven vermeld;
4e. de vaststelling van het octrooi door konink
lijk besluit (die vervangen behoort te worden
door vaststelling by de wet); en

35
5e. aangaande de winstverdeeling, waarop de
Java-Bode van den 15en Juni 1904 no. 139, reeds
logische critiek heeft uitgeoefend.
De schrijver in de Java-Bode, die men als lid
der redactie liet optreden, heeft reeds een belang
rijke taak. De talrijke belangstellenden en de
vele belanghebbenden in Insulinde en in Neder
land verwachten nu de kalme, bedaarde, streng
logische redeneering, die steeds het kenmerk be
hoort te zyn van het ernstig trachten naar we
tenschappelijk redeneeren, m.a.w. naar betoogen,
met weglating van hoogdravende woorden en
personaliteiten, waardoor zwakheid wordt ver
raden en in herinnering gebracht wordt de woor
den van de Rulhires:
Vingt ttes ; vingt avis
Cherchons la vrit; mais d'un commun accord:
Qui discute a raison; mais qui dispute a tort.
D. STIGTER.
Bussum, den 19en Januari 1908.