Você está na página 1de 24

Economie: Begrippen

Preferenties van een consument zijn volkomen subjectief en afhankelijk van de eigen individuele voorkeur. Behoeften van de mens worden bepaald door: -Sociologische factoren (mensen horen tot een bepaalde bevolkingsgroep): 1. Gezinssituatie 2. Sociale klasse 3. Religie 4. Woonplaats 5. Nationaliteit -Psychologische factoren (consument als persoon): 1.Persoonlijkheid 2. Levensstijl. Bandwagoneffect: elkaar nadoen; snobeffect: exclusief gedragen 3. Attitude 4. Demonstration effect (vb reclame op tv) Eerste wet van Gossen: Naarmate men meer beschikt over een aantal eenheden van een bepaald goed, daalt voor de consument het nut dat de laatste eenheid aan het totale nut toevoegt. In plaats van het nut van de laatst toegevoegde eenheid, spreken we ook wel over het marginale nut of grensnut van een goed. Budgetlijn = lijn der mogelijkheden = de rechte die de combinaties van twee goederen weergeeft die de consument met een bepaald budget kan aanschaffen, rekening houdende met de prijzen van de goederen. Nominaal inkomen: inkomen in geldeenheden. Rele inkomen: de hoeveelheid goederen en diensten die we voor een bepaald inkomen kunnen kopen. De koopkracht wordt gevormd door het rele inkomen. Indien de budgetlijn dus evenwijdig naar rechts verschuift, spreken we van een rele toename van het inkomen (= toename koopkracht) Een prijsdaling (of prijsstijging) wijzigt de helling van de budgetlijn. Qv=f(P) => Qv = - aP+b Als P stijgt zal Q dalen Als P daalt zal Q stijgen Uitzonderingen: - Snobgoederen - Inferieure goederen - Giffen paradox ( vb. Prijst stijgt => Qv stijgt, maar de Qvandere voeding daalt) De individuele vraagcurve geeft weer welke hoeveelheden van een bepaald goed de consument bereid is te kopen tegen een reeks van prijzen. 1

Een beweging langs de vraagcurve zelf is duidelijk het gevolg van een wijziging van de prijs. Verschuivingen van de individuele vraagcurve door: - Veranderingen in het inkomen - Veranderingen in de preferentieschaal - Veranderingen in de prijs van andere goederen Complementaire goederen: Deze goederen bevredigen samen een behoefte waarbij men ze enkel in bepaalde verhoudingen benut (vb auto-benzine) Substitueerbare goederen: Zij kunnen elkaar in bepaalde verhoudingen vervangen zonder dat het niveau van de behoeftebevrediging verandert. Collectieve of marktvraag: De totale hoeveelheid die alle consumenten in de markt vragen tegen een reeks van prijzen. Stijging of daling van marktvraag door: - De preferenties van de consumenten - De grootte en de samenstelling van de bevolking - Het inkomen - De inkomensverdeling - De toekomst vooruitzichten - Het vermogen ( Pigou-effect: Door een daling van het algemeen prijsniveau de rele waarde van de liquide middelen toeneemt, waardoor de consumptie stijgt.) - De prijzen van andere goederen Prijselasticiteit van de vraag: De verhouding tussen de procentuele (relatieve) verandering van de gevraagde hoeveelheid van een goed en de procentuele (relatieve) verandering van de prijs van dat goed. Ev : Procentuele verandering van de gevraagde hoeveelheid Procentuele verandering van de prijs Of in formule: Als Ev = .1 of |Ev| = 1 Unitair prijselastische vraag: bepaalde prijsverandering leidt tot een evenredige verandering van de gevraagde hoeveelheid. ( Loodrecht op bissectrice ) Als Ev < -1 of |Ev| > 1 Prijselastische vraag: een bepaalde prijsverandering leidt tot een meer dan evenredige verandering van de gevraagde hoeveelheid (vlakke curve) Als -1 < Ev < 0 of |Ev| < 1 Prijsinelastische vraag: Prijsverandering leidt tot een minder dan evenredige verandering van de gevraagde hoeveelheid. (steile curve)

Volkomen prijsinelastische vraag: Ev = 0 Verandering in de prijs veroorzaakt geen verandering in de gevraagde hoeveelheid. Dit kan voor goederen van de eerste levensbehoefte (vb.water) of bij mensen met rg hoge inkomens. Volkomen prijselastische vraag: Ev = Consument is uiterst gevoelig voor prijsveranderingen. Dit komt vooral bij luxegoederen. De hoogte van de prijselasticiteit van de vraag hangt af van o.a: - De aard van de behoefte - Het aandeel van de uitgaven voor een bepaald goed in het budget van de consument - Het inkomensniveau van de consument - De substitueerbaarheid van het goed - De beschouwde tijdsperiode Voor ondernemingen: TO = P. Q De kruiselinge prijselasticiteit van de vraag: De verhouding tussen de procentuele verandering van de gevraagde hoeveelheid van een bepaald goed x en de procentuele verandering van de prijs van een goed y. Formule: Gevolgen: zie p 30 Engelkromme (of inkomensvraagcurve): Het verband tussen de gevraagde hoeveelheid van een goed (bij gegeven prijzen en preferenties) en het inkomen van de consument grafisch wordt voorgesteld. Inkomenselasticiteit van de vraag = de verhouding tussen de procentuele verandering van de gevraagde hoeveelheid van een goed en de procentuele verandering van het inkomen van de consumenten. Formule: |Ey| > 1, inkomenselastische vraag: inkomen stijgt; gevraagde hoeveelheid van het goed neemt meer dan evenredig toe. |Ey| < 1, inkomensinelastische vraag: inkomen stijgt, gevraagde hoeveelheid van het goed neemt minder dan evenredig toe. Bij inferieur goed kan de inkomenselasticiteit neg. waarden aannemen. De vraag daalt als het inkomen stijgt (bv bij hoger inkomen schakelt men over nr boter ipv margarine)

Wet van Engel: is een ervaringsregel. Bij stijging van het inkomen dalen procentueel de uitgaven voor voeding en nemen de uitgaven voor luxegoederen procentueel toe. Als Y = 0 => noodzakelijke consumptie Uit Tr (sociale uitkering, Transfert) Inkomen van gezinnen: 1. Uit arbeid 2. Uit beleggingen 3. Uit sociale vergoedingen 4. Toevallig inkomen Uitgaven: 1. Consumeren 2. Sparen Yg + Tr = Cgb + Sg + Tdg + Tr Verdiend inkomen + sociaal inkomen = consumptie gezin bij bedrijven + sparen gezinnen + Directe belasting gezinnen + bijdrage aan sociale zekerheid(verplicht sparen! Niet in S) Y=C+S Sparen: Het gedeelte van het beschikbaar inkomen dat overblijft nadat de consumptieve uitgaven voldaan werden. - Doelsparen - Veiligheidssparen - Pensioensparen - Voorzorgsparen - Oppotten of beleggen Spaarquote: Het meetinstrument om de spaarneiging van de particulieren weer te geven is de spaarquote. Dit is het aandeel van het beschikbaar inkomen dat e particulieren sparen. s = S/Y Consumptiequote: c = C/Y c+ s = 1 Factoren die het spaargedrag van de gezinshuishoudingen bepalen: - Leeftijd - Kredietmogelijkheden - Meer vrouwen aan het werk => twee inkomens - Sociale zekerheid (Hoe sterker de SZ, hoe zwakker de spaarquote) Factoren op korte termijn: - Veranderingen in inflatiepeil - Inflatie => verbonden met rente-evolutie. Toename inflatie => verhoging rente => stimuleren sparen => vraaginflatie bestrijden - Hoog- of laagconjunctuur - Toegankelijkheid krediet

Als de inflatiestijging de nominale renteverhoging overtreft daalt de rele rente. Gevolgen: Substitutie-effect: De consumptie neemt toe omdat de rele vergoeding van het sparen afgenomen is. Vermogenseffect: De spaarneiging verhoogt om het reel vermogen op peil te houden. In principe Interest >= inflatieritme Indexcijfer der consumptieprijzen: Meet de evolutie van de prijzen bij verbruik. (tov een bepaald basisjaar) Voorwaarden: - Representatief - Soepel zijn - Moet gewogen zijn Voordeel: Als nominaal inkomen omhoog gaat, dan stijgt de index en blijft het reel inkomen constant. Nadeel: Loon-Prijs spiraal

Producenten
Bedrijven = Investeren en produceren - Industrile bedrijven - Handelsondernemingen => Primaire, secundaire, tertiaire en quartaire (non-profit, gezondheidszorg) sectoren => Organogram : interne organisatie van bedrijf Optimale productiegrootte is de cruciale vraag voor een bedrijf! Winst: De winst die een onderneming maakt, is gelijk aan de totale opbrengsten ( door verkoop geproduceerde goederen of diensten) minus de totale kosten TW = TO TK2 Productiefunctie: Geeft het verband weer tussen enerzijds de omvang van de productie en anderzijds de hoeveelheid ingezette productiefactoren. Dit resultaat wordt als de Productiviteit aangeduid Output problemen Input productiefactoren Produceren: Het scheppen van nuttigheid Kosten: Noodzakelijke offers om te kunnen produceren.

Bedrijfskolom: Opeenvolgende stappen van grondstof tot consument (alleen eigenaars van het product) Totale productie: Opbrengst van de ingezette productiefactoren gedurende een bepaalde tijd. Marginale productie: Meeropbrengst wanneer de hoeveelheid van de variabele productiefactor (hier arbeid) met n eenheid toeneemt. Men spreek ook wel over de marginale arbeidsproductiviteit. MP = TP / A Gemiddelde productie (=GP): de gemiddelde opbrengst van n eenheid van de (variabele) productiefactor. Een andere term is (gemiddelde) arbeidsproductiviteit. GP: TP / A Wet van de toe- en afnemende meeropbrengsten: Is een ervaringsregel die leert dat, als men aan een constant gehouden productiefactor (bv.grond) achtereenvolgens eenheden van de variabele productiefactor (bv.arbeid) toevoegt, de TP eerst meer dan evenredig en vervolgens minder dan evenredig toeneemt met de variabele productiefactor. Productiekosten: Voor elke werknemer, elke machine en elke kg grondstof moet men een bepaalde prijs betalen. Die noemt men productiekosten. Totale constante kosten: De totale constante kosten( =TCK) blijven onveranderlijk binnen de gegeven productiecapaciteit (=korte termijn) en veranderen niet met de omvang van de productie. Totale variabele kosten (=TVK): Afhankelijk van de productie, bv grondstofkosten. Ook kosten van arbeid zijn een goed voorbeeld. Totale kosten: Totale constante kosten plus de totale variabele kosten. Gemiddelde constante kosten: Totale constante kosten gedeeld door de productieomvang: TCK / Q Gemiddelde variabele kosten: TVK / Q Gemiddelde totale kosten: TK / Q of GCK + GVK Marginale kosten: TK / Q of : TVK / Q Optimale bezetting: Het minimum van de GVK (= optimale bezetting) Technisch optimale punt: De productieomvang die vanuit kostenoogpunt het gunstigst is. Volkomen concurrentie of volledige mededinging: Dit is de marktvorm waarin de prijs van het product voor het individuele bedrijf een gegeven vormt.

Breakevenpunt: Totale opbrengst en totale kosten zijn precies gelijk. De aanbodcurve valt samen met het stijgende deel van de MK-curve vanaf het minimum van de GVK-curve (snijpunt van de MK met de GVK). Men moet ook hier een onderscheid maken tussen een beweging langsheen de aanbodcurve en een verschuiving van de aanbodcurve. Prijselasticiteit van het aanbod: De mate waarin de aangeboden hoeveelheid van een bepaald goed gevoelig is voor een wijziging in de prijs van dit goed. Ea: Procentuele verandering van de aangeboden hoeveelheid ----------------------------------------------------------------------------------------Procentuele verandering van de prijs Of in formulevorm:

Ea= +1 => Unitair prijselastisch aanbod: Een bepaalde prijsverandering leidt tot een evenredige verandering van de aangeboden hoeveelheid. Ea > +1 => Prijselastisch aanbod: Een bepaalde prijsverandering leidt tot een meer dan evenredige verandering van de aangeboden hoeveelheid. Ea < +1 => Prijsinelastisch aanbod: Een bepaalde prijsverandering leidt tot een minder dan evenredige verandering van de aangeboden hoeveelheid. Ea= => Volkomen prijselastisch aanbod: Er bestaat geen verband tussen prijs en aangeboden hoeveelheid. Het houdt in dat de marginale productiekosten constant blijven. De aanbodcurve heeft een horizontaal verloop. Ea=0 => Volkomen prijsinelastisch aanbod: Een prijsverandering heeft geen verandering in de aangeboden hoeveelheid tot gevolg. Per dag staat het aanbod vast ongeacht de prijs. De aanbodcurve heeft een verticaal verloop. Twee factoren die de prijselasticiteit benvloeden: - De aard van het product - De beschouwde tijdsperiode

Prijsvorming
Zie de tabel p89!!
Volkomen concurrentie: - Veel vragers en aanbieders, die elk maar een klein deel van de markt vertegenwoordigen. Beiden zijn prijsnemer: ze moeten de prijs op de markt als een gegeven ding accepteren. Ze kunnen slechts hun hoeveelheid aanpassen => hoeveelheidsaanpassers - De markt is volkomen doorzichtig of transparant - De markt is voor iedereen volledig toegankelijk - Men verhandelt een homogeen product, d.w.z. dat er geen kwaliteitsverschillen zijn tussen de aangeboden goederen en diensten. De vier kenmerken leiden tot n prijs. Een verschuiving van de collectieve vraagcurve kan het gevolg zijn van een verandering van: - De preferenties van de vragers - De prijzen van andere goederen - De inkomens van de vragers - Het aantal vragers Men kan in het prijsvormingsproces ingrijpen door: - Vernietiging van een gedeelte van het aanbod - Het stockeren van productie-overschotten (bv. melkplas van EU) - Overheidsacties (oa. Subsidies voor exporteren) Wet van Davenant King (landbouw!) Als de aangeboden hoeveelheid stijgt, dan daalt de prijs meer dan even en daalt de totale opbrengt. Als de aangeboden hoeveelheid daalt, dan stijgt de prijs, alsook de totale opbrengst. Voorbeeld van overheidsacties: EU (vroeger Gemeenschappelijk Landbouw Beleid = GLB) 1ste fase: produceren aanmoedigen, wat snel leidde tot overschotten, waardoor de TO daalde 2de fase: Beschermen van producent dmv invoeren minimumprijs (hoger dan marktprijs) 3de fase: exportsubsidies Monopolie: - Een aanbieder met veel vragers - Kan prijs bepalen zonder rekening te houden met andere bieders Overheidsmonopolie : De overheid neemt met uitsluiting van particulieren de productie van zekere goederen of diensten ter hand. Natuurlijk monopolie: Een bedrijf beschikt als enige over bepaalde grondstoffen.

Feitelijk monopolie: De monopolie onstaat doordat een ondernemer erin slaagt al zijn concurrenten uit de markt te dringen. Monopolie: zie figuren p97-99 Oligopolie: - Enkele aanbieders en veel vragers Oligopolitsen met hetzelfde product: Homogeen oligopolie Oligopolisten met verschillende aangeboden goederen: Heterogeen oligopolie Benedenwaartse prijsstarheid: De prijzen hebben niet de neiging om te dalen. Non-price competition: Concurreren met andere instrumenten dan de prijs Monopolistische concurrentie: - Veel aanbieders met heterogene producten - Productdifferentiatie: Producten onderscheiden zich door hun kwaliteit, dienstbetoon, vormgeving, levertijd Monopolistische concurrentie = streven naar maximale winst => MO=MK

Middelen om in te grijpen in de prijsvorming


Programmaovereenkomst: Overeenkomst met verplichtingen op het gebied van de toegepaste prijzen. Opleggen van maximumprijzen of marges Opgelet!: Indien tekort => zwarte markt. Het stelsel van de prijsverhogingsaangifte: Voor ondernemingen die behoren tot de limitatieve lijst van bedrijfsactiviteiten geldt dat zijn, vooraleer over te gaan tot een prijsverhoging, eerst een aanvraag moeten voorleggen aan de Afdeling Prijzen en Mededinging.

Macro-economische grootheden
Economische kringloop: Schema volledig kennen!
Product (p): De totale waarde van de goederen en diensten die gedurende n jaar zijn geproduceerd. Bestedingen: De totale uitgaven die gedurende n jaar naar de producenten vloeien. Inkomen: Het bedrag gedurende n jaar verdiend voor productieve prestaties. -Gezinnen: Consumeren en sparen -Bedrijven: Productie en Investeringen (P en I) -Overheid: - productie van collectieve goederen en diensten - Herverdelen van Y -Buitenland: Import en Export (M en X) Bruto-investeringen ( Ibr ): - vervangingsinvesteringen ( Iv ) - netto-investeringen ( In ) Vervangingsinvesteringen: Deze investeringen voert men door om de bestaande kapitaalgoederen te vervangen, ze vergroten de bestaande productiecapaciteit niet. Afschrijvingen of Depriciaties (Iv =D): De interne bron die de vervangingsinvesteringen financiert. Netto-investeringen ( Iu + Is = In = Sg + Sb): Deze worden samengesteld uit uitbreidingsinvesteringen vermeerderd met de toename of verminderd met de afname van de voorraden ( => voorraadswijzigingen). Uitbreidingsinvesteringen ( Iu ): Deze dienen om de bestaande productiecapaciteit te verhogen. Een bedrijf voert ook investeringen uit door het aanleggen van voorraden. Mogelijkheden: - Lenen => Banken:uit Sg (Yg - Cg ) - Aandeelhouders: beurs - Uit winst: Dividenden: in Ygb Belastingen: Tdb Rest (reserveringen) Zelffinanciering: Sb Voorraden ( Is ): Deze ontstaan bij bedrijven omdat in werkelijkheid de gezinnen een deel van de voortgebrachte consumptiegoederen niet aankopen.

Enkele formules
- bp = Cgb + Iv + Iu +Is brutoproduct = waarde van verkochte consumptiegoederen plus de waarde van de bruto-investeringen

10

np = bp - Iv = (Cgb + Iu + Is) Nettoproduct = brutoproduct min de vervangingsinvesteringen OF de waarde van de verkochte consumptiegoederen plus de waarde van de netto-investeringen. - nb = Cgb + In Nettobestedingen = consumptieve bestedingen van gezinnen plus nettoinvesteringen. Y = Ygb + Yb (Cgb + Sg + Sb) Netto-inkomen = inkomen dat de gezinnen ontvangen van de bedrijven plus nietuitgekeerde winsten (=reserves) - np = nb = Y (ex post) nettoproduct = nettobestedingen = netto-inkomen - In + Sg + Sb Netto-investeringen = som van de besparingen van de gezinnen en de bedrijven. - Iv + D Vervangingsinvesteringen = afschrijvingen

Bruto toegevoegde waarde: som hiervan is = bp Netto toegevoegde waarde: Bruto TW D Collectieve goederen en diensten: Goederen en diensten die de gemeenschap gratis krijgt aangeboden of onafhankelijk van de marktprijs. Overheidsconsumptie ( Co = Ygo + (Cob + Do): De waarde van deze goederen en diensten (= overheidsconsumptie) schat men in de nationale boekhouding per conventie tegen kostprijs. OF Overheidsconsumptie = wedden overheidspersoneel + (levering van consumptiegoederen en diensten van bedrijven aan overheid + afschrijvingen) Directe belastingen (Td): Geheven op het inkomen van de gezinnen (Tdg) en winsten van bedrijven (Tdb). Indirecte belastingen (Ti): Belasting op goederen en diensten. Parafiscale ontvangsten (sociale zekerheid): Dit zijn de RSZ-bijdragen (= transfer (=Tr)) Subsidies: Bedrijven krijgen deze met de bedoeling de marktprijs van de geproduceerde goederen en diensten te drukken. Overheid kan sparen (So) of ontsparen (-So)

11

Bruto binnenlands product tegen marktprijzen (bbpm): Dit registreert de bruto toegevoegde waarde die ontstaat op het Belgisch grondgebied (door ingezetenen en niet-ingezetenen). In een open economie: Bedrijven : Cgb + Cob + Ibr + (X-M) Overheid: Ygo + Do Bruto nationaal product tegen marktprijzen (bnpm): Dit meet de bruto toegevoegde waarde die ontstaat door de productiefactoren arbeid en kapitaal die eigendom zijn van Belgische ingezetenen. Bnpm = bbpm + Xy + My = Cgb +Co + Ibr + (X-M) + (Xy My) Xy = primaire inkomens ontvangen door de eigen ingezetenen in het buitenland. My = primaire inkomens betaald aan het buitenland Bnpf = bnpm Ti + Sub. Nnpm= bnpm D

Nationaal inkomen en werkgelegenheid


Gemiddelde consumptiequote: De verhouding (C/Y)=c is het gedeelte van het nationaal inkomen dat men consumeert. Gemiddelde spaarquote: De verhouding (S/Y)=s is het gedeelte van het nationaal inkomen dat men spaart. Marginale consumptiequote (cm): Geeft aan hoeveel de consumptieve bestedingen veranderen ( = C) als het inkomen verandert ( = Y) cm = C/ Y Marginale spaarquote (sm): Dit geeft aan in welke mate de besparingen veranderen (S) als het inkomen verandert (=Y). C = cm . Y Wat bepaalt de hoogte Y= NNPf - De vraag bepaalt het aanbod (Keynesiaans) - Aanbod bepaalt de vraag (Aanbod-ec. of Supply-side Economics) Autonome consumptie: Zelfs al is Y=0 bestaat er toch een consumptie om aan de levensnoodzakelijke behoeften te voldoen. Mensen moeten eten, zich kleden en wonen. Dit is autonome consumptie. C = cm . Y + Caut Spaarfunctie: S = sm . Y - Caut Aanduiding bij grafieken In werkelijkheid: - cm niet constant, maar dalend - sm stijgend 12

C-curve degressief stijgend en S-curve progressief stijgend (ze snijden elkaar op oneindig) Dalend Y: C eerst constant, dan trapsgewijs dalen (Ratchet-effect) C > Y => ONTSPAREN

Autonome investeringen (Iaut) : Dit zijn voorgenomen investeringen (Iex ante), die evenwel geen rechtstreeks verband met de aangroei van het nationaal inkomen hebben. Bv. : investeringen in bv. scholen, wegen, Effectieve vraag: Dit is de som van wat de gezinnen willen besteden aan consumptiegoederen en wat de bedrijven van plan zijn te investeren. EV = C + Iex ante Inkomensevenwicht: EV = nationaal inkomen Wat bepaalt EV-curve? - Hoogte: Caut - Helling van de curve: cm - Hoogte: Saut Investeringsmultiplicator: Dit definieert men daarbij als de toename van het nationaal inkomen gedeeld door de toename van de investeringen (Y/ I) Of k = 1 / 1-cm of I . k = Y Belastinglek: Deel van de koopkracht die weglekt door de belastingsheffing. Invoerlek: Deel van de inkomens vloeit naar het buitenland voor de betaling van importgoederen. Genduceerde investeringen: Investeringen die afgeleid zijn van de vraag naar consumptiegoederen en dus van wijzigingen in Y. Accelerator (of acceleratiecoff.): Drukt de mate uit waarin de (genduceerde) investeringen toenemen door een toename van het nationaal inkomen. a = Ii / Y Deficit spending: Vb. Regeringen voert grote openbare werken uit met leningen. Hierdoor minder werklozen, grotere vraag en waarna lage rentetarieven particuliere investeringen mogelijk maakte en herstel versnelde. Gevolg: grotere consumptie. Overbesteding: Besteders willen meer kopen dan dat er kan geproduceerd worden. Onderbesteding: De effectieve vraag is te klein om volledige tewerkstelling te realiseren. Bestedingsevenwicht: De effectieve vraag zorgt voor full employment. Conjuncturele werkloosheid: Een inkrimping van de bestedingsneiging doet de vraag naar arbeiders dalen. Dit is te wijten aan veranderingen aan de vraagzijde van de economie.

13

Structurele werkloosheid: Structurele factoren aan de aanbodzijde van de economie veroorzaken werkloosheid. Kwantitatieve structurele werkloosheid: Het aantal arbeidsplaatsen is te klein voor de beroepsbevolking. Kwalitatieve structurele werkloosheid: Werkloosheid die veroorzaakt wordt doordat het aanbod van arbeid niet over de vereiste kwaliteiten beschikt. (vb onvoldoende diploma) Seizoenswerkloosheid: Maatschappelijke (vb. vakantie) of natuurlijke (vb. oogst) omstandigheden creren tijdelijk een arbeidsplaats. Enmaal het seizoen voorbij valt de job weg. Frictiewerkloosheid: Iemand verandert, vrijwillig of noodgedwongen, van werk en vindt niet meteen een nieuwe betrekking. Verdoken werkloosheid: Op het eerste gezicht zijn ze niet werkloos. Het zijn personen die hun plaats op de arbeidsmarkt slechts ten dele of nog niet hebben ingenomen (vb Bio-ingenieur die werkt als bediende). Technische werkloosheid: Werkloosheid ten gevolge van overmacht (bv. brand, bestellingen die tijdelijk sterk teruglopen, ) Beroepsbevolking: Alle personen van 15 jaar of ouder die in Belgi wonen en die zich op 30 juni van een bepaald referentiejaar op de arbeidsmarkt aanbieden (=werkenden) of willen aanbieden (=werklozen). Bevolking op arbeidsleeftijd: Personen van 15 tot 64 jaar. Activiteitsgraad: Beroepsbevolking / Bevolking op arbeidsleeftijd Werkzaamheidsgraad: Tewerkstelling / bevolking op arbeidsleeftijd Werkloosheidsgraad: Werklozen / Totale beroepsbev. Werkgelegenheidsgraad of werkzaamheidsgraad: De verhouding tssen de effectief werkenden en de bevolking op arbeidsleeftijd. Belgische loonindexering: De lonen volgen automatisch de opwaartse trend van het indexcijfer der consumptieprijzen. Vicieuze cirkel, zie p183

14

Geld, monetair beleid en inflatie


Chartaal geld: Dit zijn munten en bankbiljetten. Standaardmunten: Uitsluitend geslagen uit edel metaal! - nominale waarde = metaalwaarde - Vrij aanmuntbaar - Wettig betaalmiddel Tekenmunten: Geslagen uit edel metaal! - Intrinsieke waarde < nominale waarde. - Niet vrij aanmuntbaar - Onbeperkte, wettige betaalkracht.=> Wet van Gresham: de slechte munt verdrijft de goede munt uit de omloop. Pasmunten: Geslagen uit onedel metaal. - Intrisieke waarde veel lager dan nominale waarde - Niet vrij aanmuntbaar - Een beperkte betaalkracht Representatief papiergeld: Ontstond doordat handelaars standaardmunten deponeerden bij kassiers en in ruil ontvangstbewijzen kregen. Deze documenten : - Kregen een dekkingscofficient in edele metalen die gelijk was aan 100% - Waren inwisselbaar voor goud. Fiduciair papiergeld: Men gaf meer bankbiljetten uit dan de voorraad edele metalen wettigde. - Dekkingscofficint in goud was lager dan 100% - Inwisselbaar voor goud Ruil- of verkeersvergelijking van I. Fisher: De geldstroom moet gelijk zijn aan de goederenstroom of M . V =P . T M: maatschappelijke geldhoeveelheid V: omloopsnelheid van het geld P: het algemeen prijspeil T: het bbp naar volume Metallisme: Bij de vernoemde soorten papiergeld fungeerde goud en/of zilver als maatstaf. D.i. metallisme. Conventioneel papiergeld: - De dekking in goud is lager dan 100% - Niet inwisselbaar voor goud (= papieren standaard of nominalisme) - Dankt koopkracht aan een verplichting van de overheid aan de burgers om het betrokken geld in betaling te aanvaarden. Muntstandaard: - Metallisme: met mono en bi metallisme - Gouden standaard (voor WO I) - Goud-dollar standaard (Stelsel van Bretton-Woods, na 1944)

15

Giraal geld: Immaterieel. Ontstaat door deposito van bankbiljetten bij een kredietinstelling. Is een betaalmiddel dmv debiteren (verminderen) of crediteren (vermeerderen) van rekeningen. Elektronisch geld (e-money): Is een vorm van giraal geld, wordt via elektronische weg getransfereerd. Bv. Proton Single Euro Payments Area (SEPA): En Europese betaalzone. Binnen deze betaalzone moeten de transacties even vlot, goedkoop en met dezelfde garanties verlopen als in n land. Quasi-geld: Niet onmiddellijk beschikbaar, omdat het werd toevertrouwd aan een kredietinstelling voor een bepaalde termijn (gewoonlijk minder dan n jaar). M1: chartaal geld en giraal geld M2: M1 + depositos met vaste looptijd tot en met 2 jaar, deposito met opzegtermijn tot en met 3 maanden M3: M2 vermeerderd met o.a. de repos, schuldbewijzen met looptijd tot en emt 2 jaar. Geldsubstitutie: Omzetten van chartaal geld in giraal geld (of omgekeerd) zonder dat de maatschappelijke geldhoeveelheid wijzigt. Geldschepping of creatie: Eleke handeling waardoor de maatschappelijke geldhoeveelheid in een land aangroeit (tegengesteld: geldvernietiging). interest omlaag! Vormen van geldschepping: - Emissie van bankbiljetten door de ECB (ECB heeft mogelijkheid am chartaal geld in omloop te brengen => bank van depositobanken, dus lender of last resort). Ze kunnen de kredietinstellingen ter hulp snellen i.g.v tijdelijke liquiditeitsproblemen. - Uitgifte van munten via de nationale centrale banken van de eurozone - Geldschepping ingevolge een overschot in de lopende betalingen met het buitenland of kapitaalinvoer - Geldcreatie ingevolge kredietverstrekkingen van de kredietinstellingen aan bedrijven, gezinnen en de overheid. M = Maatsch. Geldhoeveelheid (giraal + chartaal geld) Geldscheppen ( M omhoog, door k.r.c omlaag)=> laagconjunctuur, economie aanmoedigen Geld vernietigen (M omlaag, door k.r.c omhoog) => hoogconjunctuur, economie afkoelen Geldscheppings- of kredietmultiplicator (omgekeerde van kasreserve coff. (k.r.c.)): De cofficint waarmee men, rekening houdend met een bepaald kasreservecofficint, het oorspronkelijk deposito in chartaal geld bij een bank moet vermenigvuldigen om de totale maatschappelijke geldhoeveelheid te bepalen na girale geldcreatie door kredietinstellingen. Actieve geldsfeer: Men wendt het geld aan om dagelijkse betalingen te verrichten. Het blijft actief in de geldstroom.

16

Inactieve geldsfeer: Ingezetenen van een volkshuishouding brengen het geld niet in omloop. Dit kan uit voorzorg of uit speculatie. Oppotten: van actieve naar inactieve geldsfeer Ontpotten: omgekeerde van oppotten Monetaire politiek Eurosysteem: De monetaire politiek beoogt de benvloeding van de geldhoeveelheid en.of van de geldomloopsnelheid. Inflatie: Aanhoudende algemene prijsstijging van de consumptiegoederen. Creeping inflation: Sluipende of kruipende inflatie, wnnr de jaarlijkse toename van het algemeen prijspeil minder dan 3 4% bedraagt. Galloping inflation: Galopperende inflatie, met inflatiepercentages van meer dan 10% Hyper inflation: Inflatie, waarbij het algemeen prijspeil zeer snel en zeer steil verhoogt. Infessie: inflatie + recessie Stagflatie: stagnatie + inflatie Deflatie: algemene prijsdaling Vraaginflatie (of bestedingsinflatie of conjuncturele inflatie of demand pull inflation): De vraag naar goederen/diensten overstijgt de productiecapaciteit. Kosteninflatie (of cost push inflation of aanbodinflatie of structurele inflatie): Verhoogde kosten voor het vervaardigen van goederen of het presteren van diensten. Ingevoerde inflatie: Ontstaat door prijsverhogingen van de goederen en diensten die Belgi invoert. Monetaire inflatie: Wanneer de productiecapaciteit volledig benut is, kunnen de goederentransacties niet meer toenemen en moet de prijs stijgen. GEVOLGEN INFLATIE - Een daling van export en toename import, indien onze inflatie > buitenlandse inflatie - Het aantasten van de rentabiliteit van de ondernemingen wanneer loonstijgingen groter zijn dan de productiviteitsstijgingen. - Een sterk fluctuerende inflatie => risicofactor! Inflatie op lange termijn => verhoogt rele kost kapitaal => ontmoedigt investeringen - Daling van de koopkracht als de lonen niet of gedeeltelijk gendexeerd zijn. - Verzwaring van het progressieve belastingstelsel als het niet gendexeerd is. - Rele daling van de koopkracht van de financile activa met een vaste nominale waarde. - Inflatie is voor schuldenaars voordelig! - Lopende inkomsten en uitgaven van overheid stijgen. Agflatie: Prijsstijgingen van de alimentaire grondstoffen op de internationale markten.

17

Gevoelsinflatie: Het verschil tussen de inflatieperceptie en de werkelijke inflatie.

Het internationale betalingsverkeer


Wisselkoers: De prijs van een buitenlands valuta uitgedrukt in de valuta van het eigen land. Wisselmarkt: Deze bepaalt de hoogte van de wisselkoers en is niet aan n geografische plaats verbonden. Aankoopkoers of biedkoers: De prijs die banken willen betalen voor valutas die worden aangeboden. Verkoopkoers of laatkoers: De prijs waartegen de banken valutas verkopen. Vraag naar en het aanbod van vreemde valutas: 1. Vanuit eurozone vraag naar allerlei vreemde valutas voor betalingen ivm: - De invoer van goederen en diensten van buiten de eurozone - Primaire inkomens naar buiten de eurozone - Inkomensoverdrachten naar buiten de eurozone - Het aankopen van aandelen of obligaties van buiten de eurozone door ingezetenen van de eurozone - Investeringen buiten de eurozone van ingezetenen van de eurozone 2. Buiten de eurozone vraag naar euro om betlaingen te verrichten ivm: - De uitvoer van goederen/diensten van de eurozone naar buiten de eurozone. - Primaire inkomens van buiten de eurozone - Inkomensoverdrachten van buiten de eurozone - Aankopen van euro-aandelen of obligaties door niet-ingezetenen van de eurozone - Investeringen in de eurozone door niet-ingezetenen van de eurozone Wisselkoers: wisselmarkt voldoet aan de voorwaarden van volkomen concurrentie: - Zeer veel importeurs en exporteurs, beleggers en investeerders, die niet de macht hebben de wisselkoers te benvloeden - De wisselmarkt is volledig toegankelijk - De wisselmarkt is doorzichtig of transparant - Elke vreemde valuta is een volkomen homogeen product Vaste wisselkoers: Schommeling van een koers blijft hierdoor binnen de perken, dankzij een officile wisselkoers van de monetaire overheid. Bovenste interventiepunt: Plafond van de koers Onderste : Bodem van de koers Devaluatie: De monetaire overheid verlaagt de officile koers van een valuta. Bretton Woods-systeem: Met de Gouddollarstandaard. De munten van de deelnemende landen werden vastgekoppeld aan de USD, die zelf tegen een vaste koers in goud kon worden omgeruild. De USD was dus een sleutelvaluta.

18

Europees Monetair Stelsel (EMS): Schommelingen in koersen toegestaan tot 2,25% (zwakke munten 6%) van de afgesproken waarden (spilkoersen). Euro: Europese eenheidsmunt Economische convergentiecriteria: Criteria voor deelname aan EMU - Inflatiecriterium: inflatie moet stabiel zijn dwz max. 1.5% hoger dan de gem. inflatie v/d 3 lidstaten met de laagste inflatie - Rentecriterium: Langetermijnrente (10 jaar) mag max. 2% boven de gem. rente van de lidstaten met de laagste inflatie liggen. - Wisselkoersstabiliteit: De nationale valuta moet tenminste de laatste 2 jaar binnen de smalle schommelingsmarge van het MES-wisselkoersmechanisme zijn gebleven zonder ernstige spanningen. - Overheidstekort: mag max 3% van het bbp bedragen - Overheidsschuld: max 60% van het bbp of dat de overheidsschuld voldoende afneemt en de referentiewaarde nadert in een bevredigend tempo. Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB): Vervult cordinerende functie van het monetaire beleid tussen de eurozone en andere landen van de EU Pro/Contra EMU: - Uitschakeling van de wisselrisicos - Vermindering van de transactiekosten - Bevordering van de doorzichitgheid van de markt - Vorming van een euroblok - Geloofwaardigheid en duurzaamheid EMU - Eenvoudiger monetair beleid - Grotere macro-economische stabiliteit - Eenvormige jaarrekeningen - Contra: Verlies van monetaire onafhankelijkheid - Verlies van de munt als economische barometer - Noodzaak aan fiscale en sociale harmonisering Stabiliteitspact: Het deficit in de lidstaten van de EMU mag nooit meer dan 3% van het bbp bedragen, behalve bij uitzonderlijke gebeurtenissen. Groeipact: Luik van Stabiliteitspact over cordinatie van het economisch beleid en de stimulering van de tewerkstelling Europees Monetair Stelsel II: Kandidaat EMU-lidstaten moeten 2 jaar deelnemen aan dit wisselkoerssysteem. Dit systeem koppelt de munten van de EU- lidstaten die niet deelnemen aan de euro, aan de euro. Dit lidmaatschap is geheel vrijwillig. Betalingsbalans: Systematisch overzicht van alle economische transacties tussen de eigen ingezetenen en die van andere landen, voor een bepaalde periode, meestal n jaar. Betalingsbalans op transactiebasis: Men neemt alle transacties op bij het afsluiten van de transacties zelf. Men schrijft de transacties dus in, ook als ze geen aanleiding geven tot geldoverdracht.

19

Lopend verkeer: Transacties die direct samenhangen met het proces van productie, verdeling en besteding van het nationale inkomen. Goederenverkeer: Dit vermeldt de waarde van de in-en uitvoer van goederen. Handelsbalans: De rekening van het goederenverkeer. Dienstenverkeer: Deze rekening omvat alle diensten (niet-stoffelijk) verstrekt aan of verkregen van het buitenland. Inkomens: Deze omvatten - Arbeidsinkomens - Inkomens uit beleggingen en investeringen Lopende overdrachten: Deze rekening omvat de inkomensoverdrachten aan en van het buitenland zonder vroegere, huidige of toekomstige economisch tegenprestatie. Deze omvatten: - Particuliere overdrachten - Overheidsoverdrachten Kapitaalverkeer: Bestaat uit: - Kapitaaloverdrachten - Niet-financile niet-geproduceerde vaste activa Financieel verkeer: Het gezamenlijke saldo van het lopend verkeer en het kapitaalverkeer vormt het saldo van het financieel verkeer. Oorzaken van een betalingsbalansonevenwicht 1. Conjucturele aard - Internationale economische conjunctuur - Het (relatief) kosten- en prijspeil tov het buitenland Kortetermijn kapitaalbewegingen - Het renteniveau in binnen en buitenland - Speculatie 2. Structurele aard - Wijzigingen in de internationale arbeidsverdeling - Landen zoals Mexico, Brazili hadden zon grote schuld dat ze niet eens hun rente konden terugbetalen - Uitputting van bepaalde natuurlijke hulpbronnen. - Nieuwe technieken benvloeden de opbrengst van investeringen en zo de richitng van de kapitaalbewegingen. 3. Oorzaken van toevallige aard - Internationale grondstofprijzen - Klimatologische omstandigheden Fundamenteel of structureel onevenwicht betalingsbalans: Wanneer het lopend verkeer en het kapitaalverkeer samen per saldo een tekort of een overschot vertonen en het om een omvangrijk bedrag gaat dat lange tijd blijft duren.

20

Het internationale handelsverkeer


Invoerquote (m): De verhouding tussen de waarde van de invoer van goederen en diensten tov de waarde van het bruto binnenlands product tegen marktprijs. OF: m = (M / bbp) .100 Uitvoerquote (x): De verhouding tussen de waarde van de uitvoer van goederen en diensten tov de waarde van het bruto binnenlands product tegen marktprijs. OF: x = (X / bbp) . 100 Openheidsgraad: x = (X / (bbp + M)) .100 Export gedeeld door bbp + import maal honderd Intrastat-stelsel: Deze neemt de handel met EU-landen, de intracommunautaire handel, waar. Extrastat-stelsel: Deze neemt de handel met de niet-EU-landen waar op grond van douane-documenten. Dekkingscofficint: De waarde van goederenuitvoer in procenten van de goedereninvoer. Nettoruilvoet (terms of trade): Indexcijfer van de eenheidswaarden bij uitvoer Indexcijfer van de eenheidswaarden bij invoer . 100

Voordelen internationale vrijhandel: - Internationale arbeidsverdeling leidt tot specialisatie - Afzetmarkten worden groter - Consumenten profiteren van lagere prijzen in het buitenland - De keuzemogelijkheden van de consument worden groter - Een betere kwaliteit door een grotere efficintie. Protectionisme: Allerlei maatregelen van de overheid om de binnenlandse economie te beschermen tegen buitenlandse concurrentie. Protectionistische maatregelen verdedigt men op basis van deze argumenten: - Opvoedingsargument (infant industry argument) - Lageloonlanden-argument - Het antidumpingargument - Het zelfvoorzieningsargument (self-supporting) - Werkegelegenheidsargument (Beggar your neighbour) Dumping: Producten die in het buitenland verkocht worden tegen een lagere prijs dan de prijs waartegen men dezelfde goederen in het binnenland levert. Sociale dumping: Lonen liggenuitermate laag en van SZ is er meestal geen sprake

21

1.Tarifaire belemmeringen Invoerrechten of douanerechten: Belasting die men heft aan de grens op de ingevoerde goederen. Specifieke rechten: Invoerrechten die geheven worden op de hoeveelheid. Ad-valorem rechten: Invoerrechten die geheven worden op de waarde. 2. Niet-tarifaire belemmeringen Importquote of contingenten: Beperken de hoeveelheid va een bepaald goed dat men nog mag invoeren. Economische boycot: Totaal verbod van handel met een bepaald land Embargo: Dezelfde bedoeling als boycot, maar is beperkter van omvang. Ook: Invoeren van administratieve en/of technische voorschriften. De wereldhandelsorganisatie 1. GATT (General Agreement on Tariffs and Trade): 1944 (nooit echt) 2. WTO (World Trade Organisation): nu Clausule van de meest begunstigde natie: Een lager tarief toegestaan aan n handelspartner moet men automatisch ook toekennen aan alle andere landen die lid zijn van WTO. Globalisering: Het verschijnsel waarbij de onderlinge verwevenheid van de nationale economien toeneemt. Globalisatie-index: Meet de economische, politieke en sociale dimensie van de globalisatie en dit voor 122 landen. Andersglobalisten (democratisch globalisten): ook rechtvaardige arbeidsvoorwaarden, mensenrechten, milieuwetten, sociale rechten, Doha ontwikkelingsagenda: Onderhandelingen over de afbouw van de wereldwijde invoerheffingen en niet-tarifaire handelsbarrires. UNCTAD (United Nations Conference on Trade and Development): Permanente organisatie van VN waarin de handelsnoden van de ontwikkelingslanden meer aan bod komen. OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling): Ontstaan door Marshallhulp, om deze te cordineren en om het handels-en belastingsverkeer weer op gang te brengen. Economische integratie: Gebeurt wanneer verschillende landen op economisch en sociaal gebied samenwerken, met het doel tot een grotere economische eenheid te komen. Vrijhandelszone: De deelnemende landen komen overeen de onderlinge handelsbelemmeringen af te schaffen, terwijl elke deelnemer zijn eigen handelsbelemmeringen tegenover derde landen blijft behouden. Europese Vrijhandelsassociatie: vb van vrijhandelszone (Elk eigen buitentarief!) Oa. CEFTA (Centraal-Europees), NAFTA (Noord-Amerika), FTAA ( Amerikas), ...

22

Douane-unie: Verdergaande vorm van economische integratie dan de vrijhandelszone. (oa Benelux-unie, MERCOSUR(Arg, Bra, Par, Uru) ) Gemeenschappelijke markt : Wanneer in de douane-unie ook een vrij verkeer van productiefactoren toegelaten wordt. Economische Unie: Cordineert naast de gemeenschappelijke markt ook het economisch en sociaal beleid in die landen. (vb EU)

Conjunctuur en economische groei


Conjunctuurbeweging: De opeenvolging van een periode van snellere en tragere economische groei (soms daling). Hoogconjunctuur: Periode waarin de groeivoeten voortdurend hoger liggen dan de trend. Laagconjunctuur: Periode waarin de groeivoeten voortduren lager liggen dan de trend. Expansiefase: Groeivoet neemt toe. Boom: Hoogtepunt Recessie: Groeivoeten dalen, maar nog steeds groter dan de trend Depressie: Groeivoeten dalen zodanig dat ze lager worden dan de trend. Slump: Dieptepunt. Economisch herstel

Overheid
Rijksbegroting: De wetgevende handeling waarbij men enerzijds alle voorgenomen staatsuitgaven voor een bepaald jaar en anderzijds alle verwachte ontvangsten om deze te betalen raamt en toestaat. Wordt gesplitst in 2 elementen: - Algemene uitgavenbegroting: Deze groepeert alle uitgaven van de staat in n begrotingsdocument. - Rijksmiddelenbegroting: Deze bevat alle staatsinkomsten Begrotingsprincipes: - Enjarigheid (annaliteit) - Specialitiet - Algemeenheid van de begroting en rekening Primaire uitgaven: - Overheidsconsumptie (bv lonen ambtenaren, aankopen goederen of diensten) - Overheidsinvesteringen (bv wegen, schoolgebouwen) - Transferten aan de gezins- en bedrijfshuishoudingen en het buitenland. Overheidsuitgaven: Primaire uitgaven + rentelasten

23

Overheidsontvangsten: - Fiscale en parafiscale ontvangsten: Sociale zekerheidsbijdragen Personenbelasting Belasting op vennootschapswinsten Heffingen op overige inkomens en op het vermogen Belastingen op goederen en diensten Niet-fiscale en niet-parafiscale ontvangsten

Financieringssaldo: Ontvangsten -Uitgaven (exclusief rentelasten) (=primaire uitgaven) = Primair Saldo -Rentelasten = Netto Financieringssaldo (NFS) NFS / BBP (X100) : Maastrichtnorm= 3% Overheidsschuld: - Entiteit 1: - Entiteit 2

Schuld van de federale overheid Schuld van de sociale zekerheid Schuld van de deelstaten (gemeenschappen en gewesten) Schuld van de lokale overheden (provincies, gemeenten, OCMWs)

Overheidsschuld = Geconsolideerde brutoschuld Schuldgraad van de overheid: Verhouding tussen geconsolideerde brutoschuld en bbp

24